diff --git a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md index 329081278b5..9bfdc32bc9e 100644 --- a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md +++ b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md @@ -2671,130 +2671,52 @@ d. binnen de daarvoor bestemde periode in het AC is het onderzoeksresultaat gere e. er is sprake van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb; f. er kan anderszins op verantwoorde en zorgvuldige wijze reeds binnen de AC-procedure worden vastgesteld dat de betrokkene niet in aanmerking komt voor een verblijfstitel. -Indien ook na het nader gehoor in het AC, waarin de asielzoeker de gelegenheid krijgt zijn minderjarige leeftijd aannemelijk te maken, het oordeel wordt gehandhaafd dat er sprake is van evidente meerderjarigheid, wordt de beslissing op de asielaanvraag in het AC genomen als de inhoud van het asielrelaas daartoe aanleiding geeft. In de beschikking wordt gemotiveerd welke omstandigheden hebben geleid tot de conclusie dat de betrokkene evident meerderjarig is. +Indien de asielzoeker zijn gestelde leeftijd niet met documenten kan aantonen, er sprake is van twijfel aan de opgegeven leeftijd en de asielzoeker aangeeft geen leeftijdsonderzoek te willen aanvragen, blijft twijfel aan de opgegeven leeftijd bestaan. Neemt de betrokkene deze twijfel niet weg, dan kan zijn asielaanvraag, indien de verklaringen daartoe aanleiding geven, in de AC-procedure worden afgewezen. Hierbij wordt aangenomen dat de vreemdeling meerderjarig is. In de vreemdelingenadministratie wordt conform A1/6 een nieuwe geboortedatum geregistreerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling op het moment van het indienen van de asielaanvraag achttien jaar oud was. -Aangezien het evident is dat de vreemdeling meerderjarig is, dient dit in de vreemdelingenregistratie te worden opgenomen. Bij de bepaling van de geboortedatum is A1/6 van toepassing. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling op het moment van het indienen van de asielaanvraag achttien jaar oud was. - -De asielaanvraag wordt voorts behandeld zoals de aanvraag van een volwassen asielzoeker. Daarbij is van belang dat indien sprake is van evidente meerderjarigheid, er al snel eveneens twijfels bestaan omtrent de geloofwaardigheid van de door de asielzoeker afgelegde overige verklaringen. - -Indien de asielzoeker zijn gestelde leeftijd niet met documenten kan aantonen, er sprake is van twijfel aan de opgegeven leeftijd en de asielzoeker aangeeft geen leeftijdsonderzoek te willen aanvragen, blijft twijfel aan de opgegeven leeftijd bestaan. Neemt de betrokkene deze twijfel niet weg, dan kan zijn asielaanvraag, indien het relaas daartoe aanleiding geeft, in de AC-procedure worden afgewezen. Hierbij wordt aangenomen dat de vreemdeling meerderjarig is. In de vreemdelingenadministratie wordt conform A1/6 een nieuwe geboortedatum geregistreerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling op het moment van het indienen van de asielaanvraag achttien jaar oud was. - -In het verzoek om een leeftijdsonderzoek wordt de mededeling opgenomen, dat de vreemdeling niet als eerste de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen en dat hij de IND toestemming verleent voor inzage in en afschrift van de onderzoeksresultaten. - -Indien de vreemdeling ten tijde van de ondertekening van het verzoek een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van deze mededeling en hij geen toestemming geeft aan de IND voor inzage in het onderzoeksresultaat betekent dit dat de twijfel aan de opgegeven leeftijd blijft bestaan. Betrokkene zal dan zelf zijn leeftijd moeten aantonen. De asielaanvraag wordt zonder verder uitstel in de AC-procedure behandeld en kan in het AC worden afgewezen, indien het asielrelaas daartoe aanleiding geeft. Bij de verdere behandeling en bij het nemen van de beslissing wordt aangenomen dat de vreemdeling meerderjarig is. - -Indien de vreemdeling zijn toestemming tot voorinzage na het onderzoek intrekt, geldt hetzelfde. In de vreemdelingenadministratie wordt conform A1/6 een nieuwe geboortedatum bepaald. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling op het moment van het indienen van de asielaanvraag achttien jaar oud was. - -Indien de onderzoeksresultaten binnen de AC-procedure beschikbaar komen en hieruit blijkt dat de betrokken asielzoeker meerderjarig is, kan de asielaanvraag in het AC worden afgewezen, indien het asielrelaas daartoe aanleiding geeft. Het feit dat betrokkene onjuiste verklaringen heeft afgelegd over zijn leeftijd kan als contra-indicatie voor de geloofwaardigheid van het relaas worden aangemerkt. - -Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien er sprake is van criminele antecedenten. - -Ook kan het gaan om de situatie waarin de betrokkene – ook los van de context van het totale asielrelaas – ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of indien hij vage, summiere verklaringen aflegt en zaken verzwijgt omtrent identiteit, nationaliteit of opvang. - -Voorts is hiervan sprake indien op verantwoorde en zorgvuldige wijze binnen de AC-procedure kan worden beslist dat de betrokkene zich zelfstandig kan handhaven of dat er adequate opvang is in het land van herkomst of een ander land waar de betrokkene redelijkerwijs naar toe kan gaan. Dit kan blijken uit een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van BuZa of uit verklaringen van de betrokkene zelf. +Indien de onderzoeksresultaten binnen de AC-procedure beschikbaar komen en hieruit blijkt dat de betrokken asielzoeker meerderjarig is, kan de asielaanvraag in het AC worden afgewezen, indien het asielrelaas daartoe aanleiding geeft. Het feit dat betrokkene onjuiste verklaringen heeft afgelegd over zijn leeftijd kan als contra-indicatie voor de geloofwaardigheid van zijn overige verklaringen worden aangemerkt. ### 2. Volgorde van toetsing -Bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Als dat niet het geval is, wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3). Zo niet, dan wordt aan de hand van de inwilligingsgronden van artikel 29 Vw (zie C2), alsmede de afwijzingsgrond van artikel 31 Vw (zie C4/1) beoordeeld of de aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt. +Bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Als dat niet het geval is, wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3). Zo niet, dan wordt aan de hand van de inwilligingsgronden van artikel 29 Vw (zie C2), alsmede de afwijzingsgrond van artikel 31 Vw (zie C4) beoordeeld of de aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt. -### 3. Beoordeling van de geloofwaardigheid +### 3. De geloofwaardigheid #### 3.1. Uitgangspunten -Bij de beoordeling of het asielrelaas van de vreemdeling geloofwaardig is, spelen de volgende elementen een rol: +De beoordeling van de geloofwaardigheid betreft een beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de door hem gestelde feitelijke gebeurtenissen en/of omstandigheden alsmede de daaraan ontleende vermoedens. -– de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten; -– de beoordeling van het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan die feiten ontleende vermoedens over wat hem als gevolg daarvan bij terugkeer aan behandeling staat te wachten; en -– de beoordeling van het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling weergegeven verklaringen van derden, welke derden veelal niet als objectieve bron kunnen worden aangemerkt. +#### 3.2. Stelplicht -Het is mogelijk dat het asielrelaas van de vreemdeling uiteen valt in verschillende op zichzelf staande delen die elk afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. In dat geval is het voorstelbaar dat een deel van het relaas geloofwaardig wordt bevonden, terwijl een ander deel niet geloofwaardig wordt bevonden. Het zal evenwel ook zo kunnen zijn dat de ongeloofwaardigheid van een deel van het relaas, ook de geloofwaardigheid van alle andere delen van het relaas aantast, doordat de geloofwaardigheid betrekking heeft op een essentieel onderdeel van het relaas. +De stelplicht inzake het asielrelaas ligt in beginsel bij de asielzoeker. Dit is neergelegd in artikel 31, eerste lid, Vw. Ook in artikel 4, eerste lid, eerste zin van richtlijn 2004/83/EG en het Handboek van de UNHCR, paragrafen 195 tot en met 197 en 210, wordt van dit principe uitgegaan. -Ten aanzien van de eigen vermoedens van de vreemdeling is van belang dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij vermoedens die hij ontleent aan door hem gestelde feiten concretiseert en onderbouwt. +#### 3.3. De beoordeling van de geloofwaardigheid -Het asielrelaas is als geheel geloofwaardig indien: +Bij het beoordelen van de geloofwaardigheid spelen de volgende elementen een rol: -– de in het asielrelaas naar voren gebrachte feiten geloofwaardig zijn; -– de aan deze feiten ontleende vermoedens plausibel zijn; en -– de in dit verband weergegeven verklaringen van derden plausibel zijn. +• de beoordeling van alle documenten die de vreemdeling heeft overgelegd; +• de aanwezigheid van één van de elementen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet; +• de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen; +• de beoordeling van de vermoedens van de vreemdeling, die als gevolg van deze verklaringen aanwezig kunnen zijn; +• vergelijking van de verklaringen met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie; +• de overige informatie over de relevante verklaringen. -De aan de feiten ontleende vermoedens alsmede de weergegeven verklaringen van derden worden als plausibel aangemerkt indien deze een reële onderbouwing zijn van de verklaringen over hetgeen de vreemdeling bij terugkeer aan behandeling te wachten staat. - -Indien het relaas van de vreemdeling niet geloofwaardig wordt bevonden, kan hij in beginsel geen aanspraken ontlenen aan de asielgronden zoals neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, Vw. Indien echter aan de door de vreemdeling naar voren gebrachte feiten niet wordt getwijfeld, maar de ongeloofwaardigheid slechts is gelegen in het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan die feiten ontleende vermoedens, dient inhoudelijke toetsing van de naar voren gebrachte feiten aan het beleid inzake artikel 29, eerste lid, onder c, Vw nog wel plaats te vinden. - -#### 3.2. Bewijslast - -De bewijslast inzake het asielrelaas ligt in beginsel bij de asielzoeker. Dit is neergelegd in artikel 31, eerste lid, Vw. Ook in het Handboek van de UNHCR, paragrafen 195 tot en met 197 en 210, wordt van dit principe uitgegaan. - -De asielzoeker is voorts gehouden de waarheid te vertellen en volledig mee te werken aan de vaststelling van het feitencomplex. Hij dient tevens zo spoedig mogelijk de IND op de hoogte te stellen van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag. - -Daarvoor moet de asielzoeker alle vragen die door de IND worden gesteld zo volledig mogelijk beantwoorden en zoveel mogelijk middelen ter staving van het asielrelaas overleggen. Middelen ter staving van de asielaanvraag zijn met name documenten, waarbij het gaat om documenten in de breedste zin van het woord (zowel officiële documenten als indicatief bewijs zoals bijvoorbeeld reisbiljetten die de reisroute onderbouwen). De vreemdeling dient een oprechte inspanning te leveren om zijn verklaringen met documenten te staven. - -Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen op grond van artikel 3.35, derde lid, VV alsnog geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, indien aan een aantal in dat artikellid genoemde voorwaarden is voldaan (zie C14/3.3). - -De in deze bepaling opgenomen samenwerkingsplicht strekt ertoe dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om elementen ter staving van zijn asielverzoek in te dienen en dat door de Minister wordt bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen. Het resultaat van deze beoordeling daarvan wordt, voordat een beslissing wordt genomen, medegedeeld aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken te herstellen (zie ook C13/3.3 over de mogelijkheid te reageren op het rapport van nader gehoor en C15 inzake de voornemenprocedure). - -Bij de beoordeling van het asielrelaas gaat het meestal niet om de vraag, of en in hoeverre de verklaringen over de feiten die de vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. De vreemdeling is immers veelal niet in staat, en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd, zijn relaas met overtuigend bewijsmateriaal te staven. - -#### 3.3. De toetsing van de geloofwaardigheid - -De toetsing van de geloofwaardigheid vindt plaats op grond van de verklaringen van de vreemdeling, zoals deze onder meer naar voren komen in de gehoren, en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie. - -Van de vreemdeling wordt in de eerste plaats verwacht dat hij zijn aanvraag onderbouwt met documenten. Niettemin kunnen de verklaringen op grond van artikel 3.35, derde lid, VV toch geloofwaardig worden geacht, als is voldaan een aantal voorwaarden: - -• de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven; -• de vreemdeling heeft alle relevante gegevens overgelegd, of hij heeft een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van relevante gegevens; -• de verklaringen zijn samenhangend en aannemelijk en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor de aanvraag; -• de vreemdeling heeft de aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en -• er is vast komen te staan dat de verklaringen in grote lijnen als geloofwaardig kunnen worden beschouwd. - -Aan voormelde voorwaarden zal in de regel niet worden voldaan, indien sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw. - -Indien dat het geval is, mogen in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. - -Bij vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen, zullen veelal – indien beschikbaar – de ambtsberichten van de Minister van BuZa als belangrijke bron gelden. - -Deze ambtsberichten kunnen worden aangemerkt als een deskundigenadvies en verschaffen daartoe op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. - -Van de juistheid van de informatie in de ambtsberichten van de Minister van BuZa wordt uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten ontstaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid, dan wel de actualiteit ervan. - -In het geval concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van informatie uit het ambtsbericht, zal deze informatie pas aan een besluit ten grondslag worden gelegd nadat nader onderzoek is ingesteld en de betreffende informatie is bevestigd. Dit nader onderzoek kan er uit bestaan dat de Minister van BuZa wordt verzocht een nieuw ambtsbericht op te stellen waarbij de door de vreemdeling ingebrachte informatie wordt betrokken. - -Twijfel aan de juistheid van de informatie in ambtsberichten ontstaat niet op basis van een ongemotiveerde en niet nader toegelichte stelling van de vreemdeling. - -Evenmin ontstaat zodanige twijfel vanwege de enkele omstandigheid dat een vreemdeling bronnen inroept waarnaar in het ambtsbericht niet uitdrukkelijk wordt verwezen. Bepalend is of hetgeen aan die objectieve bronnen kan worden ontleend van zodanige strekking en gewicht is, dat dit twijfel doet rijzen aan de juistheid of volledigheid, waaronder begrepen de actualiteit van het ambtsbericht, voorzover relevant voor de beoordeling van de aanvraag. - -Niet enkel door de vreemdeling ingeroepen bronnen kunnen aanleiding vormen voor twijfel. Ook ambtshalve onderkende objectieve bronnen kunnen aanknopingspunten voor twijfel vormen. - -In die gevallen dat er over de situatie in een land van herkomst geen ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, vindt de beoordeling plaats op grond van andere beschikbare informatie uit objectieve bron, waarbij met name moet worden gedacht aan ambtsberichten van andere landen en rapporten van internationale organisaties. Ook in de gevallen dat wel een ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, maar andere bronnen deze informatie aanvullen, kunnen deze andere bronnen worden betrokken bij de besluitvorming. Het gaat daarbij slechts om de feitelijke informatie uit de betreffende documenten. - -In het voornemen dan wel de beschikking worden de gebruikte bronnen zo veel mogelijk genoemd. +Bij deze beoordeling wordt eveneens bezien of de vreemdeling het voordeel van de twijfel kan worden gegeven. #### 3.4. Bewijslast voor de geloofwaardigheid -### 4. Inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas +Het is in beginsel voldoende dat de vreemdeling zijn verklaringen aannemelijk maakt. -#### 4.1. Beoordelingsaspecten +### 4. De zwaarwegendheid -In artikel 3.35, eerste en tweede lid, VV is opgenomen met welke aspecten rekening dient te worden gehouden bij de inhoudelijke beoordeling van het asielraas. +#### 4.1. Uitgangspunten -De situatie wordt beoordeeld naar de stand van zaken op het moment dat de beslissing wordt genomen (toetsing ex nunc). +Bij het beoordelen van de zwaarwegendheid wordt bezien hoe de aannemelijk bevonden verklaringen op grond van wet- en regelgeving dienen te worden genormeerd. Met name wordt beoordeeld of de aannemelijk bevonden vermoedens van een zodanige zwaarwegendheid zijn dat zij als een gegronde vrees op vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing kunnen worden beschouwd. -Andere aspecten die van belang zijn bij de beoordeling zijn: +#### 4.2. Beoordelingsaspecten -• de zwaarwegendheid van de gevreesde/te vrezen gebeurtenissen; -• de verklaring van de asielzoeker omtrent het tijdsverloop dat is gelegen tussen de gebeurtenissen die aanleiding vormden om het land van herkomst te verlaten en het moment van het daadwerkelijke vertrek; en -• of degenen van wie vervolging wordt gevreesd op de hoogte moeten zijn of kunnen geraken van de omstandigheden waarop de asielzoeker zich beroept. +In artikel 3.35, eerste en tweede lid, VV is opgenomen met welke aspecten rekening dient te worden gehouden bij de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas. -#### 4.2. Voordeel van de twijfel - -In veel gevallen blijven na het onderzoek naar het feitencomplex vraagpunten bestaan. In dat geval kan onder voorwaarden het voordeel van de twijfel worden gegeven en een verblijfsvergunning asiel worden verleend. - -Deze voorwaarden zijn: - -• de elementen in het verhaal die verifieerbaar zijn moeten kloppen; -• de verklaringen van de asielzoeker moeten consistent en geloofwaardig zijn en in overeenstemming zijn met hetgeen overigens bekend is; -• de verklaringen die niet met documenten zijn onderbouwd mogen niet strijdig zijn met de overige verklaringen van de asielzoeker; -• het gehele feitencomplex moet zijn onderzocht en aanleiding geven tot de conclusie dat het asielrelaas geloofwaardig is (daarbij kan over kleine vergissingen over bijvoorbeeld data worden heengestapt, maar nooit over evidente onjuistheden). +Deze omstandigheid vormt een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het ondergaan van een dergelijke behandeling of bestraffing reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of een dergelijke behandeling of bestraffing zich niet opnieuw zal voordoen. #### 4.3. Genderinclusieve benadering @@ -2816,31 +2738,29 @@ Voor deze paragraaf is alleen de situatie bedoeld onder 1 van belang. De situati ##### 4.4.2. Beoordeling -Bij de beoordeling van een asielaanvraag spelen de medische aspecten in beginsel geen rol, aangezien er medisch gezien (meestal) geen zekere uitspraken zijn te doen over de oorzaak van medische klachten en/of littekens. - -Statusdeterminatie vindt op de gebruikelijke wijze plaats, waarbij de behandelend ambtenaar van de IND ten aanzien van de gestelde medische aspecten uitsluitend beziet of deze in het asielrelaas passen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de artsen van BMA worden ingeschakeld om de inhoudelijke beoordeling te steunen of over te nemen. Het vragen om advies aan BMA om zekerheid te krijgen over causaliteit tussen een gestelde gebeurtenis en bijvoorbeeld littekens of medische stoornissen zal in beginsel geen toegevoegde waarde hebben. - -Heeft de asielzoeker de gestelde medische aspecten gestaafd met een rapportage van de medische onderzoeksgroep van Amnesty International, dan wordt deze rapportage ter advisering voorgelegd aan BMA. De inhoudelijke beoordeling van de asielmotieven blijft een zaak van de IND. +Bij de beoordeling van de inwilligbaarheid spelen medische aspecten in beginsel geen rol, aangezien er medisch gezien (meestal) geen zekere uitspraken zijn te doen over een oorzakelijk verband tussen medische klachten en/of littekens enerzijds en een gestelde behandeling of vrees anderzijds. #### 4.5. Landgebonden asielbeleid -Voor de beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers uit de belangrijkste landen van herkomst wordt verwezen naar C24, waarin het landgebonden asielbeleid wordt weergegeven. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. De hoofdstukken over het landgebonden asielbeleid vormen een uitwerking van het algemene asielbeleid en kunnen derhalve niet als een uitzondering op het algemeen beleid worden geïnterpreteerd, tenzij zulks expliciet is vermeld. +Voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van aannemelijk bevonden verklaringen van asielzoekers uit de belangrijkste landen van herkomst wordt verwezen naar C24, waarin het landgebonden asielbeleid wordt weergegeven. -In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als risicogroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw worden aan personen behorende tot een risicogroep minder hoge eisen gesteld met betrekking tot het aannemelijk maken van de zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen. +Ook ten aanzien van personen die behoren tot één of meer van deze categorieën blijft de toetsingsvolgorde van C14/2 onverkort van toepassing. + +In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als risicogroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw zal bij personen behorende tot een risicogroep eerder worden geconcludeerd tot voldoende zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen. In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt aan personen behorende tot een kwetsbare minderheidsgroep minder hoge eisen gesteld aan het aannemelijk maken van een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw (zie C2/3.1.3). Zie C2/4.3 en C2/4.4. -Hoewel categoriale bescherming veelal wordt ingesteld ten aanzien van een land als geheel of ten aanzien van een bepaald deel van een land, is het ook mogelijk dat bepaalde bevolkingsgroepen worden aangewezen ten aanzien van welke een beleid van categoriale bescherming geldt (zie C2/5) +Hoewel categoriale bescherming veelal wordt ingesteld ten aanzien van een land als geheel of ten aanzien van een bepaald deel van een land, is het ook mogelijk dat bepaalde bevolkingsgroepen worden aangewezen ten aanzien van welke een beleid van categoriale bescherming geldt (zie C2/5). ### 5. Beoordeling van tweede of volgende asielaanvragen #### 5.1. Herhaalde aanvraag -Ook indien de ingebrachte feiten en omstandigheden op het moment van de eerdere aanvraag niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, kan toepassing van artikel 4:6 Awb aan de orde zijn. Indien op voorhand al duidelijk is dat de ingebrachte feiten en omstandigheden geen nieuw licht kunnen werpen op de beoordeling van de asielaanvraag, kan onder toepassing van artikel 4:6 Awb de aanvraag worden afgewezen. +Een herhaalde aanvraag betreft een volgens de formele vereisten van artikel 3.38 VV ingediende tweede of volgende asielaanvraag, die op grond van het bepaalde in artikel 4:6 Awb kan worden afgewezen. -Wanneer dit niet op voorhand al duidelijk is, blijft toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege, hetgeen geenszins betekent dat de vreemdeling automatisch in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 Vw kan in dat geval nog immer aan de orde zijn. +Onder feiten en omstandigheden worden tevens bewijsstukken gerekend die eerder aangevoerde feiten en omstandigheden ondersteunen. Op grond van artikel 31a Vw wordt een asielaanvraag niet aangemerkt als herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb, indien een eerdere asielaanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, onder d, Vw of artikel 31, tweede lid, onder h, Vw en het betrokken derde land de vreemdeling niet heeft toegelaten tot zijn grondgebied. Dit wordt aangemerkt als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb. In dat geval wordt de asielaanvraag derhalve opnieuw beoordeeld aan de hand van de artikelen 29, 30 en 31 Vw.