From 23d3469ef0a8f17219fcdaba4c3a8101b9228bb0 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 1 Jan 2014 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2014-01-01 | BWBR0025458 | Waterwet --- wet/waterwet/BWBR0025458/README.md | 62 ++++++++++++++++++++---------- 1 file changed, 41 insertions(+), 21 deletions(-) diff --git a/wet/waterwet/BWBR0025458/README.md b/wet/waterwet/BWBR0025458/README.md index 2863028a9ad..78bbc4816a8 100644 --- a/wet/waterwet/BWBR0025458/README.md +++ b/wet/waterwet/BWBR0025458/README.md @@ -109,7 +109,7 @@ c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. **1.** Bij ministeriële regeling wordt ten aanzien van primaire waterkeringen voor daarbij aan te geven plaatsen vastgesteld welke relatie tussen hoogwaterstanden en overschrijdingskansen daarvan uitgangspunt is bij de bepaling van het waterkerend vermogen daarvan. Bij die vaststelling kunnen tevens waarden worden vastgesteld van andere zodanige factoren. -**2.** De in het eerste lid bedoelde vaststelling geschiedt telkens voor zes jaren. +**2.** De in het eerste lid bedoelde vaststelling geschiedt telkens voor maximaal twaalf jaren. Bij de voorbereiding van de regeling worden de besturen van de waterschappen gehoord. ### Artikel 2.4 @@ -153,18 +153,16 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor rijkswateren en, met ### Artikel 2.12 -**1.** Iedere zes jaren brengt de beheerder verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkering. +**1.** Iedere twaalf jaren brengt de beheerder verslag uit aan Onze Minister over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkering. -**2.** Iedere zes jaren brengt de beheerder van het buitenwater, zijnde de grote rivieren, verslag uit aan gedeputeerde staten over de mate waarin voldaan wordt aan de voor deze wateren opgestelde legger, mede in het licht van de hoogwaterstanden als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid. +**2.** Iedere twaalf jaren brengt de beheerder van het buitenwater, zijnde de grote rivieren, verslag uit aan Onze Minister over de mate waarin voldaan wordt aan de voor deze wateren opgestelde legger, mede in het licht van de hoogwaterstanden als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid. -**3.** Gedeputeerde staten brengen telkens over de in het eerste lid genoemde periode verslag uit aan Onze Minister over elk van de dijkringen in hun gebied, met dien verstande dat ten aanzien van een dijkring die in meer dan één provincie is gelegen gedeputeerde staten van de betreffende provincies gezamenlijk verslag uitbrengen aan Onze Minister. Onze Minister zendt de verslagen van gedeputeerde staten met zijn bevindingen daaromtrent aan de beide Kamers der Staten-Generaal. +**3.** Onze Minister brengt telkens over de in het eerste lid genoemde periode over elke dijkring verslag uit aan de beide Kamers der Staten-Generaal. -**4.** De in het eerste lid bedoelde verslagen bevatten een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de ingevolge artikel 2.2, eerste of tweede lid, vastgestelde veiligheidsnorm, de ingevolge artikel 2.3, eerste lid, vastgestelde factoren, de in artikel 2.6, eerste lid, bedoelde technische leidraden en de in artikel 5.1 bedoelde legger. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de beoordeling. +**4.** De in het eerste lid bedoelde verslagen bevatten een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de ingevolge artikel 2.2, eerste of tweede lid, vastgestelde veiligheidsnorm, de ingevolge artikel 2.3, eerste lid, vastgestelde factoren, de in artikel 2.6, eerste lid, bedoelde technische leidraden en de in artikel 5.1 bedoelde legger. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de beoordeling. Bij de voorbereiding van de regeling worden de besturen van de waterschappen gehoord. **5.** Indien de beoordeling van de veiligheid daartoe aanleiding geeft, bevatten de in het eerste lid bedoelde verslagen een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht. -**6.** Uiterlijk een jaar na de verzending, bedoeld in het derde lid, laatste volzin, zendt Onze Minister aan beide Kamers der Staten-Generaal, met het in artikel 7.23, eerste lid, bedoelde programma, een overzicht van maatregelen die door de beheerders worden getroffen met betrekking tot primaire waterkeringen die blijkens de in het eerste lid bedoelde verslagen niet voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 2.2, eerste en tweede lid. - ### Artikel 2.13 Onze Minister zendt elke twaalf jaar aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de in bijlage II aangegeven veiligheidsnorm. @@ -292,9 +290,7 @@ Waterschappen en gemeenten dragen zorg voor de met het oog op een doelmatig en s ### Artikel 3.9 -**1.** Gedeputeerde staten hebben het toezicht op alle primaire waterkeringen in hun provincie. - -**2.** Indien een primaire waterkering is gelegen in meerdere provincies, kunnen gedeputeerde staten van die provincies bij overeenstemmende besluiten bepalen dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten van één van die provincies. +Onze Minister oefent het toezicht uit op de primaire waterkeringen. ### Artikel 3.10 @@ -695,9 +691,13 @@ Rechthebbenden ten aanzien van gronden waarin het grondwater invloed ondergaat d **2.** Indien het bestuur van een waterschap gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, meldt hij dit onverwijld aan gedeputeerde staten. -**3.** De beheerder brengt, zodra de feitelijke omstandigheden op grond waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid, dat toelaten, het waterstaatswerk weer zoveel mogelijk in overeenstemming met de in de legger voorgeschreven staat. +**3.** Indien het bestuur van een waterschap in verband met gevaar voor een primaire waterkering gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, meldt hij dit, in afwijking van het tweede lid, onverwijld aan Onze Minister. -**4.** De beheerder draagt zorg voor een evaluatie van het optreden en verder handelen bij toepassing van het eerste en derde lid. Hij zendt in elk geval een exemplaar van deze evaluatie ter kennisneming aan gedeputeerde staten, alsmede aan de besturen van de veiligheidsregio’s waarbinnen de waterstaatswerken zijn gelegen. +**4.** De beheerder brengt, zodra de feitelijke omstandigheden op grond waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid, dat toelaten, het waterstaatswerk weer zoveel mogelijk in overeenstemming met de in de legger voorgeschreven staat. + +**5.** De beheerder draagt zorg voor een evaluatie van het optreden en verder handelen bij toepassing van het eerste en vierde lid. Hij zendt in elk geval een exemplaar van deze evaluatie ter kennisneming aan gedeputeerde staten, alsmede aan de besturen van de veiligheidsregio’s waarbinnen de waterstaatswerken zijn gelegen. + +**6.** Indien de evaluatie betrekking heeft op zijn optreden en verder handelen in verband met gevaar voor een primaire waterkering, zendt de beheerder, in afwijking van het vijfde lid, in elk geval een exemplaar van de evaluatie ter kennisneming aan Onze Minister, alsmede aan de besturen van de veiligheidsregio’s waarbinnen de primaire waterkering is gelegen. ### Artikel 5.31 @@ -707,6 +707,8 @@ Rechthebbenden ten aanzien van gronden waarin het grondwater invloed ondergaat d **3.** Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel gedeputeerde staten of Onze Commissaris in de provincie ten onrechte niet of niet voldoende gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste of tweede lid, overeenkomstige toepassing geven aan artikel 3.13. +**4.** In afwijking van het eerste lid, kan Onze Minister, indien naar zijn oordeel het bestuur van een waterschap niet of niet voldoende optreedt bij gevaar voor een primaire waterkering, overeenkomstige toepassing geven aan artikel 3.13. + ### Artikel 5.32 **1.** Onze Minister is in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in geval van een watersnood, zolang de daardoor ontstane situatie zulks noodzakelijk maakt, bevoegd maatregelen te treffen die hij nodig oordeelt, zo nodig in afwijking van wettelijke voorschriften, met dien verstande dat hij geen maatregelen treft die in strijd zijn met de Grondwet of met internationaalrechtelijke verplichtingen. @@ -1310,24 +1312,32 @@ c. met de onderdelen a en b samenhangende onderzoeken. ### Artikel 7.23 -**1.** Onze Minister verleent op aanvraag een subsidie aan de beheerder die vanwege wijziging van de krachtens artikel 2.2, 2.3 of 2.12, vierde lid, gestelde regels maatregelen dient te treffen, indien de desbetreffende maatregelen zijn opgenomen in een jaarlijks door Onze Minister vast te stellen programma. +**1.** Onze Minister verleent op aanvraag een subsidie aan de beheerder die vanwege wijziging van de krachtens artikel 2.2, 2.3 of 2.12, vierde lid, gestelde regels maatregelen dient te treffen, indien de desbetreffende maatregelen voor het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verstrekt zijn opgenomen in een jaarlijks door Onze Minister vast te stellen programma. -**2.** De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor honderd procent van de kosten van uitvoering. +**2.** De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor negentig procent van de geraamde kosten van een sober en doelmatig ontwerp van de maatregelen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de kostenraming en de subsidiabele kosten. **3.** De artikelen 3 tot en met 6 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat zijn van toepassing. +**4.** Bij de voorbereiding van het programma, bedoeld in het eerste lid, en van de regeling, bedoeld in het tweede lid, worden de besturen van de waterschappen gehoord. + +**5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de maatregelen aangewezen waarvoor in afwijking van het tweede lid subsidie wordt verleend voor honderd procent van de kosten van uitvoering. Daarbij worden de aard en omvang van deze maatregelen aangeduid en de locaties en de betrokken beheerders vermeld. + ### Artikel 7.24 -**1.** Ter bestrijding van de kosten verbonden aan de uitvoering van maatregelen als bedoeld in artikel 7.23, eerste lid, is een waterschap een jaarlijkse bijdrage aan Onze Minister verschuldigd. +**1.** Ter bestrijding van de kosten verbonden aan de verstrekking van subsidies voor maatregelen die nodig zijn vanwege wijziging van de krachtens artikel 2.3 of 2.12, vierde lid, gestelde regels, is een waterschap een jaarlijkse bijdrage aan Onze Minister verschuldigd. **2.** De jaarlijkse bijdrage wordt berekend volgens de formule: -B = 40,5 × 10^6 (I/IT + WG/WGT), waarin +B = 0,50 x R1 (I/IT + WG/WGT) + 0,40 x R2 (I/IT + WG/WGT), waarin B voorstelt: de te berekenen bijdrage in euro’s; +R1 voorstelt: een bedrag in euro’s dat gelijk is aan het bedrag dat ten laste van een begroting als bedoeld in artikel 7.22c, eerste lid, onder a of b, ten bate van de begroting van het desbetreffende jaar wordt toegevoegd aan het deltafonds ten behoeve van subsidies voor de maatregelen die zijn aangewezen krachtens artikel 7.23, vijfde lid, en dat tezamen met R2 niet hoger is dan het in het vierde lid genoemde maximum; + +R2 voorstelt: een bedrag in euro’s dat gelijk is aan het bedrag dat ten laste van een begroting als bedoeld in artikel 7.22c, eerste lid, onder a of b, ten bate van de begroting van het desbetreffende jaar wordt toegevoegd aan het deltafonds ten behoeve van subsidies voor maatregelen die nodig zijn vanwege wijziging van de krachtens artikel 2.3 of 2.12, vierde lid, gestelde regels en niet zijn aangewezen krachtens artikel 7.23, vijfde lid, en dat tezamen met R1 niet hoger is dan het in het vierde lid genoemde maximum; + I voorstelt: het aantal ingezetenen in het gebied van het waterschap op de peildatum; IT voorstelt: het aantal ingezetenen in de gebieden van de waterschappen tezamen op de peildatum; @@ -1336,20 +1346,28 @@ WG voorstelt: de som van de op basis van hoofdstuk IV van de Wet waardering onro WGT voorstelt: de som van de op basis van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarden van de gebouwde onroerende zaken in de gebieden van de waterschappen tezamen op de peildatum. -**3.** De peildatum, bedoeld in het tweede lid, is 1 januari 2010 voor de jaarlijkse bijdrage over de kalenderjaren 2011 tot en met 2014 en voor elke daaropvolgende aaneengesloten periode van vier kalenderjaren telkens 1 januari van het laatste kalenderjaar dat voorafgaat aan de betrokken periode. +**3.** De peildatum, bedoeld in het tweede lid, is 1 januari 2010 voor de jaarlijkse bijdrage voor de kalenderjaren 2011 tot en met 2014 en voor elke daaropvolgende aaneengesloten periode van vier kalenderjaren telkens 1 januari van het laatste kalenderjaar dat voorafgaat aan de betrokken periode. + +**4.** Het in het tweede lid aan de som van R1 en R2 gestelde maximum bedraagt in 2014 131 x 10^6 euro’s en vanaf 2015 181 x 10^6 euro’s, met dien verstande dat met ingang van 2016 het laatstgenoemde bedrag ten opzichte van het loon- en prijspeil van 2011 jaarlijks wordt geĩndexeerd volgens de Index Bruto Overheidsinvesteringen, zoals toegepast door Onze Minister van Financiën in de Voorjaarsnota. ### Artikel 7.25 -Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van de bijdrage, bedoeld in artikel 7.24, verschaft het dagelijks bestuur van een waterschap Onze Minister voor 1 augustus van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de peildatum valt, de volgende gegevens: +Ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van de bijdrage, bedoeld in artikel 7.24, verschaft het dagelijks bestuur van een waterschap Onze Minister voor 1 maart van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de peildatum valt, de volgende gegevens: a. het aantal ingezetenen in het gebied van het waterschap op de peildatum, en b. de som van de op basis van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarden van de gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap op de peildatum. ### Artikel 7.26 -**1.** Onze Minister stelt voor 1 oktober van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de peildatum valt de hoogte van de ingevolge artikel 7.24 verschuldigde bijdrage over het desbetreffende kalenderjaar en de drie daarop volgende kalenderjaren vast. +**1.** Onze Minister stelt de verplichting tot betaling van de bijdrage, bedoeld in artikel 7.24, jaarlijks voor 1 mei vast. -**2.** Onze Minister kan de bijdrage invorderen bij dwangbevel. +**2.** Indien de slotwet van de begroting van het deltafonds daartoe aanleiding geeft, wordt de verplichting tot betaling door Onze Minister gewijzigd. + +**3.** Indien de verplichting tot betaling op grond van het tweede lid wordt gewijzigd, is over de te betalen of terug te betalen geldsom geen wettelijke rente verschuldigd. + +**4.** Krachtens het eerste of tweede lid verschuldigde geldsommen kunnen door Onze Minister worden ingevorderd bij dwangbevel. + +**5.** Onze Minister kan een aan een waterschap terug te betalen geldsom verrekenen met een van hetzelfde waterschap krachtens het eerste of tweede lid te vorderen geldsom voor een ander kalenderjaar. ## Hoofdstuk 8. Handhaving @@ -1461,7 +1479,9 @@ Een wijziging van de kaderrichtlijn water of van een andere op grond van deze we ### Artikel 10.4 -Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de volledige inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet. +**1.** Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de volledige inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet. + +**2.** Onverminderd het eerste lid zendt Onze Minister vóór 1 januari 2019 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 2.3, tweede lid, 2.12, 3.9 en 7.23 tot en met 7.26. ### Artikel 10.5