2009-07-01 | BWBR0025631 | Binnenvaartbesluit
This commit is contained in:
parent
fe1d261c26
commit
22ee3e8f0a
1 changed files with 135 additions and 235 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Binnenvaartbesluit
|
|||
bwb_id: BWBR0025631
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2011-11-18'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2009-07-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0025631
|
||||
citeertitel: Binnenvaartbesluit
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -17,7 +17,6 @@ citeertitel: Binnenvaartbesluit
|
|||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *breedte:* de grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating;
|
||||
- *Bunkerstation:* drijvend bouwsel met permanente ligplaats dat is bestemd of wordt gebruikt voor de opslag of levering van brandstof voor de voortstuwing van schepen;
|
||||
- *diepgang:* de verticale afstand in meters tussen het laagste punt van de scheepsromp, zonder de kiel of andere uitstekende delen, en het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp in meters;
|
||||
- *duwboot:* schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het duwen van schepen en niet bestemd is voor het zelfstandig vervoeren van goederen;
|
||||
- *geneeskundig onderzoek:* onderzoek, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet;
|
||||
|
|
@ -25,7 +24,6 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaal
|
|||
- *openbaar vervoersdienst:* voor ieder openstaand personenvervoer;
|
||||
- *passagiersschip:* binnenschip, niet zijnde een veerpont of een veerboot, dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanningsleden;
|
||||
- *pleziervaartuig:* schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding;
|
||||
- *richtlijn (EU) 2016/1629:* richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG;
|
||||
- *Rijnvaartverklaring:* verklaring, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte;
|
||||
- *sleepboot:* schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het slepen van schepen en niet is bestemd voor het zelfstandig vervoeren van goederen;
|
||||
- *sleepduwboot:* schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het slepen of duwen van schepen en niet is bestemd voor het zelfstandig vervoeren van goederen;
|
||||
|
|
@ -55,8 +53,6 @@ Het tweede lid is van toepassing op:
|
|||
a. een schip met een lengte van ten minste 20 meter; of
|
||||
b. een schip waarvoor het product van lengte, breedte en diepgang in meters ten minste 100 m^3 bedraagt.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kan vrijstelling worden verleend van het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -104,15 +100,18 @@ Voor de volgende categorieën van binnenschepen is een certificaat van onderzoek
|
|||
|
||||
a. binnenschepen met een lengte van ten minste 20 meter;
|
||||
b. binnenschepen waarvoor het product van lengte, breedte en diepgang ten minste 100 m^3 bedraagt;
|
||||
c. sleepboten, duwboten of sleepduwboten, die zijn bestemd of worden gebruikt om de schepen bedoeld onder a en b of drijvende werktuigen met vergelijkbare afmetingen als bedoeld onder a en b te slepen, te duwen of langszij gekoppeld mee te voeren;
|
||||
c. sleepboten, duwboten of sleepduwboten, tenzij:
|
||||
|
||||
1°. ze niet onder de criteria genoemd in de onderdelen a of b vallen,
|
||||
2°. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend worden gebruikt als pleziervaartuig, en
|
||||
3°. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die verklaring worden gebruikt;
|
||||
d. passagiersschepen;
|
||||
e. veerponten die zijn bestemd of worden gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanningsleden;
|
||||
f. veerboten;
|
||||
g. drijvende werktuigen;
|
||||
h. binnenschepen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervoeren;
|
||||
i. binnenschepen die krachtens het Binnenvaartpolitiereglement of het Rijnvaartpolitiereglement 1995 zijn toegelaten tot het ligplaats nemen langszijde van een binnenschip als bedoeld in onderdeel h; of
|
||||
j. samenstellen van hecht aan elkaar verbonden schepen met een gezamenlijke afmeting als bedoeld in onderdeel a of b;
|
||||
k. bunkerstations met een afmeting als bedoeld in de onderdelen a of b.
|
||||
j. samenstellen van hecht aan elkaar verbonden schepen met een gezamenlijke afmeting als bedoeld in onderdeel a of b.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
|
|
@ -131,20 +130,19 @@ c. binnenschepen voorzien van een ander geldig document dan in onderdeel a bedoe
|
|||
d. binnenschepen die uitsluitend door spierkracht worden voortbewogen;
|
||||
e. drijvende werktuigen die zich in een grind- of zandgat bevinden;
|
||||
f. binnenschepen die in aanbouw zijn of waarmee een proefvaart wordt ondernomen;
|
||||
g. binnenschepen met permanente ligplaats, uitsluitend gebruikt voor bewoning en zonder eigen aandrijving dan wel anderszins niet voor de vaart geschikt, ook gedurende de tijd van verslepen;
|
||||
h. schepen bestemd tot het redden van drenkelingen.
|
||||
g. binnenschepen met permanente ligplaats, uitsluitend gebruikt voor bewoning en zonder eigen aandrijving dan wel anderszins niet voor de vaart geschikt, ook gedurende de tijd van verslepen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
Een Uniebinnenvaartcertificaat voor binnenschepen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/1629 wordt gelijkgesteld met een certificaat van onderzoek.
|
||||
Een communautair binnenvaartcertificaat voor binnenschepen overeenkomstig richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEG L 389) wordt gelijkgesteld met een certificaat van onderzoek.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** Voor binnenschepen waarop aanvullende regels als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, van toepassing zijn en die zijn voorzien van een certificaat van onderzoek, verstrekt Onze Minister op aanvraag van de eigenaar van het binnenschip een aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/1629.
|
||||
**1.** Voor binnenschepen waarop aanvullende regels als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, van toepassing zijn en die zijn voorzien van een certificaat van onderzoek, verstrekt Onze Minister op aanvraag van de eigenaar van het binnenschip een communautair aanvullend binnenvaartcertificaat van onderzoek overeenkomstig richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEG L389).
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister verstrekt op aanvraag voor zeeschepen ten behoeve van de vaart op de binnenwateren een aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat.
|
||||
**2.** Onze Minister verstrekt op aanvraag voor zeeschepen ten behoeve van de vaart op de binnenwateren een communautair aanvullend binnenvaartcertificaat van onderzoek.
|
||||
|
||||
**3.** Op het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat zijn hoofdstuk 3, paragraaf 1, van de wet en deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Op het communautair aanvullend binnenvaartcertificaat van onderzoek zijn hoofdstuk 3, paragraaf 1, van de wet en deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
|
|
@ -153,12 +151,12 @@ Een Uniebinnenvaartcertificaat voor binnenschepen overeenkomstig richtlijn (EU)
|
|||
Onze Minister kan een voorlopig certificaat van onderzoek afgeven voor binnenschepen, behorende tot de categorieën, bedoeld in artikel 6, voor:
|
||||
|
||||
a. binnenschepen, die teneinde een certificaat van onderzoek te verkrijgen, met toestemming van Onze Minister naar een bepaalde plaats worden gevaren;
|
||||
b. binnenschepen die, wegens een van de in artikel 2.07 van bijlage V van richtlijn (EU) 2016/1629 of de in de artikelen 13 en 15 van die richtlijn bedoelde gevallen, tijdelijk niet van hun Uniebinnenvaartcertificaat zijn voorzien;
|
||||
b. binnenschepen die, wegens een van de in artikel 2.07 van bijlage II van richtlijn nr. 2006/87/EG of de in artikelen 12 en 16 van die richtlijn bedoelde gevallen, tijdelijk niet van hun communautair binnenvaartcertificaat zijn voorzien;
|
||||
c. binnenschepen waarvan de aanvraag voor het certificaat van onderzoek na het onderzoek nog in behandeling is;
|
||||
d. binnenschepen die niet aan alle voorwaarden voor de afgifte van een Uniebinnenvaartcertificaat overeenkomstig bijlage 3, onderdelen I tot en met III, van deel I, van de bijlagen bij bijlage II van richtlijn (EU) 2016/1629, van richtlijn (EU) 2016/1629 voldoen;
|
||||
d. binnenschepen die niet aan alle voorwaarden voor de afgifte van een communautair binnenvaartcertificaat overeenkomstig bijlage V, deel I, van richtlijn nr. 2006/87/EG voldoen;
|
||||
e. binnenschepen die een zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren, niet meer met het in het certificaat van onderzoek gestelde overeenstemt;
|
||||
f. drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, wanneer de voor bijzonder transport bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement 1995 of het Binnenvaartpolitiereglement, de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van het hebben van een dergelijk voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat;
|
||||
g. binnenschepen die volgens artikel 9, eerste lid, onderdeel g van richtlijn (EU) 2016/1629 van de bepalingen van bijlage II van die richtlijn afwijken.
|
||||
f. drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, wanneer de voor bijzonder transport bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement 1995 of het Binnenvaartpolitiereglement, de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van het hebben van een dergelijk voorlopig communautair binnenvaartcertificaat;
|
||||
g. binnenschepen die volgens artikel 2.19, tweede lid, van richtlijn nr. 2006/87/EG van de bepalingen van Deel II van bijlage II van die richtlijn afwijken.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -166,7 +164,7 @@ Het voorlopig certificaat is geldig:
|
|||
|
||||
a. in de in het eerste lid, onderdelen a en d tot en met f, bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een redelijke termijn die ten hoogste één maand is;
|
||||
b. in de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde gevallen gedurende een redelijke termijn;
|
||||
c. in de in het eerste lid, onderdeel g, genoemde gevallen gedurende zes maanden, hetgeen elke zes maanden kan worden verlengd, zolang nog geen uitvoeringshandeling als bedoeld in dat onderdeel is vastgesteld.
|
||||
c. in de in het eerste lid, onderdeel g, genoemde gevallen gedurende zes maanden, hetgeen elke zes maanden kan worden verlengd, zolang het comité als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, van richtlijn nr. 2006/87/EG nog geen beslissing heeft genomen.
|
||||
|
||||
**3.** Het voorlopig certificaat van onderzoek kan voorschriften bevatten die door Onze Minister in het belang van de veiligheid van het binnenschip of de opvarenden nodig worden geacht. De eigenaar draagt zorg voor de naleving van deze voorschriften.
|
||||
|
||||
|
|
@ -184,7 +182,8 @@ b. de procedure waarbij natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in ar
|
|||
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de afgifte van de certificaten van onderzoek;
|
||||
b. het onderzoek, bedoeld in artikel 14 van de wet.
|
||||
b. het onderzoek, bedoeld in artikel 14 van de wet;
|
||||
c. de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 6, onderdeel c, onder 2°.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bemanning
|
||||
|
||||
|
|
@ -211,65 +210,80 @@ i. samenstellen van hecht aan elkaar verbonden schepen met een gezamenlijke afme
|
|||
|
||||
Tot de in het eerste lid genoemde categorieën behoren niet:
|
||||
|
||||
a. pleziervaartuigen en reddingsboten;
|
||||
a. pleziervaartuigen;
|
||||
b. bunkerstations;
|
||||
c. zeeschepen die uitsluitend worden gebruikt voor het vangen van vis op zee als bedoeld in de Visserijwet 1963;
|
||||
d. zeeschepen, niet zijnde een sleepboot:
|
||||
|
||||
1°. die gebruik dienen te maken van een loods en zich bevinden op de scheepvaartwegen, bedoeld in de artikel 10, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet en de daarop berustende bepalingen;
|
||||
2°. die van de loodsplicht zijn vrijgesteld of ontheven op grond van artikel 11, eerste lid, van de Scheepvaarverkeerswet en zich bevinden op de scheepvaartwegen, bedoeld onder 1°;
|
||||
1°. die gebruik dienen te maken van een loods en zich bevinden op de scheepvaartwegen, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11, van de Scheepvaartverkeerswet;
|
||||
2°. die van de loodsplicht zijn vrijgesteld op grond van artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet of waarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 10, derde lid, van die wet, en zich bevinden op de scheepvaartwegen, bedoeld onder 1°; of
|
||||
3°. die zich bevinden in de haven van Scheveningen;
|
||||
e. zeeschepen die voldoen aan bij regeling van Onze Minister overeenkomstig bindende besluiten van organen van de Europese Unie dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen
|
||||
### Paragraaf 3. Vaarbewijs
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor rivieren, kanalen en meren.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de vaart op de overige binnenwateren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor alle binnenwateren.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid worden onder rivieren, kanalen en meren verstaan de binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer met uitzondering van de Gouwzee.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een kwalificatiecertificaat schipper is vereist voor het voeren van:
|
||||
Een groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
|
||||
|
||||
a. schepen met een lengte van ten minste 20 meter;
|
||||
b. schepen waarvoor het product van lengte, breedte en diepgang in meters ten minste 100 m^3 bedraagt;
|
||||
c. passagiersschepen;
|
||||
d. veerponten die:
|
||||
b. passagiersschepen;
|
||||
c. veerponten die:
|
||||
|
||||
1°. zijn bestemd of worden gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanningsleden, of
|
||||
2°. Door middel van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van 30 kilometer per uur of meer ten opzichte van het water kunnen bereiken;
|
||||
e. veerboten, of
|
||||
f. sleepboten, duwboten of sleepduwboten;
|
||||
g. binnenschepen die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn toegelaten;
|
||||
h. drijvende werktuigen.
|
||||
d. veerboten, of
|
||||
e. sleepboten, duwboten of sleepduwboten.
|
||||
|
||||
**2.** Een kwalificatiecertificaat schipper is geldig voor het voeren van schepen waarvoor een klein vaarbewijs vereist is.
|
||||
**2.** Een groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van schepen waarvoor een beperkt groot vaarbewijs of een klein vaarbewijs vereist is.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, onder a, is een groot vaarbewijs niet vereist voor schepen die een lengte hebben van ten minste 20 meter en minder dan 40 meter en die niet behoren tot de in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, genoemde categorieën als de gezagvoerder op grond van het bepaalde in artikel 15 in het bezit is van een geldig beperkt groot vaarbewijs.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing op sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 25 meter indien deze uitsluitend als pleziervaartuigen worden gebruikt.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 15 meter, indien:
|
||||
|
||||
a. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend worden gebruikt als pleziervaartuig; en
|
||||
b. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die verklaring worden gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een beperkt groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
|
||||
|
||||
a. schepen met een lengte van ten minste 20 meter en minder dan 40 meter, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
1°. pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter, en
|
||||
2°. schepen die behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, genoemde categorieën, of
|
||||
b. sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten minste 25 meter en minder dan 40 meter, indien:
|
||||
|
||||
1°. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend worden gebruikt als pleziervaartuig, en
|
||||
2°. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die verklaring worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** Een beperkt groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van een schip waarvoor een klein vaarbewijs vereist is.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een klein vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
|
||||
|
||||
a. schepen met een lengte van ten minste 15 en minder dan 20 meter die niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, d, f, g, en h, bedoelde categorieën;
|
||||
a. schepen met een lengte van ten minste 15 en minder dan 20 meter die niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, en d, bedoelde categorieën;
|
||||
b. pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter;
|
||||
c. sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter indien deze uitsluitend als pleziervaartuigen worden gebruikt;
|
||||
d. schepen met een lengte van minder dan 15 meter die door middel van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur ten opzichte van het water kunnen bereiken, en niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b tot en met h, genoemde schepen.
|
||||
c. sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter, indien:
|
||||
|
||||
**2.** Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren met een vaartuig waarvoor een klein vaarbewijs vereist is, is de schipper in het bezit van een klein vaarbewijs voor rivieren, kanalen en meren.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de vaart op de overige binnenwateren met een vaartuig waarvoor een klein vaarbewijs vereist is, is de schipper in het bezit van een klein vaarbewijs voor alle binnenwateren.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid worden onder rivieren, kanalen en meren verstaan alle binnenwateren met uitzondering van de wateren geclassificeerd als wateren van maritieme aard die zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet.
|
||||
1°. ze blijkens een verklaring van Onze Minister uitsluitend worden gebruikt als pleziervaartuig, en
|
||||
2°. ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die verklaring worden gebruikt, of
|
||||
d. schepen met een lengte van minder dan 15 meter die door middel van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur ten opzichte van het water kunnen bereiken, en niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, genoemde schepen.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
|
|
@ -281,9 +295,18 @@ a. schepen die uitsluitend door spierkracht worden voortbewogen;
|
|||
b. drijvende werktuigen die zich bevinden in een grind- of zandgat;
|
||||
c. bunkerstations.
|
||||
|
||||
**2.** Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de gezagvoerder die in het bezit is van een op grond van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn afgegeven geldig gelijkwaardig vaarbevoegdheidsbewijs of van een overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de Europese Unie geldig als gelijkwaardig aangemerkt vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet.
|
||||
**2.** Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de gezagvoerder die in het bezit is van een bij regeling van Onze Minister aangewezen krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven geldig gelijkwaardig vaarbewijs of van een geldig gelijkwaardig vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de gezagvoerder van een zeeschip indien zich een schipper aan boord bevindt die in het bezit is van een geldig kwalificatiecertificaat schipper en geldige verplichte specifieke vergunningen, van een op grond van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn afgegeven geldig gelijkwaardig vaarbevoegdheidsbewijs of van een overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de Europese Unie geldig als gelijkwaardig aangemerkt vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de gezagvoerder van een zeeschip:
|
||||
|
||||
a. indien zich een persoon aan boord bevindt die in het bezit is van een geldig groot vaarbewijs, van een bij regeling van Onze Minister aangewezen krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven daaraan gelijkwaardig geldig vaarbewijs of van een daaraan gelijkwaardig geldig vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet; of
|
||||
b. niet zijnde een sleepboot:
|
||||
|
||||
1°. die gebruik dient te maken van een loods en zich bevindt op de scheepvaartwegen, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11, van de Scheepvaartverkeerswet;
|
||||
2°. die van de loodsplicht is vrijgesteld op grond van artikel 10, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet of waarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 10, derde lid, van die wet, en zich bevindt op de scheepvaartwegen, bedoeld onder 1°; of
|
||||
3°. die zich bevindt in de haven van Scheveningen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -294,74 +317,68 @@ b. de gezagvoerder of een ander lid van de dekbemanning is voorzien van een door
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld houdende vrijstelling van de plicht tot het hebben van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat en een specifieke vergunning, indien naar het oordeel van Onze Minister de veilige vaart voldoende gewaarborgd is en wat betreft de plicht tot het hebben van een kwalificatiecertificaat of een specifieke vergunning uitsluitend voor de bemanning van schepen op binnenwateren die niet in verbinding staan met een binnenwater van een andere lidstaat van de Europese Unie.
|
||||
**1.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld houdende vrijstelling van de vaarbewijsplicht, indien naar het oordeel van Onze Minister de veilige vaart voldoende gewaarborgd is.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid genoemde regels betreffen in elk geval de voorschriften voor afgifte en intrekking van vrijstellingsbewijzen.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen die onder andere betrekking hebben op de vorm, inhoud en geldigheidsduur.
|
||||
Bij regeling van Onze Minister worden vorm en inhoud van de vaarbewijzen vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs of kwalificatiecertificaat worden overgelegd:
|
||||
Bij de aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs worden overgelegd:
|
||||
|
||||
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden;
|
||||
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het verlangde vaarbewijs of kwalificatiecertificaat onderscheidenlijk een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend;
|
||||
a. de geneeskundige verklaring, niet ouder dan dertien weken, of een eigen verklaring als bedoeld in artikel 26, eerste lid;
|
||||
b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het verlangde vaarbewijs onderscheidenlijk een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend;
|
||||
c. overige, bij regeling van Onze Minister nader te regelen, bescheiden.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan bij een aanvraag tot afgifte van een klein vaarbewijs ook worden volstaan met een gezondheidsverklaring, niet ouder dan zesentwintig weken, als bedoeld in artikel 26, eerste lid. De tijd tussen dat moment van overleggen en het afronden van de aanvraag tot afgifte van een klein vaarbewijs mag niet meer dan één jaar bedragen.
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid toont de aanvrager bij de aanvraag tot afgifte van een beperkt groot vaarbewijs of een groot vaarbewijs op bij regeling van Onze Minister te bepalen wijze aan dat hij een vaartijd heeft doorlopen van drie jaren respectievelijk vier jaren.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, onder a, is het overleggen van een geneeskundige verklaring niet vereist wanneer een houder van een geldig kwalificatiecertificaat een aanvraag doet voor een kwalificatiecertificaat van een andere functie, met uitzondering van de functie schipper.
|
||||
**3.** Een jaar vaartijd als bedoeld in het tweede lid bestaat uit 180 effectieve vaardagen. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend.
|
||||
|
||||
**4.** Als bewijs van bekwaamheid bedoeld in het eerste lid, onder b, kan dienen een diploma afgegeven na afronding van een erkend opleidingsprogramma, dat voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Richtlijn 2017/2397.
|
||||
**4.** In het geval van ongeldigverklaring van het vaarbewijs mag bij een nieuwe aanvraag tot afgifte geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart.
|
||||
|
||||
**5.** Onverminderd het eerste lid kan de aanvrager worden verplicht een vaartijd aan te tonen bij de aanvraag tot afgifte van een kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning, op een bij regeling van Onze Minister vastgelegde wijze en van een bij regeling van Onze Minister vastgelegde duur.
|
||||
|
||||
**6.** In het geval van ongeldigverklaring van het vaarbewijs mag bij een nieuwe aanvraag tot afgifte geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart.
|
||||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gegeven omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek en de wijze van onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gegeven omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek en de wijze van onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
In plaats van een document als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, kan worden overgelegd:
|
||||
|
||||
a. een ten minste gelijkwaardig geldig vaarbewijs of kwalificatiecertificaat, of
|
||||
b. een ten minste gelijkwaardig vaarbewijs of kwalificatiecertificaat waarvan de geldigheid verloren is gegaan uitsluitend door het verstrijken van de geldigheidsduur.
|
||||
a. een ten minste gelijkwaardig geldig vaarbewijs, of
|
||||
b. een ten minste gelijkwaardig vaarbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren uitsluitend door het verstrijken van de geldigheidsduur.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** Een kwalificatiecertificaat schipper, afgegeven voordat de houder de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, is ten hoogste 13 jaar geldig.
|
||||
**1.** Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs, afgegeven voor de 50-jarige leeftijd van de houder, zijn geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 50 jaar en dertien weken heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, is een kwalificatiecertificaat afgegeven voordat de houder de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, niet langer geldig dan tot de dag waarop de houder de leeftijd van 61 jaar bereikt.
|
||||
**2.** Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs, afgegeven aan de houder na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, zijn geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 65 jaar en dertien weken heeft bereikt in bij regeling genoemde gevallen, mits zij samen met de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 28 van de wet, worden getoond.
|
||||
|
||||
**3.** Een kwalificatiecertificaat, afgegeven nadat de houder de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, is ten hoogste vijf jaar geldig doch niet langer dan tot de dag waarop de houder de leeftijd van 71 jaar bereikt.
|
||||
**3.** Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs zijn na de dag waarop de houder de leeftijd van 65 jaar en dertien weken heeft bereikt slechts geldig in bij regeling genoemde gevallen, mits zij samen met de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 28 van de wet, worden getoond.
|
||||
|
||||
**4.** Een kwalificatiecertificaat, afgegeven nadat de houder de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt, is ten hoogste twee jaar geldig.
|
||||
**4.** Een klein vaarbewijs, afgegeven voor de 65-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**5.** Een klein vaarbewijs, afgegeven nadat de houder de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, is vijf jaar geldig.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.** Het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning wordt binnen twee weken na ongeldigverklaring als bedoeld in artikel 30 van de wet bij Onze Minister ingeleverd.
|
||||
**1.** Het vaarbewijs wordt binnen twee weken na ongeldigverklaring als bedoeld in artikel 30 van de wet bij Onze Minister ingeleverd.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan degene wiens vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning ongeldig is verklaard geheel of gedeeltelijk ontheffing van het examen verlenen.
|
||||
**2.** Onze Minister kan degene wiens vaarbewijs ongeldig is verklaard geheel of gedeeltelijk ontheffing van het examen verlenen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot het in dit artikel bepaalde en de schorsing van kwalificatiecertificaten als bedoeld in artikel 30, derde lid, van de wet.
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot het in dit artikel bepaalde.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de verstrekking van gegevens betreffende afgegeven en ongeldige vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten of specifieke vergunningen, bedoeld in artikel 35 van de wet. Die regels betreffen:
|
||||
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de verstrekking van gegevens betreffende afgegeven en ongeldige vaarbewijzen, bedoeld in artikel 35 van de wet. Die regels betreffen:
|
||||
|
||||
a. de gegevens die verstrekt worden;
|
||||
b. de aanwijzing van degenen die namens Onze Minister gegevens verstrekken;
|
||||
c. de wijze waarop de gegevens verstrekt worden; en
|
||||
d. de wijze waarop de houder van het ongeldige vaarbewijs in kennis wordt gesteld van de verstrekking van zijn gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 24a
|
||||
|
||||
De geldigheid van het vaardocument, bedoeld in artikel 33a, is van rechtswege geschorst gedurende de periode dat het ingevolge de artikelen 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet onderscheidenlijk 42, eerste lid, van de wet, is ingevorderd maar nog niet overhandigd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Geneeskundig onderzoek
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
|
@ -381,23 +398,47 @@ f. overige afwijkingen die het veilig varen nadelig kunnen beïnvloeden.
|
|||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.** Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het klein vaarbewijs blijft achterwege, indien uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat hij lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip of indien hij niet langer dan drie maanden tevoren een gelijkwaardig geneeskundig onderzoek met gunstig gevolg heeft ondergaan.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** De gezondheidsverklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
|
||||
Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het vaarbewijs blijft achterwege, indien uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt, dat hij lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip en indien hij:
|
||||
|
||||
a. een klein vaarbewijs wenst te verkrijgen; of
|
||||
b. niet langer dan dertien weken tevoren een overeenkomstig geneeskundig onderzoek met gunstig gevolg heeft ondergaan.
|
||||
|
||||
**2.** De eigen verklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onder b, legt bescheiden over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de aldaar gestelde vereisten.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de gezondheidsverklaring op enige afwijking wijst kan een deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, een geneeskundige verklaring afgeven, indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.
|
||||
**4.** De eigen verklaring mag niet ouder zijn dan zesentwintig weken.
|
||||
|
||||
**5.** Het opmaken en het beoordelen van de gezondheidsverklaring geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
|
||||
**5.** Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst kan een deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, een geneeskundige verklaring afgeven, indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.
|
||||
|
||||
**6.** Het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het vaarbewijs blijft achterwege indien de aanvrager van een kwalificatiecertificaat schipper reeds een kwalificatiecertificaat schipper bezit dat de geldigheid slechts is verloren door het verstrijken van de tijde en de aanvrager de 60-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en niet is gebleken dat de aanvrager sinds de afgifte van dat vaarbewijs medisch ongeschikt is geworden.
|
||||
**1.** Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het vaarbewijs blijft achterwege indien de aanvrager van een groot of beperkt groot vaarbewijs reeds een geldig groot of beperkt groot vaarbewijs bezit en de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en niet is gebleken dat hij sinds de afgifte van dat vaarbewijs medisch ongeschikt is geworden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De houder van het beperkt groot vaarbewijs of van het groot vaarbewijs toont zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid opnieuw aan bij Onze Minister door het overleggen van een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28 van de wet, die niet ouder dan dertien weken is:
|
||||
|
||||
a. iedere vijf jaren vanaf het bereiken van de leeftijd van 50 jaar tot de leeftijd van 65 jaar;
|
||||
b. ieder jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 50-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 50-jarige leeftijd bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 55-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 55-jarige leeftijd bereikt.
|
||||
|
||||
**3.** Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 60-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 60-jarige leeftijd bereikt.
|
||||
|
||||
**4.** Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 65-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd bereikt.
|
||||
|
||||
**5.** Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet afgegeven nadat een bemanningslid de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, is geldig gedurende een jaar.
|
||||
|
||||
**6.** Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet is niet vereist voor de gezagvoerder die in het bezit is van een groot patent als bedoeld in het Patentreglement Rijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
|
|
@ -439,131 +480,7 @@ Bij regeling van Onze Minister kunnen in het belang van de statistiek regels wor
|
|||
|
||||
**1.** Onze Minister wijst de bevoegde autoriteit onderscheidenlijk de bevoegde autoriteiten aan, bedoeld in de reglementen ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte.
|
||||
|
||||
**2.** De bevoegde autoriteit, bedoeld in het eerste lid, is verwerkingsverantwoordelijke voor verwerking van de persoonsgegevens als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4a. Registratie van vaarbevoegdheden en vaardocumenten
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Het register
|
||||
|
||||
### Artikel 33a
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *ongeldigverklaring van een vaardocument:* ongeldigverklaring als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
|
||||
- *ontzegging van de vaarbevoegdheid:* ontzegging als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet;
|
||||
- *pleziervaartbewijzen:* het klein vaarbewijs, het groot pleziervaartbewijs of een ander document ten bewijze van de bevoegdheid om op de Nederlandse binnenwateren uitsluitend een pleziervaartuig te voeren, waaronder begrepen een daarmee vergelijkbaar document dat is afgegeven door een buitenlandse autoriteit;
|
||||
- *register:* registers als bedoeld in artikel 35a van de Wet;
|
||||
- *register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten:* register dat wordt bijgehouden ter uitvoering van Richtlijn 2017/2397;
|
||||
- *register pleziervaartbewijzen:* register betreffende de pleziervaartbewijzen;
|
||||
- *vaardocument:* kwalificatiecertificaat, vaarbewijs, ander document ten bewijze van de bevoegdheid om op de Nederlandse binnenwateren een schip te voeren, dienstboekje of vaartijdenboek of een vergelijkbaar document dat is afgegeven door een buitenlandse autoriteit of afgegeven is overeenkomstig het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 33b
|
||||
|
||||
In het register pleziervaartbewijzen worden per betrokkene in samenhang en voor zover van toepassing, de volgende gegevens opgenomen:
|
||||
|
||||
a. naam, adres, woonplaats, zoals luidend ten tijde van het opnemen;
|
||||
b. geboortedatum en burgerservicenummer;
|
||||
c. de datum van invordering van het vaardocument, bedoeld in de artikelen 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet onderscheidenlijk 42, eerste lid, van de wet;
|
||||
d. de ingangsdatum van intrekking van de ontheffing, bedoeld in artikel 22, zesde lid, van de wet;
|
||||
e. de ingangsdatum van ontzegging van de vaarbevoegdheid;
|
||||
f. de ingangsdatum van ongeldigverklaring van het vaardocument, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
|
||||
g. de datum waarop de ontzegging van de vaarbevoegdheid zal eindigen;
|
||||
h. de datum waarop de ongeldigverklaring van het vaardocument zal eindigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 33c
|
||||
|
||||
In het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten worden per betrokkene door de bevoegde autoriteit in samenhang en voor zover van toepassing, de volgende gegevens opgenomen voor:
|
||||
|
||||
a. het kwalificatiecertificaat:
|
||||
|
||||
1°. de gegevens vermeld op het kwalificatiecertificaat, met inbegrip van de maatregelen opgelegd op grond van artikel 28, tweede lid, en artikel 30, eerste lid, van de wet en de eventuele ingangsdatum en einddatum daarvan;
|
||||
2°. de autoriteit van afgifte;
|
||||
3°. de ingangsdatum en einddatum van een schorsing als bedoeld in artikel 30, derde lid, van de wet;
|
||||
b. de specifieke vergunning:
|
||||
|
||||
1°. de gegevens vermeld op het kwalificatiecertificaat waarop deze specifieke vergunning is aangetekend of de gegevens vermeld op de afgeven specifieke vergunning, met inbegrip van de maatregelen opgelegd op grond van artikel 28, tweede lid, en artikel 30, eerste lid, van de wet en de eventuele ingangsdatum en einddatum daarvan voor zover die betrekking hebben op de specifieke vergunning;
|
||||
2°. de autoriteit van afgifte;
|
||||
c. het dienstboekje:
|
||||
|
||||
1°. de naam en het identificatienummer van de houder;
|
||||
2°. het identificatienummer van het dienstboekje;
|
||||
3°. de datum en autoriteit van afgifte;
|
||||
d. het vaartijdenboek:
|
||||
|
||||
1°. de naam van het vaartuig en van de houder;
|
||||
2°. het Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer);
|
||||
3°. het identificatienummer van het logboek;
|
||||
4°. de datum en autoriteit van afgifte;
|
||||
e. van elk vaardocument met uitzondering van de pleziervaartbewijzen:
|
||||
|
||||
1°. de datum van invordering van het vaardocument, bedoeld in de artikelen 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet onderscheidenlijk 42, eerste lid, van de wet;
|
||||
2°. de ingangsdatum van intrekking van de ontheffing, bedoeld in artikel 22, zesde lid, van de wet;
|
||||
3°. de ingangsdatum en einddatum van ontzegging van de vaarbevoegdheid;
|
||||
4°. de ingangsdatum en einddatum van ongeldigverklaring van het vaardocument, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
|
||||
5°. de datum van opgave van verlies, diefstal of vernietiging van het vaardocument.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Informatieverstrekking aan en uit het register
|
||||
|
||||
### Artikel 33d
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De officier van justitie, bedoeld in artikel 35a, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, meldt onverwijld aan Onze Minister, ter opneming in het register:
|
||||
|
||||
a. de invordering van een vaardocument, bedoeld in artikel 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, tenzij het vaardocument inmiddels is teruggegeven;
|
||||
b. de teruggave van een vaardocument, bedoeld in artikel 35a, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, waarvan de datum van invordering in het register is opgenomen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister registreert onverwijld de ongeldigverklaring van een vaardocument.
|
||||
|
||||
**3.** Het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten wordt gekoppeld aan de gegevensbank die overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn (EU) 2017/2397 door de Commissie van de Europese Unie wordt beheerd, overeenkomstig de bepalingen van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473.
|
||||
|
||||
### Artikel 33e
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister meldt onverwijld aan de instanties die zijn belast met de afgifte van vaardocumenten de opneming, wijziging of verwijdering van gegevens.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die de instanties behoeven om afgifte van een vaardocument te weigeren onderscheidenlijk niet langer te weigeren.
|
||||
|
||||
### Artikel 33f
|
||||
|
||||
Onze Minister meldt onverwijld aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie een wijziging in het register.
|
||||
|
||||
### Artikel 33g
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan informatie uit het register verstrekken aan een ambtenaar die is aangewezen voor opsporing of toezicht als bedoeld in de artikelen 40 of 45 van de wet onderscheidenlijk 32 of 34 van de Scheepvaartverkeerswet, mits hij zich van de handhavingsbevoegdheid van die ambtenaar heeft vergewist.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid nodig heeft voor de handhaving op dat moment.
|
||||
|
||||
### Artikel 33h
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verstrekt informatie uit het register aan autoriteiten buiten de Europese Economische Ruimte die belast zijn met de handhaving van de vaarbewijsplicht of met de afgifte van vaardocumenten, indien zij schriftelijk hebben verklaard de verkregen informatie uitsluitend te gebruiken in het belang van de handhaving van de vaarbewijsplicht of van de afgifte van vaardocumenten.
|
||||
|
||||
**2.** Op de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 33e, tweede lid, en 33g, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 33i
|
||||
|
||||
Informatieverstrekking uit het register of informatieverstrekking aan het register als in dit besluit bedoeld, anders dan desgevraagd of incidenteel, kan geschieden met behulp van elektronische koppeling van bestanden, mits niet méér informatie wordt verstrekt of verkregen dan nodig is voor het doel van de verstrekking of verkrijging.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Aanpassing van de opgeslagen informatie
|
||||
|
||||
### Artikel 33j
|
||||
|
||||
Onze Minister verwijdert onverwijld de gegevens van een betrokkene uit het register:
|
||||
|
||||
a. zodra betrokkene na ongeldigverklaring van zijn vaardocument opnieuw over een vaardocument beschikt;
|
||||
b. zodra betrokkene zijn ingevorderde vaardocument terugontvangt;
|
||||
c. op de datum waarop de ontzegging van de vaarbevoegdheid eindigt;
|
||||
d. op de datum waarop de ongeldigverklaring van het vaardocument eindigt;
|
||||
e. na diens overlijden, na kennisneming daarvan.
|
||||
|
||||
### Artikel 33k
|
||||
|
||||
Onze Minister kan op verzoek van een instantie die vaardocumenten afgeeft of van het openbaar ministerie gegevens in het register aanvullen, verbeteren of uit het register verwijderen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Nadere regeling
|
||||
|
||||
### Artikel 33l
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitwerking van dit hoofdstuk.
|
||||
**2.** De bevoegde autoriteit, bedoeld in het eerste lid, is verantwoordelijk voor verwerking van de persoonsgegevens als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -573,11 +490,11 @@ Een geldige geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van
|
|||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Een geldige eigen verklaring als bedoeld in artikel 7 van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart, geldt als een eigen verklaring als bedoeld in artikel 26 van dit besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
Een geldig groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Binnenschepenwet, geldt als een groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 14 van dit besluit zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart.
|
||||
Een geldig groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Binnenschepenwet, geldt als een groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 14 van dit besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
|
|
@ -585,7 +502,7 @@ Een geldig klein vaarbewijs als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Binnen
|
|||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
Een geldige Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van dit besluit.
|
||||
Een geldige Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
|
|
@ -595,56 +512,39 @@ Een geldig bewijs van toelating als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet
|
|||
|
||||
Een geldig geëigend document als bedoeld in artikel 7, onderdeel b, van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een geëigend document als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van dit besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
**1.** Tot 17 januari 2032 is geen kwalificatiecertificaat schipper vereist voor de houder van een geldig groot vaarbewijs voor rivieren, kanalen en meren, zoals bedoeld in de artikelen 13 en 14 van dit besluit zoals die artikelen luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart.
|
||||
|
||||
**2.** Tot 17 januari 2032 is geen kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard vereist voor de houder van een geldig groot vaarbewijs voor alle binnenwateren, zoals bedoeld in de artikelen 13 en 14 van dit besluit zoals die artikelen luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
Tot 17 januari 2038 is geen kwalificatiecertificaat schipper vereist voor de gezagvoerder van een zeeschip, niet zijnde een sleepboot, zolang de activiteit die op het binnenwater aan het begin of het eind van een reis in het kader van zeevervoer wordt uitgevoerd en indien de gezagvoerder van het zeeschip:
|
||||
|
||||
a. gebruik dient te maken van een loods omdat het schip zich bevindt op een scheepvaartweg als bedoeld in de artikel 10, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet en de daarop berustende bepalingen; of
|
||||
b. van de loodsplicht is vrijgesteld of ontheven op grond van artikel 11, eerste lid, van de Scheepvaarverkeerswet en het schip zich bevindt op de scheepvaartwegen, bedoeld onder a.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
Tot 17 januari 2032 is bij het voeren van schepen met een lengte van ten minste 20 meter en minder dan 40 meter, met uitzondering van schepen die behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f, g en h, genoemde categorieën, geen kwalificatiecertificaat schipper vereist voor de houder van een beperkt groot vaarbewijs voor rivieren, kanalen en meren zoals bedoeld in de artikelen 13 en 15 van dit besluit zoals die artikelen luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart en is geen kwalificatiecertificaat schipper en geen specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard vereist voor de houder van een geldig beperkt groot vaarbewijs voor alle binnenwateren zoals bedoeld in de artikelen 13 en 15 van dit besluit zoals die artikelen luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Wijziging van algemene maatregelen van bestuur
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer.
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Besluit inzamelen afvalstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Besluit verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen scheepvaartverkeer.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement.
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Wijzigt het Transactiebesluit 1994.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue