2009-12-22 | BWBR0022762 | Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer

This commit is contained in:
Coornhert 2009-12-22 12:00:00 +00:00
parent c1f87bea06
commit 2039f5496e

View file

@ -12,7 +12,7 @@ citeertitel: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
## Hoofdstuk 1. Algemeen
### Afdeling 1.1. Begripsbepalingen, reikwijdte en procedurele bepalingen
### Afdeling 1.1. Begripsbepalingen, omhangbepaling, reikwijdte en procedurele bepalingen
#### Paragraaf 1.1.1. Begripsbepalingen
@ -22,6 +22,8 @@ citeertitel: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*aangewezen oppervlaktewaterlichaam:*oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, is aangewezen;
*ADR*: de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
*afleverinstallatie*: geheel van de al dan niet onder de grond liggende tank of tanks met daaraan gekoppelde leidingen, appendages, één of meer afleverzuilen, voorzover aanwezig, een kassa en, voorzover aanwezig, één of meer betaalautomaten;
@ -34,6 +36,8 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*bedrijventerrein*: cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein;
*beheerder*: beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;
*beperkt kwetsbaar object*: beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
*bijkomend gevaar*: een gevaar naast de grootste gevaarseigenschap als bedoeld in het ADR;
@ -107,13 +111,13 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*lozen*: het brengen van:
1°. afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten, of op een andere wijze dan met behulp van een werk;
1°. afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam;
2°. afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem;
3°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel;
4°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar ontwateringstelsel;
5°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;
6°. afvalwater of andere afvalstoffen in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of
7°. afvalwater of andere afvalstoffen met behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater op een zuiveringstechnisch werk;
7°. afvalwater of andere afvalstoffen met behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater op een zuiveringtechnisch werk;
*LQ*: Limited Quantities, gelimiteerde hoeveelheden als bedoeld in het ADR;
@ -127,14 +131,14 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*NeR*: door InfoMil uitgegeven Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht;
*niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam*: oppervlaktewaterlichaam dat geen aangewezen oppervlaktewaterlichaam is;
*noodsignalen*: noodsignalen die onder de klasse 1.3 of klasse 1.4 van het ADR vallen;
*normaal kubieke meter*: afgashoeveelheid bij 273,15 Kelvin en 101,3 kilo Pascal en betrokken op droge lucht;
*NRB*: door InfoMil uitgegeven Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten;
*oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven*: oppervlaktewateren die op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, zijn aangewezen;
*opslagtank*: een opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten minste 150 liter of een opslagvoorziening voor vloeistof met een inhoud van ten minste 300 liter, uitgezonderd een intermediate bulk container die voldoet aan hoofdstuk 6.5 van het ADR;
*PER*: tetrachlooretheen;
@ -177,25 +181,21 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*vluchtige organische stoffen*: stoffen als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;
*voorziening voor het beheer van afvalwater*: een openbaar vuilwaterriool, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar ontwateringstelsel, een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, een zuiveringstechnisch werk of een zuiveringsvoorziening;
*voorziening voor het beheer van afvalwater*: een openbaar vuilwaterriool, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar ontwateringstelsel, een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, een zuiveringtechnisch werk of een zuiveringsvoorziening;
*vuilwaterriool*:
1°. een openbaar vuilwaterriool;
2°. een andere voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten op een zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld, of aangesloten op een zuiveringstechnisch werk; of
3°. een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringstechnisch werk;
2°. een andere voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten op een zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld, of aangesloten op een zuiveringtechnisch werk; of
3°. een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringtechnisch werk;
*vuurwerk*: vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
*warmtekrachtinstallatie*: installatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht waarbij de warmte nuttig wordt aangewend;
*waterkwaliteitsbeheerder*: bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel 3 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd zou zijn een vergunning op grond van die wet te verlenen;
*woning*: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
*zuiveringstechnisch werk*: werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in beheer bij een waterschap of gemeente of in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap of een gemeente met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast;
*zuiveringsvoorziening*: werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringstechnisch werk is;
*zuiveringsvoorziening*: werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is;
*zwart kruit*: kruit dat onder de klasse 1.1 van het ADR valt.
@ -233,7 +233,7 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ten aanzien van emissies
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*bevoegd gezag*: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1 van de wet, alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor de betrokken inrichting te verlenen of de waterkwaliteitsbeheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 1, eerste tot en met vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de uitzondering, bedoeld in artikel 1, tweede lid, eerste zin, van die wet niet van toepassing is;
*bevoegd gezag*: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1 van de wet, alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor de betrokken inrichting te verlenen of de beheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet;
*inrichting type A*: een inrichting:
@ -288,6 +288,12 @@ b. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen nie
**5.** Met de bij of krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen, de NeR en de NRB, voor zover de tekst daarvan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 1.7, derde lid, bij de toepassing van dit besluit in acht moet worden genomen, worden gelijkgesteld regels die zijn vastgesteld en bekendgemaakt in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale regels wordt nagestreefd.
#### Paragraaf 1.1.1a. Omhangbepaling
### Artikel 1.3a
Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7 van de Waterwet.
#### Paragraaf 1.1.2. Reikwijdte en andere procedurele bepalingen
### Artikel 1.4
@ -301,15 +307,15 @@ b. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen nie
Degene die een inrichting type C drijft voldoet aan de regels gesteld bij of krachtens:
a. hoofdstuk 3;
b. paragraaf 4.1.5 voor zover dit betrekking heeft op het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten of op een andere wijze dan met behulp van een werk;
b. paragraaf 4.1.5 voor zover dit betrekking heeft op het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam;
c. artikel 4.18 ten aanzien van een warmtekrachtinstallatie waarop paragraaf 3.2.1, van toepassing is;
d. artikel 4.6 voor zover het het opslaan van ten hoogste 3.000 liter gasolie, smeerolie en afgewerkte olie bij een inrichting als bedoeld in artikel 3.17, betreft;
e. paragraaf 4.8.2, voor zover het gaat om een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen;
f. hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6, voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, bedoeld in onderdelen a tot en met e.
**4.** Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type A of B voor het lozen waarvoor de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag is aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2.
**4.** Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type A of B voor het lozen waarvoor de beheerder bevoegd gezag is aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2.
**5.** Onverminderd het derde lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type C voor het lozen waarvoor de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag is aan de regels genoemd in het derde lid, met uitzondering van afdeling 1.2.
**5.** Onverminderd het derde lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type C voor het lozen waarvoor de beheerder bevoegd gezag is aan de regels genoemd in het derde lid, met uitzondering van afdeling 1.2.
### Artikel 1.5
@ -319,24 +325,21 @@ De in artikel 8.1, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van inrichtingen
**1.**
De bij of krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gestelde verboden gelden niet voor het lozen vanuit:
Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet, voor lozingen vanuit:
a. inrichtingen type A of inrichtingen type B; of
b. inrichtingen type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in:
hoofdstuk 3;
paragraaf 4.1.5 indien het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten of op een andere wijze dan met behulp van een werk betreft.
a. inrichtingen type A of inrichtingen type B, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.104, 4.109; of
b. inrichtingen type C, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10 en 4.11.
**2.**
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. het in het oppervlaktewater:
a. het in een oppervlaktewaterlichaam:
1°. in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen;
2°. aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie alsmede het houden van die aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie;
b. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten;
c. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan wel activiteiten die daarmee verband houden;
c. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan wel activiteiten die daarmee verband houden;
d. het lozen op of in de bodem ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, dan wel van activiteiten die daarmee verband houden;
e. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Besluit landbouw milieubeheer.
@ -347,7 +350,7 @@ e. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Besluit landbouw
Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:
a. ter bescherming van het milieu regels worden gesteld ter uitwerking van de hoofdstukken 2, 3 en 4;
b. ter uitwerking van de bij of krachtens dit besluit voor het lozen in het oppervlaktewater gestelde regels, oppervlaktewateren worden aangewezen, die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven; en
b. ter uitwerking van de bij of krachtens dit besluit voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam gestelde regels, oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen, die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven; en
c. bodembedreigende activiteiten worden aangewezen, waarop afdeling 2.4 niet van toepassing is.
**2.** Bij ministeriële regeling kan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de verplichting worden opgelegd te voldoen aan maatwerkvoorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu gesteld door het bevoegd gezag met betrekking tot de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en kan worden bepaald in welke mate die maatwerkvoorschriften kunnen afwijken van de regels, bedoeld in onderdeel a.
@ -430,14 +433,14 @@ b. de oorzaak van de bodemverontreiniging.
### Artikel 1.13
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van een lozing van grondwater als bedoeld in artikel 3.2, derde, vierde, zevende en negende lid, in het oppervlaktewater of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, de volgende gegevens gemeld:
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van een lozing van grondwater als bedoeld in artikel 3.2, derde, vierde, zevende en negende lid, in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, de volgende gegevens gemeld:
a. het tijdstip van de aanvang, de verwachte duur en het maximale debiet van het lozen; en
b. gegevens over de samenstelling van het te lozen grondwater, voor zover die afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit.
### Artikel 1.14
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van een lozing van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater of op of in de bodem als bedoeld in artikel 3.4 de volgende gegevens gemeld:
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van een lozing van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem als bedoeld in artikel 3.4 de volgende gegevens gemeld:
a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
b. de wijze van behandeling van het afvalwater.
@ -465,7 +468,7 @@ Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het
a. een doelmatig gebruik van energie;
b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging;
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater;
d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van het oppervlaktewater;
d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;
e. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging;
f. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder;
g. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder;
@ -486,11 +489,11 @@ q. het beschermen van de duisternis en het donkere landschap in door het bevoegd
### Artikel 2.2
**1.** Het lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.104, 4.109, is toegestaan.
**1.** Het lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.104, 4.109, is toegestaan.
**2.** In afwijking van het eerste lid is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de lozing daartegen niet verzet.
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de lozing daartegen niet verzet.
**4.**
@ -501,7 +504,7 @@ b. te treffen maatregelen;
c. de duur van de lozing; en
d. de plaats van het lozingspunt.
**5.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op lozen in de bodem waaraan in een vergunning op grond van artikel 14 van de Grondwaterwet voorschriften zijn gesteld.
**5.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op lozen in de bodem waaraan in een vergunning op grond van artikel 6.4 of artikel 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel een vergunning op grond van een verordening van het waterschap voorschriften zijn gesteld.
**6.** Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid een lozing betreft die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben, is op de voorbereiding van het maatwerkvoorschrift afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
@ -892,7 +895,7 @@ Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam
**2.**
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien bij het lozen:
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien bij het lozen:
a. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt;
b. geen visuele verontreiniging plaatsvindt; en
@ -900,7 +903,7 @@ c. in enig steekmonster de emissiegrenswaarden van tabel 3.1a niet worden oversc
**3.**
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in andere oppervlaktewateren dan de oppervlaktewateren als bedoeld in het tweede lid, is toegestaan, indien bij het lozen:
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam, is toegestaan, indien bij het lozen:
a. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt;
b. geen visuele verontreiniging plaatsvindt; en
@ -912,7 +915,7 @@ c. in enig steekmonster de emissiegrenswaarden van tabel 3.1b niet worden oversc
**6.**
Indien lozen als bedoeld in het eerste lid in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is:
Indien lozen als bedoeld in het eerste lid in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is:
a. is, in afwijking van het vijfde lid, het lozen vanuit een proefbronnering in het vuilwaterriool toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter;
b. kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren en het lozen vanuit een bodemsanering in een vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het afvalwater niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
@ -922,13 +925,13 @@ b. kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepass
Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift:
a. de waarden, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid en zesde lid, onderdeel a, niet van toepassing verklaren en hogere gehalten bepalen dan de gehalten, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid en het zesde lid, onderdeel a, of het zuurstofgehalte, bedoeld in het tweede en derde lid, niet van toepassing verklaren en een lagere waarde bepalen voor het zuurstofgehalte dan het zuurstofgehalte, bedoeld in tweede en derde lid, indien de gehalten bedoeld in het twee tot en met vierde lid en zesde lid, onderdeel a, dan wel de waarde bedoeld in het tweede en derde lid niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen met een hoger gehalte dan wel een lagere waarde verzet;
b. lagere gehalten bepalen dan de gehalten bedoeld in het tweede lid, indien vanuit een voorziening bedoeld in dat lid geloosd wordt in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen bijzondere bescherming behoeven, of op of in de bodem en het belang van bescherming van het milieu tot het stellen van een lager gehalte noodzaakt.
b. lagere gehalten bepalen dan de gehalten bedoeld in het tweede lid, indien vanuit een voorziening bedoeld in dat lid geloosd wordt in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam, of op of in de bodem en het belang van bescherming van het milieu tot het stellen van een lager gehalte noodzaakt.
**8.**
De lagere gehalten, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, worden niet lager vastgesteld dan:
a. de waarden opgenomen in tabel 3.1b, indien geloosd wordt in oppervlaktewateren;
a. de waarden opgenomen in tabel 3.1b, indien geloosd wordt in een oppervlaktewaterlichaam;
b. de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, indien geloosd wordt op of in de bodem.
**9.** Het te lozen grondwater, bedoeld in het eerste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
@ -943,7 +946,7 @@ b. de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, indien geloosd wordt op of in de
**3.**
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven is toegestaan indien:
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien:
a. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt;
b. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt; en
@ -951,7 +954,7 @@ c. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
**4.**
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in andere oppervlaktewateren dan de oppervlaktewateren als bedoeld in het derde lid is toegestaan indien:
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien:
a. het lozen ten hoogste 4 weken duurt en de geloosde hoeveelheid ten hoogste 5 kubieke meter per uur bedraagt;
b. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt;
@ -996,7 +999,7 @@ c. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 300 milligram per liter bedr
**1.** Onverminderd het bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 ten aanzien van het lozen van hemelwater bepaalde is het lozen anders dan in een vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, als bedoeld in artikel 2.9 en hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd toegestaan.
**2.** Het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, die met het oog op artikel 2.9, eerste lid is aangelegd en van hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in het oppervlaktewater lozen van dat hemelwater redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, die met het oog op artikel 2.9, eerste lid is aangelegd en van hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam lozen van dat hemelwater redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 3.1.4. Lozen van huishoudelijk afvalwater
@ -1004,7 +1007,7 @@ c. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 300 milligram per liter bedr
**1.**
Het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater of op of in de bodem is toegestaan indien het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
Het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem is toegestaan indien het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
a. 40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
b. 100 meter bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten;
@ -1021,18 +1024,18 @@ b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezware
**3.**
Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, minder bedraagt dan de afstanden, genoemd in dat lid, kan het bevoegd gezag indien het belang van de bescherming van de bodem of de kwaliteit van het oppervlaktewater zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen op of in de bodem of in het oppervlaktewater toestaan:
Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, minder bedraagt dan de afstanden, genoemd in dat lid, kan het bevoegd gezag indien het belang van de bescherming van de bodem of de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toestaan:
a. voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringstechnisch werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening; of
a. voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening; of
b. indien voor een deel van het huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt binnen de inrichting waarvan de vervuilingswaarde niet groter is dan 3 inwonerequivalenten aansluiting op de bedrijfsriolering die op een vuilwaterriool is aangesloten niet doelmatig is, waarbij kan worden bepaald dat het afvalwater door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.
### Artikel 3.5
**1.**
Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater worden de volgende grenswaarden niet overschreden:
Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende grenswaarden niet overschreden:
| | Lozen op of in de bodem en in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven | Lozen in overige oppervlaktewateren | | |
| | Lozen op of in de bodem en in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam | Lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam | | |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Parameter | Representatief etmaalmonster | Steekmonster | Representatief etmaalmonster | Steekmonster |
| Biochemisch zuurstof verbruik | 30 milligram per liter | 60 milligram per liter | 20 milligram per liter | 40 milligram per liter |
@ -1046,7 +1049,7 @@ Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in het oppervlak
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op een lozing van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten indien het afvalwater is geleid door een zuiveringsvoorziening die voldoet aan bij ministeriële regeling bepaalde eisen.
**4.** Het bevoegd gezag kan, bij lozen in andere oppervlaktewateren dan oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt bij maatwerkvoorschrift de eisen bedoeld in het derde lid niet van toepassing verklaren en daarbij bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorziening dient te worden geleid.
**4.** Het bevoegd gezag kan, bij lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt bij maatwerkvoorschrift de eisen bedoeld in het derde lid niet van toepassing verklaren en daarbij bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorziening dient te worden geleid.
**5.**
@ -1065,24 +1068,24 @@ b. bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorzi
**2.**
Het lozen van koelwater waaraan geen chemicaliën zijn toegevoegd in het oppervlaktewater of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan indien de warmtevracht niet meer bedraagt dan:
Het lozen van koelwater waaraan geen chemicaliën zijn toegevoegd in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan indien de warmtevracht niet meer bedraagt dan:
a. 1000 Kilojoule per seconde, indien het oppervlaktewateren betreft, die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven;
b. 10 Kilojoule per seconde, indien het andere oppervlaktewateren betreft dan oppervlaktewateren als bedoeld in onderdeel a.
a. 1000 Kilojoule per seconde, indien het een aangewezen oppervlaktewaterlichaam betreft;
b. 10 Kilojoule per seconde, indien het een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam betreft.
**3.**
De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van:
a. het lozingsdebiet van koelwater in kubieke meter per seconde;
b. het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewater in graden Celsius;
b. het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam in graden Celsius;
c. de warmtecapaciteit van het koelwater hetgeen gelijk is aan 4190 Kilojoule per kubieke meter per graad temperatuursverhoging.
**4.** Het bevoegd gezag kan indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het tweede lid niet van toepassing verklaren en het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht dan bedoeld in het tweede lid of waaraan in beperkte mate chemicaliën zijn toegevoegd toestaan.
**5.** Indien het lozen, bedoeld in het tweede lid, een temperatuurstijging zou veroorzaken die tot beperking van de warmtevracht noodzaakt, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor de warmtevracht lagere waarden vaststellen dan bedoeld in het tweede lid.
**6.** Het lozen van koelwater als bedoeld in het tweede lid vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien het lozen van dat koelwater in het oppervlaktewater of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
**6.** Het lozen van koelwater als bedoeld in het tweede lid vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien het lozen van dat koelwater in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
**7.** De warmtevracht van een lozing van koelwater kan op een doelmatige wijze worden bepaald, dan wel door degene die de inrichting drijft aannemelijk worden gemaakt.
@ -1497,7 +1500,7 @@ Bulkgoederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen dat:
a. zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is;
b. verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt;
c. zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bulkgoederen in het oppervlaktewater geraken;
c. zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bulkgoederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken;
d. zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bulkgoederen in een voorziening voor het beheer van afvalwater geraken.
### Artikel 4.11
@ -1506,13 +1509,13 @@ d. zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bulkgoederen in een voorziening voor het
**2.** Indien de opgeslagen bulkgoederen worden bevochtigd wordt afvalwater dat met opgeslagen bulkgoederen in contact is geweest zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
**3.** Het in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
**3.** Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
**4.** Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien lozen als bedoeld in het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
**5.**
Het in het oppervlaktewater dat met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeft, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met andere opgeslagen goederen dan bedoeld in het derde lid is toegestaan indien in enig steekmonster de emissiegrenswaarden vermeld in tabel 4.11 niet worden overschreden.
Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met andere opgeslagen goederen dan bedoeld in het derde lid is toegestaan indien in enig steekmonster de emissiegrenswaarden vermeld in tabel 4.11 niet worden overschreden.
| Parameter | Emissiegrenswaarde |
| --- | --- |
@ -1593,7 +1596,7 @@ b. meer dan 100 kilowatt wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veili
**1.** Het spuien van een stoomketel geschiedt in een geschikte spuitank dan wel in een andere geschikte voorziening die ten minste voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**2.** Indien spuiwater van een stoomketel of condensaat van rookgassen van een stookinstallatie niet in een openbaar vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozing op of in de bodem of in het oppervlaktewater toegestaan.
**2.** Indien spuiwater van een stoomketel of condensaat van rookgassen van een stookinstallatie niet in een openbaar vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozing op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toegestaan.
#### Paragraaf 4.2.2. In werking hebben van een koelinstallatie
@ -3005,9 +3008,9 @@ b. voor 1 maart 1997 een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst, die o
### Artikel 6.19
**1.** In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al regelmatig plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk bevindt.
**1.** In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al regelmatig plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
**2.** In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk bevindt.
**2.** In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
### Paragraaf 6.9. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een warmtekrachtinstallatie