2005-01-13 | BWBR0011820 | Besluit aanwijzing rechtstreekse gemeenten en verdeelsleutel stedelijke vernieuwing

This commit is contained in:
Coornhert 2005-01-13 12:00:00 +00:00
parent 9549fa710d
commit 1e05728b66

View file

@ -19,8 +19,10 @@ In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Wet stedelijke vernieuwing;
b. toegelaten instelling: instelling, toegelaten krachtens artikel 70 van de Woningwet;
c. inkomensdeciel: een groep inkomensgroep, verkregen door alle netto besteedbare inkomens op hoogte te rangschikken en vervolgens te verdelen in tien groepen van 10%, waarbij het eerste inkomensdeciel de groep met de laagste inkomens is en het tiende inkomensdeciel de groep met de hoogste inkomens is;
d. netto besteedbaar inkomen: inkomen dat is samengesteld uit het inkomen uit arbeid, de winst uit onderneming, het inkomen uit uitkeringen en de sociale verzekeringen, het pensioen, de lijfrente, de alimentatie of het bijstandsverhaal, de kinderbijslag, het spaarloon, de vakantietoeslag, het werkgevers- en werknemersdeel van de ziekenfondspremie, de tegemoetkoming van de werkgever in de ziektekosten, de gratificaties, de vaste winstdelingen en de tantièmes, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met het privégebruik van de auto van de werkgever, de ontvangen rente, de ontvangen dividenden, de inkomsten uit verhuurd onroerend goed, de betaalde hypotheekrente en het daaraan gekoppelde belastingvoordeel, het huurwaardeforfait en de ontvangen huursubsidie.
c. A-lijst: lijst van woningen die op 1 maart 1986 een geluidbelasting vanwege een weg ondervonden van ten minste 65 dB(A), dan wel ten minste 60 dB(A) indien zij deel uitmaakten van een verzameling van woningen waarvan ten minste één woning een geluidbelasting vanwege een weg ondervond van ten minste 65 dB(A);
d. Raillijst: lijst van woningen die op 1 juli 1987 een geluidbelasting ondervonden van meer dan 65 dB(A) vanwege een spoorweg;
e. plandrempeloverschrijding: overeenkomstig artikel 20, tweede en zesde lid, van het Besluit luchtkwaliteit vastgestelde overschrijding van de in artikel 9, onder b, of artikel 10, onder b, van dat besluit genoemde plandrempels, of te verwachten overschrijding per 1 januari 2010 van de grenswaarden, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van dat besluit;
f. werkvoorraad landbodems stedelijk gebied: kosten van onderzoek en sanering van in stedelijk gebied gelegen verontreinigde landbodems.
## Hoofdstuk 2. De aanwijzing van gemeenten waaraan door het rijk investeringsbudget kan worden verstrekt
@ -67,302 +69,304 @@ dd. Zwolle.
**2.**
Onze Minister berekent voor alle gemeenten in Nederland de uitkomst van de formule:
Onze Minister berekent voor de in artikel 2 genoemde gemeenten en voor de provincies de factor investeringspotentieel (I) met behulp van de formule:
420 x WON45 x wLI x wOAD x wKLREG +
298 x MGW45 x wLI +
897 x MGW31 x wLI +
298 x SHM45 x wLI +
53 x WON4580 x wLI x wOAD x wKLREG +
341 x MGW4580 x wLI x wOAD x wKLREG +
341 x SHM4580 x wLI x wOAD x wKLREG +
357 x PANDEN x wLI +
1429 x MONUMENT x wLI +
21311 x VESTIND x wLI x wOAD x wKLREG x (WON45/VOORRAAD) x wGSC,
((2 x ((1/((KOOPPRIJS + BAAN)/2))-1)) +1) x 0,9585592138,
in welke formule voorstelt:
WON45:
KOOPPRIJS: de gemiddelde prijs van de door de Dienst voor het kadaster en de openbare registers geregistreerde verkochte woningen in de periode 1999 tot en met 2002 in een in artikel 2 genoemde gemeente of een provincie gedeeld door het Nederlands gemiddelde van die prijs, en
het aantal binnen de gemeente aanwezige woningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning;
BAAN: de toename van het aantal banen per inwoner in de periode 1992 tot en met 2001 in een in artikel 2 genoemde gemeente of een provincie gedeeld door het Nederlands gemiddelde daarvan.
wLI:
een wegingsfactor die wordt bepaald door de formule:
{6 x (LI/INWO)} + 0,04, in welke formule voorstelt:
LI:
het aantal in de gemeente woonachtige personen dat een netto besteedbaar inkomen in het tweede tot en met vierde inkomensdeciel geniet, waarbij voor de telling van het aantal personen dat een inkomen geniet, echtgenoten alséé n inkomensgenieter worden beschouwd, niet gehuwden als afzonderlijke eenheden worden beschouwd en personen die niet gedurende het gehele jaar inkomen hebben genoten, alsmede studenten met uitsluitend een studiebeurs, niet worden meegeteld, en
INWO:
het aantal inwoners binnen de gemeente;
wOAD:
een wegingsfactor die wordt bepaald door de formule:
(OAD/10 000) + 0,75, in welke formule voorstelt:
OAD:
de op de gemeente van toepassing zijnde omgevingsadressendichtheid, bepaald overeenkomstig de wijze die van toepassing is bij de berekening van de bedragen die aan gemeenten worden uitgekeerd ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet, naar de stand op 1 januari 1997;
wKLREG:
een wegingsfactor die wordt bepaald door de formule:
{0,2 x (KLREG/INWO)} + 1, in welke formule voorstelt:
KLREG:
het op de gemeente van toepassing zijnde aantal potentiële regionale klanten, bepaald overeenkomstig de wijze die van toepassing is bij de berekening van de bedragen die aan gemeenten worden uitgekeerd ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet, naar de stand op 1 januari 1997 en
INWO:
het aantal inwoners binnen de gemeente;
MGW45:
het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning;
MGW31:
het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1931 is gereedgekomen voor bewoning;
SHM45:
het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinshuurwoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning;
WON4580:
het aantal binnen de gemeente aanwezige woningen dat op of na 1 januari 1945 en voor 1 januari 1981 is gereedgekomen voor bewoning;
MGW4580:
het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat op of na 1 januari 1945 en voor 1 januari 1981 is gereedgekomen voor bewoning;
SHM4580:
het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinshuurwoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat op of na 1 januari 1945 en voor 1 januari 1981 is gereedgekomen voor bewoning;
PANDEN:
het aantal panden dat binnen de gemeente aanwezig is binnen een reeds aangewezen of nog aan te wijzen beschermd stadsof dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988;
MONUMENT:
het aantal binnen de gemeente aanwezige beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988;
VESTIND:
het aantal binnen de gemeente aanwezige bedrijfsvestigingen in de industrie met meer dan tien werkzame personen;
VOORRAAD:
het aantal binnen de gemeente aanwezige woningen en
wGSC:
een wegingsfactor voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage en Utrecht die het getal twee bedraagt.
**3.**
Voor de in artikel 2 genoemde gemeenten worden de overeenkomstig het tweede lid verkregen getallen per gemeente verhoogd met een getal per gemeente dat de uitkomst is van de formule:
0,2156% x [97,9069% x {UITKOMST (274 x PANDEN x wLI) (1096 x MONUMENT x wLI)}],
in welke formule voorstelt:
UITKOMST:
de voor de gemeente berekende uitkomst van de formule, bedoeld in het tweede lid;
PANDEN:
het aantal panden dat binnen de gemeente aanwezig is binnen een reeds aangewezen of nog aan te wijzen beschermd stadsof dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988;
wLI:
hetgeen daaronder in het tweede lid wordt verstaan, en
MONUMENT:
het aantal binnen de gemeente aanwezige beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988.
**3.** Voor de niet in artikel 2 genoemde gemeenten wordt in het vierde, vijfde en zevende lid de factor investeringspotentieel gehanteerd die overeenkomstig het tweede lid is berekend voor de provincie waarin die gemeente is gelegen.
**4.**
Voor de in artikel 2 genoemde gemeenten worden de overeenkomstig het derde lid verkregen getallen per gemeente verhoogd met een getal per gemeente dat de uitkomst is van de formule:
346 x VESTIGER x
[1 + {6,37 x ((((BUDGET / 10 000) / wLI) x wWERKLOOS) / VOORRAAD)}] - (START / VESTIGER)
Onze Minister berekent voor alle gemeenten in Nederland de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
VESTIGER:
A: de uitkomst van de formule:
het aantal binnen de gemeente aanwezige bedrijfsvestigingen in de industrie, in de productie en distributie van elektriciteit, aardgas en water, in de bouwnijverheid, in de reparatie van en handel in consumentenartikelen, in de horeca, in de verhuur van en handel in onroerende zaken, in de verhuur van roerende zaken, in de cultuur en recreatie en in de dienstverlening;
157,14 x WON45 x wLI x wOAD x wKLREG +
BUDGET:
350,72 x MGW31 x wLI +
de uitkomst van de formule: 97,9069% x {UITKOMST (274 x PANDEN x wLI) (1096 x MONUMENT x wLI)}, in welke formule voorstelt:
56,81 x PANDEN x wLI +
UITKOMST:
227,23 x MONUMENT x wLI +
de voor de gemeente berekende uitkomst van de formule, bedoeld in het tweede lid;
8695,48 x VESTIND x wLI x wOAD x wKLREG x (WON45/VOORRAAD) x wGSC,
PANDEN:
in welke formule voorstelt:
het aantal panden dat binnen de gemeente aanwezig is binnen een reeds aangewezen of nog aan te wijzen beschermd stadsof dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988;
WON45: het aantal in de gemeente aanwezige woningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning;
wLI:
wLI: een wegingsfactor, die wordt bepaald door de formule:
hetgeen daaronder in het tweede lid wordt verstaan en
(6 x ((1,14 x LI)/INWO)) + 0,04,
MONUMENT:
in welke formule voorstelt:
het aantal binnen de gemeente aanwezige beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988;
LI: het aantal binnen de gemeente aanwezige lage inkomens, bepaald overeenkomstig de maatstaf lage inkomens die van toepassing is bij de berekening van de bedragen die aan gemeenten worden uitgekeerd ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële Verhoudingswet;
wLI:
INWO: het aantal inwoners binnen de gemeente;
hetgeen daaronder in het tweede lid wordt verstaan;
wOAD: een wegingsfactor, die wordt bepaald door de formule:
wWERKLOOS:
(OAD/10000) + 0,75,
een wegingsfactor die wordt bepaald door de formule:
in welke formule voorstelt:
0,51 + (14 x WERKLOOS / INWO)**, **in welke formule voorstelt:
OAD: de op de gemeente van toepassing zijnde omgevingsadressendichtheid, bepaald overeenkomstig de wijze die van toepassing is bij de berekening van de bedragen die aan gemeenten worden uitgekeerd ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële Verhoudingswet;
WERKLOOS:
wKLREG: een wegingsfactor, die wordt bepaald door de formule:
het op de gemeente van toepassing zijnde gemiddelde over de jaren 1995 tot en met 1997 van het aantal personen ouder dan 15 jaar en jonger dan 65 jaar dat niet of minder dan 12 uur per week werkt en beschikbaar is voor werk van 12 uur per week of meer en ingeschreven staat bij de Arbeidsvoorziening Nederland en
(0,20 x (KLREG/INWO)) + 1,
INWO:
in welke formule voorstelt:
het aantal inwoners binnen de gemeente;
KLREG: het op de gemeente van toepassing zijnde aantal potentiële regionale klanten, bepaald overeenkomstig de wijze die van toepassing is bij de berekening van de bedragen die aan gemeenten worden uitgekeerd ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële Verhoudingswet;
VOORRAAD:
INWO: het aantal inwoners binnen de gemeente;
het aantal binnen de gemeente aanwezige woningen;
MGW31: het aantal in de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1931 is gereedgekomen voor bewoning;
START:
PANDEN: het aantal in de gemeente aanwezige panden binnen een reeds aangewezen of nog aan te wijzen beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988;
het aantal op of na 1 januari 1994 en voor 1 januari 1999 binnen de gemeente opgerichte bedrijven.
MONUMENT: het aantal in de gemeente aanwezige beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988;
**5.** Onze Minister herleidt voor elke gemeente het overeenkomstig het tweede lid, of het tweede, derde en vierde lid verkregen getal per gemeente, tot een percentage van de som van die getallen. De berekende percentages worden op drie decimalen afgerond.
VESTIND: het aantal in de gemeente aanwezige bedrijfsvestigingen in de industrie met meer dan tien werkzame personen;
**6.** Onze Minister stelt voor elke provincie een percentage vast door de percentages die overeenkomstig het vijfde lid zijn berekend voor de in een provincie gelegen gemeenten die niet zijn genoemd in artikel 2, bij elkaar op te tellen.
VOORRAAD: het aantal in de gemeente aanwezige woningen;
wGSC: een wegingsfactor die voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, s-Gravenhage en Utrecht het getal twee bedraagt en voor de overige gemeenten het getal één;
I: de factor investeringspotentieel, zoals die is vastgesteld ingevolge het tweede en derde lid, en
BUDGET STADSVERNIEUWING: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor stadsvernieuwing.
**5.**
Onze Minister berekent voor alle gemeenten in Nederland de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
B: de uitkomst van de formule:
6,93 x WON45 x wLI x wOAD x wKLREG +
113,45 x MGW45 x wLI +
113,45 x SHM45 x wLI +
20,35 x WON4580 x wLI x wOAD x wKLREG +
129,90 x MGW4580 x wLI x wOAD x wKLREG +
129,90 x SHM4580 x wLI x wOAD x wKLREG,
in welke formule voorstelt:
WON45, wLI, wOAD en wKLREG: hetgeen daaronder in het vierde lid wordt verstaan;
MGW45: het aantal in de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning;
SHM45: het aantal in de gemeente aanwezige meergezinswoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning;
WON4580: het aantal in de gemeente aanwezige woningen dat in de jaren 1945 tot en met 1980 is gereedgekomen voor bewoning, met dien verstande dat woningen die gereed gekomen zijn in de jaren 1945 tot en met 1959 tellen voor drie en woningen die gereed gekomen zijn in de jaren 1960 tot en met 1970 tellen voor twee;
MGW4580: het aantal in de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat in de jaren 1945 tot en met 1980 is gereedgekomen voor bewoning, met dien verstande dat woningen die gereed gekomen zijn in de jaren 1945 tot en met 1959 tellen voor drie en woningen die gereed gekomen zijn in de jaren 1960 tot en met 1970 tellen voor twee;
SHM4580: het aantal in de gemeente aanwezige meergezinswoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat in de jaren 1945 tot en met 1980 is gereedgekomen voor bewoning, met dien verstande dat woningen die gereed gekomen zijn in de jaren 1945 tot en met 1959 tellen voor drie en dat woningen die gereed gekomen zijn in de jaren 1960 tot en met 1970 tellen voor twee;
I: de factor investeringspotentieel, zoals die is vastgesteld ingevolge het tweede en derde lid, en
BUDGET HERSTRUCTURERING: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor herstructurering.
**6.**
Onze Minister berekent voor de in artikel 2 genoemde gemeenten de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
C: de uitkomst van de formule:
BUDGET GROOTSCHALIG GROEN/120 + (59,87 x RECR),
in welke formule voorstelt:
BUDGET GROOTSCHALIG GROEN: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor grootschalig groen;
RECR: het percentueel aandeel van een gemeente in het in aantallen recreatieplaatsen uitgedrukte landelijk tekort aan recreatieve opvangcapaciteit voor wandelen en fietsen binnen tien kilometer vanaf de stadsrand in 1995;
I: de factor investeringspotentieel, zoals die is vastgesteld ingevolge het tweede lid, en
BUDGET GROOTSCHALIG GROEN: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor grootschalig groen.
**7.**
De uit 's-Rijks kas beschikbare middelen voor investeringsbudget, verminderd met een bedrag van € 90 756 043,22 dat overeenkomstig het achtste lid wordt verdeeld, en een bedrag van € 45 378 021,61 dat overeenkomstig het tiende lid wordt verdeeld, worden met gebruikmaking van de overeenkomstig het vijfde en zesde lid verkregen percentages, herleid tot bedragen voor de in artikel 2 genoemde gemeenten en de provincies.
De aldus berekende bedragen worden per gemeente en provincie op € 453,78 naar boven afgerond.
**8.**
De overeenkomstig het zevende lid berekende bedragen worden voor de in artikel 2 genoemde gemeenten en voor de provincies verhoogd met de volgende bedragen:
a. Alkmaar: € 680 670,32;
b. Almelo: € 680 670,32;
c. Amersfoort: € 226 890,11;
d. Amsterdam: € 3 766 375,79;
e. Arnhem: € 2 359 657,12;
f. Breda: € 272 268,13;
g. Deventer: € 1 089 072,52;
h. Dordrecht: € 1 815 120,86;
i. Eindhoven: € 1 588 230,76;
j. Emmen: € 453 780,22;
k. Enschede: € 1 769 742,84;
l. 's-Gravenhage: € 18 196 586,67;
m. Groningen: € 8 168 043,89;
n. Haarlem: € 2 450 413,17;
o. Heerlen: € 1 678 986,80;
p. Helmond: € 408 402,19;
q. Hengelo: € 726 048,35;
r. 's-Hertogenbosch: € 45 378,02;
s. Leeuwarden: € 2 586 547,23;
t. Leiden: € 952 938,45;
u. Lelystad: € 90 756,04;
v. Maastricht: € 317 646,15;
w. Nijmegen: € 1 361 340,65;
x. Rotterdam: € 21 781 450,37;
y. Schiedam: € 2 541 169,21;
z. Tilburg: € 1 406 718,67;
aa. Utrecht: € 3 857 131,84;
bb. Venlo: € 453 780,22;
cc. Zaanstad: € 1 134 450,54;
dd. Zwolle: € 635 292,30;
ee. provincie Groningen: € 3 040 327,45;
ff. provincie Friesland: € 2 450 413,17;
gg. provincie Drenthe: € 726 048,35;
hh. provincie Overijssel: € 181 512,09;
ii. provincie Gelderland: € nihil;
jj. provincie Utrecht: € nihil;
kk. provincie Noord-Holland: € 226 890,11;
ll. provincie Zuid-Holland: € nihil;
mm. provincie Zeeland: € 2 495 791,19;
nn. provincie Noord-Brabant: € nihil;
oo. provincie Limburg: € 499 158,24 en
pp. provincie Flevoland: € 136 134,06.
**9.** De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage en Utrecht kunnen in onderlinge overeenstemming de som van de voor die gemeenten overeenkomstig het achtste lid berekende bedragen herverdelen. Van een herverdeling wordt mededeling gedaan aan Onze Minister.
**10.**
Voor de in artikel 2 genoemde gemeenten worden de overeenkomstig het achtste of negende lid berekende bedragen per gemeente verhoogd met een bedrag per gemeente dat de uitkomst is van de formule:
€ 226 890,11 +
Gf x € 26 999 922,86 +
ISV x € 11 571 395,51
Onze Minister berekent voor alle gemeenten in Nederland de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
Gf:
D: de uitkomst van de formule:
een percentage dat gelijk is aan het procentuele aandeel van de gemeente in de som van de aan de in artikel 2 genoemde gemeenten ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet voor het taakgebied Groen uitgekeerde bedragen, naar de stand op 1 januari 1997 en
3,00 x (WON4570 + (2,00 x MGW4570)) +
ISV:
7,79 x BO1930 +
een percentage dat gelijk is aan het procentuele aandeel van de gemeente in de som van de voor de in artikel 2 genoemde gemeenten overeenkomstig het achtste lid berekende bedragen per gemeente.
0,012 x BELVEDERE x BUDGET +
De uitkomsten van de formule worden per gemeente op € 1 134,45 naar boven afgerond.
0,62 x KLREG,
in welke formule voorstelt:
WON4570: het aantal in de gemeente aanwezige woningen dat in de jaren 1945 tot en met 1970 is gereedgekomen voor bewoning;
MGW4570: het aantal in de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat in de jaren 1945 tot en met 1970 is gereedgekomen voor bewoning;
BO1930: het aantal in de gemeente aanwezige historische woningen in gesloten nederzettingen (bewoonde oorden) van 500 woningen of meer, zoals vastgesteld bij de Volkstelling van 31 december 1930;
BELVEDÈRE: een wegingsfactor die het getal één bedraagt als de gemeente voorkomt op de lijst van cultuurhistorisch belangrijke steden in de Nota Belvedère en in andere gevallen het getal nul;
BUDGET: de voor de gemeente berekende som van de uitkomst van de formules:
a.
in welke formule voorstelt:
A en BUDGET STADSVERNIEUWING: hetgeen daaronder in het vierde lid wordt verstaan, en
b.
in welke formule voorstelt:
B en BUDGET HERSTRUCTURERING: hetgeen daaronder in het vijfde lid wordt verstaan;
KLREG: hetgeen daaronder in het vierde lid wordt verstaan;
I: de factor investeringspotentieel, zoals die is vastgesteld ingevolge het tweede en derde lid, en
BUDGET CULTUURIMPULS: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor cultuurimpulsen.
**8.** a. Onze Minister berekent voor gemeenten in Nederland met op 1 januari 2005 ten hoogste tien in het kader van geluidhinder te saneren woningen, de uitkomst van de formule:
E x Z,
in welke formule voorstelt:
E: het aantal per 1 januari 2005 in een zodanige gemeente in het kader van geluidhinder nog te saneren woningen, welk aantal wordt bepaald door de som van het aantal voor die gemeente op de A-lijst voorkomende woningen en het aantal voor die gemeente op de Raillijst voorkomende woningen, beide naar de stand op 1 januari 2002, te verminderen met het aantal woningen waarvoor tot 1 januari 2005 door die gemeente rijksbijdragen in de kosten van sanering zijn ontvangen of konden worden ontvangen, en
Z: de voor een zodanige gemeente berekende gemiddelde kosten van sanering per woning, welke kosten worden bepaald door de voor die gemeente totaal geraamde uitvoeringskosten, vermeerderd met 10%, te delen door de som van het aantal voor die gemeente op de A-lijst voorkomende woningen en het aantal voor die gemeente op de Raillijst voorkomende woningen.
b. Onze Minister berekent voor gemeenten in Nederland met per 1 januari 2005 meer dan tien in het kader van geluidhinder te saneren woningen de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
Y: de voor een gemeente, met per 1 januari 2005 meer dan tien in het kader van geluidhinder te saneren woningen, berekende gemiddelde kosten van sanering per woning, welke kosten worden bepaald door de voor die gemeente totaal geraamde uitvoeringskosten, vermeerderd met 10%, te delen door de som van het aantal voor die gemeente op de A-lijst voorkomende woningen en het aantal voor die gemeente op de Raillijst voorkomende woningen.
E: hetgeen daaronder in onderdeel a wordt verstaan;
BUDGET GELUIDHINDER: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor geluidhinder, en
G: de uitkomsten per gemeente, berekend ingevolge onderdeel a.
c. De bedragen die ingevolge de onderdeel a of b voor een gemeente zijn berekend, worden afgerond op het dichtstbijzijnde duizendtal.
d. Onze Minister telt voor elke provincie de bedragen op die ingevolge onderdeel a of b en onderdeel c zijn berekend voor de in die provincie gelegen gemeenten die niet zijn genoemd in artikel 2.
**9.** a. Onze Minister berekent voor de in artikel 2 genoemde gemeenten de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
F: de voor een gemeente geldende rekengrootheid per klasse als bedoeld in de linkerkolom van onderstaande tabel, welke rekengrootheid volgens die tabel wordt bepaald door het aantal meters plandrempeloverschrijding in die gemeente te relateren aan een klasse en het aantal gemeenten per klasse te vermenigvuldigen met de bij die klasse behorende wegingsfactor:
AANTAL GEMEENTEN: het aantal gemeenten per klasse, zoals dat aantal voor die gemeente is gehanteerd bij het bepalen van de rekengrootheid F in de formule, en
BUDGET LUCHTKWALITEIT: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor luchtkwaliteit.
b. Het aantal meters plandrempeloverschrijding als bedoeld in onderdeel a betreft slechts niet-rijkswegen en daarvan slechts die weggedeelten, en per weggedeelte naar boven afgerond op vijftigtallen meters, waarlangs zich de volgende gevoelige bestemmingen bevinden:
1°. woningen of bouwwerken die voor bewoning worden gebruikt;
2°. sportterreinen;
3°. gebouwen voor gezondheidszorginstellingen;
4°. gebouwen voor onderwijsinstellingen, of
5°. gebouwen voor kinderopvanginstellingen.
**10.** a. Onze Minister berekent voor de in artikel 2 genoemde gemeenten en voor de provincies een bedrag dat gelijk is aan 30% van het bedrag dat aan een in artikel 2 genoemde gemeente, respectievelijk aan een provincie voor de op haar grondgebied gelegen niet in artikel 2 genoemde gemeenten, ten behoeve van bodemsanering is verstrekt voor het eerste investeringstijdvak stedelijke vernieuwing (20002004).
b. Onze Minister berekent voor de in artikel 2 genoemde gemeenten en voor de provincies, met uitzondering van de gemeente Lelystad en de provincie Flevoland, de uitkomst van de formule:
in welke formule voorstelt:
G: de werkvoorraad landbodems stedelijk gebied in die gemeente of provincie;
I: de factor investeringspotentieel, berekend met behulp van de formule:
((2 x ((1/((KOOPPRIJS + BAAN)/2))-1)) +1) x V,
in welke formule voorstelt:
KOOPPRIJS: hetgeen daaronder in het tweede lid wordt verstaan;
BAAN: hetgeen daaronder in het tweede lid wordt verstaan;
V: een wegingsfactor om de som van de correcties voor investeringspotentieel op nul te laten uitkomen, en
BUDGET LANDBODEMS STEDELIJK GEBIED: het in het budget voor stedelijke vernieuwing opgenomen deelbudget voor sanering van landbodems in stedelijk gebied, verminderd met de som van de bedragen die ingevolge onderdeel a zijn berekend.
c. Onze Minister telt voor elk van de gemeenten en de provincies die het betreft, de bedragen op die ingevolge de onderdelen a en b voor die gemeente of provincie zijn berekend.
**11.** Ter bepaling van het budget stedelijke vernieuwing per in artikel 2 genoemde gemeente telt Onze Minister voor elk van die gemeenten de bedragen op die voor die gemeenten berekend zijn overeenkomstig het vierde tot en met tiende lid. Het per gemeente berekende bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde duizendtal.
**12.** a. Onze Minister telt voor elke provincie de bedragen op die overeenkomstig het vierde, vijfde en zevende lid zijn berekend voor de in die provincie gelegen gemeenten die niet zijn genoemd in artikel 2, welke uitkomsten worden vermeerderd met de bedragen die overeenkomstig het achtste lid, onderdeel d, voor de provincies zijn berekend.
b. Onze Minister berekent voor elke provincie het percentuele aandeel van die provincie in de som van de voor de provincies berekende bedragen ingevolge onderdeel a.
c. Onze Minister telt voor elke provincie de bedragen op die overeenkomstig het vierde en vijfde lid zijn berekend voor de in die provincie gelegen gemeenten die niet zijn genoemd in artikel 2.
d. Onze Minister vermindert de som van de bedragen die overeenkomstig onderdeel c zijn berekend met € 10 miljoen, welke vermindering over de provincies wordt verdeeld naar rato van het voor de provincie berekende percentuele aandeel als bedoeld in onderdeel b.
e. Ter bepaling van het budget stedelijke vernieuwing per provincie telt Onze Minister per provincie de bedragen op die ingevolge onderdeel d per provincie zijn berekend en de bedragen die overeenkomstig het zevende lid zijn berekend voor de in die provincie gelegen gemeenten die niet zijn genoemd in artikel 2, welke uitkomsten worden vermeerderd met de bedragen die overeenkomstig het achtste en tiende lid voor die provincie zijn berekend. Het per provincie berekende bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde duizendtal.
## Hoofdstuk 4. Grondslag voor de verdelingsnormen
### Artikel 4
**1.** Aan de bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 januari 1997 worden ontleend: het aantal binnen de gemeente aanwezige woningen (VOORRAAD), het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning (MGW45), het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1931 is gereedgekomen voor bewoning (MGW31), het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinshuurwoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning (SHM45), het aantal binnen de gemeente aanwezige woningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning (WON45), het aantal binnen de gemeente aanwezige woningen dat op of na 1 januari 1945 en voor 1 januari 1981 is gereedgekomen voor bewoning (WON4580), het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinswoningen dat op of na 1 januari 1945 en voor 1 januari 1981 is gereedgekomen voor bewoning (MGW4580) en het aantal binnen de gemeente aanwezige meergezinshuurwoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat op of na 1 januari 1945 en voor 1 januari 1981 is gereedgekomen voor bewoning (SHM4580).
**1.**
**2.** Het aantal binnen de gemeente aanwezige bedrijfsvestigingen in de industrie, in de productie en distributie van elektriciteit, aardgas en water, in de bouwnijverheid, in de reparatie van en handel in consumentenartikelen, in de horeca, in de verhuur van en handel in onroerende zaken, in de verhuur van roerende zaken, in de cultuur en recreatie en in de dienstverlening (VESTIGER) en het aantal binnen de gemeente aanwezige bedrijfsvestigingen in de industrie met meer dan tien werkzame personen (VESTIND), wordt ontleend aan de bij het handelsregister, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Handelsregisterwet 1996, daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 januari 1998.
Aan de bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 januari 2002 worden ontleend:
**3.** Het aantal op of na 1 januari 1994 en voor 1 januari 1999 binnen de gemeente opgerichte bedrijven (START), wordt ontleend aan de bij het handelsregister, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Handelsregisterwet 1996, daaromtrent beschikbare gegevens.
a. het aantal in een gemeente aanwezige woningen (VOORRAAD);
b. het aantal in een gemeente aanwezige woningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning (WON45);
c. het aantal in een gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning (MGW45);
d. het aantal in een gemeente aanwezige meergezinswoningen dat voor 1 januari 1931 is gereedgekomen voor bewoning (MGW31);
e. het aantal in een gemeente aanwezige meergezinswoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat voor 1 januari 1945 is gereedgekomen voor bewoning (SHM45);
f. het aantal in een gemeente aanwezige woningen dat in de jaren 1945 tot en met 1980 is gereedgekomen voor bewoning (WON4580);
g. het aantal in een gemeente aanwezige meergezinswoningen dat in de jaren 1945 tot en met 1980 is gereedgekomen voor bewoning (MGW4580);
h. het aantal in een gemeente aanwezige meergezinswoningen in bezit of eigendom van toegelaten instellingen dat in de jaren 1945 tot en met 1980 is gereedgekomen voor bewoning (SHM4580);
i. het aantal in een gemeente aanwezige woningen dat in de jaren 1945 tot en met 1970 is gereedgekomen voor bewoning (WON4570) en
j. het aantal in een gemeente aanwezige meergezinswoningen dat in de jaren 1945 tot en met 1970 is gereedgekomen voor bewoning (MGW4570).
**4.** Het op de gemeente van toepassing zijnde gemiddelde over de jaren 1995 tot en met 1997 van het aantal personen ouder dan 15 jaar en jonger dan 65 jaar dat niet of minder dan 12 uur per week werkt en beschikbaar is voor werk van 12 uur per week of meer en ingeschreven staat bij de Arbeidsvoorziening Nederland (WERKLOOS), wordt ontleend aan de bij het Centraal Bureau voor de Statistiek daaromtrent beschikbare gegevens.
**2.** Het aantal binnen een gemeente aanwezige bedrijfsvestigingen in de industrie met meer dan tien werkzame personen (VESTIND) wordt ontleend aan de bij het handelsregister, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Handelsregisterwet 1996, daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 januari 2002.
**5.** Het aantal panden dat binnen de gemeente aanwezig is binnen een reeds aangewezen of nog aan te wijzen beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988 (PANDEN) wordt ontleend aan de bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg beschikbare publicatie «Historische factor verdeelsleutel stadsvernieuwingsfonds», RDMZ 1984.
**3.** Het aantal in een gemeente aanwezige panden binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988 (PANDEN) wordt ontleend aan de in de bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg beschikbare publicatie «Historische factor verdeelsleutel stadsvernieuwingsfonds», RDMZ 1984, vermelde gegevens omtrent aangewezen of nog aan te wijzen beschermde stads- of dorpsgezichten.
**6.** Het aantal beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 dat binnen de gemeente aanwezig is (MONUMENT), wordt ontleend aan de bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 januari 1988.
**4.** Het aantal in een gemeente aanwezige beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 (MONUMENT) wordt ontleend aan de bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 januari 1988.
**7.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van de op de gemeente van toepassing zijnde omgevingsadressendichtheid (OAD) en het op de gemeente van toepassing zijnde aantal potentiële regionale klanten (KLREG), worden ontleend aan het Geografisch Basisregister, naar de stand op 1 januari 1997.
**5.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van de op een gemeente van toepassing zijnde omgevingsadressendichtheid (OAD) en het op een gemeente van toepassing zijnde aantal potentiële regionale klanten (KLREG) worden ontleend aan de gegevens die ten grondslag liggen aan de berekening van de bedragen die aan gemeenten worden uitgekeerd ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële Verhoudingswet naar de stand op 1 januari 2002.
**8.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het aantal binnen de gemeente woonachtige personen dat een netto besteedbaar inkomen geniet in het tweede tot en met vierde inkomensdeciel (LI), worden ontleend aan het« Regionaal Inkomensonderzoek 1994» van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
**6.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het aantal binnen een gemeente aanwezige lage inkomens (LI) worden ontleend aan de gegevens die ten grondslag liggen aan de berekening van de bedragen die aan gemeenten worden uitgekeerd ingevolge artikel 6 en artikel 12 van de Financiële Verhoudingswet naar de stand op 1 januari 2002.
**9.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het aantal inwoners binnen de gemeente (INWO) worden ontleend aan de bij het Centraal Bureau voor de Statistiek daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 januari 1997.
**7.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het aantal inwoners binnen een gemeente (INWO) worden ontleend aan de bij het Centraal Bureau voor de Statistiek daaromtrent beschikbare gegevens, naar de stand op 1 januari 2002.
**8.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van de toename van het aantal banen per inwoner in een gemeente of een provincie in de periode 1992 tot en met 2001 en het bepalen van het Nederlands gemiddelde daarvan (BAAN) worden ontleend aan de «Enquête werkgelegenheid en lonen» van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de stand op 30 september 1992 en 31 december 2001.
**9.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van de gemiddelde prijs van de door het Kadaster geregistreerde verkochte woningen in een gemeente of een provincie in de periode 1999 tot en met 2002 (KOOPPRIJS) worden ontleend aan de bij de Dienst voor het kadaster en de openbare registers daaromtrent beschikbare gegevens.
**10.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het percentueel aandeel van een gemeente in het in aantallen recreatieplaatsen uitgedrukte landelijk tekort aan recreatieve opvangcapaciteit voor wandelen en fietsen binnen tien kilometer vanaf de stadsrand in 1995 (RECR) worden ontleend aan de bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beschikbare gegevens.
**11.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het aantal in een gemeente aanwezige historische woningen in gesloten nederzettingen (bewoonde oorden) van 500 woningen of meer (BO1930) worden ontleend aan de Volkstelling van 31 december 1930.
**12.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het voorkomen van een gemeente op de lijst van cultuurhistorisch belangrijke steden in de Nota Belvedère (BELVEDERE) worden ontleend aan de «Nota Belvedère» van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, juli 1999.
**13.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van het aantal per 1 januari 2005 in het kader van geluidhinder te saneren woningen in een gemeente (E), worden ontleend aan de bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer daaromtrent beschikbare gegevens.
**14.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen voor het aantal meters plandrempeloverschrijding in een gemeente worden ontleend aan de bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 10 maart 2004.
**15.** De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van de werkvoorraad landbodems stedelijk gebied in een gemeente of een provincie (G) worden ontleend aan de bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer daaromtrent beschikbare gegevens naar de stand op 1 november 2004.
## Hoofdstuk 5. Slotbepalingen