2007-11-26 | BWBR0020674 | Besluit inburgering
This commit is contained in:
parent
a95059eb6f
commit
1f67126f1c
1 changed files with 29 additions and 90 deletions
|
|
@ -565,7 +565,7 @@ b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8,
|
|||
|
||||
### Artikel 4.3
|
||||
|
||||
**1.** In de aanvraag vermeldt de aanvrager zijn sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
**1.** In de aanvraag vermeldt de aanvrager zijn burgerservicenummer.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de aanvraag overlegt de aanvrager een door hem ondertekende verklaring waarin hij de IB-Groep machtigt het bedrag van de maandelijkse termijnen die hij op grond van artikel 4.8 of 4.11 moet terugbetalen, automatisch van zijn bankrekening af te schrijven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -877,7 +877,7 @@ b. indien de betrokken persoon is overleden.
|
|||
|
||||
In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, verwijderd na verloop van vijftig jaar:
|
||||
|
||||
a. sociaal-fiscaalnummer;
|
||||
a. burgerservicenummer;
|
||||
b. naamgegevens;
|
||||
c. adresgegevens;
|
||||
d. woonplaats;
|
||||
|
|
@ -891,7 +891,7 @@ i. gegevens over een tijdelijke of definitief niet invorderbare schuld terzake v
|
|||
|
||||
In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, verwijderd na verloop van vijftig jaar:
|
||||
|
||||
a. sociaal-fiscaalnummer;
|
||||
a. burgerservicenummer;
|
||||
b. naamgegevens;
|
||||
c. adresgegevens;
|
||||
d. woonplaats;
|
||||
|
|
@ -908,7 +908,7 @@ f. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald.
|
|||
|
||||
Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen bevat de volgende persoonsgegevens van potentiële inburgeringsplichtigen, zoals deze zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens:
|
||||
|
||||
a. sociaal-fiscaalnummer;
|
||||
a. burgerservicenummer;
|
||||
b. A-nummer;
|
||||
c. naamgegevens;
|
||||
d. geslacht;
|
||||
|
|
@ -968,8 +968,6 @@ Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het c
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Vaststelling rijksbijdrage
|
||||
|
||||
### Artikel 7.1
|
||||
|
||||
**1.** De rijksbijdrage voor een gemeente omvat een vast deel, een prestatie-afhankelijk deel en een variabel deel.
|
||||
|
|
@ -980,15 +978,15 @@ Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het c
|
|||
|
||||
Het prestatie-afhankelijke deel, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op de grondslag van:
|
||||
|
||||
a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
b. het aantal in onderdeel a bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
d. het aantal in onderdeel c bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
f. het aantal in onderdeel e bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
h. het aantal in onderdeel g bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
i. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
i. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
j. het aantal in onderdeel i bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
|
@ -1001,10 +999,6 @@ c. het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college een inburge
|
|||
d. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
e. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.1a
|
||||
|
||||
De inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, worden voor de berekening van de rijksbijdrage in deze afdeling niet meegerekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.2
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks per gemeente een indicatief voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage vast.
|
||||
|
|
@ -1025,23 +1019,25 @@ Het voorschot voor een gemeente wordt berekend:
|
|||
|
||||
a. indien de door die gemeente ingediende prognose niet tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, met de formule:
|
||||
|
||||
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ];
|
||||
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ];
|
||||
b. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget daartoe toereikend is, met de formule:
|
||||
|
||||
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ];
|
||||
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ];
|
||||
c. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget niet toereikend is, met de formule:
|
||||
|
||||
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ].
|
||||
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ].
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld:
|
||||
|
||||
– met de letter A: het voorschot voor een gemeente ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft;
|
||||
– met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
|
||||
– met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
– met de letter C: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter B bedoelde inburgeringsvoorziening;
|
||||
– met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
|
||||
– met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
– met de letter E: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter D bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening;
|
||||
– met de letter F: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
|
||||
– met de letter G: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter F bedoelde inburgeringsvoorziening;
|
||||
– met de letter H: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
– met de letter I: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter H bedoelde inburgeringsvoorziening;
|
||||
– met de letter J: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
|
|
@ -1051,7 +1047,7 @@ In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld:
|
|||
|
||||
**5.** Indien door Onze Minister toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel c, is het voorschot voor een gemeente niet hoger dan het met de door die gemeente ingediende prognose corresponderende voorschot.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister verhoogt ten behoeve van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen het voorschot voor een gemeente met een met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, vastgesteld bedrag.
|
||||
**6.** Onverminderd het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, kan Onze Minister besluiten het voorschot voor een gemeente te verhogen dan wel te verlagen indien de jaarlijkse vaststelling van de prijs, bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, daartoe aanleiding geeft.
|
||||
|
||||
**7.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 december van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1078,15 +1074,15 @@ A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [
|
|||
waarin wordt voorgesteld:
|
||||
|
||||
– met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage;
|
||||
– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
– met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
|
||||
– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
– met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
– met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter L;
|
||||
|
|
@ -1145,11 +1141,15 @@ waarin wordt voorgesteld:
|
|||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en de vaststelling van de rijksbijdrage jaarlijks de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.3, respectievelijk de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.5 en 7.6, vast.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e en g, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f en h, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.
|
||||
**2.** Onze Minister stelt jaarlijks de landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus vast. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop deze prijs wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
|
||||
**3.** Onze Minister stelt de voorschotvergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, en de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
|
||||
**4.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e, g en i, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f, h en j, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -1192,67 +1192,6 @@ b. het verrekenen van de middelen met nog te betalen rijksbijdragen.
|
|||
|
||||
**4.** Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager bedrag vast.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Vaststelling rijksbijdrage ten behoeve van inburgeringsplichtigen als bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt
|
||||
|
||||
### Artikel 7.11
|
||||
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
nieuwe inburgeringsplichtigen: inburgeringsplichtigen als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.12
|
||||
|
||||
**1.** Op de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen zijn de artikelen 7.1 tot en met 7.7 niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Op de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen zijn de artikelen 7.8 tot en met 7.10 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.13
|
||||
|
||||
De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend op de grondslag van:
|
||||
|
||||
a. het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
b. het aantal in onderdeel a bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.14
|
||||
|
||||
**1.** Het college dient voor 15 december ten behoeve van het komende kalenderjaar een aanvraag tot verlening van de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen in bij Onze Minister. De aanvraag gaat vergezeld van een prognose met betrekking tot de door de gemeente in het voornoemde kalenderjaar vast te stellen inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in artikel 7.13, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de hand van de aanvraag verleent Onze Minister een voorschot. Het voorschot wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 maart van het jaar waarop de prognose betrekking heeft vast. Het voorschot wordt binnen 6 maanden na de vaststelling betaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.15
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van de nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend met de formule:
|
||||
|
||||
A = [ B x C ] + [ D x E]
|
||||
|
||||
waarin wordt voorgesteld:
|
||||
|
||||
– met de letter A: de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
|
||||
– met de letter B: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
|
||||
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
|
||||
– met de letter D: het aantal in de letter B bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;
|
||||
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
**2.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B en D van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het tweede jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
|
||||
|
||||
**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nul.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister stelt de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen uiterlijk 1 oktober van het derde jaar volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast.
|
||||
|
||||
**5.** De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het derde jaar volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**6.** De rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.16
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening en de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen jaarlijks de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.15, vast.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 november bekend.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Wijziging van andere besluiten
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue