2010-03-31 | BWBR0014168 | Mijnbouwwet
This commit is contained in:
parent
05f496321e
commit
2344f78323
1 changed files with 10 additions and 12 deletions
|
|
@ -1567,24 +1567,22 @@ Het bedrag dat aan voorschotten kan worden verstrekt bedraagt ten hoogste 60 pro
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De procedures, bedoeld in artikel 3.28 of artikel 3.29 en artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening, zijn van toepassing op de aanleg of de uitbreiding van:
|
||||
De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder een gebied dat is aangewezen op grond van de artikelen 10 of 10a van de Natuurbeschermingswet 1998;
|
||||
b. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opslag van stoffen;
|
||||
c. een pijpleiding als bedoeld in artikel 92, onder a, van het Mijnbouwbesluit, voor zover die leiding twee of meer mijnbouwwerken als bedoeld in de onderdelen a of b met elkaar verbindt dan wel een mijnbouwwerk als bedoeld in genoemde onderdelen met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen.
|
||||
c. pijpleidingen die uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd voor het vervoer van delfstoffen respectievelijk het vervoer van stoffen in verband met het opsporen of winnen van delfstoffen respectievelijk het opslaan van stoffen met behulp van een mijnbouwwerk als bedoeld in onderdeel a respectievelijk onderdeel b.
|
||||
|
||||
**2.** Een mijnbouwondernemer als omschreven in artikel 113 meldt een voornemen tot aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of pijpleiding als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister. Bij ministeriële regeling kan voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens een formulier worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een mijnbouwwerk of pijpleiding als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
|
||||
Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een mijnbouwwerk of een pijpleiding als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
|
||||
|
||||
a. geen van de procedures, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29 en 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
|
||||
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29,
|
||||
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a, of
|
||||
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b,
|
||||
|
||||
van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is op de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding. Hij hoort de mijnbouwondernemer en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
|
||||
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
|
||||
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of
|
||||
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding. Onze Minister hoort de mijnbouwondernemer en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
### Artikel 141b
|
||||
|
||||
|
|
@ -1596,11 +1594,11 @@ van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is op de aanleg of de uitbreiding
|
|||
|
||||
### Artikel 141c
|
||||
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de besluiten aangewezen die voor de aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of pijpleiding als bedoeld in artikel 141a, eerste lid, in ieder geval besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening zijn.
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de besluiten aangewezen die voor de aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of pijpleiding als bedoeld in artikel 141a, eerste lid, in ieder geval besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of een pijpleiding als bedoeld in artikel 141a, eerste lid, tevens één of meer andere besluiten dan de bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluiten aanwijzen als besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
**2.** Onze Minister kan ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of een pijpleiding als bedoeld in artikel 141a, eerste lid, tevens één of meer andere besluiten dan de bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluiten aanwijzen als besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan, indien een bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluit de toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 141a, eerste lid, zou belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat het desbetreffende besluit, in afwijking van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, niet als een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening wordt aangemerkt.
|
||||
**3.** Onze Minister kan, indien een bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluit de toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 141a, eerste lid, zou belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat het desbetreffende besluit, in afwijking van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, niet als een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 10. Rechtsbescherming
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue