2000-04-03 | BWBR0006788 | Besluit milieu-effectrapportage 1994

This commit is contained in:
Coornhert 2000-04-03 12:00:00 +00:00
parent b9c743e8ab
commit 231aa1d144

View file

@ -0,0 +1,162 @@
---
titel: Besluit milieu-effectrapportage 1994
bwb_id: BWBR0006788
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '1994-09-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0006788
citeertitel: Besluit milieu-effectrapportage 1994
---
# Besluit milieu-effectrapportage 1994
## Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
### Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
de wet: de Wet milieubeheer;
de bijlage: de bij dit besluit behorende bijlage.
## Hoofdstuk 2. Activiteiten en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is of ten aanzien waarvan de
### Artikel 2
**1.** Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.
**2.**
Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.
Indien een activiteit behoort tot een categorie van activiteiten die zowel in onderdeel C als in onderdeel D van de bijlage omschreven is en zij tevens voldoet aan de in de daarbij aangegeven categorieën van gevallen genoemde criteria, behoort zij tot de in onderdeel C omschreven categorie van activiteiten.
**3.** Als de besluiten van bestuursorganen ter zake van de activiteiten, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt of de artikelen 7.8*a* tot en met 7.8*d* van de wet moeten worden toegepast, worden aangewezen de besluiten die in onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage bij de betrokken categorie van activiteiten zijn vermeld.
**4.** Voor zover in de bijlage bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport of de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.8*a* tot en met 7.8*d* van de wet slechts in zodanige gevallen.
### Artikel 3
Er wordt een milieu-effectrapport gemaakt dan wel de artikelen 7.8*a* tot en met 7.8*d* van de wet worden toegepast in gevallen waarin met het oog op het nemen van een beslissing op hoofdlijnen met betrekking tot de plaats van een activiteit, behorende tot een categorie die is omschreven in onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage:
a. een plan als bedoeld in artikel 2*a*, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,
b. een gehele of gedeeltelijke herziening of intrekking van een plan als bedoeld in artikel 2*b*, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dan wel
c. een door een of meer van Onze ministers aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toe te zenden nota wordt voorbereid.
## Hoofdstuk 3. Nadere regels omtrent de indiening en behandeling van een verzoek om een ontheffing van de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport
### Artikel 4
**1.** Een verzoek om ontheffing ingevolge artikel 7.5 van de wet wordt gericht tot Onze Ministers.
**2.** Het wordt in tweevoud ingediend bij Onze Minister, die voor doorzending van een exemplaar aan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zorg draagt.
### Artikel 5
**1.**
Een verzoek om een ontheffing ingevolge artikel 7.5, eerste lid, van de wet bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit;
b. een beschrijving van de omstandigheden waaronder de activiteit zal worden uitgevoerd;
c. de redenen voor het verzoek, en
d. ingeval de ontheffing wordt gevraagd ingevolge artikel 7.5, eerste lid, onder c, van de wet, een aanduiding van de mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu.
**2.** Een verzoek om een ontheffing ingevolge artikel 7.5, tweede lid, van de wet bevat in elk geval gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder *a* en *c*, alsmede omtrent het stadium van voorbereiding van de activiteit of van het daarover te nemen besluit.
**3.** Indien in een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verwezen naar stukken, gaat het verzoek vergezeld van een exemplaar van die stukken.
### Artikel 6
**1.**
Onze Ministers doen van een verzoek als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, onverwijld mededeling door:
a. kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt;
b. kennisgeving in de *Staatscourant*.
**2.**
Een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid vermeldt ten minste:
a. de zakelijke inhoud van het verzoek;
b. het tijdstip waarop een exemplaar van het verzoek ter inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt;
c. de termijn waarbinnen door een ieder bij Onze Ministers schriftelijk bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht tegen het verlenen van de gevraagde ontheffing;
d. dat degene die schriftelijk bedenkingen naar voren brengt, kan verzoeken zijn persoonlijke gegevens niet bekend te maken.
**3.** Een exemplaar van het verzoek wordt in ieder geval ter inzage gelegd op de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, op de griffie van de provincie, waarbinnen de gemeente of gemeenten waar de activiteit zal worden ondernomen gelegen is of gelegen zijn, en op de secretarie van die gemeente of gemeenten.
**4.** Met een exemplaar van het verzoek wordt tevens ter inzage gelegd een exemplaar van de stukken, die redelijkerwijs nodig kunnen zijn voor de beoordeling van dat verzoek, voor zover deze stukken Onze Ministers bekend zijn.
**5.** Vanaf de dag waarop het verzoek ter inzage is gelegd, kan een ieder de ter inzage liggende stukken tijdens de werkuren alsmede desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kosteloos inzien tot het einde van de termijn waarbinnen bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht tegen het verlenen van de gevraagde ontheffing.
**6.** Onze Ministers, gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders verstrekken een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kosten, voor zover mogelijk een exemplaar van de ter inzage liggende stukken.
**7.** Gedurende ten minste twee weken en ten hoogste vier weken vanaf de dag waarop het verzoek ter inzage is gelegd, kan een ieder bij Onze Ministers tegen het verlenen van de gevraagde ontheffing schriftelijke bedenkingen naar voren brengen.
**8.** Onze Ministers zenden van ieder stuk waarbij bedenkingen naar voren worden gebracht zo spoedig mogelijk een exemplaar aan de aanvrager, het bevoegd gezag en de commissie, voor zover deze ingevolge artikel 7.5, zesde lid, van de wet in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen omtrent het verzoek. Voor zover mogelijk wordt telkens een exemplaar van een stuk als vorenbedoeld gevoegd bij de reeds ter inzage liggende stukken.
**9.** De persoonlijke gegevens van degene die schriftelijk bedenkingen naar voren heeft gebracht, worden, indien hij daarom verzoekt, niet bekend gemaakt.
**10.** Een exemplaar van een ingevolge artikel 7.5, zesde lid, van de wet uitgebracht advies wordt zo spoedig mogelijk gevoegd bij de reeds ter inzage liggende stukken.
### Artikel 7
Uiterlijk twee weken na de mededeling, bedoeld in artikel 7.5, zevende lid, van de wet, doen Onze Ministers gelijktijdig mededeling van de beslissing op het verzoek, bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid door:
a. kennisgeving van de strekking van de beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 6, eerste lid;
b. terinzagelegging van een exemplaar van de beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 6, derde lid;
c. toezending van een exemplaar van de beslissing aan degenen die ingevolge artikel 6, vijfde lid, schriftelijk bedenkingen naar voren hebben gebracht.
## Hoofdstuk 4. Aanwijzing van besluiten waarop artikel 7.35, derde lid, van de wet van toepassing is
### Artikel 8
In gevallen waarin achter een activiteit onder de categorie-omschrijving in de onderdelen C en D van de bijlage meer dan één besluit waarop afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn, als besluit is vermeld, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, en tot die besluiten behoort:
a. de beslissing omtrent het verlenen van de vergunning, bedoeld in de artikelen 15 en 29 van de Kernenergiewet,
b. de beslissing omtrent het verlenen van de vergunning, krachtens artikel 8.1 van de wet,
c. de beslissing omtrent het verlenen van de vergunning, bedoeld in artikel 3 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
is artikel 7.35, derde lid, bij uitsluiting van toepassing op de eerste van de onder *a* tot en met *c* genoemde beslissingen die in het desbetreffende geval nodig is.
## Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
### Artikel 9
Vervallen
### Artikel 10
Vervallen
### Artikel 11
Vervallen
### Artikel 12
Vervallen
### Artikel 13
Een verzoek als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage dat is ingediend voor het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt ingediend op grond van artikel 5, eerste of tweede lid, van dit besluit.
### Artikel 14
Vervallen
### Artikel 15
Het Besluit milieu-effectrapportage wordt ingetrokken.
### Artikel 16
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1994.
### Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit milieu-effectrapportage 1994.
## Bijlage . , behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994