2025-01-01 | BWBR0002226 | Successiewet 1956
This commit is contained in:
parent
fcd05bddf8
commit
1eddebb5b0
1 changed files with 35 additions and 34 deletions
|
|
@ -223,7 +223,7 @@ b. de houder van de aandelen of winstbewijzen de partner van de erflater is of b
|
|||
|
||||
**4.** Indien een verplichting die ingevolge het derde lid buiten aanmerking blijft, aanleiding geeft tot inkomsten die bij een in het eerste lid bedoelde houder op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 in de heffing worden betrokken, wordt de door die houder daarover verschuldigde inkomstenbelasting in mindering gebracht op de bij die houder in aanmerking te nemen waardestijging.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5b van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
|
|
@ -294,7 +294,7 @@ Op de verkrijging wordt in mindering gebracht de inkomstenbelasting welke de ver
|
|||
|
||||
a. in het verkregen vermogen van een onderneming of een werkzaamheid begrepen reserves in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
b. termijnen van verkregen, niet tot het vermogen van een onderneming behorende rechten die ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen opleveren (stamrechten);
|
||||
c. verkregen aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en koopopties als bedoeld in artikel 4.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die ingevolge die wet tot een aanmerkelijk belang behoren. Artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
c. verkregen aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en koopopties als bedoeld in artikel 4.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die ingevolge die wet tot een aanmerkelijk belang behoren.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -310,7 +310,7 @@ d. 6,25% van de waarde van de aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechti
|
|||
Voor de toepassing van dit artikel:
|
||||
|
||||
a. wordt met de houder van de in het vijfde lid, onderdeel c, genoemde vermogensbestanddelen gelijkgesteld degene die slechts is gerechtigd tot voordelen uit die vermogensbestanddelen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als een dergelijk vermogensbestanddeel;
|
||||
b. is artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
b. zijn de artikelen 4.5a en 4.5b van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. Bepaling van het belastbaar bedrag
|
||||
|
||||
|
|
@ -364,8 +364,8 @@ De belasting wordt geheven naar het volgende tarief. In dit tarief is in de derd
|
|||
|
||||
| Gedeelte van de belaste verkrijging tussen | en | I. indien verkregen door partner of afstammelingen in de rechte lijn^1) | II. in overige gevallen |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| € 0 | € 152.368 | 10% | 30% |
|
||||
| € 152.368 en hoger | | 20% | 40% |
|
||||
| € 0 | € 154.197 | 10% | 30% |
|
||||
| € 154.197 en hoger | | 20% | 40% |
|
||||
|
||||
^1 Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 80% daarvan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -432,12 +432,12 @@ Van erfbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:
|
|||
3°. door een algemeen nut beogende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen:
|
||||
|
||||
a. partner: € 795.156;
|
||||
b. kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 75.546;
|
||||
c. kinderen voor wie de onder b bedoelde vrijstelling niet van toepassing is: € 25.187;
|
||||
d. kleinkinderen: € 25.187;
|
||||
e. ouders: € 59.643;
|
||||
f. overige verkrijgers: € 2.658;
|
||||
a. partner: € 804.698;
|
||||
b. kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 76.453;
|
||||
c. kinderen voor wie de onder b bedoelde vrijstelling niet van toepassing is: € 25.490;
|
||||
d. kleinkinderen: € 25.490;
|
||||
e. ouders: € 60.359;
|
||||
f. overige verkrijgers: € 2.690;
|
||||
5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling alsmede aan waarde van lijfrenten;
|
||||
6°. vervallen;
|
||||
7°. vervallen;
|
||||
|
|
@ -448,7 +448,7 @@ f. overige verkrijgers: € 2.658;
|
|||
Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van erfbelasting, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;
|
||||
11°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten.
|
||||
|
||||
**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling – andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet –, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een partner ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van erfbelasting zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, onder 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, bedoelde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 205.420. Voor zover de omvang van de in de eerste volzin bedoelde aanspraken wordt bepaald met toepassing van artikel 13, wordt de verkrijging van deze aanspraken voor de toepassing van dit lid, geacht geheel te kunnen worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater.
|
||||
**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling – andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet –, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een partner ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van erfbelasting zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, onder 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, bedoelde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 207.886. Voor zover de omvang van de in de eerste volzin bedoelde aanspraken wordt bepaald met toepassing van artikel 13, wordt de verkrijging van deze aanspraken voor de toepassing van dit lid, geacht geheel te kunnen worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater.
|
||||
|
||||
**3.** Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een nettopensioenregeling als bedoeld in artikel 5.17 van die wet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -473,12 +473,12 @@ uit hoofde van hun functie en hoedanigheid;
|
|||
2°. door de Staat, of van de Staat, een provincie, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of gemeente;
|
||||
3°. door een provincie of gemeente in Nederland, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
4°. door een algemeen nut beogende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 6.633, met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van:
|
||||
5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 6.713, met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van:
|
||||
|
||||
a. € 31.813; of
|
||||
b. € 66.268, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind en deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk;
|
||||
a. € 32.195; of
|
||||
b. € 67.064, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind en deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk;
|
||||
6°. vervallen;
|
||||
7°. in alle andere gevallen: € 2.658;
|
||||
7°. in alle andere gevallen: € 2.690;
|
||||
8°. door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen;
|
||||
9°. door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven;
|
||||
10°. van een algemeen nut beogende instelling, voor zover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang;
|
||||
|
|
@ -513,12 +513,12 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid, wordt op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling verleend van:
|
||||
|
||||
a. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1.325.253 niet te boven gaat: 100%;
|
||||
a. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1.500.000 niet te boven gaat: 100%;
|
||||
b. in alle overige gevallen:
|
||||
|
||||
1°. indien de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft hoger is dan de waarde going concern: 100 percent van het verschil tussen liquidatiewaarde en lagere waarde going concern;
|
||||
2°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1.325.253 niet te boven gaat: 100%, en
|
||||
3°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1.325.253 te boven gaat: 83%.
|
||||
2°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1.500.000 niet te boven gaat: 100%, en
|
||||
3°. voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1.500.000 te boven gaat: 75%.
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot hetgeen voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een objectieve onderneming. Daarbij kan worden bepaald in hoeverre tot die objectieve onderneming tevens worden gerekend vermogensbestanddelen die worden ter beschikking gesteld aan een samenwerkingsverband en vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d.
|
||||
|
||||
|
|
@ -528,9 +528,9 @@ Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot hetgeen voor
|
|||
|
||||
**4.** Indien het ondernemingsvermogen is verkregen onder een last of tegen een tegenprestatie, wordt voor de toepassing van dit artikel die last of tegenprestatie niet in mindering gebracht op de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingvereiste, bedoeld in artikel 35e.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende drie jaren voldoet aan het voortzettingvereiste, bedoeld in artikel 35e, en, indien sprake is van schenking, op het tijdstip van de verkrijging 21 jaar of ouder is.
|
||||
|
||||
**6.** Ingeval op enig tijdstip binnen vijf jaren na de verkrijging van het ondernemingsvermogen niet meer of niet meer geheel wordt voldaan aan het voortzettingvereiste, vervalt in zoverre de voorwaardelijke vrijstelling.
|
||||
**6.** Ingeval op enig tijdstip binnen drie jaren na de verkrijging van het ondernemingsvermogen niet meer of niet meer geheel wordt voldaan aan het voortzettingvereiste, vervalt in zoverre de voorwaardelijke vrijstelling.
|
||||
|
||||
**7.** De verzoeken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden gelijktijdig met de aangifte gedaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -542,10 +542,7 @@ Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt on
|
|||
|
||||
a. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;
|
||||
b. een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;
|
||||
c. vermogensbestanddelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van artikel 4.10, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a, of een medegerechtigdheid houdt als bedoeld in onderdeel b, en waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan:
|
||||
|
||||
1°. bedoelde onderneming of medegerechtigdheid, en
|
||||
2°. het beleggingsvermogen van dat lichaam tot maximaal 5 percent van de ingevolge onder 1° toegerekende waarde;
|
||||
c. vermogensbestanddelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van artikel 4.10, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a, of een medegerechtigdheid houdt als bedoeld in onderdeel b, en waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan bedoelde onderneming of medegerechtigdheid;
|
||||
d. onroerende zaken die bij de erflater of schenker behoorden tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze dienstbaar zijn aan de onderneming van een lichaam als bedoeld in onderdeel c, en de verkrijger tegelijkertijd vermogensbestanddelen als bedoeld in onderdeel c, verkrijgt die op dat lichaam betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid, onderdeel b, is met betrekking tot een medegerechtigdheid alleen van toepassing voor zover dit een medegerechtigdheid betreft die een rechtstreekse voortzetting vormt van een eerder door de erflater of schenker gedreven onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de medegerechtigdheid wordt verkregen door een persoon die reeds beherend vennoot is van de onderneming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft, dan wel enig aandeelhouder is van een vennootschap die reeds een zodanig beherend vennoot is.
|
||||
|
|
@ -574,14 +571,16 @@ b. de erflater of schenker in dat andere lichaam indirect een belang hield van m
|
|||
|
||||
Ingeval het aandelenkapitaal van de vennootschap waarin de erflater of schenker indirect een belang hield uit meerdere soorten aandelen bestaat, geschiedt de toerekening met inachtneming van de waarde in het economische verkeer van die aandelen. Dit lid vindt met betrekking tot indirect gehouden preferente aandelen alleen toepassing indien deze zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
|
||||
|
||||
**6.** Tot het ondernemingsvermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 1°, wordt niet gerekend een belang in een ander lichaam.
|
||||
**6.** Tot het ondernemingsvermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt niet gerekend een belang in een ander lichaam.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Tot het ondernemingsvermogen, bedoeld in het eerste lid, worden mede niet gerekend:
|
||||
|
||||
a. onroerende zaken of gedeelten daarvan voor zover die meer dan bijkomstig rechtens dan wel in feite, direct of indirect, ter beschikking zijn gesteld aan een ander, of die daartoe bestemd zijn; en
|
||||
b. schulden die rechtstreeks samenhangen met die onroerende zaken of gedeelten daarvan.
|
||||
a. onroerende zaken of gedeelten daarvan voor zover die meer dan bijkomstig rechtens dan wel in feite, direct of indirect, ter beschikking zijn gesteld aan een ander, of die daartoe bestemd zijn;
|
||||
b. schulden die rechtstreeks samenhangen met die onroerende zaken of gedeelten daarvan;
|
||||
c. bedrijfsmiddelen waarvan de waarde in het economische verkeer ten tijde van het schenken of overlijden minimaal € 100.000 per bedrijfsmiddel bedraagt, voor zover deze zijn bestemd om te gebruiken voor andere dan de bedrijfsdoeleinden van de onderneming, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of c, van de medegerechtigdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, of van de werkzaamheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, waaronder begrepen privédoeleinden van werknemers, mits dat bestemde gebruik meer dan bijkomstig is; en
|
||||
d. schulden die rechtstreeks samenhangen met die bedrijfsmiddelen.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -590,13 +589,15 @@ Voor de toepassing van het zevende lid, onderdeel a, wordt niet als een ander aa
|
|||
a. een participant in een samenwerkingsverband waaraan de onroerende zaken of gedeelten daarvan ter beschikking zijn gesteld, mits de erflater of schenker ten tijde van het overlijden, onderscheidenlijk de schenking, winst uit onderneming als bedoeld in de artikelen 3.2 of 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geniet uit dat samenwerkingsverband; en
|
||||
b. een lichaam waarin de erflater of schenker ten tijde van het overlijden, onderscheidenlijk de schenking, een direct aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van artikel 4.10, van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft of een indirect belang als bedoeld in het vijfde lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b, aanhef en onder 1° tot en met 3°, heeft.
|
||||
|
||||
**9.** Het zevende lid is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van los land op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
**9.** Het zevende lid, aanhef en onderdelen a en b, is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van los land op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**10.** Onder onroerende zaken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, het zevende lid, onderdeel a, en het achtste lid, onderdeel a worden mede verstaan appartementsrechten, rechten van opstal en erfpacht of vruchtgebruik van onroerende zaken, dan wel de economische eigendom, opgevat overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, van onroerende zaken of genoemde rechten.
|
||||
**10.** Voor de toepassing van het zevende lid, onderdeel c, wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden.
|
||||
|
||||
**11.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**11.** Onder onroerende zaken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, het zevende lid, onderdeel a, en het achtste lid, onderdeel a worden mede verstaan appartementsrechten, rechten van opstal en erfpacht of vruchtgebruik van onroerende zaken, dan wel de economische eigendom, opgevat overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, van onroerende zaken of genoemde rechten.
|
||||
|
||||
**12.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
|
||||
**12.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5b van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**13.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 35d
|
||||
|
||||
|
|
@ -606,7 +607,7 @@ Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt on
|
|||
|
||||
a. ondernemer was in de zin van artikel 3.4 of artikel 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, bedoelde onderneming;
|
||||
b. medegerechtigde was in de zin van artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de in artikel 35c, eerste lid, onderdeel b, bedoelde medegerechtigdheid;
|
||||
c. aanmerkelijkbelanghouder was van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, en het lichaam waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft gedurende de in de aanhef bedoelde periode van één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, de daar bedoelde onderneming dreef of de daar bedoelde medegerechtigdheid bezat, en het in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, bedoelde beleggingsvermogen niet in deze periode via een storting in het lichaam is ingebracht;
|
||||
c. aanmerkelijkbelanghouder was van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, en het lichaam waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft gedurende de in de aanhef bedoelde periode van één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, de daar bedoelde onderneming dreef of de daar bedoelde medegerechtigdheid bezat;
|
||||
d. resultaat uit een werkzaamheid genoot met betrekking tot de onroerende zaak, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, en die onroerende zaak gedurende de in de aanhef bedoelde periode van één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, dienstbaar was aan de onderneming van het lichaam, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
|
@ -615,7 +616,7 @@ d. resultaat uit een werkzaamheid genoot met betrekking tot de onroerende zaak,
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een verkrijger voldoet aan het voortzettingsvereiste indien gedurende de periode van vijf jaren, bedoeld in artikel 35b, vijfde lid, zich geen van de hierna genoemde gebeurtenissen voordoet:
|
||||
Een verkrijger voldoet aan het voortzettingsvereiste indien gedurende de periode van drie jaren, bedoeld in artikel 35b, vijfde lid, zich geen van de hierna genoemde gebeurtenissen voordoet:
|
||||
|
||||
a. indien het een verkrijging betreft als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a: de verkrijger houdt op uit de onderneming, of een gedeelte daarvan, winst te genieten of gaat ter zake belastbare winst genieten in de zin van artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
b. indien het een verkrijging betreft als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel b: de verkrijger houdt op uit de verkregen medegerechtigdheid, of een gedeelte daarvan, winst te genieten;
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue