2015-01-01 | BWBR0022751 | Wet op het kindgebonden budget
This commit is contained in:
parent
72fbb8f482
commit
228c03c4da
1 changed files with 26 additions and 21 deletions
|
|
@ -18,13 +18,14 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
|
||||
b. kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen;
|
||||
c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.
|
||||
c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet;
|
||||
d. drempelinkomen: 108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand.
|
||||
|
||||
**2.** De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 81.360 dan wel, ingeval de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder en zijn partner in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 81.360. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 82.093 dan wel, ingeval de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder en zijn partner in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 82.093. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -34,50 +35,52 @@ c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.
|
|||
|
||||
Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:
|
||||
|
||||
a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind : € 1017,–;
|
||||
b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen: € 1478,– per 1 januari 2013: € 1553,–;
|
||||
c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen: € 1661,– per 1 januari 2013: € 1736,–;
|
||||
d. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan drie kinderen: € 1661,– per 1 januari 2013: € 1736,–, verhoogd met zoveel maal € 106,– als het aantal kinderen meer bedraagt dan drie.
|
||||
a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind: € 1.032,–;
|
||||
b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen: € 1.823,–;
|
||||
c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen: € 2.006,–;
|
||||
d. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan drie kinderen: € 2.006,–, verhoogd met zoveel maal € 106,– als het aantal kinderen meer bedraagt dan drie.
|
||||
|
||||
**3.** Een ouder heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget in een berekeningsjaar voor een kind met ingang van de kalendermaand na de maand waarin dat kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**4.** Voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 16 jaar bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget € 231.
|
||||
**4.** Voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 16 jaar bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget € 231.
|
||||
|
||||
**5.** Voor een kind dat 16 of 17 jaar is, bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt € 296.
|
||||
**5.** Voor een kind dat 16 of 17 jaar is, bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt € 296.
|
||||
|
||||
**6.** Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan € 26 147 wordt de som van de bedragen waarop recht bestaat op grond van het tweede, vierde en vijfde lid verminderd met 7,6% van het verschil tussen het gezamenlijke toetsingsinkomen en € 26 147.
|
||||
**6.** De ouder die geen partner heeft, heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget van € 2.800,– per 1 januari 2015: € 3.050,–.
|
||||
|
||||
**7.** Een ouder als bedoeld in het eerste en derde lid en zijn partner die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
|
||||
**7.** Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan het drempelinkomen wordt de som van de bedragen waarop recht bestaat op grond van het tweede, vierde, vijfde en zesde lid verminderd met 6,75% van het verschil tussen het gezamenlijk toetsingsinkomen en het drempelinkomen.
|
||||
|
||||
**8.** Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op een kindgebonden budget.
|
||||
**8.** Een ouder als bedoeld in het eerste en derde lid en zijn partner die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
|
||||
|
||||
**9.** De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.
|
||||
**9.** Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op een kindgebonden budget.
|
||||
|
||||
**10.**
|
||||
**10.** De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
|
||||
Indien de ouder:
|
||||
|
||||
a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor een kind, en
|
||||
b. voor dat kind voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen,
|
||||
|
||||
bedraagt het kindgebonden budget een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van de in het tweede lid, onderdeel a, vierde, vijfde en zesde lid bedoelde bedragen. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.
|
||||
bedraagt het kindgebonden budget een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van de in het tweede lid, onderdeel a, vierde, vijfde, zesde en zevende lid bedoelde bedragen. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
**12.**
|
||||
|
||||
Indien de ouder:
|
||||
|
||||
a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor meer dan een kind, en
|
||||
b. voor een of meer van die kinderen voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen,
|
||||
|
||||
bedraagt het kindgebonden budget een volgens bij ministeriële regeling te stellen regels vastgesteld bedrag. Dat bedrag is gebaseerd op de in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid, opgenomen bedragen en de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen voor het desbetreffende kind of voor de desbetreffende kinderen en dat van Nederland uitgedrukt in procenten. Het percentage bedraagt maximaal 100.
|
||||
bedraagt het kindgebonden budget een volgens bij ministeriële regeling te stellen regels vastgesteld bedrag. Dat bedrag is gebaseerd op de in het tweede, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, opgenomen bedragen en de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen voor het desbetreffende kind of voor de desbetreffende kinderen en dat van Nederland uitgedrukt in procenten. Het percentage bedraagt maximaal 100.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de bedragen, genoemd in de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede, vierde en vijfde lid, en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
**1.** De bedragen, genoemd in de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zevende lid, worden met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De gewijzigde bedragen worden door of namens Onze Minister bekend gemaakt in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**2.** Indien er aanleiding is om de bedragen, bedoeld in het eerste lid, te verhogen op een andere wijze dan op grond van het eerste lid, worden de bedragen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
|
||||
|
||||
**3.** De overeenkomstig het eerste en tweede lid aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede, vierde, vijfde en zesde lid.
|
||||
**3.** De overeenkomstig het eerste en tweede lid aangepaste bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede, vierde, vijfde, zesde en zevende lid.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een verhoging als bedoeld in het tweede lid wordt toegepast, vindt deze verhoging plaats nadat het eerste lid toepassing heeft gevonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -110,11 +113,13 @@ wordt geacht een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomens
|
|||
|
||||
### Artikel 6a
|
||||
|
||||
Artikel 2, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel A, onder 1, van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB, blijft van toepassing op een ouder voor het kind voor wie de ouder op de datum van die inwerkingtreding op grond van artikel 7a van de Algemene kinderbijslagwet geen recht op kinderbijslag heeft.
|
||||
Artikel 2, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel A, onder 1, van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB, blijft van toepassing op een ouder voor het kind voor wie de ouder op de datum van die inwerkingtreding op grond van artikel 7aa van de Algemene kinderbijslagwet geen recht op kinderbijslag heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
Bij het begin van het jaar 2010 tot en met 2015 worden de bedragen, genoemd in artikel 2, tweede, vierde en vijfde lid, en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, voor de berekeningsjaren 2010 tot en met 2015 niet gewijzigd overeenkomstig artikel 3, eerste lid.
|
||||
**1.** Bij het begin van het jaar 2010 tot en met 2014 worden de bedragen, genoemd in artikel 2, tweede, vierde en vijfde lid, en het bedrag van het gezamenlijke toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, voor de berekeningsjaren 2010 tot en met 2014 niet gewijzigd overeenkomstig artikel 3, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het begin van het jaar 2015 worden de bedragen, genoemd in artikel 2, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, en het bedrag van het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2, zevende lid, voor het berekeningsjaar 2015 niet gewijzigd overeenkomstig artikel 3, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
|
|
@ -132,7 +137,7 @@ Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
|
|||
|
||||
**1.** Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
**2.** Deze wet geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008.
|
||||
**2.** Deze wet geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue