2010-07-01 | BWBR0012289 | Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
This commit is contained in:
parent
069fa12439
commit
1dbe676b1a
1 changed files with 473 additions and 551 deletions
|
|
@ -596,71 +596,55 @@ Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen
|
|||
|
||||
##### 4.1.1. Vrijstellingen
|
||||
|
||||
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft:
|
||||
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw wordt ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door de Minister van BuZa aan te wijzen landen;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland.
|
||||
|
||||
Voor vreemdelingen uit deze landen staat echter wel de mogelijkheid open om bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen ten einde hun verblijfsaanspraken vooraf te laten toetsen, zodat ook zij vroegtijdig weten of hun verblijfsrecht toekomt.
|
||||
b. de gemeenschapsonderdaan, voorzover niet reeds vrijgesteld op grond van een aanwijzing, als bedoeld onder a;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e), kind, partner of (schoon)ouder van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeenschapsonderdaan in artikel 1 Vw).
|
||||
Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e), kind, partner of (schoon)ouder van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeenschapsonderdaan in artikel 1 Vw).
|
||||
c. de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Voor deze vrijstelling dient beoordeeld te worden of de vreemdeling in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en in staat kan worden geacht daar de behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. Hierbij wordt aangesloten bij B8/4.4. Voor de procedurele aspecten wordt in dit kader verwezen naar B8/4.
|
||||
Voor deze vrijstelling dient beoordeeld te worden of de vreemdeling, al dan niet onder voorwaarden, in staat is te reizen. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. Hierbij wordt aangesloten bij B8/3.4. Voor de procedurele aspecten wordt in dit kader verwezen naar B8/3.
|
||||
d. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
Het Nederlandse beleid is er op gericht de opsporing en vervolging van hen die zich aan mensenhandel schuldig maken, zoveel mogelijk te bevorderen. In dat opzicht is van groot belang dat slachtoffers en getuigen van mensenhandel aangifte doen van mensenhandel en dat slachtoffers op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr. Met de verblijfsregeling zoals neergelegd n artikel 3.48 Vb wordt beoogd te voorkomen dat het slachtoffer of de getuige van mensenhandel afziet van het doen van aangifte of dat het slachtoffer afziet van het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, uit vrees Nederland te worden uitgezet als illegale vreemdeling. In dat verband wordt er op gewezen dat het slachtoffer of de getuige ingevolge artikel 8, onder k, Vw gedurende een bedenktijd van maximaal drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland kan verkrijgen. In dat geval wordt nog geen verblijfsvergunning verleend.
|
||||
|
||||
Het Nederlandse beleid is er op gericht de opsporing en vervolging van hen die zich aan mensenhandel schuldig maken, zoveel mogelijk te bevorderen. In dat opzicht is van groot belang dat slachtoffers en getuigen van mensenhandel aangifte doen van mensenhandel en dat slachtoffers op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr. Met de verblijfsregeling zoals neergelegd n artikel 3.48 Vb wordt beoogd te voorkomen dat het slachtoffer of de getuige van mensenhandel afziet van het doen van aangifte of dat het slachtoffer afziet van het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, uit vrees Nederland te worden uitgezet als illegale vreemdeling. In dat verband wordt er op gewezen dat het slachtoffer of de getuige ingevolge artikel 8, onder k, Vw gedurende een bedenktijd van maximaal drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland kan verkrijgen. In dat geval wordt nog geen verblijfsvergunning verleend.
|
||||
Ingeval het noodzakelijk is dat de getuige-aangever in Nederland verblijft nadat de aangifte is gedaan, kan de in artikel 3.48 Vb bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang dat in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
Ingeval het noodzakelijk is dat de getuige-aangever in Nederland verblijft nadat de aangifte is gedaan, kan de in artikel 3.48 Vb bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang dat in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
Aan het slachtoffer van mensenhandel die aangifte doet of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr, kan de in artikel 3.48 Vb bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan wel de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte nog niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
Aan het slachtoffer van mensenhandel die aangifte doet of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr, kan de in artikel 3.48 Vb bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan wel de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte nog niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
Het mvv-vereiste wordt hierbij niet tegengeworpen.
|
||||
|
||||
In het geval van de getuige-aangever kan de verblijfsvergunning eerst worden verleend, indien het OM de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst acht voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Ook in die situatie wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Er dient wel proces verbaal van de aangifte opgemaakt te zijn.
|
||||
e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw;
|
||||
e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw;
|
||||
f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;
|
||||
|
||||
*Toelichting e en f*
|
||||
|
||||
Het mvv-vereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
|
||||
|
||||
Het ontbreken van een mvv wordt evenmin tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Hierbij is van belang dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook indien een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw en vervolgens in aanmerking wenst te komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Voor de beoordeling of er sprake is van voortzetting van verblijf is dan niet van belang of de eerdere vergunning verlengd zou zijn of dat de vergunning na twee maanden is ingetrokken in verband met een wijziging in de situatie in het land van herkomst. Van belang is wel dat de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, ontvangen is (zie artikel 3.82 Vb en B1/5.1).
|
||||
Het ontbreken van een mvv wordt evenmin tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Hierbij is van belang dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook indien een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw en vervolgens in aanmerking wenst te komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Voor de beoordeling of er sprake is van voortzetting van verblijf is dan niet van belang of de eerdere vergunning verlengd zou zijn of dat de vergunning na twee maanden is ingetrokken in verband met een wijziging in de situatie in het land van herkomst. Van belang is wel dat de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, ontvangen is (zie artikel 3.82 Vb en B1/5.1).
|
||||
g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;
|
||||
h. de vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het EG-verdrag, dan wel de echtgenoot of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat;
|
||||
|
||||
De geregistreerde partner dan wel ongehuwde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, Vb kan van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld worden, de vreemdeling:
|
||||
Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, Vb kan van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld worden, de vreemdeling:
|
||||
|
||||
a. die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw of als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
|
||||
a. die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw of als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
De vreemdeling die voor diens negentiende levensjaar ten minste vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw kan in aanmerking komen voor wedertoelating tot Nederland. Indien de vreemdeling minderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Indien de vreemdeling meerderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Hiermee verhoudt zich niet dat het mvv-vereiste wordt tegengeworpen. Dit onderdeel komt grotendeels overeen met artikel 52a, onderdeel g, van het voormalige Vb, met dien verstande dat toegevoegd is de categorie vreemdelingen die in diezelfde periode geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland hebben verbleven. Het is redelijk laatstgenoemde vreemdelingen niet anders te behandelen om de enkele reden dat het rechtmatig verblijf geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland is doorgebracht.
|
||||
De vreemdeling die voor diens negentiende levensjaar ten minste vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw kan in aanmerking komen voor wedertoelating tot Nederland. Indien de vreemdeling minderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Indien de vreemdeling meerderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Hiermee verhoudt zich niet dat het mvv-vereiste wordt tegengeworpen. Dit onderdeel komt grotendeels overeen met artikel 52a, onderdeel g, van het voormalige Vb, met dien verstande dat toegevoegd is de categorie vreemdelingen die in diezelfde periode geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland hebben verbleven. Het is redelijk laatstgenoemde vreemdelingen niet anders te behandelen om de enkele reden dat het rechtmatig verblijf geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland is doorgebracht.
|
||||
b. van twaalf jaar of jonger, die in Nederland is geboren en naar het oordeel van de Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die:
|
||||
|
||||
• sedert het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of als Nederlander; of
|
||||
• op het moment van de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, Vw en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
• sedert het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of als Nederlander; of
|
||||
• op het moment van de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, Vw en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
|
||||
|
||||
Kinderen van twaalf jaar of jonger die in Nederland zijn geboren, vanaf dat moment onafgebroken in Nederland woonachtig zijn en naar het oordeel van de Minister feitelijk zijn blijven behoren tot het gezin van een van de ouders die sinds de geboorte van het kind in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning, komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien zij feitelijk (zijn blijven) behoren tot het gezin van die ouder. Als hoofdregel geldt dat één van de ouders binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind moet indienen om het verblijfsrecht mede geldig te maken voor het kind.
|
||||
|
||||
Is het kind evenwel niet direct na de geboorte aangemeld dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. In dat geval kan de verblijfsvergunning worden verleend indien naar het oordeel van de Minister genoegzaam is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in Nederland heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Gelet op het feit dat deze kinderen in Nederland zijn geboren, is het niet rechtvaardig om de aanvraag af te wijzen omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv. Hetzelfde geldt ten aanzien van kinderen die in Nederland zijn geboren uit een ouder die op het moment van die geboorte rechtmatig in Nederland verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt evenmin verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Tot de hier bedoelde categorie behoren onder meer de kinderen die tijdens de procedure in Nederland worden geboren uit een ouder die aansluitend op die procedure in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning. Tevens zijn vrijgesteld andere kinderen die in Nederland zijn geboren op een moment waarop de ouder op een der andere in artikel 8 Vw genoemde gronden rechtmatig in Nederland verbleef, bijvoorbeeld in verband met de aangifte van mensenhandel, of tijdens de vrije termijn, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning.
|
||||
c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 21a Vw;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
Is het kind evenwel niet direct na de geboorte aangemeld dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. In dat geval kan de verblijfsvergunning worden verleend indien naar het oordeel van de Minister genoegzaam is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in Nederland heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Gelet op het feit dat deze kinderen in Nederland zijn geboren, is het niet rechtvaardig om de aanvraag af te wijzen omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv. Hetzelfde geldt ten aanzien van kinderen die in Nederland zijn geboren uit een ouder die op het moment van die geboorte rechtmatig in Nederland verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt evenmin verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Tot de hier bedoelde categorie behoren onder meer de kinderen die tijdens de procedure in Nederland worden geboren uit een ouder die aansluitend op die procedure in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning. Tevens zijn vrijgesteld andere kinderen die in Nederland zijn geboren op een moment waarop de ouder op een der andere in artikel 8 Vw genoemde gronden rechtmatig in Nederland verbleef, bijvoorbeeld in verband met de aangifte van mensenhandel, of tijdens de vrije termijn, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning.
|
||||
c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 21a Vw;
|
||||
|
||||
Onderdeel k ziet op feitelijk in Nederland verblijvende afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie in Nederland.
|
||||
|
||||
|
|
@ -668,64 +652,46 @@ Geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire
|
|||
|
||||
Na beëindiging van de bijzondere geprivilegieerde status van de hoofdpersoon kan het voorkomen dat de geprivilegieerde hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Dit kan het geval zijn indien één of meer van de afhankelijke gezinsleden nog minderjarig is of als één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet minimaal tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op basis van een bijzondere geprivilegieerde status. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Deze vrijstelling houdt verband met het feit dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, het feit dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en het feit dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Gelet hierop is het niet redelijk van deze afhankelijke gezinsleden een mvv te verlangen.
|
||||
|
||||
Personeelsleden van internationale organisaties en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status (de uitgezonden status) op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin onder andere bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Deze personeelsleden en hun meerderjarige afhankelijke gezinsleden kunnen onder omstandigheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12). Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Onderdeel c ziet niet op de afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een internationale organisatie. Echter, ten aanzien van hen geldt evenzeer dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Daarom is evenmin redelijk van hen een mvv te verlangen. Daarmee wordt voor deze categorie toepassing gegeven aan artikel 3.71, vierde lid, Vb.
|
||||
Personeelsleden van internationale organisaties en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status (de uitgezonden status) op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin onder andere bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Deze personeelsleden en hun meerderjarige afhankelijke gezinsleden kunnen onder omstandigheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12). Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Onderdeel c ziet niet op de afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een internationale organisatie. Echter, ten aanzien van hen geldt evenzeer dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Daarom is evenmin redelijk van hen een mvv te verlangen. Daarmee wordt voor deze categorie toepassing gegeven aan artikel 3.71, vierde lid, Vb.
|
||||
d. die ten minste zeven jaren werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Onderdeel l ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De Vw is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie artikel 3.34 tot en met 3.38 Vb en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de Wav en de Vw wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
Onderdeel l ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De Vw is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie artikel 3.34 tot en met 3.38 Vb en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de Wav en de Vw wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
e. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Dit onderdeel heeft betrekking op vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80. Deze zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het Associatiebesluit 1/80 geeft rechten aan Turkse werknemers die behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie houdt het recht zoals neergelegd in het Associatiebesluit 1/80 om na een bepaalde periode van legale arbeid de arbeid voort te kunnen zetten, noodzakelijkerwijs in dat de betrokken vreemdeling een recht van verblijf heeft. Volgens het Hof wordt aan de erkenning van die rechten door artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 niet de voorwaarde gesteld dat het legale karakter van de arbeid door de Turkse werknemer wordt gestaafd door het bezit van een specifiek administratief document, zoals een verblijfsvergunning. Als wordt vastgesteld dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt en uit dien hoofde recht heeft op een verblijfsvergunning kan het ontbreken van een geldige mvv hem niet worden tegengeworpen. In de meeste gevallen zal de desbetreffende werknemer echter verkeren in een situatie van voortzetting van verblijf of reeds op grond van enige andere vrijstelling van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat verblijfsrechten niet slechts uit artikel 6, maar ook uit enkele andere artikelen van het Associatiebesluit 1/80 kunnen voortvloeien.
|
||||
f. die in aanmerking komt voor terugkeer naar Nederland op grond van artikel 8 van de Remigratiewet;
|
||||
f. die in aanmerking komt voor terugkeer naar Nederland op grond van artikel 8 van de Remigratiewet;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Dit onderdeel heeft betrekking op de vreemdeling die met gebruikmaking van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet een verblijfsvergunning aanvraagt. Hierbij gaat het zowel om de ouder als het (meerderjarige) kind die eerder in Nederland hebben verbleven. Door de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet (en daarmee tevens naar het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet) is verzekerd dat de vrijstelling alleen van toepassing is op de vreemdeling die voor de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking komt. Deze bepaling ziet derhalve niet op de vreemdeling die op grond van eerdere of andere remigratieregelingen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en die wil terugkeren naar Nederland. De vreemdeling die binnen één jaar na remigratie uit Nederland op grond van de Remigratiewet een aanvraag om verblijf in Nederland indient en die direct voorafgaande aan de remigratie uit Nederland gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning, komt op grond van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Uit artikel 10, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet volgt dat alleen voor de terugkeeroptie in aanmerking komt, de vreemdeling die drie jaar in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning onder een beperking van niet-tijdelijke aard. De beperkingen van tijdelijke aard zijn voor het bepaalde bij en krachtens de Remigratiewet geregeld in de Regeling Aanwijzing vreemdelingen wegens verblijf voor een tijdelijk doel (Stcrt. 2000, 62). Uiteraard is de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet alleen van belang voorzover daaruit het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voortvloeit. In andere gevallen kan de vreemdeling op grond van deze terugkeeroptie een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. In het laatste geval kan de desbetreffende aanvraag niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een mvv. Overigens verdient het de voorkeur dat deze vreemdelingen vóór hun terugkeer naar Nederland een mvv aanvragen. Artikel 8 van de Remigratiewet heeft ook betrekking op kinderen van vreemdelingen. Ook deze kinderen kunnen van de terugkeeroptie gebruikmaken en zijn daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste. Concreet betekent dit, dat vrijgesteld is de vreemdeling die direct voorafgaande aan de remigratie als minderjarig kind van de ouder in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning of als Nederlander en binnen een jaar na de remigratie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet met de ouder naar Nederland terugkeert. Tevens is vrijgesteld de vreemdeling die binnen een jaar na de remigratie meerderjarig is geworden en vervolgens zelfstandig naar Nederland terugkeert.
|
||||
Dit onderdeel heeft betrekking op de vreemdeling die met gebruikmaking van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet een verblijfsvergunning aanvraagt. Hierbij gaat het zowel om de ouder als het (meerderjarige) kind die eerder in Nederland hebben verbleven. Door de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet (en daarmee tevens naar het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet) is verzekerd dat de vrijstelling alleen van toepassing is op de vreemdeling die voor de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking komt. Deze bepaling ziet derhalve niet op de vreemdeling die op grond van eerdere of andere remigratieregelingen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en die wil terugkeren naar Nederland. De vreemdeling die binnen één jaar na remigratie uit Nederland op grond van de Remigratiewet een aanvraag om verblijf in Nederland indient en die direct voorafgaande aan de remigratie uit Nederland gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning, komt op grond van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Uit artikel 10, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet volgt dat alleen voor de terugkeeroptie in aanmerking komt, de vreemdeling die drie jaar in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning onder een beperking van niet-tijdelijke aard. De beperkingen van tijdelijke aard zijn voor het bepaalde bij en krachtens de Remigratiewet geregeld in de Regeling Aanwijzing vreemdelingen wegens verblijf voor een tijdelijk doel (Stcrt. 2000, 62). Uiteraard is de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet alleen van belang voorzover daaruit het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voortvloeit. In andere gevallen kan de vreemdeling op grond van deze terugkeeroptie een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. In het laatste geval kan de desbetreffende aanvraag niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een mvv. Overigens verdient het de voorkeur dat deze vreemdelingen vóór hun terugkeer naar Nederland een mvv aanvragen. Artikel 8 van de Remigratiewet heeft ook betrekking op kinderen van vreemdelingen. Ook deze kinderen kunnen van de terugkeeroptie gebruikmaken en zijn daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste. Concreet betekent dit, dat vrijgesteld is de vreemdeling die direct voorafgaande aan de remigratie als minderjarig kind van de ouder in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning of als Nederlander en binnen een jaar na de remigratie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet met de ouder naar Nederland terugkeert. Tevens is vrijgesteld de vreemdeling die binnen een jaar na de remigratie meerderjarig is geworden en vervolgens zelfstandig naar Nederland terugkeert.
|
||||
g. die in Nederland verblijft, bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
De persoon die feitelijk in Nederland verblijft en bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek ingevolge artikel 17, eerste lid, Rwn heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet uitgezet indien dat verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de betrokkene, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, in afwachting van de beslissing op het verzoek. Gelet op het feit dat de verzoeken van deze personen niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot zijn en zij veelal lange tijd in Nederland verblijven voordat twijfels over de Nederlandse nationaliteit ontstonden, is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen en kunnen zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning.
|
||||
h. die tijdelijke bescherming heeft en in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking als bedoeld in artikel 3.30 of 3.31 Vb.
|
||||
|
||||
De persoon die feitelijk in Nederland verblijft en bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek ingevolge artikel 17, eerste lid, Rwn heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet uitgezet indien dat verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de betrokkene, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, in afwachting van de beslissing op het verzoek. Gelet op het feit dat de verzoeken van deze personen niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot zijn en zij veelal lange tijd in Nederland verblijven voordat twijfels over de Nederlandse nationaliteit ontstonden, is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen en kunnen zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning.
|
||||
h. die tijdelijke bescherming heeft en in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking als bedoeld in artikel 3.30 of 3.31 Vb.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Dit onderdeel p is het gevolg van de implementatie per 15 februari 2005 van de Richtlijn 2001/55. Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn staan de lidstaten personen die tijdelijke bescherming genieten toe om, voor een periode die niet langer is dan die van hun tijdelijke bescherming, werkzaam te zijn in loondienst of als zelfstandige. Daarbij mogen de lidstaten om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang geven aan EU-burgers en onderdanen van staten die gebonden zijn aan de EER overeenkomst, en aan de onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven en een werkloosheidsuitkering ontvangen. Het op grond van het ontbreken van een mvv afwijzen van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verrichten van arbeid van de tijdelijk beschermde vreemdeling is niet verenigbaar met het geclausuleerde recht op arbeid in de richtlijn. Om die reden krijgt de tijdelijk beschermde die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige, vrijstelling van het mvv-vereiste. Dit laat onverlet dat er een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend met het verrichten van die arbeid. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien voor de desbetreffende soort arbeid voorrang kan worden gegeven aan EU- en EER-burgers of legaal verblijvende derdelanders met een werkloosheidsuitkering. Zie tenslotte het derde lid van artikel 3.71 Vb: de tijdelijk beschermde vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar is (in afwijking van artikel 3.71, derde lid, Vb) eveneens vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
Dit onderdeel p is het gevolg van de implementatie per 15 februari 2005 van de Richtlijn 2001/55. Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn staan de lidstaten personen die tijdelijke bescherming genieten toe om, voor een periode die niet langer is dan die van hun tijdelijke bescherming, werkzaam te zijn in loondienst of als zelfstandige. Daarbij mogen de lidstaten om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang geven aan EU-burgers en onderdanen van staten die gebonden zijn aan de EER overeenkomst, en aan de onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven en een werkloosheidsuitkering ontvangen. Het op grond van het ontbreken van een mvv afwijzen van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verrichten van arbeid van de tijdelijk beschermde vreemdeling is niet verenigbaar met het geclausuleerde recht op arbeid in de richtlijn. Om die reden krijgt de tijdelijk beschermde die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige, vrijstelling van het mvv-vereiste. Dit laat onverlet dat er een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend met het verrichten van die arbeid. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien voor de desbetreffende soort arbeid voorrang kan worden gegeven aan EU- en EER-burgers of legaal verblijvende derdelanders met een werkloosheidsuitkering. Zie tenslotte het derde lid van artikel 3.71 Vb: de tijdelijk beschermde vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar is (in afwijking van artikel 3.71, derde lid, Vb) eveneens vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
i. die houder is van een verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 afgegeven door een andere staat die Partij is bij het EG-verdrag dan wel de echtgenoot, partner of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Deze vrijstelling strekt ertoe de mobiliteit voor wetenschappelijk onderzoekers tussen lidstaten te vergemakkelijken. Deze uitzondering geldt enkel voor onderzoekers die reeds in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor het verrichten van onderzoek in de zin van de richtlijn die is afgegeven door een ander lidstaat. Deze uitzondering geldt ook voor gezinsleden (echtgenoot, partner, minderjarig kind) van de onderzoeker, met dien verstande dat het gezin reeds dient te zijn gevormd in de ander lidstaat.
|
||||
j. die binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, voor zover de gezinsband reeds bestond voordat de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had en er geen gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
Een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd komt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 onder bepaalde voorwaarden eveneens in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Het gezinslid dat niet voldoet aan alle in voornoemd artikel genoemde voorwaarden kan, onder bepaalde voorwaarden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier. Een van de voorwaarden is dat het gezinslid in het bezit is van een mvv. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat deze voorwaarde, in situaties waarin het gezinslid enkel door het bezit van een andere nationaliteit dan de hoofdpersoon, mogelijk tot – bij nader inzien – onbillijk te achten situaties leidt, met name in het geval dat het gezinslid dat tegelijk met de hoofdpersoon naar Nederland is gekomen om internationale bescherming te zoeken, zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Om deze situaties te voorkomen en de eenheid van het gezin in die gevallen te bewaren, is onderdeel j in artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 opgenomen.
|
||||
k. die minderjarig is, schoolgaand is en drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft en een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet.
|
||||
|
||||
Een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd komt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 onder bepaalde voorwaarden eveneens in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Het gezinslid dat niet voldoet aan alle in voornoemd artikel genoemde voorwaarden kan, onder bepaalde voorwaarden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier. Een van de voorwaarden is dat het gezinslid in het bezit is van een mvv. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat deze voorwaarde, in situaties waarin het gezinslid enkel door het bezit van een andere nationaliteit dan de hoofdpersoon, mogelijk tot – bij nader inzien – onbillijk te achten situaties leidt, met name in het geval dat het gezinslid dat tegelijk met de hoofdpersoon naar Nederland is gekomen om internationale bescherming te zoeken, zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Om deze situaties te voorkomen en de eenheid van het gezin in die gevallen te bewaren, is onderdeel j in artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 opgenomen.
|
||||
k. die minderjarig is, schoolgaand is en drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft en een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.71, tweede lid, onderdeel b, Vb 2000 wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan minderjarigen van twaalf jaar of jonger, die een aanvraag tot gezinshereniging indienen omdat zij in Nederland zijn geboren uit een ouder die rechtmatig verblijf in Nederland had op het moment van de geboorte van het kind, en vanaf de geboorte onafgebroken verblijf hebben. Er komt regelmatig voor dat minderjarigen ouder dan twaalf jaar, of minderjarigen die niet in Nederland zijn geboren, na een aanzienlijke periode van feitelijk verblijf in Nederland een verblijfsaanvraag indienen in het kader van gezinshereniging met de hoofdpersoon. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in deze gevallen- bij nader inzien – tot onbillijk te achten situaties leidt, waarin het kind, dat na geruime tijd feitelijk te hebben verbleven bij een legaal verblijvende hoofdpersoon, mogelijk zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Het betreft een kwetsbare groep vreemdelingen die in de regel afhankelijk is van de keuzes die volwassenen voor hen maken.
|
||||
Op grond van artikel 3.71, tweede lid, onderdeel b, Vb 2000 wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan minderjarigen van twaalf jaar of jonger, die een aanvraag tot gezinshereniging indienen omdat zij in Nederland zijn geboren uit een ouder die rechtmatig verblijf in Nederland had op het moment van de geboorte van het kind, en vanaf de geboorte onafgebroken verblijf hebben. Er komt regelmatig voor dat minderjarigen ouder dan twaalf jaar, of minderjarigen die niet in Nederland zijn geboren, na een aanzienlijke periode van feitelijk verblijf in Nederland een verblijfsaanvraag indienen in het kader van gezinshereniging met de hoofdpersoon. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in deze gevallen- bij nader inzien – tot onbillijk te achten situaties leidt, waarin het kind, dat na geruime tijd feitelijk te hebben verbleven bij een legaal verblijvende hoofdpersoon, mogelijk zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Het betreft een kwetsbare groep vreemdelingen die in de regel afhankelijk is van de keuzes die volwassenen voor hen maken.
|
||||
|
||||
Zij zijn voorts veelal geworteld in de Nederlandse maatschappij en gaan hier te lande naar school.
|
||||
l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
|
||||
l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
In de toelichting op de regels over de vrijstelling van het mvv-vereiste (artikel 3.71 Vb 2000) is reeds aangegeven dat vanzelfsprekend het ontbreken van een geldige mvv niet kan leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Wanneer toetsing aan artikel 8 EVRM aan de orde is, vergt dit een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval.
|
||||
|
||||
In de toelichting op de regels over de vrijstelling van het mvv-vereiste (artikel 3.71 Vb 2000) is reeds aangegeven dat vanzelfsprekend het ontbreken van een geldige mvv niet kan leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Wanneer toetsing aan artikel 8 EVRM aan de orde is, vergt dit een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval.
|
||||
Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.
|
||||
|
||||
Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.
|
||||
|
||||
De weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland eigener beweging moet verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet (artikel 27, eerste lid, onder b, van de Vw 2000). Een dergelijke beslissing moet in overeenstemming zijn met artikel 8 van het EVRM, dat onder meer recht op respect voor het familie- en gezinsleven garandeert.
|
||||
De weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland eigener beweging moet verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet (artikel 27, eerste lid, onder b, van de Vw 2000). Een dergelijke beslissing moet in overeenstemming zijn met artikel 8 van het EVRM, dat onder meer recht op respect voor het familie- en gezinsleven garandeert.
|
||||
|
||||
De Turkse onderdaan van wie uitzetting in strijd is met de Associatieovereenkomst EG-Turkije, het Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70), of het Associatiebesluit 1/80 omdat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’, kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
|
||||
Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen dient de Turkse onderdaan voldoende aan te tonen dat hij daadwerkelijk voornemens is arbeid als zelfstandige te gaan verrichten. Dit is alleen voldoende aangetoond als een ondernemingsplan van de zelfstandige als bedoeld in B5/7.3.3 wordt overgelegd. Aan de hand van dit ondernemingsplan kan vervolgens worden getoetst of de Turkse onderdaan voldoet aan het beleid voor het verrichten van arbeid als zelfstandige als bedoeld in B5/7. Indien dit het geval is wordt de Turkse onderdaan, voor de in Nederland ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning, vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
|
||||
De vreemdeling is echter niet vrijgesteld indien hij in Nederland wil verblijven voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger (zie artikel 3.71, derde lid, Vb en B5). Deze uitzondering voor de vreemdeling die als godsdienstleraar of geestelijke voorganger wil verblijven, dient er mede toe om vooraf te onderzoeken of er vanuit het oogpunt van openbare orde bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de vreemdeling en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. De aanwezigheid en het functioneren van godsdienstleraren en geestelijk voorgangers hier te lande, in verband met de bijzondere positie die zij innemen binnen de alhier gevestigde gemeenschappen, kan van zodanige invloed zijn op de openbare orde en nationale veiligheid, dat onderzoek vooraf gewenst is. In deze gevallen wordt niet voorbijgegaan aan het mvv-vereiste; ook niet indien de vreemdeling behoort tot de in artikel 3.71, tweede lid, Vb genoemde vrijgestelde categorieën. De enige uitzondering hierop vormt artikel 3.71, tweede lid, onder h, Vb (zie hiervoor de toelichting van onderdeel h).
|
||||
De vreemdeling is echter niet vrijgesteld indien hij in Nederland wil verblijven voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger (zie artikel 3.71, derde lid, Vb en B5). Deze uitzondering voor de vreemdeling die als godsdienstleraar of geestelijke voorganger wil verblijven, dient er mede toe om vooraf te onderzoeken of er vanuit het oogpunt van openbare orde bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de vreemdeling en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. De aanwezigheid en het functioneren van godsdienstleraren en geestelijk voorgangers hier te lande, in verband met de bijzondere positie die zij innemen binnen de alhier gevestigde gemeenschappen, kan van zodanige invloed zijn op de openbare orde en nationale veiligheid, dat onderzoek vooraf gewenst is. In deze gevallen wordt niet voorbijgegaan aan het mvv-vereiste; ook niet indien de vreemdeling behoort tot de in artikel 3.71, tweede lid, Vb genoemde vrijgestelde categorieën. De enige uitzondering hierop vormt artikel 3.71, tweede lid, onder h, Vb (zie hiervoor de toelichting van onderdeel h).
|
||||
|
||||
Vanzelfsprekend kan het ontbreken van een geldige mvv niet leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet, waarbij in dit verband met name kan worden gedacht aan het Associatiebesluit 1/80.
|
||||
|
||||
|
|
@ -733,40 +699,31 @@ Indien een vreemdeling een beroep doet op een van de hierboven genoemde vrijstel
|
|||
|
||||
De vreemdeling dient, indien hij zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën, aanstonds aan te tonen dat hij behoort tot een vrijstellingscategorie. Dit dient direct aan het IND-loket te gebeuren. Op het aanvraagformulier staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de Vw en het Vb vermeld voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van de telefonische afspraak.
|
||||
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op één der vrijstellingscategorieën, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vw in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vb afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op één der vrijstellingscategorieën, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vw in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vb afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
|
||||
|
||||
De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige mvv ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (zie artikel 3.71, vierde lid, Vb) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
|
||||
De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige mvv ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (zie artikel 3.71, vierde lid, Vb) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv- vereiste geldt dat hierbij uitsluitend dient te worden getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet ten volle aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie veelal voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Zo wordt bijvoorbeeld voor een beroep op de vrijstelling genoemd onder artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vb getoetst of de vreemdeling vóór zijn negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Dit valt voor een deel samen met de toetsing aan de voorwaarden van artikel 3.54, eerste lid, onder b, Vb. Eerst nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, dient ten behoeve van de verblijfsvergunning ten volle aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening hiervan getoetst te worden. In het bovengenoemde voorbeeld wordt de verblijfsaanvraag dan ook aan de overige verblijfsvoorwaarden van artikel 3.54 Vb getoetst.
|
||||
Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv- vereiste geldt dat hierbij uitsluitend dient te worden getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet ten volle aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie veelal voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Zo wordt bijvoorbeeld voor een beroep op de vrijstelling genoemd onder artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vb getoetst of de vreemdeling vóór zijn negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Dit valt voor een deel samen met de toetsing aan de voorwaarden van artikel 3.54, eerste lid, onder b, Vb. Eerst nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, dient ten behoeve van de verblijfsvergunning ten volle aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening hiervan getoetst te worden. In het bovengenoemde voorbeeld wordt de verblijfsaanvraag dan ook aan de overige verblijfsvoorwaarden van artikel 3.54 Vb getoetst.
|
||||
|
||||
In het vierde lid van artikel 3.71 Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, indien de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B1/4.1.1).
|
||||
In het vierde lid van artikel 3.71 Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, indien de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B1/4.1.1).
|
||||
|
||||
De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het mvv-vereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zal dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier moeten motiveren en zo veel als mogelijk met bewijsstukken onderbouwen. Het aanvraagformulier (zie bijlage 13 VV) vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van een telefonische afspraak.
|
||||
De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het mvv-vereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zal dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier moeten motiveren en zo veel als mogelijk met bewijsstukken onderbouwen. Het aanvraagformulier (zie bijlage 13 VV) vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van een telefonische afspraak.
|
||||
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vw in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vb, afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vw in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vb, afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
|
||||
|
||||
Het is, net als onder de werking van artikel 16 a Vw (oud), de bedoeling dat van de bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen. Onder de Vw is het wel mogelijk om categorieën vreemdelingen onder de werking van de hardheidsclausule te brengen.
|
||||
Het is, net als onder de werking van artikel 16 a Vw (oud), de bedoeling dat van de bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen. Onder de Vw is het wel mogelijk om categorieën vreemdelingen onder de werking van de hardheidsclausule te brengen.
|
||||
|
||||
Een van de categorieën waarvoor vrijstelling van het mvv-vereiste in ieder geval geldt op grond van artikel 3.71 vierde lid, Vb, is de groep vreemdelingen die valt onder de toezegging van de Minister gedaan tijdens het terugkeerdebat van 9 februari 2004 dat het mvv-vereiste niet zal worden tegengeworpen aan de vreemdelingen die voldoen aan de onderstaande criteria:
|
||||
Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71 vierde lid, Vb, geldt in ieder geval voor de vreemdeling:
|
||||
|
||||
• de vreemdeling heeft voor 1 april 2001 een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling;
|
||||
• de vreemdeling beoogt gezinshereniging (geen gezinsvorming) met een vreemdeling die hier te lande verblijft op grond van een verblijfsvergunning regulier dan wel asiel of met een Nederlander;
|
||||
• de vreemdeling voldoet, behoudens het mvv-vereiste, aan alle voorwaarden en voorschriften voor de verlening van een verblijfsvergunning, zoals vermeld in B2.
|
||||
|
||||
In het algemeen overleg in de Tweede Kamer op 27 oktober 2004 heeft de Minister deze toezegging uitgebreid en bepaalt dat indien er sprake is van een gezin waarvan de gezinsleden deels wel en deels niet onder de bovengenoemde toezegging vallen en die allen verblijf beogen in het kader van gezinshereniging (geen gezinsvorming) bij hetzelfde gezinslid met een verblijfsvergunning of met de Nederlandse nationaliteit, alle gezinsleden in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Onverkort blijft staan dat, behoudens het mvv-vereiste, zij voorts aan alle overige voorwaarden en voorschriften voor de verlening van een verblijfsvergunning zoals vermeld in B2 moeten voldoen. Dit is bijvoorbeeld het geval in de situatie dat de vader een verblijfsvergunning heeft, de moeder en twee kinderen aan de drie hierboven genoemde voorwaarden voldoen, en er nog een derde kind is dat na 1 april 2001 is ingereisd. Het derde kind kan onder deze omstandigheden worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
|
||||
Verdere categorieën waarvoor vrijstelling van het mvv-vereiste in ieder geval geldt op grond van artikel 3.71 vierde lid, Vb, is de groep vreemdelingen die:
|
||||
|
||||
• op of voor 13 december 2006 in Nederland een gezin hebben gevormd met een vreemdeling wiens verblijf op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud) is aanvaard, indien de aanvraag is ingediend nadat aan de hoofdpersoon een vergunning op grond van de regeling is verleend (zie B 14/5.7);
|
||||
• die in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van het overgangsrecht als bedoeld in B16/5.1;
|
||||
• van wie de terugkeer van de vreemdeling in verband met de medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B8/3.2);
|
||||
• een minderjarige is die, op grond van een in het buitenland uitgesproken adoptie, door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlandse paspoort (zie B3/2.6 en 2.6.1) ;
|
||||
• van wie de terugkeer in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B8/3.2);
|
||||
• die een minderjarige is die, op grond van een in het buitenland uitgesproken adoptie, door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlandse paspoort (zie B3/2.6 en 2.6.1) ;
|
||||
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake eergerelateerd geweld zoals neergelegd in hoofdstuk B20;
|
||||
• de minderjarige kinderen van de in het kader van eergerelateerd geweld toegelaten vreemdeling;
|
||||
• die een minderjarig kind is van een in het kader van eergerelateerd geweld toegelaten vreemdeling;
|
||||
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van verblijf als slachtoffer van mensenhandel onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’;
|
||||
• de minderjarige kinderen van de in het kader van verblijf als slachtoffer mensenhandel conform beschikking Staatssecretaris toegelaten vreemdeling;
|
||||
• die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer mensenhandel conform beschikking Staatssecretaris toegelaten vreemdeling;
|
||||
• die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van huiselijk geweld, onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’;
|
||||
• de minderjarige kinderen van de in het kader van verblijf als slachtoffer van huiselijk geweld conform beschikking Staatssecretaris toegelaten vreemdeling.
|
||||
• die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer van huiselijk geweld conform beschikking Staatssecretaris toegelaten vreemdeling.
|
||||
|
||||
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene:
|
||||
|
||||
|
|
@ -782,9 +739,9 @@ Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene
|
|||
|
||||
In deze gevallen kan geen recht op vrijstelling van het mvv-vereiste worden ontleend aan de hardheidsclausule.
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag wordt ingediend door een vreemdeling die de afgelopen vijf jaren geen verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, of onder l, Vw en die geen gemotiveerd beroep op de hardheidsclausule heeft gedaan, wordt de uitzetting op voorhand niet achterwege gelaten. Ingevolge artikel 62, eerste lid, Vw dient de vreemdeling nadat het rechtmatig verblijf is beëindigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. Indien een eerste verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend, mag de beslissing hierop uitsluitend worden afgewacht als het binnen twee weken na bekendmaking van het besluit is ingediend. In bepaalde gevallen kan evenwel een kortere vertrektermijn geïndiceerd zijn. Artikel 62, vierde lid, Vw biedt de mogelijkheid om in het belang van de uitzetting een kortere vertrektermijn te hanteren. Hierbij kan blijkens de memorie van toelichting bij dit artikel gedacht worden aan de situatie dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken dient te verlaten, echter de eerste reismogelijkheid dient zich ofwel direct, ofwel na zes weken aan. In die situatie kan beslist worden om een kortere vertrektermijn te geven.
|
||||
Indien de aanvraag wordt ingediend door een vreemdeling die de afgelopen vijf jaren geen verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, of onder l, Vw en die geen gemotiveerd beroep op de hardheidsclausule heeft gedaan, wordt de uitzetting op voorhand niet achterwege gelaten. Ingevolge artikel 62, eerste lid, Vw dient de vreemdeling nadat het rechtmatig verblijf is beëindigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. Indien een eerste verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend, mag de beslissing hierop uitsluitend worden afgewacht als het binnen twee weken na bekendmaking van het besluit is ingediend. In bepaalde gevallen kan evenwel een kortere vertrektermijn geïndiceerd zijn. Artikel 62, vierde lid, Vw biedt de mogelijkheid om in het belang van de uitzetting een kortere vertrektermijn te hanteren. Hierbij kan blijkens de memorie van toelichting bij dit artikel gedacht worden aan de situatie dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken dient te verlaten, echter de eerste reismogelijkheid dient zich ofwel direct, ofwel na zes weken aan. In die situatie kan beslist worden om een kortere vertrektermijn te geven.
|
||||
|
||||
Dat een aantal categorieën vreemdelingen is vrijgesteld van het vereiste van het bezit van een mvv, betekent niet dat vreemdelingen die tot deze categorie behoren, geen mvv kunnen aanvragen. Indien een vreemdeling die behoort tot een van de van het mvv-vereiste vrijgestelde categorieën een aanvraag tot afgifte van een mvv indient, wordt die aanvraag uiteraard in behandeling genomen. Vreemdelingen die op grond van artikel 3A Regeling op de consulaire tarieven zijn vrijgesteld van het legesvereiste van een mvv zijn dat ook bij de aanvraag van een onverplichte mvv. De onder artikel 3a, derde lid, genoemde uitzonderingen zijn de uitzonderingen als opgenomen in de GVI, hoofdstuk VII, paragraaf 4 in BNL-kader, namelijk familieleden van EU-onderdanen die gebruik maken van het vrij verkeer van personen en onderdanen van Israël en San Marino (zie ook A2/4.3.5).
|
||||
Dat een aantal categorieën vreemdelingen is vrijgesteld van het vereiste van het bezit van een mvv, betekent niet dat vreemdelingen die tot deze categorie behoren, geen mvv kunnen aanvragen. Indien een vreemdeling die behoort tot een van de van het mvv-vereiste vrijgestelde categorieën een aanvraag tot afgifte van een mvv indient, wordt die aanvraag uiteraard in behandeling genomen. Vreemdelingen die op grond van artikel 3A Regeling op de consulaire tarieven zijn vrijgesteld van het legesvereiste van een mvv zijn dat ook bij de aanvraag van een onverplichte mvv. De onder artikel 3a, derde lid, genoemde uitzonderingen zijn de uitzonderingen als opgenomen in de GVI, hoofdstuk VII, paragraaf 4 in BNL-kader, namelijk familieleden van EU-onderdanen die gebruik maken van het vrij verkeer van personen en onderdanen van Israël en San Marino (zie ook A2/4.3.5).
|
||||
|
||||
#### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
|
||||
|
||||
|
|
@ -1445,103 +1402,46 @@ Ingevolge artikel 16a, eerste lid, Vw kan de aanvraag tot het wijzigen van een v
|
|||
###### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.80a, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen als de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering, niet heeft behaald. Dit is ingevolge artikel 3.80a, tweede tot en met vierde lid, Vb niet van toepassing indien:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
de vreemdeling jonger is dan 16 jaar dan wel 65 jaar of ouder;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, van het Besluit inburgering;
|
||||
|
||||
|
||||
d.
|
||||
de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering;
|
||||
|
||||
|
||||
e.
|
||||
de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat de vreemdeling heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;
|
||||
|
||||
|
||||
f.
|
||||
de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat het college op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen;
|
||||
|
||||
|
||||
g.
|
||||
de vreemdeling verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld;
|
||||
|
||||
|
||||
h.
|
||||
naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;
|
||||
|
||||
|
||||
i.
|
||||
toepassing daarvan naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad a.*
|
||||
|
||||
|
||||
Vreemdelingen van 16 en 17 jaar zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/4.7.2.3).
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad b.*
|
||||
|
||||
|
||||
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van artikel 2.6 Besluit inburgering uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad c en d.*
|
||||
|
||||
|
||||
Het gaat hier om de vreemdeling die in het bezit is van een diploma, certificaat of ander document genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, Besluit inburgering of omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering. Zie paragraaf B1/4.7.1.1 onder het kopje *Niet inburgeringsplichtig vanwege diploma’s, certificaten of andere documenten* voor de opsomming van de bedoelde diploma’s, certificaten of andere documenten die tot de vrijstelling kunnen leiden.
|
||||
|
||||
|
||||
Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning een gewaarmerkte kopie van het gevraagde diploma, certificaat of document. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling ook een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
|
||||
|
||||
|
||||
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de Wet inburgering kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.
|
||||
|
||||
|
||||
De vreemdelingen die gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van artikel 2.4 Besluit inburgering vallen hier uitdrukkelijk niet onder. De vreemdelingen die slechts gedeeltelijk van de inburgeringsplicht zijn vrijgesteld en de resterende examens (nog) niet hebben behaald, hebben het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering dan ook nog niet behaald. Ingevolge artikel 14 Wet inburgering is het inburgeringsexamen behaald, ingeval van gedeeltelijke vrijstelling, indien de overige daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd. Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt (artikel 14, tweede lid, Wet inburgering).
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad e.*
|
||||
|
||||
|
||||
In artikel 3.80a, tweede lid, onder d, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van B&W van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8 Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad f.*
|
||||
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 31, tweede lid, Wet inburgering kan het college van B&W de vreemdeling ontheffing verlenen van de inburgeringsplicht, indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Deze ontheffing werkt door in de procedure van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad g.*
|
||||
|
||||
|
||||
In artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder e, Vb wordt verwezen naar vreemdelingen (voornamelijk vrouwen), die verblijf hebben in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en wier relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld. Aan deze groep kan voortgezet verblijf worden verleend wegens klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2). De meeste personen binnen deze categorie zullen het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald. Indien aan deze groep de eis van het behalen van het inburgeringsexamen gesteld wordt, zou dit in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot een afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de beperking in voortgezet verblijf. Bij deze groep vallen twee subgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats betreft het vreemdelingen, die binnen de drie jaar verblijf op basis van een afhankelijke verblijfstitel, de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd hebben verbroken en in afwachting zijn van de beoordeling of voortgezet verblijf in verband met huiselijk geweld of een combinatie van humanitaire redenen kan worden verleend. In de tweede plaats betreft het vreemdelingen die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na drie jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aan te vragen en die het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad h.*
|
||||
|
||||
|
||||
Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.2.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad i.*
|
||||
|
||||
|
||||
Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.3.
|
||||
|
||||
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling jonger is dan 16 jaar dan wel 65 jaar of ouder;
|
||||
b. de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven;
|
||||
c. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, van het Besluit inburgering;
|
||||
d. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering;
|
||||
e. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat de vreemdeling heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;
|
||||
f. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat het college op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen;
|
||||
g. de vreemdeling verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld;
|
||||
h. naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;
|
||||
i. toepassing daarvan naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
|
||||
|
||||
Vreemdelingen van 16 en 17 jaar zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/4.7.2.3).
|
||||
|
||||
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van artikel 2.6 Besluit inburgering uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.
|
||||
|
||||
Het gaat hier om de vreemdeling die in het bezit is van een diploma, certificaat of ander document genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, Besluit inburgering of omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering. Zie paragraaf B1/4.7.1.1 onder het kopje *Niet inburgeringsplichtig vanwege diploma’s, certificaten of andere documenten* voor de opsomming van de bedoelde diploma’s, certificaten of andere documenten die tot de vrijstelling kunnen leiden.
|
||||
|
||||
Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning een gewaarmerkte kopie van het gevraagde diploma, certificaat of document. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling ook een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
|
||||
|
||||
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de Wet inburgering kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.
|
||||
|
||||
De vreemdelingen die gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van artikel 2.4 Besluit inburgering vallen hier uitdrukkelijk niet onder. De vreemdelingen die slechts gedeeltelijk van de inburgeringsplicht zijn vrijgesteld en de resterende examens (nog) niet hebben behaald, hebben het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering dan ook nog niet behaald. Ingevolge artikel 14 Wet inburgering is het inburgeringsexamen behaald, ingeval van gedeeltelijke vrijstelling, indien de overige daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd. Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt (artikel 14, tweede lid, Wet inburgering).
|
||||
|
||||
In artikel 3.80a, tweede lid, onder d, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van B&W van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8 Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 31, tweede lid, Wet inburgering kan het college van B&W de vreemdeling ontheffing verlenen van de inburgeringsplicht, indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Deze ontheffing werkt door in de procedure van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W.
|
||||
|
||||
In artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder e, Vb wordt verwezen naar vreemdelingen (voornamelijk vrouwen), die verblijf hebben in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en wier relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld. Aan deze groep kan voortgezet verblijf worden verleend wegens klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2). De meeste personen binnen deze categorie zullen het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald. Indien aan deze groep de eis van het behalen van het inburgeringsexamen gesteld wordt, zou dit in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot een afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de beperking in voortgezet verblijf. Bij deze groep vallen twee subgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats betreft het vreemdelingen, die binnen de drie jaar verblijf op basis van een afhankelijke verblijfstitel, de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd hebben verbroken en in afwachting zijn van de beoordeling of voortgezet verblijf in verband met huiselijk geweld of een combinatie van humanitaire redenen kan worden verleend. In de tweede plaats betreft het vreemdelingen die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na drie jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aan te vragen en die het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald.
|
||||
|
||||
De vreemdeling die verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd, is verbroken in verband met huiselijk geweld (art. 3.80a, tweede lid, onder e, Vb), toont dit aan door:
|
||||
|
||||
• gegevens van de politie, mits bij de politie voldoende aannemelijk is gemaakt dat het geweld heeft plaatsgevonden, of een proces-verbaal van de aangifte; èn één van de volgende eisen:
|
||||
• een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener. De vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of
|
||||
• gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of
|
||||
|
||||
andere gegevens, voorzover het gaat over objectieve gegevens uit betrouwbare bron.
|
||||
|
||||
Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.2.
|
||||
|
||||
Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.3.
|
||||
|
||||
###### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
|
||||
|
||||
|
|
@ -1571,92 +1471,56 @@ Op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb kan de Staatssecretaris van Justitie b
|
|||
###### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
|
||||
|
||||
In artikel 3.80a, vierde lid, Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Staatssecretaris leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep reeds bij het indienen van de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier in een verblijfsvergunning om voortgezet verblijf en onderbouwt dit zoveel als mogelijk met bewijsstukken. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling ook verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16a Vw in samenhang met artikel 3.80a, eerste lid, Vb afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
|
||||
*Bijzondere groepen in het kader van de hardheidsclausule*
|
||||
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragrafen.
|
||||
|
||||
|
||||
*A. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar*
|
||||
|
||||
|
||||
Van minderjarige vreemdelingen wordt niet verwacht dat zij het inburgeringsexamen behalen. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar vallen om deze reden onder de hardheidsclausule.
|
||||
|
||||
|
||||
*B. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen*
|
||||
|
||||
|
||||
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Staatssecretaris van Justitie op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
|
||||
|
||||
|
||||
Het gaat hier om een vreemdeling die:
|
||||
|
||||
|
||||
1.
|
||||
niet gealfabetiseerd is in zijn eigen taal en de Nederlandse taal,
|
||||
|
||||
|
||||
2.
|
||||
van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, niet kan worden verwacht dat hij (nog) Nederlands leert lezen en schrijven binnen een periode van vijf jaar, en
|
||||
|
||||
|
||||
3.
|
||||
de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau heeft behaald.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad 3.*
|
||||
|
||||
|
||||
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving en elektronisch praktijkexamen bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door de vreemdeling worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde vreemdeling derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands afleggen.
|
||||
Indien de niet gealfabetiseerde vreemdeling de toets gesproken Nederlands met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de Dienst Uitvoering Onderwijs een resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
|
||||
Bij de indiening van een verblijfsaanvraag overlegt de vreemdeling de door de Dienst Uitvoering Onderwijs verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat “geslaagd”. Separaat hieraan toont betrokkene aan welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
|
||||
|
||||
|
||||
Om een geslaagd beroep te doen op deze ontheffingsgrond, overlegt betrokkene een verklaring van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Het ROC komt tot een dergelijke verklaring na het uitvoeren van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek, zoals hieronder beschreven.
|
||||
|
||||
|
||||
*Haalbaarheidsonderzoek*
|
||||
|
||||
|
||||
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek wordt ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
|
||||
Dit zogenaamde ‘haalbaarheidsonderzoek’ vindt uitsluitend plaats bij Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam. Dit ROC beoordeelt of het haalbaar is voor betrokkene binnen een tijdsbestek van vijf jaar Nederlands te leren lezen en schrijven op het betreffende niveau van het Referentiekader Nederlands als Tweede Taal. Betrokkene betaalt zelf voor het haalbaarheidsonderzoek. De kosten voor het haalbaarheidsonderzoek staan vermeld op www.ind.nl. De datum van ontvangst door het ROC Amsterdam van de aanmelding voor het haalbaarheidsonderzoek is bepalend voor de vaststelling van de vraag welk tarief geldt.
|
||||
|
||||
|
||||
Iemand is ‘niet gealfabetiseerd’ in het kader van het inburgeringsexamen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn.
|
||||
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op het model *Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme* aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkele opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen. Indien later blijkt dat de vreemdeling in een andere procedure anders heeft verklaard of anderszins blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond, wordt van het ROC-advies afgeweken. Het model *Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme* is te vinden op www.ind.nl.
|
||||
|
||||
|
||||
*Extra inspanning in het kader van het haalbaarheidsonderzoek*
|
||||
|
||||
|
||||
Betrokkene toont aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aan dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd te raken. Van een ‘extra inspanning’ is sprake als meer dan gemiddeld is getracht het vereiste niveau op het gebied van Nederlands leren lezen en schrijven te behalen. Voor oud-komers is dit het niveau A1, voor nieuwkomers is dit het niveau A2. Hierbij is het niet van belang of betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is of was ingevolge de Wet inburgering. Het moet wel ten minste gaan om een cursus in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om een gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
|
||||
Dit betekent bijvoorbeeld voor een betrokkene die verplicht is geweest de inburgeringscursus uit de Wet Inburgering Nieuwkomers te doen (en daarvoor (wel getoetst) niet het niveau heeft gehaald waarop hij vrijstelling van het inburgeringsexamen zou hebben gekregen), dat hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van het volgen van een cursus zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven in de Nederlandse taal.
|
||||
Voor een betrokkene die niet verplicht is geweest de inburgeringscursus uit de Wet Inburgering Nieuwkomers te volgen, geldt in het kader van ‘extra inspanning’ een zelfde maatstaf. Ook hier toont betrokkene aan dat hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van een cursus Nederlands zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven. De eis van ‘extra inspanning’ toont betrokkene aan door middel van bescheiden, afkomstig van de instelling waar het onderwijs of de cursus is gevolgd, bij het ROC van Amsterdam.
|
||||
|
||||
|
||||
De vreemdeling toont bij zijn aanmelding bij het ROC van Amsterdam aan dat hij (onverplicht) een cursus Nederlands heeft gedaan. Gezien de kosten voor het onderzoek is het een betrokkene die niet aantoont (onverplicht) een cursus Nederlands te hebben gedaan, bij voorbaat af te raden om zich bij het ROC van Amsterdam te melden voor het onderzoek. Alleen als betrokkene ervan overtuigd is de ‘extra inspanning’ te kunnen aantonen bij het ROC van Amsterdam, heeft het zin dat betrokkene zich tot het ROC wendt voor het onderzoek naar de vraag of betrokkene eventueel nog binnen vijf jaar met kans op succes het inburgeringsexamen zal kunnen afleggen.
|
||||
|
||||
|
||||
*Beperkt leervermogen in het kader van het haalbaarheidsonderzoek*
|
||||
|
||||
|
||||
Met ‘beperkt leervermogen’ wordt bedoeld ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op het betreffende niveau van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
|
||||
|
||||
|
||||
*Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule*
|
||||
|
||||
|
||||
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
|
||||
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder voortgezet verblijf wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
|
||||
|
||||
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
|
||||
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16a Vw in samenhang met artikel 3.80a, eerste lid, Vb afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragrafen.
|
||||
|
||||
Van minderjarige vreemdelingen wordt niet verwacht dat zij het inburgeringsexamen behalen. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar vallen om deze reden onder de hardheidsclausule.
|
||||
|
||||
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Staatssecretaris van Justitie op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
|
||||
|
||||
Het gaat hier om een vreemdeling die:
|
||||
|
||||
1. niet gealfabetiseerd is in zijn eigen taal en de Nederlandse taal,
|
||||
2. van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, niet kan worden verwacht dat hij (nog) Nederlands leert lezen en schrijven binnen een periode van vijf jaar, en
|
||||
3. de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau heeft behaald.
|
||||
|
||||
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving en elektronisch praktijkexamen bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door de vreemdeling worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde vreemdeling derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands afleggen.
|
||||
|
||||
Indien de niet gealfabetiseerde vreemdeling de toets gesproken Nederlands met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de Dienst Uitvoering Onderwijs een resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
|
||||
|
||||
Bij de indiening van een verblijfsaanvraag overlegt de vreemdeling de door de Dienst Uitvoering Onderwijs verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat “geslaagd”. Separaat hieraan toont betrokkene aan welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
|
||||
|
||||
Om een geslaagd beroep te doen op deze ontheffingsgrond, overlegt betrokkene een verklaring van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Het ROC komt tot een dergelijke verklaring na het uitvoeren van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek, zoals hieronder beschreven.
|
||||
|
||||
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek wordt ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
|
||||
|
||||
Dit zogenaamde ‘haalbaarheidsonderzoek’ vindt uitsluitend plaats bij Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam. Dit ROC beoordeelt of het haalbaar is voor betrokkene binnen een tijdsbestek van vijf jaar Nederlands te leren lezen en schrijven op het betreffende niveau van het Referentiekader Nederlands als Tweede Taal. Betrokkene betaalt zelf voor het haalbaarheidsonderzoek. De kosten voor het haalbaarheidsonderzoek staan vermeld op www.ind.nl. De datum van ontvangst door het ROC Amsterdam van de aanmelding voor het haalbaarheidsonderzoek is bepalend voor de vaststelling van de vraag welk tarief geldt.
|
||||
|
||||
Iemand is ‘niet gealfabetiseerd’ in het kader van het inburgeringsexamen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn .
|
||||
|
||||
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op het model Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkele opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen. Indien later blijkt dat de vreemdeling in een andere procedure anders heeft verklaard of anderszins blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond, wordt van het ROC-advies afgeweken. Het model Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme is te vinden op www.ind.nl.
|
||||
|
||||
Betrokkene toont aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aan dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd te raken. Van een ‘extra inspanning’ is sprake als meer dan gemiddeld is getracht het vereiste niveau op het gebied van Nederlands leren lezen en schrijven te behalen. Voor oud-komers is dit het niveau A1, voor overige vreemdelingen is dit het niveau A2. Hierbij is het niet van belang of betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is of was ingevolge de Wet inburgering. Het moet wel ten minste gaan om een cursus in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om een gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
|
||||
|
||||
Dit betekent bijvoorbeeld voor een betrokkene die verplicht is geweest de inburgeringscursus uit de Wet Inburgering Nieuwkomers te doen (en daarvoor (wel getoetst) niet het niveau heeft gehaald waarop hij vrijstelling van het inburgeringsexamen zou hebben gekregen), dat hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van het volgen van een cursus zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven in de Nederlandse taal.
|
||||
|
||||
Voor een betrokkene die niet verplicht is geweest de inburgeringscursus uit de Wet Inburgering Nieuwkomers te volgen, geldt in het kader van ‘extra inspanning’ een zelfde maatstaf. Ook hier toont betrokkene aan dat hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van een cursus Nederlands zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven. De eis van ‘extra inspanning’ toont betrokkene aan door middel van bescheiden, afkomstig van de instelling waar het onderwijs of de cursus is gevolgd, bij het ROC van Amsterdam.
|
||||
|
||||
De vreemdeling toont bij zijn aanmelding bij het ROC van Amsterdam aan dat hij (onverplicht) een cursus Nederlands heeft gedaan. Gezien de kosten voor het onderzoek is het een betrokkene die niet aantoont (onverplicht) een cursus Nederlands te hebben gedaan, bij voorbaat af te raden om zich bij het ROC van Amsterdam te melden voor het onderzoek. Alleen als betrokkene ervan overtuigd is de ‘extra inspanning’ te kunnen aantonen bij het ROC van Amsterdam, heeft het zin dat betrokkene zich tot het ROC wendt voor het onderzoek naar de vraag of betrokkene eventueel nog binnen vijf jaar met kans op succes het inburgeringsexamen zal kunnen afleggen.
|
||||
|
||||
Met ‘beperkt leervermogen’ wordt bedoeld ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op het betreffende niveau van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
|
||||
|
||||
De hardheidsclausule kan toepassing hebben op de vreemdelingen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, die onvrijwillig in het land van herkomst zijn achtergelaten, en die niet meer kunnen beschikken over hun verblijfspapieren (ten aanzien van achtergelaten vrouwen zie B1/5.1, B1/5.3.2, B1/7.1.3 en B16/4.2). Wanneer deze vreemdelingen na achterlating een verzoek doen tot wedertoelating, is voortgezet verblijf vaak de enige vergunning waarvoor zij in aanmerking kunnen komen.
|
||||
|
||||
In het geval deze categorie in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf na drie jaar verblijf in Nederland overeenkomstig artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb, wordt het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste hen niet tegengeworpen.
|
||||
|
||||
In het geval de vreemdeling nog geen drie jaar in Nederland verblijft conform artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb, kan slechts voortgezet verblijf op grond van artikel 3.52 Vb worden overwogen. Mocht geconcludeerd worden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.52 Vb, dan is het inburgeringsvereiste niet van toepassing.
|
||||
|
||||
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
|
||||
|
||||
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder voortgezet verblijf wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
|
||||
|
||||
##### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
|
||||
|
||||
|
|
@ -2271,83 +2135,34 @@ Op grond van artikel 3.96a, derde lid, Vb kan de Staatssecretaris van Justitie b
|
|||
###### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
|
||||
|
||||
In artikel 3.96a, vierde lid, Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Staatssecretaris zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en onderbouwt dit zo veel als mogelijk met bewijsstukken.
|
||||
Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
|
||||
|
||||
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 21 Vw in samenhang met artikel 3.96a, eerste lid, Vb afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
|
||||
*Bijzondere groepen in het kader van de hardheidsclausule*
|
||||
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragrafen.
|
||||
|
||||
|
||||
*A. Minderjarige vreemdelingen*
|
||||
|
||||
|
||||
Van minderjarige vreemdelingen wordt niet verwacht dat zij het inburgeringsexamen behalen. Minderjarige vreemdelingen vallen om deze reden onder de hardheidsclausule.
|
||||
|
||||
|
||||
*B. Tegen hun wil in het land van herkomst achtergelaten vrouwen en kinderen*
|
||||
|
||||
|
||||
De hardheidsclausule kan toepassing hebben op de vreemdelingen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, die onvrijwillig in het land van herkomst zijn achtergelaten, en die niet meer kunnen beschikken over hun verblijfspapieren (ten aanzien van achtergelaten vrouwen zie B1/5.1, B1/5.3.2, B17.1.3 en B16/7). Wanneer deze vreemdelingen na achterlating een verzoek doen tot wedertoelating, is voortgezet verblijf vaak de enige vergunning waarvoor zij in aanmerking kunnen komen. Aangezien het voortgezet verblijf niet zal worden verleend op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb, is het inburgeringsvereiste niet op hen van toepassing. In het geval deze categorie in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wordt het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste hen niet tegengeworpen.
|
||||
|
||||
|
||||
*C. Vreemdelingen die in aanmerking komen voor wedertoelating*
|
||||
|
||||
|
||||
Het gaat om de volgende groepen vreemdelingen:
|
||||
|
||||
|
||||
a.
|
||||
De oud-Nederlander van wie het Nederlanderschap op grond van artikel 15, onder d, Rijkswet op het Nederlanderschap is ingetrokken of de oud-Nederlander die op grond van artikel 15, onder b, Rijkswet op het Nederlanderschap afstand heeft gedaan van het Nederlanderschap én die voorafgaand aan het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend vijf jaar aaneengesloten op grond van artikel 8, onder a, b, e of l, Vw in Nederland heeft verbleven;
|
||||
|
||||
|
||||
b.
|
||||
De vreemdeling die binnen een jaar na terugkeer naar het land van herkomst op basis van de Remigratiewet een aanvraag indient om wedertoelating en voorafgaand aan de remigratie als Nederlander in Nederland verbleef, in Nederland verbleef als houder van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor onbepaalde tijd of gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e of l, Vw in Nederland had;
|
||||
|
||||
|
||||
c.
|
||||
De meerderjarige vreemdeling die tussen zijn vierde en 19e levensjaar tenminste tien jaar op basis van een verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en voor zijn 23^e levensjaar een aanvraag in het kader van wedertoelating heeft ingediend en de vreemdeling die voor zijn 19e levensjaar tenminste vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven en voor wie Nederland het meest aangewezen land is.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad a.*
|
||||
|
||||
|
||||
Met betrekking tot deze oud-Nederlanders geldt dat zij, gelet op de duur van hun eerder rechtmatig verblijf en de omstandigheid dat zij op enig moment Nederlander zijn geweest, worden geacht ingeburgerd te zijn in de Nederlandse samenleving.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad b.*
|
||||
|
||||
|
||||
Ook voor de vreemdelingen die in het kader van de Remigratiewet zijn teruggekeerd geldt dat zij, gelet op de daaraan voorafgaande verblijfsduur en rechtspositie, geacht worden nauwe banden te hebben met de Nederlandse samenleving en te zijn ingeburgerd. Bovendien moeten zij, om voor wedertoelating in aanmerking te komen, binnen een jaar na emigratie naar Nederland terugkeren.
|
||||
|
||||
|
||||
*Ad c.*
|
||||
|
||||
|
||||
Voor deze categorie vreemdelingen geldt dat zij, gelet op hun leeftijd, geacht worden geen bewuste keuze te hebben gemaakt voor terugkeer naar het land van herkomst en dat zij geacht worden nauwere banden met Nederland te hebben dan met het land van herkomst.
|
||||
|
||||
|
||||
*D. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen*
|
||||
|
||||
|
||||
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Staatssecretaris van Justitie op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
|
||||
|
||||
B1/4.7.2.3, kopje *B. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen* is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
||||
*Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule*
|
||||
|
||||
|
||||
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
|
||||
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
|
||||
|
||||
20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010
|
||||
|
||||
Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
|
||||
|
||||
Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 21 Vw in samenhang met artikel 3.96a, eerste lid, Vb afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragrafen.
|
||||
|
||||
Van minderjarige vreemdelingen wordt niet verwacht dat zij het inburgeringsexamen behalen. Minderjarige vreemdelingen vallen om deze reden onder de hardheidsclausule.
|
||||
|
||||
Het gaat om de volgende groepen vreemdelingen:
|
||||
|
||||
a. De oud-Nederlander van wie het Nederlanderschap op grond van artikel 15, onder d, Rijkswet op het Nederlanderschap is ingetrokken of de oud-Nederlander die op grond van artikel 15, onder b, Rijkswet op het Nederlanderschap afstand heeft gedaan van het Nederlanderschap èn die voorafgaand aan het moment waarop het Nederlanderschap werd verleend vijf jaar aaneengesloten op grond van artikel 8, onder a, b, e of l, Vw in Nederland heeft verbleven;
|
||||
b. De vreemdeling die binnen een jaar na terugkeer naar het land van herkomst op basis van de Remigratiewet een aanvraag indient om wedertoelating en voorafgaand aan de remigratie als Nederlander in Nederland verbleef, in Nederland verbleef als houder van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor onbepaalde tijd of gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaar rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e of l, Vw in Nederland had;
|
||||
c. De meerderjarige vreemdeling die tussen zijn vierde en 19e levensjaar tenminste tien jaar op basis van een verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en voor zijn 23e levensjaar een aanvraag in het kader van wedertoelating heeft ingediend en de vreemdeling die voor zijn 19e levensjaar tenminste vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven en voor wie Nederland het meest aangewezen land is.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot deze oud-Nederlanders geldt dat zij, gelet op de duur van hun eerder rechtmatig verblijf en de omstandigheid dat zij op enig moment Nederlander zijn geweest, worden geacht ingeburgerd te zijn in de Nederlandse samenleving.
|
||||
|
||||
Ook voor de vreemdelingen die in het kader van de Remigratiewet zijn teruggekeerd geldt dat zij, gelet op de daaraan voorafgaande verblijfsduur en rechtspositie, geacht worden nauwe banden te hebben met de Nederlandse samenleving en te zijn ingeburgerd. Bovendien moeten zij, om voor wedertoelating in aanmerking te komen, binnen een jaar na emigratie naar Nederland terugkeren.
|
||||
|
||||
Voor deze categorie vreemdelingen geldt dat zij, gelet op hun leeftijd, geacht worden geen bewuste keuze te hebben gemaakt voor terugkeer naar het land van herkomst en dat zij geacht worden nauwere banden met Nederland te hebben dan met het land van herkomst.
|
||||
|
||||
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Staatssecretaris van Justitie op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
|
||||
|
||||
B1/4.7.2.3, kopje *B. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen* is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
|
||||
|
||||
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
|
||||
|
||||
#### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
|
||||
|
||||
|
|
@ -2615,15 +2430,15 @@ De aanvraag bevat in ieder geval de naam en het adres van de vreemdeling, en de
|
|||
|
||||
De vreemdeling geeft onder meer aan welke verblijfsvergunning regulier hij wenst te verkrijgen en voor welk verblijfsdoel hij in Nederland wenst te verblijven (zie artikel 4:2, eerste lid, Awb).
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling aangeeft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder beperking in Nederland te willen verblijven, wordt hij door de IND in de gelegenheid gesteld de aanvraag nader aan te vullen met een concreet verblijfsdoel en dat doel nader met gegevens en bescheiden te onderbouwen. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt immers niet zonder beperking verleend, maar altijd onder een beperking die verband houdt met het verblijfsdoel (zie artikel 14, tweede lid, Vw).
|
||||
Indien de vreemdeling aangeeft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder beperking in Nederland te willen verblijven, wordt hij door de IND in de gelegenheid gesteld de aanvraag nader aan te vullen met een concreet verblijfsdoel en dat doel nader met gegevens en bescheiden te onderbouwen. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt immers niet zonder beperking verleend, maar altijd onder een beperking die verband houdt met het verblijfsdoel (zie artikel 14, tweede lid, Vw).
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling aangeeft in Nederland te willen verblijven voor een ander regulier doel dan de verblijfsdoelen die in het Vb en de Vc (en eventueel de (voorheen) Tussentijdse Berichten Vc, thans Wijzigingsbesluiten Vc) zijn genoemd, verschaft hij alle benodigde gegevens en bescheiden op grond waarvan hij meent dat aan hem op grond van hetzij een wezenlijk Nederlands belang, hetzij klemmende redenen van humanitaire aard, hetzij internationale verplichtingen, een verblijfsvergunning behoort te worden verleend.
|
||||
|
||||
Per aanvraag wordt één verblijfsdoel aangegeven. De verblijfsdoelen zijn genoemd in het Vb (zie artikel 3.4 en 3.14 tot en met 3.56 Vb) en nader uitgewerkt in B2 en verder van de Vc. Deze opsomming is echter niet limitatief.
|
||||
Per aanvraag wordt één verblijfsdoel aangegeven. De verblijfsdoelen zijn genoemd in het Vb (zie artikel 3.4 en 3.14 tot en met 3.56 Vb) en nader uitgewerkt in B2 en verder van de Vc. Deze opsomming is echter niet limitatief.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling aangeeft voor meerdere verblijfsdoelen – bijvoorbeeld voor verblijf in het kader van gezinshereniging en voor het verrichten van arbeid als zelfstandige – in Nederland te willen verblijven, dient hij evenzoveel aanvragen in te dienen. Per aanvraag worden leges geheven.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling na de indiening van de aanvraag aangeeft, verblijf in Nederland voor een ander doel te wensen, dient hij ingevolge artikel 3.100 Vb een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen bij IND (zie artikel 3.33a VV en B1/9.1.1). In dat geval worden opnieuw leges geheven. De vreemdeling kan desgewenst de eerder ingediende aanvraag schriftelijk intrekken. Intrekking van de aanvraag leidt niet tot restitutie van de leges.
|
||||
Indien de vreemdeling na de indiening van de aanvraag aangeeft, verblijf in Nederland voor een ander doel te wensen, dient hij ingevolge artikel 3.100 Vb een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen bij IND (zie artikel 3.33a VV en B1/9.1.1). In dat geval worden opnieuw leges geheven. De vreemdeling kan desgewenst de eerder ingediende aanvraag schriftelijk intrekken. Intrekking van de aanvraag leidt niet tot restitutie van de leges.
|
||||
|
||||
De aanvraag om wijziging van de beperking verband houdend met dreiging van eergerelateerd geweld wordt eventueel door tussenkomst van de instelling voor vrouwenopvang schriftelijk ingediend bij de IND, waarna de aanvraag ter verdere afhandeling onmiddellijk wordt doorgeleid naar de contactpersoon mensenhandel/gender van de betreffende IND locatie. De vreemdeling heeft in dit geval niet de verplichting de aanvraag in persoon in te dienen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2638,16 +2453,14 @@ b. gegronde redenen heeft bij uitzetting een reëel risico te lopen om te worden
|
|||
c. niet kan terugkeren naar het land van herkomst op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit dat land van herkomst; of
|
||||
d. niet kan terugkeren naar het land van herkomst, omdat dat van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling desondanks de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier onderbouwt met asielgerelateerde gronden, wijst de IND hem er schriftelijk op dat deze bij de beoordeling van de reguliere aanvraag buiten beschouwing worden gelaten. De vreemdeling wordt er tevens op gewezen dat hij zich ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel kan melden bij één van de AC’s in Nederland. Persisteert de vreemdeling ook na deze schriftelijke mededeling nog bij het indienen van een reguliere aanvraag onderbouwd met asielgerelateerde gronden, dan wordt de aanvraag als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier behandeld. Als gevolg hiervan worden onder meer leges geheven en wordt getoetst aan het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding en een geldige mvv. Bij de beoordeling van de aanvraag blijven de asielgerelateerde gronden buiten beschouwing.
|
||||
Indien de vreemdeling desondanks de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier onderbouwt met asielgerelateerde gronden, wijst de IND hem er schriftelijk op dat deze bij de beoordeling van de reguliere aanvraag buiten beschouwing worden gelaten. De vreemdeling wordt er tevens op gewezen dat hij zich ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel kan melden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel in Nederland. Persisteert de vreemdeling ook na deze schriftelijke mededeling nog bij het indienen van een reguliere aanvraag onderbouwd met asielgerelateerde gronden, dan wordt de aanvraag als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier behandeld. Als gevolg hiervan worden onder meer leges geheven en wordt getoetst aan het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding en een geldige mvv. Bij de beoordeling van de aanvraag blijven de asielgerelateerde gronden buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
De vreemdeling die als gezinslid van een houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw dient een daartoe strekkende aanvraag in te dienen bij één van de AC’s in Nederland
|
||||
|
||||
(zie C10/4).
|
||||
De vreemdeling die als gezinslid van een houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw dient een daartoe strekkende aanvraag in te dienen bij één van de AC’s in Nederland (zie C9/2.1.6).
|
||||
|
||||
Het gaat hierbij om:
|
||||
|
||||
a. de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (zie artikel 29, eerste lid, onder e, Vw); en
|
||||
b. de vreemdeling die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de hoofdpersoon, dat hij om die reden behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (zie artikel 29, eerste lid, onder f, Vw).
|
||||
b. de vreemdeling die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de hoofdpersoon, dat hij om die reden behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (zie artikel 29, eerste lid, onder f, Vw).
|
||||
|
||||
Op deze aanvraag is de gebruikelijke asielprocedure van toepassing. Zo wordt onder meer een eerste en (zonodig) een nader gehoor gehouden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2905,6 +2718,12 @@ Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan bepaald
|
|||
a. die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (zie artikel 29, eerste lid, onder e, Vw); of
|
||||
b. die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de hoofdpersoon, dat hij om die reden behoort tot het gezin, die dezelfde nationaliteit heeft en gelijktijdig met de hoofdpersoon Nederland is ingereisd of is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend (zie artikel 29, eerste lid, onder f, Vw).
|
||||
|
||||
Deze aanvragen tot het verlenen van die verblijfsvergunning asiel kunnen bij één van de Aanmeldcentra in Nederland worden ingediend. Voor de afdoening van deze aanvragen zijn geen leges verschuldigd. Voor de afgifte van het verblijfsdocument zijn evenmin leges verschuldigd (zie C9/2.1.6).
|
||||
|
||||
Indien het gezinslid van de houder van de verblijfsvergunning asiel echter niet voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw – bijvoorbeeld omdat het gezinslid een andere nationaliteit bezit of de hoofdpersoon langer dan drie maanden na diens verblijfsaanvaarding is nagereisd – komt dat gezinslid niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw in aanmerking voor de verblijfsvergunning asiel. In het geval het gezinslid een andere nationaliteit heeft dan de hoofdpersoon en is nagereisd binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel is verleend, zijn voor de afdoening van een eventueel in te dienen aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geen leges verschuldigd.
|
||||
|
||||
In het geval wel leges verschuldigd zijn en de leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier niet worden voldaan, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
|
||||
|
||||
##### 9.6.4. Restitutie van leges
|
||||
|
||||
Restitutie is slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk, zoals in het geval van een te hoog legesbedrag, een formele vrijstellingsgrond, een aanvraag tijdens vreemdelingenbewaring, een buiten behandelingstelling op grond van het mvv-vereiste, of een anderszins onverschuldigde betaling (bijvoorbeeld een tweede betaling voor dezelfde aanvraag).
|
||||
|
|
@ -3484,15 +3303,15 @@ Nadat in dit kader een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verlee
|
|||
|
||||
Het betreft de volgende categorieën:
|
||||
|
||||
– gezinsleden van vreemdelingen die werkzaam zijn op Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat (zie B5/4.2);
|
||||
– gezinsleden van vreemdelingen die werkzaam zijn als godsdienstleraar of geestelijk voorganger (zie B5/4.1);
|
||||
– gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het volgen van studie (zie B6/7);
|
||||
– gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling (zie B8/8);
|
||||
– (gezinsleden van) gemeenschapsonderdanen (zie B10);
|
||||
– onderdanen van een lidstaat van de EU/EER en van de Zwitserse Bondsstaat;
|
||||
– gezinsleden van Surinaamse onderdanen (zie B11);
|
||||
– gezinsleden van diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde vreemdelingen alsmede niet geprivilegieerde NAVO-militairen of NAVO-burgerpersoneel (zie B12);
|
||||
– gezinsleden van langdurig ingezetenen (zie B17).
|
||||
• gezinsleden van vreemdelingen die werkzaam zijn op Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat (zie B5/4.2);
|
||||
• gezinsleden van vreemdelingen die werkzaam zijn als godsdienstleraar of geestelijk voorganger (zie B5/4.1);
|
||||
• gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het volgen van studie (zie B6/7);
|
||||
• gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling (zie B8/9;
|
||||
• (gezinsleden van) gemeenschapsonderdanen (zie B10);
|
||||
• onderdanen van een lidstaat van de EU/EER en van de Zwitserse Bondsstaat;
|
||||
• gezinsleden van Surinaamse onderdanen (zie B11);
|
||||
• gezinsleden van diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde vreemdelingen alsmede niet geprivilegieerde NAVO-militairen of NAVO-burgerpersoneel (zie B12);
|
||||
• gezinsleden van langdurig ingezetenen (zie B17).
|
||||
|
||||
#### 1.4. Samenhang
|
||||
|
||||
|
|
@ -6471,6 +6290,34 @@ Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loo
|
|||
|
||||
Het bepaalde in B17/3 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### 4.13. Pilot Circulaire Migratie
|
||||
|
||||
##### 4.13.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Een vreemdeling komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ in het kader van de Pilot Circulaire Migratie als aan de voorwaarden van B5 wordt voldaan. Daarnaast moet de vreemdeling, die verblijf voor arbeid in loondienst beoogt in het kader van deze Pilot verder aan de algemene voorwaarden van art 16 Vw voldoen.
|
||||
|
||||
Ten behoeve van vreemdelingen die in het kader van een in opdracht van de Nederlandse overheid uitgevoerde Pilot Circulaire Migratie, >gedurende maximaal twee jaar bij een bedrijf of instelling door het verrichten van vooraf schriftelijk vastgelegde werkzaamheden kennis en ervaring opdoen en die reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd kan worden afgeweken van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen.
|
||||
|
||||
De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt ingediend bij de IND door de Stichting Hersteld vertrouwen in de Toekomst (HIT) als gemachtigde namens de vreemdeling en diens werkgever.
|
||||
|
||||
##### 4.13.2. Beperking
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking “arbeid in loondienst bij ..... (naam werkgever)”.
|
||||
|
||||
##### 4.13.3. Arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: “TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan”.
|
||||
|
||||
##### 4.13.4. Geldigheidsduur
|
||||
|
||||
Het verblijf als vreemdeling die verblijf wil in het kader van de pilot circulaire migratie is van tijdelijke aard.
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning voor de vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland wil verblijven wordt niet verleend met een geldigheidsduur van langer dan twee jaar. Na die twee jaar kan de geldigheidsduur niet worden verlengd. Het tijdelijke karakter van het verblijf brengt met zich mee dat de circulaire migrant die een verblijfsvergunning heeft voor arbeid in loondienst, bij tussentijdse beëindiging van het arbeidscontract Nederland moet verlaten tenzij in het kader van de pilot een nieuwe werkgever wordt gevonden.
|
||||
|
||||
##### 4.13.5. Gezinshereniging en - vorming
|
||||
|
||||
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor (verruimde) gezinshereniging of gezinsvorming met een in het kader van de Pilot Circulaire Migratie verblijvende vreemdeling worden afgewezen. In het kader van de Pilot Circulaire Migratie is gezinshereniging- en vorming niet toegestaan aangezien het verblijfsrecht van een vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland verblijft van tijdelijke aard is.
|
||||
|
||||
### 5. Voortzetting van verblijf
|
||||
|
||||
#### 5.1. Algemeen
|
||||
|
|
@ -7237,11 +7084,9 @@ Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan vree
|
|||
|
||||
Artikel 3.46 Vb geeft het kader waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien niet wordt voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 3.46 Vb, wordt de verblijfsvergunning niet verleend.
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 Vb genoemde voorwaarden kan de Minister ingevolge artikel 3.4 derde lid, Vb een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerst lid. Voor wat betreft medische noodsituatie is dit in beleidsregels nader uitgewerkt. Ingevolge artikel 3.5, derde lid, Vb gaat het hier om een verblijfsrecht van tijdelijke aard.
|
||||
|
||||
### 2. Medische behandeling
|
||||
|
||||
#### 2.1. Algemene voorwaarden voor verblijf medische behandeling
|
||||
#### 2.1. Voorwaarden voor verblijf medische behandeling
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.46, eerste lid, Vb, moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan alvorens voor dit doel verblijf wordt toegestaan:
|
||||
|
||||
|
|
@ -7249,206 +7094,287 @@ a. Nederland dient naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land te
|
|||
b. het dient te gaan om een noodzakelijke medische behandeling; en
|
||||
c. de financiering van de medische behandeling dient deugdelijk geregeld te zijn.
|
||||
|
||||
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4). Het middelenvereiste wordt niet tegengeworpen.
|
||||
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4).
|
||||
|
||||
Ad a. Voor deze beoordeling is slechts van belang of Nederland op grond van de onderstaande criteria het meest aangewezen land is.
|
||||
Op grond van artikel 3.46, derde lid, Vb wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw .
|
||||
|
||||
Onder de volgende omstandigheden wordt in elk geval aangenomen dat Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een medische behandeling:
|
||||
Voor deze beoordeling is slechts van belang of de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden die genoemd worden in één van de onder 1 tot 7 genoemde situaties:
|
||||
|
||||
– de situatie waarin Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de medische zorg, omdat Nederland internationaal gezien een bijzonder specialisme heeft voor de medisch noodzakelijke behandeling van de betreffende aandoening. Indien de vreemdeling de bijzonderheid van het specialisme met een medische verklaring heeft aangetoond, wordt aan het BMA advies gevraagd;
|
||||
– de situatie waarin de vreemdeling zich ten minste vijf jaar al dan niet rechtmatig in Nederland bevindt, er sprake is van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of een ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen, kan plaatsvinden en stopzetting van de behandeling een medische noodsituatie zou veroorzaken, en de medische behandeling voor die klachten reeds ten minste één jaar plaatsvindt. De definitie van het begrip ‘medische noodsituatie’ staat vermeld in B8/3. De vraag of de medische noodsituatie al dan niet langdurig is, is hier niet relevant. Het verblijf in Nederland wordt door de vreemdeling aangetoond met objectieve bescheiden, niet zijnde getuigenverklaringen. Het moment van aanvang van de medische behandeling wordt aangetoond door de vreemdeling, hiernaar wordt geen onderzoek verricht door het BMA;
|
||||
– de situatie waarin de vreemdeling langdurig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw en hier te lande een medisch noodzakelijke behandeling ondergaat (ongeacht hoe lang de behandeling plaatsvindt). Onder langdurig verblijf wordt hier verstaan verblijf voor een periode van ten minste vijf jaar, waarbij onderbrekingen in het verblijfsrecht van minder dan een half jaar niet worden tegengeworpen;
|
||||
– de situatie dat de vreemdeling medisch gezien op mantelzorg is aangewezen, terwijl is aangetoond dat geen gezins- of familieleden van de vreemdeling in het land van herkomst verblijven die in staat kunnen worden geacht deze zorg op zich te nemen en er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn (zie omtrent mantelzorg tevens B8/5);
|
||||
– de situatie waarin het verlenen van specialistische prenatale zorg aan een zwangere vreemdelinge medisch noodzakelijk is, terwijl sprake is van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een geregistreerd partnerschap met een Nederlander dan wel met een vreemdeling die hier te lande verblijft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw. Het huwelijk of het geregistreerde partnerschap moet zijn ingeschreven in de GBA (zie B2/2.8). Het bestaan van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk wordt in beginsel aangetoond met gelegaliseerde officiële bescheiden (zie B2/2.3 en B2/8); en
|
||||
– de situatie waarin het verlenen van specialistische prenatale zorg aan een zwangere vreemdelinge medisch noodzakelijk is, terwijl de vreemdelinge hier te lande woonachtig is en een duurzame en exclusieve relatie (in de zin van B2/4.2) heeft met een Nederlander dan wel met een vreemdeling die hier te lande verblijft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw. Deze Nederlander of vreemdeling dient het kind te hebben erkend op grond van Nederlands (internationaal privaat-)recht (artikelen 1:2 BW juncto 1:203 BW). Tenzij de erkenning naar vreemd recht is geschied, wordt de erkenning aangetoond met een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of met een notariële akte van erkenning. Als de erkenning naar vreemd recht is geschied, wordt deze aangetoond met bewijsstukken betreffende de staat van personen. B2/8 is in dat geval van toepassing.
|
||||
1. de situatie waarin: Nederland internationaal gezien een bijzonder specialisme heeft voor de medisch noodzakelijke behandeling van de betreffende aandoening. Alleen indien de vreemdeling de bijzonderheid van het specialisme met een medische verklaring heeft aangetoond, wordt aan het BMA advies gevraagd.
|
||||
2. de situatie waarin de vreemdeling:
|
||||
|
||||
De vreemdeling die jonger is dan negen maanden (voor wie specialistische postnatale zorg medisch noodzakelijk is) kan op grond van artikel 3.23 Vb in aanmerking komen voor verblijf (zie B2/5.11.1 en B2/5.11.2)
|
||||
a. zich ten minste vijf jaar al dan niet rechtmatig in Nederland bevindt; en
|
||||
b. er sprake is van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst, of een ander land waar betrokkene naar kan vertrekken, kan plaatsvinden; en
|
||||
c. stopzetting van de behandeling een medische noodsituatie zou veroorzaken; en
|
||||
d. de medische behandeling voor die klachten reeds ten minste één jaar plaatsvindt.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling niet behoort tot een van de bovengenoemde categorieën, wordt Nederland in beginsel niet aangemerkt als het meest aangewezen land, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die bij de totstandkoming van de onderhavige beleidsregel niet waren voorzien en die bij een afweging van de aan de orde zijnde belangen tot het oordeel leiden dat Nederland alsnog als het meest aangewezen land moet worden aangemerkt. Bij deze bijzondere omstandigheden dient met nadruk niet te worden gedacht aan omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreffen (zie B8/4.4). Voorts wordt geen betekenis toegekend aan de oorzaak van de medische problematiek, voorzover deze asielgerelateerd is.
|
||||
De vraag of de medische behandeling voor die klachten naar verwachting langer dan één jaar zal duren, is hier niet relevant. Het verblijf in Nederland wordt door de vreemdeling aangetoond met objectieve bescheiden, niet zijnde getuigenverklaringen. Het moment van aanvang van de medische behandeling wordt aangetoond door de vreemdeling, hiernaar wordt geen onderzoek verricht door het BMA.
|
||||
|
||||
Ter beoordeling van de vraag of de beoogde behandeling in Nederland dient plaats te vinden, wordt advies ingewonnen van het BMA. De procedure hiervoor is beschreven in B8/4. De medisch adviseur doet evenwel geen uitspraken omtrent de vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een bepaalde medische behandeling. Daarbij kunnen immers ook niet-medische factoren van belang zijn. Evenmin kan de medisch adviseur uitspraken doen omtrent ander niet medische (bijvoorbeeld sociaal-psychologische) aangelegenheden.
|
||||
Onder *medische noodsituatie* wordt verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.
|
||||
3. de situatie waarin:
|
||||
|
||||
Ad b. Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen van het BMA.
|
||||
a. de vreemdeling zich in Nederland bevindt; en
|
||||
b. er sprake is van medische klachten waarvan de behandeling niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en
|
||||
c. stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en
|
||||
d. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze medische noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.
|
||||
|
||||
Ad c. De financiering van de medische behandeling dient deugdelijk te zijn geregeld. Hiertoe moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten.
|
||||
Indien de medische behandeling ter voorkoming van deze noodsituatie één jaar of korter zal duren, wordt geen verblijfsvergunning verleend, maar wordt geconcludeerd dat uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege blijft (zie A4/7).
|
||||
|
||||
Het begrip *medische noodsituatie* is omschreven hierboven onder situatie 2.
|
||||
4. de situatie waarin de vreemdeling:
|
||||
|
||||
a. langdurig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw; en
|
||||
b. hier te lande een medisch noodzakelijke behandeling ondergaat (ongeacht hoe lang de behandeling plaatsvindt).
|
||||
|
||||
Onder langdurig verblijf wordt hier verstaan verblijf voor een periode van ten minste vijf jaar, waarbij onderbrekingen in het verblijfsrecht van minder dan een half jaar niet worden tegengeworpen.
|
||||
5. de situatie dat de vreemdeling:
|
||||
|
||||
a. medisch gezien op mantelzorg is aangewezen; en
|
||||
b. is aangetoond dat geen gezins- of familieleden van de vreemdeling in het land van herkomst verblijven die in staat kunnen worden geacht deze zorg op zich te nemen; en
|
||||
c. er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn, die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen.
|
||||
|
||||
Zie voor begripsbepaling en bewijslast mantelzorg B8/5.
|
||||
6. de situatie waarin:
|
||||
|
||||
a. het verlenen van specialistische prenatale zorg aan een zwangere vreemdelinge medisch noodzakelijk is; en
|
||||
b. er sprake is van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een geregistreerd partnerschap met een Nederlander dan wel met een vreemdeling die hier te lande verblijft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw. Het huwelijk of het geregistreerde partnerschap moet zijn ingeschreven in de GBA (zie B2/2.8). Het bestaan van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk wordt in beginsel aangetoond met gelegaliseerde officiële bescheiden (zie B2/2.3 en B2/8).
|
||||
7. de situatie waarin:
|
||||
|
||||
a. het verlenen van specialistische prenatale zorg aan een zwangere vreemdelinge medisch noodzakelijk is; en
|
||||
b. de vreemdelinge hier te lande woonachtig is en een duurzame en exclusieve relatie (in de zin van B2/4.2) heeft met een Nederlander dan wel met een vreemdeling die hier te lande verblijft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw. Deze Nederlander of vreemdeling dient het kind te hebben erkend op grond van Nederlands (internationaal privaat-)recht (artikelen 1:2 BW juncto 1:203 BW). Tenzij de erkenning naar vreemd recht is geschied, wordt de erkenning aangetoond met een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand of met een notariële akte van erkenning. Als de erkenning naar vreemd recht is geschied, wordt deze aangetoond met bewijsstukken betreffende de staat van personen. B2/8 is in dat geval van toepassing.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling niet behoort tot een van de bovengenoemde categorieën, wordt Nederland niet aangemerkt als het meest aangewezen land, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, waardoor toepassing van deze beleidsregel voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de met de beleidsregel te dienen doelen. Bij deze bijzondere omstandigheden dient met nadruk niet te worden gedacht aan omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreffen (zie B8/3.4). Voorts wordt geen betekenis toegekend aan de oorzaak van de medische problematiek, voorzover deze asielgerelateerd is.
|
||||
|
||||
Ter beoordeling van de vraag of Nederland conform één van bovengenoemde situaties als het meest aangewezen land wordt aangemerkt, wordt advies ingewonnen van het BMA. De medisch adviseur doet evenwel geen uitspraken omtrent de vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een bepaalde medische behandeling. Daarbij kunnen immers ook niet-medische factoren van belang zijn. Evenmin kan de medisch adviseur uitspraken doen omtrent andere niet- medische (bijvoorbeeld sociaal-psychologische) aangelegenheden.
|
||||
|
||||
De procedure voor het inwinnen van advies bij het BMA wordt beschreven in B8/3).
|
||||
|
||||
Vreemdelingen die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie A2/4.3.3.2) voor een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ in verband met een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers, met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum, te kennen dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
|
||||
|
||||
Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen van het BMA.
|
||||
|
||||
De financiering van de medische behandeling dient deugdelijk te zijn geregeld. Hiertoe moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten. Een ziektekostenverzekering die uit de publieke middelen wordt betaald of waarvan de premie wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de publieke middelen, wordt niet als toereikend aangemerkt.
|
||||
|
||||
Bij onvoldoende financiële zekerheid wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen.
|
||||
|
||||
#### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling gemeenschapsonderdaan is
|
||||
Overeenkomstig artikel 3.46, derde lid Vb, wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling een gemeenschapsonderdaan is in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, Vw, geldt niet het vereiste dat Nederland naar het oordeel van de Minister het meest aangewezen land voor de medische behandeling dient te zijn. Voor het overige is het bepaalde in hoofdstuk 8, tweede afdeling, paragraaf 2, Vb van toepassing (zie B10).
|
||||
De vreemdeling moet voldoen aan alle algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16 Vw, tenzij in artikel 3.46 Vb en hieronder anders is vermeld.
|
||||
|
||||
#### 2.3. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
|
||||
Voor wat betreft het vereiste in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding is artikel 16, onder b, Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel, vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland in het algemeen onvoldoende aanleiding om vrijstelling van het paspoortvereiste te verlenen, aangezien het enkel ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden (Stb 2000, 497). De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding (zie in dit verband tevens B1/4.2 Vc). Gelet hierop kan slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
|
||||
|
||||
Voor de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, is artikel 3.47 Vb en de Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 (Trb 1981, 35) van toepassing (zie B11/15).
|
||||
In ieder geval is er sprake van zeer bijzondere individuele omstandigheden zoals hier bedoeld als aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
### 3. Medische noodsituatie
|
||||
• er bestaat voldoende inzicht in de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De identiteit en nationaliteit worden door de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan niet betwist; en
|
||||
• er is aangetoond dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist is dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst; en
|
||||
• stopzetting van de medische behandeling op korte termijn een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en
|
||||
• de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst.
|
||||
|
||||
#### 3.1. Definitie
|
||||
Artikel 16, eerste lid, onder a Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling. In de volgende gevallen wordt aan de vreemdeling vrijstelling van het mvv-vereiste verleend:
|
||||
|
||||
Onder medische noodsituatie wordt verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
|
||||
o in de gevallen genoemd in paragraaf B1/4.1.1 Vc, of
|
||||
o indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw.
|
||||
|
||||
Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.
|
||||
Artikel 16, eerste lid, onder c, Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. De vreemdeling moet beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. Hiertoe moet de vreemdeling aantonen dat de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling niet met openbare middelen worden gefinancierd. De middelen dienen toereikend te zijn voor de gehele periode waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend.
|
||||
|
||||
#### 3.2. Voorwaarden
|
||||
De vreemdeling moet over een nettobedrag beschikken gelijk aan het bestaansminimum. Indien de eigen financiële middelen van de vreemdeling ontoereikend zijn, kan het verblijf slechts worden toegestaan wanneer een familielid of een andere relatie in de kosten van het levensonderhoud voorziet.
|
||||
|
||||
De medische noodsituatie ligt in het verlengde van de aanvraag in verband met medische behandeling en hoeft derhalve niet separaat te worden aangevraagd indien in de oorspronkelijke aanvraag verblijf wegens medische redenen werd gevraagd.
|
||||
Het familielid of een andere relatie dient aantoonbaar te beschikken over voldoende, zelfstandig verworven middelen van bestaan voor zichzelf (en zijn gezin) en voor de kosten van het levensonderhoud van de vreemdeling voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling in Nederland. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen, gelijk aan het bestaansminimum, bedoeld in de Wwb, voor de desbetreffende categorie, waartoe de persoon behoort die het verblijf financiert, aangevuld met het bestaansminimum voor de categorie waartoe de vreemdeling behoort (artikel 3.19, derde lid Vv). Tevens dient het familielid of een andere relatie zich schriftelijk garant te stellen voor de door de vreemdeling te maken kosten.
|
||||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in verband met deze uitzonderingsbepaling dient betrokkene zich in Nederland te bevinden en dient sprake te zijn van de situatie dat:
|
||||
Vrijstelling van het middelenvereiste wordt verleend indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
|
||||
|
||||
– stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en
|
||||
– de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en
|
||||
– de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.
|
||||
#### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
|
||||
|
||||
Indien de medische behandeling ter voorkoming van deze noodsituatie één jaar of korter zal duren, wordt geen verblijfsvergunning verleend, maar wordt geconcludeerd dat uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege blijft (zie B8/10).
|
||||
Voor de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, is artikel 3.47 Vb en de Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 (Trb 1981, 35) van toepassing (zie B11/16 Vc).
|
||||
|
||||
Ten aanzien van deze voorwaarden wordt advies ingewonnen bij het BMA (zie B8/4.4).
|
||||
### 3. Medisch advies
|
||||
|
||||
Van vorenstaande voorwaarden wordt in beginsel niet afgeweken op grond van omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreffen (zie B8/4.4).
|
||||
#### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
|
||||
|
||||
Vreemdelingen, die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie A2/4.3.3.2) met als doel het afleggen van een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum te kennen, dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
|
||||
Als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden kan de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.
|
||||
|
||||
Voor wat betreft het paspoortvereiste is artikel 16 Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing (zie B8/2.1).
|
||||
Het beroep op medische gronden moet de vreemdeling onderbouwen met:
|
||||
|
||||
Nochtans kan er in individuele gevallen wel aanleiding bestaan om aan het paspoortvereiste voorbij te gaan als:
|
||||
– Een gedagtekend, ondertekend schriftelijk bewijs van de medische behandelaar(s), waaruit blijkt:
|
||||
|
||||
– is aangetoond dat de enige mogelijkheid voor de afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst; en
|
||||
– stopzetting van de medische behandeling op korte termijn een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en
|
||||
– de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst.
|
||||
|
||||
Indien het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen, wordt de aanvraag ingevolge artikel 17, eerste lid, onder c, Vw niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
|
||||
|
||||
In de overige gevallen kan ingevolge artikel 3.71, vierde lid, Vb vrijstelling worden verleend van het mvv-vereiste indien de terugkeer van de vreemdeling in verband met de medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
|
||||
|
||||
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt de aanvraag die is ingediend door een vreemdeling ten aanzien van wie is vastgesteld dat hij in een medische noodsituatie verkeert niet afgewezen om de reden dat hij niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
|
||||
#### 3.3. Voortzetting van het verblijf
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling of vanwege medische noodsituatie is van tijdelijke aard en wordt verleend voor de duur van de behandeling met een maximum van een jaar. Houders van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling of voor verblijf vanwege medische noodsituatie komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw. Zolang de vreemdeling nog voldoet aan de beperking, kan de vergunning steeds voor de duur van ten hoogste een jaar worden verlengd.
|
||||
|
||||
Indien buiten enige twijfel vaststaat dat de medische behandeling blijvend aan Nederland is gebonden, kan de verblijfsvergunning voor medische behandeling op grond van artikel 3.60 Vb worden verleend voor de duur van vijf jaar. Deze geldigheidsduur kan reeds aan de verblijfsvergunning voor medische behandeling worden verbonden indien bij de eerste aanvraag blijkt dat de medische behandeling blijvend aan Nederland is gebonden. Dit zal in de regel blijken uit de resultaten van een onderzoek door het BMA.
|
||||
|
||||
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling of voor verblijf vanwege medische noodsituatie kan de vreemdeling op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b respectievelijk artikel 3.52 Vb een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf. Zie B16/4 voor de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf.
|
||||
|
||||
### 4. Medisch advies
|
||||
|
||||
#### 4.1. Bewijslast medische omstandigheden
|
||||
|
||||
Het is niet de bedoeling dat niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de IND zich een eigenstandig medisch oordeel vormen. Om die reden kan, als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden, de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.
|
||||
|
||||
Echter, niet in alle gevallen, waarin de vreemdeling zich in een reguliere toelatingsprocedure op medische gronden beroept, wordt het BMA om advies gevraagd. Dat niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de IND zich geen medisch oordeel mogen vormen, laat immers onverlet het bestuursrechtelijke uitgangspunt dat bij het indienen van een aanvraag alle gegevens en bescheiden dienen te worden overgelegd die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Met uitsluitend mededelingen van de vreemdeling zelf wordt geen genoegen genomen. Als een vreemdeling (mede) op grond van medische omstandigheden stelt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toelating, dient hij deze stelling genoegzaam te onderbouwen met een medische verklaring, opgesteld door een behandelaar die hetzij in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg hetzij in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven. Indien de medische verklaring is opgesteld door andere dan de hiervoor genoemde personen, wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
|
||||
|
||||
Er mag niet van de vreemdeling worden gevergd dat hij een verklaring overlegt van zijn behandelaar, waarin deze zich een oordeel vormt over vreemdelingenrechtelijke aanspraken (waaronder tevens wordt begrepen vrijstelling van het wettelijk mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid onder c, Vw). Er mag bijvoorbeeld niet van een vreemdeling worden geëist dat hij een verklaring overlegt waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat het voor hem gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
|
||||
|
||||
Vorenstaande betekent dat door de vreemdeling dient te worden overgelegd een gedagtekende, ondertekende schriftelijke verklaring van de medisch behandelaar(s), waaruit blijkt:
|
||||
|
||||
– de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Insituut van Psychologen van de behandelaar(s);
|
||||
– dat de vreemdeling medische klachten heeft, waarvoor hij door de behandelaar wordt behandeld;
|
||||
– wat de aard is van de medische klachten.
|
||||
• de naam, het adres en het registratienummer in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) of het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) van de behandelaar(s);
|
||||
• dat de vreemdeling medische klachten heeft, waarvoor hij door de behandelaar op dat moment actief wordt behandeld;
|
||||
• datum start behandeling en indien bekend verwachte einddatum van de behandeling;
|
||||
• wat de aard is van de medische klachten.
|
||||
|
||||
De behandelaar kan de gevraagde informatie verstrekken in eenvoudige, voor niet-medici begrijpelijke bewoordingen.
|
||||
|
||||
Deze voornoemde verklaring dient op het moment van overleggen recent te zijn, hetgeen betekent dat deze niet ouder mag zijn dan één maand. Indien na overlegging van de recente verklaring de verklaring door tijdsverloop ouder wordt dan één maand, behoeft geen nieuwe medische verklaring te worden overgelegd. Wel dienen wijzigingen in de medische situatie van de vreemdeling, die van belang kunnen zijn voor een te nemen beslissing, door middel van een nieuwe medische verklaring door de vreemdeling kenbaar te worden gemaakt (hierbij hoeft echter geen gebruik gemaakt te worden van het model conform de bijlage bij het aanvraagformulier (zie bijlage 13 VV).
|
||||
Er mag niet van de vreemdeling worden gevergd dat hij een verklaring overlegt van zijn behandelaar, waarin deze zich een oordeel vormt over vreemdelingenrechtelijke aanspraken (waaronder tevens wordt begrepen vrijstelling van het wettelijk mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid onder c, Vw). Er mag bijvoorbeeld niet van een vreemdeling worden geëist dat hij een verklaring overlegt waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat het voor hem gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
|
||||
|
||||
Een brief, die alle bovengenoemde gegevens bevat, volstaat.
|
||||
Het bewijs omtrent de medische situatie vreemdeling mag op het moment van overleggen niet ouder zijn dan één maand. Als na overlegging het bewijs door tijdsverloop ouder wordt dan één maand, behoeft geen nieuwe medisch bewijs te worden overgelegd. De vreemdeling moet wel eventuele wijzigingen in zijn medische situatie, die van belang kunnen zijn voor een te nemen beslissing, door middel van een nieuw bewijs melden bij de IND. De vreemdeling hoeft dan niet perse gebruik te maken van het model conform de bijlage bij het aanvraagformulier (zie bijlage 13 VV). Een brief, die alle bovengenoemde gegevens bevat, volstaat.
|
||||
|
||||
#### 4.2. Ongedocumenteerden
|
||||
Niet in alle gevallen, waarin de vreemdeling zich in een reguliere toelatingsprocedure op medische gronden beroept, wordt het BMA om advies gevraagd. Dat niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de IND zich geen medisch oordeel mogen vormen, laat immers onverlet het bestuursrechtelijke uitgangspunt dat bij het indienen van een aanvraag alle gegevens en bescheiden dienen te worden overgelegd die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
|
||||
|
||||
##### 4.2.1. Paspoortvereiste
|
||||
Dit betekent dat de IND het BMA in ieder geval niet om een medisch advies vraagt als:
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 16 Vw juncto artikel 3.72 Vb kan onder omstandigheden vrijstelling worden verleend van het vereiste dat de vreemdeling dient te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland daartoe in het algemeen onvoldoende aanleiding, aangezien het enkele ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden. De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding. Gelet hierop kan derhalve slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
|
||||
• de vreemdeling geen bewijs omtrent medische situatie overlegt;
|
||||
• de vreemdeling een bewijs omtrent medische situatie overlegt, maar deze is ouder dan één maand;
|
||||
• het bewijs omtrent medische situatie vreemdeling is opgesteld door andere dan de hiervoor genoemde personen;
|
||||
• uit het bewijs omtrent medische situatie vreemdeling blijkt dat de vreemdeling niet (langer) onder behandeling staat van een behandelaar ingeschreven in het BIG of NIP-register;
|
||||
• de vreemdeling met uitsluitend mededelingen van hemzelf komt.
|
||||
|
||||
##### 4.2.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
|
||||
#### 3.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
|
||||
|
||||
Indien een vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, overlegt hij ingevolge artikel 3.102 Vb (onder andere) aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
|
||||
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, overlegt hij ingevolge artikel 3.102 Vb, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval overlegt hij tevens aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit (zie ook B1/4.2 Vc).
|
||||
|
||||
De medisch adviseur wordt slechts om een gedeeltelijk advies gevraagd, indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onvoldoende vast is komen te staan. De medisch adviseur zal in die gevallen geen advies worden gevraagd omtrent de vraag of medische behandeling mogelijk is in het herkomstland.
|
||||
Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aantoont, vraagt de IND slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur, met het oog op de bepaling in artikel 17, eerste lid, onder c Vw en artikel 64 Vw. De IND stelt aan de medisch adviseur in deze gevallen slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er een medische noodsituatie ontstaat. De IND vraagt het BMA niet om de vraag of medische behandeling mogelijk is in het land van herkomst te beantwoorden.
|
||||
|
||||
Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen. Dat laat overigens onverlet dat in deze omstandigheden in bepaalde gevallen wel toepassing gegeven moet worden aan artikel 17, eerste lid, onder c, Vw dan wel artikel 64 Vw. Derhalve dient uitsluitend met het oog op deze bepalingen een medisch advies te worden opgevraagd.
|
||||
Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
|
||||
|
||||
#### 4.3. Inschakeling medisch adviseur slechts met toestemmingsverklaring
|
||||
#### 3.3. Inschakeling medisch adviseur slechts met toestemmingsverklaring
|
||||
|
||||
Voorts wordt geen advies ingewonnen bij het BMA indien de vreemdeling niet met een volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie bijlage 13 VV) een nader onderzoek naar diens stellingen mogelijk heeft gemaakt. In dat geval is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
|
||||
|
||||
##### 4.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
|
||||
##### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling het model (zie bijlage 13 VV) niet zelf bij het indienen van de aanvraag volledig ingevuld en ondertekend heeft overgelegd, wordt hij door de IND in het bezit gesteld van de toestemmingsverklaring. Indien de vreemdeling een gemachtigde heeft, wordt diens gemachtigde in het bezit gesteld van de toestemmingsverklaring.
|
||||
De IND vraagt het BMA alleen om medisch advies als:
|
||||
|
||||
Medisch advies wordt alleen ingewonnen als de in B8/4.3 genoemde toestemmingsverklaring volledig ingevuld en ondertekend is geretourneerd aan de IND. Indien geen (volledig) ingevulde of ondertekende toestemmingsverklaring wordt ontvangen, stelt de Minister de vreemdeling in de gelegenheid het verzuim te herstellen conform artikel 4:5 Awb. Daarvoor wordt een termijn van twee weken gegeven. Daarna laten de volgende situaties zich onderscheiden.
|
||||
• de vreemdeling een recente, volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring overlegt met vermelding van de meest recente behandelaars waarbij de vreemdeling momenteel onder behandeling staat; BMA verricht geen medisch onderzoek als de toestemmingsverklaring ouder is dan zes maanden.; en
|
||||
• de vreemdeling zijn medische situatie genoegzaam aantoont (zie B8/4.1).
|
||||
|
||||
– Ook nadat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, wordt geen toestemmingsverklaring ontvangen. In dat geval heeft de vreemdeling de Minister niet in de gelegenheid gesteld zich een oordeel te vormen over de stelling dat hij een medische behandeling ondergaat en dientengevolge in Nederland verblijf behoeft. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling wordt afgewezen.
|
||||
– Er wordt binnen de gegeven termijn een verklaring ontvangen, maar de vreemdeling geeft geen toestemming voor het inwinnen van medisch advies of het inschakelen van externe specialisten (‘second opinion’), dan wel het rapporteren aan de IND en andere procespartijen. In dat geval heeft de vreemdeling de Minister niet in de gelegenheid gesteld zich een oordeel te vormen over de stelling dat hij een medische behandeling ondergaat en dientengevolge in Nederland verblijf behoeft. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling wordt afgewezen.
|
||||
– Er wordt binnen de gegeven termijn een volledig ingevulde en ondertekende verklaring ontvangen. Voorts is de medische situatie van betrokkene genoegzaam aangetoond (zie B8/4.1). In dat geval schakelt de behandelend ambtenaar van de IND het BMA in voor advies. Het BMA stelt een advies op omtrent de medische situatie van de vreemdeling. Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van algemene informatie uit het Landen Informatiesysteem, vakliteratuur en informatie verkregen van de behandelaars van de vreemdeling. Aangezien het BMA derden benadert, wordt de wettelijke beslistermijn verlengd (zie B1/9.7.3).
|
||||
Het BMA stelt dan een advies op omtrent de medische situatie van de vreemdeling. Daarbij maakt het BMA onder andere gebruik van algemene informatie uit het Landen Informatiesysteem, vakliteratuur en informatie verkregen van de behandelaars van de vreemdeling. Omdat het BMA derden benadert, verlengt de IND de wettelijke beslistermijn (zie B1/9.7.3).
|
||||
|
||||
#### 4.4. Feitelijke toegankelijkheid
|
||||
Als de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag geen (volledig) ingevulde of ondertekende toestemmingsverklaring (zie bijlage 13 VV) overlegt, stelt de IND hem in de gelegenheid het verzuim aan het loket te herstellen conform artikel 4:5 Awb. Als de vreemdeling desondanks geen volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring overlegt, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
|
||||
|
||||
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland betreffen, worden niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten van toepassing:
|
||||
In de volgende situatie wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van de medische behandeling af, omdat de IND zich geen oordeel kan vormen over de stelling van de vreemdeling dat hij een medische behandeling ondergaat en daarom verblijf in Nederland behoeft:
|
||||
|
||||
– aan de omstandigheid dat de kwaliteit van de gezondheidszorg hier te lande gunstig afsteekt bij die van het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen, komt geen betekenis toe;
|
||||
– hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat de behandelmogelijkheden aldaar door financiële omstandigheden worden beïnvloed. Immers, de vreemdeling zal in deze niet verschillen van vele van zijn landgenoten. Bovendien kunnen medische behandelingen van vreemdelingen die niet zelf hun behandeling betalen, aanzienlijke kosten met zich meebrengen voor de algemene middelen;
|
||||
– de enkele omstandigheid dat betrokkene mogelijk voor het kunnen ondergaan van de medische behandeling aanzienlijke geografische afstanden moet afleggen dan wel zijn woonplaats mogelijk binnen het land van herkomst dient te verplaatsen, vormt geen grond om verblijf toe te staan. Eventuele gevolgen van het staken van een medische behandeling kunnen niet leiden tot verblijfsaanvaarding, aangezien de vreemdeling het staken van een medische behandeling kan voorkomen door zich elders in het land van herkomst te vestigen;
|
||||
– asielgerelateerde redenen, die voor de vreemdeling de medische zorg niet toegankelijk zouden kunnen maken, kunnen bij de beoordeling van een reguliere verblijfsaanvraag geen rol spelen;
|
||||
– dat voor een bepaalde medische behandeling lange wachttijden gelden, kan evenmin leiden tot de conclusie dat om medische redenen verblijf dient te worden toegestaan. De vreemdeling zal in deze immers niet verschillen van vele van zijn landgenoten; en
|
||||
– aan de omstandigheid dat een vreemdeling teneinde terug te kunnen reizen naar het herkomstland, medische begeleiding nodig heeft tijdens de reis dan wel een medische overdracht aan behandelaars in het herkomstland, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Het is aan de vreemdeling om de noodzakelijke begeleiding/overdracht te realiseren. De IOM kan vreemdelingen hierin ondersteunen (zie A4/5). In geval van een uitzetting faciliteert de Minister de medische begeleiding/overdracht. Indien het onmogelijk is de medische begeleiding/overdracht te realiseren, is sprake van de situatie bedoeld in artikel 64 Vw.
|
||||
• Ook nadat de vreemdeling door de IND in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, ontvangt de IND volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring en de aanvraag is niet buiten behandeling gesteld.
|
||||
• De IND ontvangt binnen de gegeven termijn een toestemmingsverklaring, maar de vreemdeling geeft geen toestemming voor het inwinnen van medisch advies of het inschakelen van externe specialisten (‘second opinion’), dan wel het rapporteren aan de IND en andere procespartijen.
|
||||
|
||||
Het vóórkomen van onderbrekingen in de medicijnverstrekkingen vanwege logistieke problemen in het land van herkomst of bestendig verblijf, is geen aangelegenheid die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de aanwezigheid van de medische zorg. Wel is het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om de mogelijke gevolgen van een onderbreking in de medicijnverstrekking zo veel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen, door een voorraad medicijnen aan te houden. Indien uit het advies van het BMA blijkt dat in het land van herkomst dan wel het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen onderbrekingen voorkomen, wordt van geval tot geval een afweging gemaakt, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling en de duur en regelmaat van de onderbrekingen worden betrokken. Als de onderbrekingen blijkens het advies van het BMA een maand of langer duren, vormen deze onderbrekingen grond om te komen tot de conclusie dat de behandeling in feite niet (voldoende continu) aanwezig is.
|
||||
#### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
|
||||
|
||||
### 5. Mantelzorgnetwerk
|
||||
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten in ieder geval van toepassing :
|
||||
|
||||
In sommige gevallen stelt de medisch adviseur vast dat een bepaalde medische behandeling slechts kans van slagen heeft indien de betrokken vreemdeling kan terugvallen op een zogenaamd ‘mantelzorgnetwerk’. Hiermee wordt bedoeld dat de aard van de aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden, met name familieleden of vrienden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn, tenzij de medisch adviseur dat nadrukkelijk aangeeft.
|
||||
• aan de omstandigheid dat de kwaliteit van de gezondheidszorg hier te lande gunstig afsteekt bij die van het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen, komt geen betekenis toe;
|
||||
• hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de behandelmogelijkheden aldaar door financiële omstandigheden wordt beïnvloed. Immers, de vreemdeling zal verschilt in deze niet van vele van zijn landgenoten. Bovendien kunnen medische behandelingen van vreemdelingen die niet zelf hun behandeling betalen, aanzienlijke kosten met zich meebrengen voor de algemene middelen;
|
||||
• de omstandigheid dat de vreemdeling mogelijk voor het kunnen ondergaan van de medische behandeling aanzienlijke geografische afstanden moet afleggen dan wel zijn woonplaats mogelijk binnen het land van herkomst moet verplaatsen. Eventuele gevolgen van het staken van een medische behandeling leiden niet tot verblijfsaanvaarding, omdat de vreemdeling het staken van een medische behandeling kan voorkomen door zich elders in het land van herkomst te vestigen;
|
||||
• asielgerelateerde redenen, die voor de vreemdeling de medische zorg niet toegankelijk zouden kunnen maken, kunnen bij de beoordeling van een reguliere verblijfsaanvraag geen rol spelen;
|
||||
• de omstandigheid dat voor een bepaalde medische behandeling lange wachttijden gelden, kan evenmin leiden tot de conclusie dat om medische redenen verblijf dient te worden toegestaan. De vreemdeling verschilt in deze immers niet van vele van zijn landgenoten; en
|
||||
• aan de omstandigheid dat een vreemdeling teneinde terug te kunnen reizen naar het herkomstland, medische begeleiding nodig heeft tijdens de reis dan wel een medische overdracht aan behandelaars in het herkomstland, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Het is aan de vreemdeling om de noodzakelijke begeleiding/overdracht te realiseren. De IOM kan vreemdelingen hierin ondersteunen (zie A4/5). In geval van een uitzetting faciliteert de Minister de medische begeleiding/overdracht. Indien het onmogelijk is de medische begeleiding/overdracht te realiseren, is sprake van de situatie bedoeld in artikel 64 Vw.
|
||||
|
||||
Indien de medisch adviseur aangeeft dat mantelzorg voor de betrokken vreemdeling noodzakelijk is, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld aan te geven of er al dan niet personen aanwezig zijn in het herkomstland, die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen. Voorzover een vreemdeling stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, dient hij gegevens en bescheiden te overleggen waaruit dit blijkt. Aan niet (in onvoldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent wordt geen betekenis toegekend. Evenmin rust op het bestuursorgaan de verplichting om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen.
|
||||
Het vóórkomen van onderbrekingen in de medicijnverstrekkingen vanwege logistieke problemen in het land van herkomst of bestendig verblijf, is geen aangelegenheid die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de aanwezigheid van de medische zorg. Wel is het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om de mogelijke gevolgen van een onderbreking in de medicijnverstrekking zo veel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen, door een voorraad medicijnen aan te houden. Indien uit het advies van het BMA blijkt dat in het land van herkomst dan wel het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen onderbrekingen voorkomen, wordt van geval tot geval een afweging gemaakt, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling en de duur en regelmaat van de onderbrekingen worden betrokken.
|
||||
|
||||
### 6. Ongewisse situatie in land van herkomst
|
||||
Als de onderbrekingen blijkens het advies van het BMA een maand of langer duren, vormen deze onderbrekingen grond om te komen tot de conclusie dat de behandeling in feite niet (voldoende continu) aanwezig is.
|
||||
|
||||
### 4. Mantelzorgnetwerk
|
||||
|
||||
Als de medisch adviseur vaststelt dat de vreemdeling een medische behandeling ondergaat en dat mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van deze medische behandeling:
|
||||
|
||||
• stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid aan te geven of er al dan niet personen aanwezig zijn in het herkomstland, die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen; en
|
||||
• legt de vreemdeling, als hij stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, gegevens en bescheiden over waaruit dit blijkt.
|
||||
|
||||
De IND kent geen betekenis toe aan niet (in voldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent en is evenmin verplicht om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen. De enkele onwil van de gezins- of familieleden de benodigde mantelzorg te verlenen dan wel de eventuele onwil van de vreemdeling om een beroep op hen te doen is onvoldoende voor het oordeel dat de vreemdeling de nodige zorg in het land van herkomst zal ontberen.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen waar de vreemdeling medisch gezien op is aangewezen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 5 b Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1, waaronder B8/2.1 ad a, onder 5 a en c Vc, wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen die noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl aangetoond is dat zonder medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan en dat er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 3c Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1 Vc wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
|
||||
|
||||
Met ‘mantelzorg’ wordt bedoeld dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele zorg zoals bijvoorbeeld thuiszorg is geen mantelzorg.
|
||||
|
||||
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
|
||||
|
||||
Als vanwege een ongewisse situatie in het land van herkomst het BMA niet in staat is om te adviseren omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het herkomstland, wordt aangenomen dat geen behandelmogelijkheden aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
|
||||
### 6. Beperking en arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vw wordt, voor wat betreft medische behandeling, verleend onder de beperking:
|
||||
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vw wordt verleend onder de beperking:
|
||||
|
||||
‘Medische behandeling’. De arbeidsmarktaantekening luidt voor zover het geen gemeenschapsonderdanen betreft: ‘arbeid niet toegestaan’. Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die verbonden zijn aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
|
||||
‘Medische behandeling’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid niet toegestaan’.
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vw wordt, voor wat betreft medische noodsituatie, verleend onder de beperking:
|
||||
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
|
||||
|
||||
‘Verblijf vanwege medische noodsituatie’. In de beschikking wordt aangegeven dat betrokkene verblijf wordt toegestaan wegens een medische noodsituatie. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid niet toegestaan.’
|
||||
In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vw wordt verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
|
||||
|
||||
### 8. Afhankelijke gezinsleden
|
||||
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die verbonden zijn aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
|
||||
|
||||
De in Nederland verblijvende (huwelijks)partner alsmede de tot het gezin behorende kind(eren) die afhankelijk zijn van een vreemdeling aan wie in verband met medische behandeling of medische noodsituatie een verblijfsvergunning is verleend, respectievelijk de verzorgende ouder(s), kunnen in deze situatie met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
|
||||
### 7. Aard van het verblijfsrecht
|
||||
|
||||
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt voorts de aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
De verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling is conform artikel 3.5 Vb van tijdelijke aard. Houders van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw .
|
||||
|
||||
Gelet op het bepaalde in artikel 3.13 Vb kunnen deze gezinsleden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat van hen in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de medische behandeling van de hoofdpersoon, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘verblijf bij … (naam hoofdpersoon)’ met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon.
|
||||
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid niet toegestaan’.
|
||||
De verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt verleend voor de duur van de behandeling met een maximum van een jaar.
|
||||
|
||||
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake medische behandeling danwel medische noodsituatie.
|
||||
Indien buiten enige twijfel vaststaat dat de medische behandeling blijvend aan Nederland is gebonden, kan de verblijfsvergunning voor medische behandeling op grond van artikel 3.60 Vb worden verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaar. Dit zal in de regel blijken uit het BMA-advies.
|
||||
|
||||
### 9. Afwijzing
|
||||
### 9. Gezinsleden
|
||||
|
||||
De in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling kunnen op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij de hoofdpersoon tijdens diens medische behandeling. Dit beleid heeft betrekking op de volgende gezinsleden:
|
||||
|
||||
– (huwelijks)partner
|
||||
– juridische minderjarige kinderen
|
||||
|
||||
Als de hoofdpersoon een minderjarig kind is, kunnen de volgende gezinsleden in aanmerking komen voor verblijf als hier bedoeld:
|
||||
|
||||
– juridische ouders
|
||||
– minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin.
|
||||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zoals hier bedoeld dienen zij aan de volgende voorwaarden te voldoen:
|
||||
|
||||
– de gezinsleden verblijven samen met de verblijfhouder in Nederland;
|
||||
– de familierechtelijke relatie is aangetoond;
|
||||
– de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
|
||||
– de vreemdeling vormt geen gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
|
||||
|
||||
Zie voor de wijze waarop aangetoond moet worden dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan B1/4 en B2 Vc.
|
||||
|
||||
In deze situatie kan met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb vrijstelling van het mvv-vereiste worden verleend.
|
||||
|
||||
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt voorts de aanvraag in de in de eerste alinea genoemde gevallen niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan indien het een gezinslid betreft van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw
|
||||
|
||||
Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de medische behandeling van de hoofdpersoon, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘verblijf bij (naam hoofdpersoon)’ met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon.
|
||||
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt ‘arbeid niet toegestaan’.
|
||||
|
||||
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
|
||||
|
||||
In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vw wordt verleend aan een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
|
||||
|
||||
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake medische behandeling.
|
||||
|
||||
### 10. Afwijzing
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning wordt afgewezen, zijn de normale procedures van toepassing (zie B1).
|
||||
|
||||
### 10
|
||||
### 11
|
||||
|
||||
De uitzettingsbelemmering van artikel 64 Vw kan worden ingeroepen, wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort (zie A4/7). In het kader van de behandeling van de aanvragen voor het ondergaan van medische behandeling dan wel vanwege een medische noodsituatie wordt ambtshalve beoordeeld of de uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege dient te blijven. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw achterwege indien:
|
||||
De uitzettingsbelemmering van artikel 64 Vw kan worden ingeroepen, wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort (zie A4/7). In het kader van de behandeling van de aanvragen voor het ondergaan van medische behandeling wordt bij afwijzing van de aanvraag ambtshalve beoordeeld of de uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege dient te blijven. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw achterwege indien:
|
||||
|
||||
– de medisch adviseur aangeeft dat het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of
|
||||
– dat de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en
|
||||
– de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en
|
||||
– de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren.
|
||||
• Er sprake is van een van de situaties genoemd in paragraaf A4/7 Vc; of
|
||||
• De medisch adviseur aangeeft dat:
|
||||
|
||||
- stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en
|
||||
- de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en
|
||||
- de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren.
|
||||
|
||||
In deze gevallen wordt in de beschikking waarmee de verblijfsvergunning wordt geweigerd, dan wel het bezwaarschrift gericht tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, ongegrond wordt verklaard, meteen aan de vreemdeling medegedeeld:
|
||||
|
||||
– dat uitzetting gedurende een gespecificeerde periode achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;
|
||||
– dat de vreemdeling gedurende deze periode rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onder j, Vw;
|
||||
– dat gedurende deze periode op de vreemdeling niet de rechtsplicht rust Nederland uit eigen beweging te verlaten.
|
||||
• dat uitzetting gedurende een gespecificeerde periode achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;
|
||||
• dat de vreemdeling gedurende deze periode rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onder j, Vw;
|
||||
• dat gedurende deze periode op de vreemdeling niet de rechtsplicht rust Nederland uit eigen beweging te verlaten.
|
||||
|
||||
De bij het eerste opsommingsteken bedoelde gespecificeerde periode bedraagt één jaar of zo veel korter als de medische behandeling blijkens het advies van het BMA naar verwachting zal duren.
|
||||
De bij het eerste opsommingsteken bedoelde gespecificeerde periode bedraagt de duur van het reisbeletsel met maximaal een jaar.
|
||||
|
||||
### 11. Analoge toepassing van
|
||||
### 12. Analoge toepassing van
|
||||
|
||||
Uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking het ondergaan van medische behandeling of vanwege medische noodsituatie hebben ingediend kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor (analoge) toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van de beslissing op hun aanvraag – waardoor ingevolge de Rva recht op opvang ontstaat. Dit is het geval indien voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning de procedure zoals beschreven in A4/7.2.1.2 is gevolgd. In aanvulling dient tevens door de vreemdeling tezamen met de relevante medische gegevens een geldig document voor grensoverschrijding te worden overgelegd (paragraaf B8/4.2 Vc is van overeenkomstige toepassing). Paragrafen A4/7.2.2, A4/7.2.3, A4/7.3.1 en A4/7.3.2 Vc zijn verder van toepassing.
|
||||
Uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking het ondergaan van medische behandeling hebben ingediend kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor (analoge) toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van de beslissing op hun aanvraag – waardoor ingevolge de Rva – recht op opvang ontstaat. Dit is het geval indien voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning de procedure zoals beschreven in A4/7.2 is gevolgd. In aanvulling dient tevens door de vreemdeling tezamen met de relevante medische gegevens een geldig document voor grensoverschrijding te worden overgelegd (paragraaf B8/3.2 Vc is van overeenkomstige toepassing). Paragrafen A4/7.2 en A4/7.3 Vc zijn verder van toepassing.
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt afgewezen eindigt de analoge toepassing van artikel 64 Vw van rechtswege.
|
||||
|
||||
### 13. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
Op 7 oktober 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangekondigd voornemens te zijn de verscheidenheid aan toelatingsvormen ‘medisch’ te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2009/2010, 19637, nr 1305). Naar aanleiding hiervan wordt het beleid dat geldt voor aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, met ingang van de datum van inwerkingtreding van onderhavig WBV, aangepast en komt de beperking ‘medische noodsituatie’ te vervallen.
|
||||
|
||||
In verband met onderhavige wijziging wordt de volgende overgangsregeling getroffen:
|
||||
|
||||
• Aanvragen om verlening en verlenging van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’ die zijn ontvangen vóór 1 juli 2010, worden getoetst aan het recht dat gold ten tijde van het indienen van de aanvraag. Dit geldt tevens voor aanvragen om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd in de beperking ‘medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’ die ontvangen zijn vóór 1 juli 2010. Dit conform artikel 3.103 Vb. Indien de aanvraag op grond van het recht dat gold ten tijde van het indienen hiervan in aanmerking zou komen voor inwilliging, zal een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ worden verleend.
|
||||
• De verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd die vóór 1 juli 2010 is verleend onder de beperking ‘vanwege medische noodsituatie’ behoudt zijn geldigheidsduur.
|
||||
• Onder de situatie bedoeld in artikel 3.46, derde lid, Vb wordt ook verstaan de situatie dat de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag houder is geweest van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’.
|
||||
|
||||
## 9. Mensenhandel
|
||||
|
||||
|
|
@ -7464,7 +7390,7 @@ Hoewel het merendeel van de slachtoffers van mensenhandel vrouw is, is in dit ho
|
|||
|
||||
Volledigheidshalve zij vermeld dat EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen ook rechten kunnen ontlenen aan de in dit hoofdstuk neergelegde bepalingen en procedure voorzover zij geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht (zie B10).
|
||||
|
||||
Hetzelfde geldt voor vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven in afwachting van een beslissing op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij kunnen aangifte doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek hangende de asielprocedure. Indien zij gebruik willen maken van de procedure als beschreven in dit hoofdstuk, dienen zij hiertoe in de gelegenheid te worden gesteld en zal, na afgifte van de verblijfsvergunning, de asielaanvraag worden afgewezen op grond van artikel 30, onder b, Vw (zie ook C14/5.1). Indien zij niet kiezen voor dit traject loopt de asielaanvraag door en kunnen zij, gedurende de asielprocedure, geen verdere rechten ontlenen aan de in dit hoofdstuk neergelegde bepalingen en procedures. In dit geval dient de politie echter wel de contactpersoon mensenhandel van de IND direct door middel van het model ‘Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafrechtelijk onderzoek mensenhandel gedurende de asielprocedure (zie M55A) op de hoogte te stellen van de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking. Eerst nadat de vreemdeling aan de IND te kennen heeft gegeven alsnog een beroep te willen doen op de regeling zoals neergelegd in dit hoofdstuk, zal de kennisgeving ambtshalve als aanvraag worden aangemerkt en in behandeling worden genomen, waarna beoordeeld zal worden of de vreemdeling op dat moment rechten kan ontlenen aan de regeling zoals neergelegd in dit hoofdstuk.
|
||||
Hetzelfde geldt voor vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven in afwachting van een beslissing op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij kunnen aangifte doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek hangende de asielprocedure. Indien zij gebruik willen maken van de procedure als beschreven in dit hoofdstuk, dienen zij hiertoe in de gelegenheid te worden gesteld en zal, na afgifte van de verblijfsvergunning, de asielaanvraag worden afgewezen op grond van artikel 30, onder b, Vw (zie ook C14/5.1). Zij kunnen er ook voor kiezen geen gebruik te maken van de B9-regeling en in plaats daarvan de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag af te wachten. In het geval de asielaanvraag wordt afgewezen kunnen zij dan alsnog ambtshalve in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel. In dit geval dient de politie echter wel de contactpersoon mensenhandel van de IND direct door middel van het model ‘Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafrechtelijk onderzoek mensenhandel gedurende de asielprocedure (zie M55A) op de hoogte te stellen van de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking.
|
||||
|
||||
Voor zowel het opsporings- als het vervolgingsonderzoek is van groot belang dat zowel slachtoffers die aangifte doen of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek, als getuigen die aangifte doen, gedurende langere tijd ter beschikking blijven van het OM om de bewijsvorming te kunnen afronden. Dit rechtvaardigt de opschorting van de verwijdering dan wel het verlenen van een tijdelijke verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7472,9 +7398,9 @@ Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhand
|
|||
|
||||
Het begrip mensenhandel bevat de volgende elementen:
|
||||
|
||||
– iedere gedraging waarmee de binnenkomst van vreemdelingen in, de doorreis over, het verblijf in of het vertrek van het grondgebied van een land wordt bevorderd;
|
||||
– iedere gedraging die gericht is op de seksuele uitbuiting tegen betaling; en
|
||||
– een van de overige in artikel 273f WvSr als mensenhandel strafbaar gestelde ernstige vormen van uitbuiting.
|
||||
• iedere gedraging waarmee de binnenkomst van vreemdelingen in, de doorreis over, het verblijf in of het vertrek van het grondgebied van een land wordt bevorderd;
|
||||
• iedere gedraging die gericht is op de seksuele uitbuiting tegen betaling; en
|
||||
• een van de overige in artikel 273f WvSr als mensenhandel strafbaar gestelde ernstige vormen van uitbuiting.
|
||||
|
||||
Het behandelen met respect van het slachtoffer en van de getuige-aangever die aangifte doet, maakt daarvan onderdeel uit. Evenals het garanderen van de veiligheid van slachtoffers en het beschermen van de rechten van de slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7492,9 +7418,7 @@ a. de vreemdeling is slachtoffer van mensenhandel (zie artikel 3.48, eerste lid,
|
|||
b. de vreemdeling heeft terzake aangifte gedaan of heeft op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr; en
|
||||
c. er is sprake van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan de vreemdeling aangifte heeft gedaan of waaraan de vreemdeling op andere wijze medewerking heeft verleend.
|
||||
|
||||
*Ad a:*
|
||||
|
||||
De volgende categorieën vreemdelingen kunnen rechten ontlenen aan de in B9/2 tot en met B9/4.3 neergelegde bepalingen en procedures. Zowel uitbuiting in de seksindustrie als overige vormen van uitbuiting zijn strafbaar gesteld als mensenhandel.
|
||||
De volgende categorieën vreemdelingen kunnen rechten ontlenen aan de in B9/2 tot en met B9/4.3 neergelegde bepalingen en procedures. Zowel uitbuiting in de seksindustrie als overige vormen van uitbuiting zijn strafbaar gesteld als mensenhandel:
|
||||
|
||||
• *Vreemdelingen die worden aangetroffen bij een bestuurlijke- of politiecontrole in een seksinrichting*
|
||||
|
||||
|
|
@ -7515,11 +7439,7 @@ Het gaat hier om vreemdelingen die zich in Nederland bevinden en mogelijk buiten
|
|||
|
||||
Het gaat hier bijvoorbeeld om vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, maar die aangeven mogelijk slachtoffer te zijn van mensenhandel. Voor de strafbaarstelling in artikel 273f WvSr gelden geen territoriale beperkingen. Het kan dus wel degelijk van belang zijn dat ook deze vreemdelingen ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek gehoord worden en dat zij in de gelegenheid worden gesteld om aangifte te doen, of op andere wijze medewerking te verlenen. In dit soort situaties geldt dat de KMar bepaalt, zonodig in overleg met het OM, of er voldoende signalen van mensenhandel zijn om bedenktijd aan te bieden. Het is niet de vreemdeling zelf die erom kan verzoeken.
|
||||
|
||||
*Ad b:*
|
||||
|
||||
De kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (zie M55) wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de IND (zie B9/3 en B9/4). De kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel gedurende de asielprocedure (zie M55A) wordt eerst nadat de vreemdeling aan de IND te kennen heeft gegeven alsnog een beroep te willen doen op de regeling zoals neergelegd in dit hoofdstuk, ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
*Ad c:*
|
||||
De kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (zie M55) wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de IND (zie B9/3 en B9/4). Indien de vreemdeling tevens een asielaanvraag heeft ingediend of wenst in te dienen, kan hij er ook voor kiezen af te zien van het verlenen van een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel om in plaats daarvan de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag af te wachten. De kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel gedurende de asielprocedure (Model M55a) wordt in dat geval niet aangemerkt als aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. In het geval de asielaanvraag wordt afgewezen kan de vreemdeling alsnog ambtshalve in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel.
|
||||
|
||||
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen (zie B9/8.1).
|
||||
|
||||
|
|
@ -7657,7 +7577,7 @@ De politie stelt het vermoedelijke slachtoffer op het moment dat hij hiertoe de
|
|||
|
||||
De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de IND direct door middel van het model ‘Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafrechtelijk onderzoek mensenhandel en beroep op regeling B9’ (zie M55) of het model ‘Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafrechtelijk onderzoek mensenhandel gedurende de asielprocedure (zie model M55A) per fax van de aangifte in kennis. De politie verstrekt voorts terstond na opmaak van het model M55 of M55A een kopie daarvan aan de vreemdeling.
|
||||
|
||||
De aangifte dan wel het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek (M55), wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de IND. Indien de vreemdeling te kennen heeft gegeven gedurende de asielprocedure geen beroep te willen doen op de regeling B9, wordt de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan strafrechtelijk onderzoek mensenhandel (zie M55A) eerst nadat de vreemdeling aan de IND te kennen heeft gegeven alsnog een beroep te willen doen op de regeling zoals neergelegd in dit hoofdstuk, ambtshalve als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning aangemerkt.
|
||||
De aangifte dan wel het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek (M55), wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de IND. Indien de vreemdeling te kennen heeft gegeven de inhoudelijke beoordeling van de asielprocedure te willen afwachten kan de verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel in het geval de asielaanvraag wordt afgewezen ambtshalve worden verleend in de asielprocedure. De kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel gedurende de asielprocedure (Model M55a) wordt in dat geval niet aangemerkt als aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De IND wordt middels een M55A door de politie op de hoogte gesteld van de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan strafrechtelijk onderzoek mensenhandel (zie M55A).
|
||||
|
||||
##### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
|
||||
|
||||
|
|
@ -9041,22 +8961,24 @@ Surinaamse onderdanen die op medische indicatie voor een behandeling naar Nederl
|
|||
|
||||
Wanneer in Nederland, uit een verklaring van de behandelend geneesheer, mocht blijken dat een verblijf van langer dan drie maanden noodzakelijk is, zal de verblijfstermijn worden verlengd. Bij een verlenging tot maximaal zes maanden wordt het visum verlengd.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.47, eerste lid, Vb kan aan de Surinaamse onderdaan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) voor dit doel worden verleend, indien hij:
|
||||
Op grond van artikel 3.47, eerste lid, Vb kan aan de Surinaamse onderdaan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld in artikel 3.46 Vb worden verleend, indien hij:
|
||||
|
||||
a. op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen; en
|
||||
b. voortzetting van de medische behandeling in Nederland zes maanden na inreis medisch noodzakelijk is; en
|
||||
c. de financiering daarvan deugdelijk is geregeld; en
|
||||
d. wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw (zie B1/4), waaronder met name ook het moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan voor het levensonderhoud van de Surinaamse onderdaan.
|
||||
|
||||
In deze situatie wordt dus niet getoetst of Nederland het meest aangewezen land is. Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA (zie B8).
|
||||
Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA (zie B8).
|
||||
|
||||
Voor een Surinaamse onderdaan die op een toeristenvisum Nederland binnenkomt om hier een medische behandeling te ondergaan, gelden naast de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw de bijzondere voorwaarden van artikel 3.46 Vb en B8.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.47, derde lid, Vb wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw.
|
||||
|
||||
##### 16.2.1. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Het ondergaan van medische behandeling’ met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid niet toegestaan’.
|
||||
|
||||
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
|
||||
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vw wordt verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
|
||||
|
||||
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
|
||||
|
||||
|
|
@ -9502,15 +9424,17 @@ De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van maximaal zes m
|
|||
|
||||
### 1. Inleiding
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk worden de bepalingen inzake de ambtshalve verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als Amv, voor verblijf als vreemdeling die buiten schuld niet uit Nederland kan vertrekken en voor verblijf op grond van het driejarenbeleid uitgewerkt.
|
||||
In dit hoofdstuk worden de bepalingen inzake de ambtshalve verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als Amv, voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken,en voor verblijf op grond van het driejarenbeleid en voor verblijf verband houdend met de vervolging van mensenhandel uitgewerkt.
|
||||
|
||||
Artikel 3.56 Vb houdt in dat onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een Amv. Dit artikel geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
|
||||
|
||||
Een andere categorie vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, betreft die vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
|
||||
|
||||
Voorts kan ook ambtshalve een verblijfsvergunning regulier worden verleend aan de vreemdeling op wiens asielaanvraag na drie jaren nog niet onherroepelijk is beslist. Dit driejarenbeleid is weliswaar per 1 januari 2003 afgeschaft, maar kan op grond van het overgangsrecht nog van toepassing zijn op vreemdelingen die hun asielaanvraag voor 1 januari 2000 hebben ingediend.
|
||||
Ook kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier worden verleend aan de vreemdeling op wiens asielaanvraag na drie jaren nog niet onherroepelijk is beslist. Dit driejarenbeleid is weliswaar per 1 januari 2003 afgeschaft, maar kan op grond van het overgangsrecht nog van toepassing zijn op vreemdelingen die hun asielaanvraag voor 1 januari 2000 hebben ingediend.
|
||||
|
||||
De mogelijkheid om (ambtshalve) een verblijfsvergunning regulier te verlenen aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ is met ingang van 1 januari 2009 vervallen.
|
||||
Verder kan een verblijfsvergunning regulier verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in hoofdstuk B9 ambtshalve worden verleend in de asielprocedure, als blijkt dat de asielzoeker (tevens) slachtoffer is van mensenhandel en voorafgaand aan of tijdens de asielprocedure terzake aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek gedurende de asielprocedure. De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend worden in dit hoofdstuk uiteengezet.
|
||||
|
||||
De mogelijkheid om (ambtshalve) een verblijfsvergunning regulier te verlenen aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ is met ingang van 1 januari 2009 vervallen.
|
||||
|
||||
### 2. Amv’s
|
||||
|
||||
|
|
@ -9623,7 +9547,7 @@ De toetsing aan het bijzondere beleid inzake Amv is ex nunc. Van belang is dus n
|
|||
|
||||
##### 2.4.3. Leeftijdsonderzoek
|
||||
|
||||
Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in C12/1.3 en C12/5.
|
||||
Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in C11/3.4 en C14/6.1.
|
||||
|
||||
###### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -9639,7 +9563,7 @@ Indien de vreemdeling niet vooraf toestemming heeft gegeven voor een herhaald le
|
|||
|
||||
##### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
|
||||
|
||||
Indien uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is dat de Amv zich zelfstandig staande zal kunnen houden (zie C14/2.2.3), kan onderzoek door het Ministerie van BuZa geïndiceerd zijn indien in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan, geen adequate opvang, bijvoorbeeld in de vorm van opvangtehuizen, bekend is. Onderzoek is in beginsel niet noodzakelijk indien de vreemdeling zelf verklaart dat adequate opvang aanwezig is, en daarbij voldoende geloofwaardige informatie geeft waaruit blijkt hoe de adequate opvang bij terugkeer bereikt kan worden, zoals adresgegevens.
|
||||
Indien uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is dat de Amv zich zelfstandig staande zal kunnen houden, kan onderzoek door het Ministerie van BuZa geïndiceerd zijn indien in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan, geen adequate opvang, bijvoorbeeld in de vorm van opvangtehuizen, bekend is. Onderzoek is in beginsel niet noodzakelijk indien de vreemdeling zelf verklaart dat adequate opvang aanwezig is, en daarbij voldoende geloofwaardige informatie geeft waaruit blijkt hoe de adequate opvang bij terugkeer bereikt kan worden, zoals adresgegevens.
|
||||
|
||||
Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.
|
||||
|
||||
|
|
@ -10052,71 +9976,58 @@ De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘tijdsverloop in de a
|
|||
|
||||
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
|
||||
|
||||
### 5. Regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)
|
||||
### 5. Vervolging van mensenhandel
|
||||
|
||||
#### 5.1. Algemeen
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
Asielzoekers kunnen aangifte doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek hangende de asielprocedure. In hoofdstuk B9 is uitgewerkt onder welke voorwaarden in dat geval een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel kan worden verleend. De asielzoeker kan bij het doen van de aangifte terzake mensenhandel of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolginsonderzoek echter ook aangeven eerst de inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag te wensen (zie Model M55a). In geval van een afwijzing van de asielaanvraag kan de vreemdeling ambtshalve (alsnog) in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder genoemde beperking, mits op dat moment (nog steeds) wordt voldaan aan de voorwaarden.
|
||||
|
||||
#### 5.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
|
||||
#### 5.2. Voorwaarden
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
B9.2 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### 5.3. Contra-indicaties
|
||||
#### 5.3. Afwijzingsgronden
|
||||
|
||||
##### 5.3.1. Openbare orde
|
||||
B9/2 is van overeenkomstige toepassing. In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in artikel 16 Vw wordt de aanvraag niet afgewezen indien zich een situatie voordoet als genoemd in B9/2 onder c. Voorts geldt dat als op het moment van ambtshalve beslissen de strafzaak door het OM is geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld danwel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, de verblijfsvergunning niet wordt verleend.
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
|
||||
##### 5.3.2. Nationale veiligheid
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
|
||||
##### 5.3.3. De vreemdeling is reeds houder verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
|
||||
##### 5.3.4. De vreemdeling is EU/EER-onderdaan
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
|
||||
##### 5.3.5. Twijfel omtrent identiteit of nationaliteit
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
De asielzoeker die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar terzake (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, komt niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. De beslissing op de asielaanvraag wordt in beginsel niet aangehouden in afwachting van het al dan niet doen van de aangifte. Indien de vreemdeling na afloop van de asielprocedure aangifte doet, vindt verlening plaats op de wijze zoals beschreven in hoofdstuk B9.
|
||||
|
||||
#### 5.4. Procedurele bepalingen
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
##### 5.4.1. Ambtshalve toets
|
||||
|
||||
#### 5.5. Aard van het verblijfsrecht
|
||||
De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan ambtshalve worden verleend op grond van artikel 3.6 Vb (zie C14/6):
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
a. ambtshalve in het kader van een asielprocedure, nadat is geconstateerd dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt afgewezen;
|
||||
b. ambtshalve in het kader van een procedure waarbij is besloten dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
#### 5.6. De verlening van de verblijfsvergunning
|
||||
##### 5.4.2. Toetsing ex nunc
|
||||
|
||||
##### 5.6.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
|
||||
De toetsing is ex nunc. Van belang is niet de situatie op het moment van indienen van de aanvraag, noch die op het moment waarop aangifte is gedaan, maar die op het moment van het ambtshalve beslissen.
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
#### 5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
##### 5.6.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
|
||||
##### 5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
B9.7.2 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
##### 5.6.3. Geldigheidsduur
|
||||
##### 5.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet. In de praktijk is dat veelal de datum waarop de vreemdeling aangifte heeft gedaan. De ingangsdatum valt echter niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.
|
||||
|
||||
#### 5.7. Gezinshereniging en -vorming
|
||||
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
##### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
#### 5.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
#### 5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
#### 5.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
|
||||
B9.9 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
200825129-12-200819-12-20082008/31200825129-12-200819-12-20082008/3101-01-2009Artikel II van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (intrekking regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud)), Stcrt. 2008/251, bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
#### 5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## 15. Kennismigranten
|
||||
|
||||
|
|
@ -10604,8 +10515,12 @@ In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond d
|
|||
|
||||
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling kan de vreemdeling op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b, Vb een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, indien de medische behandeling naar het oordeel van de Minister nog voor ten minste één jaar noodzakelijk zal zijn. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
Voorts moet de vreemdeling, op het moment waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt ingediend, nog steeds aan alle voorwaarden genoemd in B8/2.1 Vc voldoen.
|
||||
|
||||
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
|
||||
Indien de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ is verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw, telt deze laatst genoemde periode van ten minste een jaar mee voor de periode van drie jaar die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. In deze situatie kan de vreemdeling op grond van artikel 3.52 vb onder meetelling van de periode als hiervoor beschreven na drie jaar een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voorgezet verblijf’, indien de vreemdeling nog steeds aan de voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ voldoet.
|
||||
|
||||
#### 3.3. Na verblijf als Amv
|
||||
|
||||
##### 3.3.1. Algemeen
|
||||
|
|
@ -10760,11 +10675,18 @@ d. andere gegevens, voorzover het gaat om objectieve gegevens uit betrouwbare br
|
|||
|
||||
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een verklaring van het OM dan wel van de politie. Ook in dat geval is een verklaring van een (vertrouwens)arts of andere hulpverlener vereist.
|
||||
|
||||
#### 4.4. Medische noodsituatie
|
||||
#### 4.4. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling
|
||||
|
||||
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ kan de vreemdeling op grond van artikel 3.52 Vb een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voorgezet verblijf’, indien de medische noodsituatie naar het oordeel van de Minister nog ten minste één jaar zal duren. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
|
||||
Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij een houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ kunnen op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Dit is slechts van toepassing als aan alle onderstaande genoemde voorwaarden wordt voldaan:
|
||||
|
||||
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
• de hoofdpersoon bij wie verblijf is verleend is, na drie jaar als houder van een verblijfsvergunning ‘medische behandeling’ in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b Vb; en
|
||||
• de vreemdeling gedurende de gehele periode heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning; en
|
||||
• de vreemdeling, op het moment waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt ingediend, nog steeds aan alle voorwaarden voldoet voor verlenging van de oorspronkelijke verblijfsvergunning; en
|
||||
• de vreemdeling tegelijkertijd met dan wel later dan de hoofdpersoon een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf; en
|
||||
• de vreemdeling voldoet aan de overige bepalingen zoals genoemd in artikel 3.51 Vb; en
|
||||
• de vreemdeling voldoet aan de algemene verblijfsvoorwaarden genoemd in artikel 16 Vw. In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
|
||||
|
||||
Hetgeen onder paragraaf B16/3.2 , ‘*Meetellen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j van de Vw*’ is opgenomen is hier ook van toepassing.
|
||||
|
||||
#### 4.5. Slachtoffer/getuige-aangever van mensenhandel
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue