2004-12-29 | BWBR0004052 | Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
This commit is contained in:
parent
42052a5077
commit
25b31eb2c3
1 changed files with 141 additions and 144 deletions
|
|
@ -541,9 +541,9 @@ b. die functie hem redelijkerwijs kan worden opgedragen in verband met zijn pers
|
|||
|
||||
**1.** De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte kan in een andere functie worden geplaatst.
|
||||
|
||||
**2.** Gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden functie te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel j.
|
||||
**2.** Gedurende het tijdvak, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarin de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden functie te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel j.
|
||||
|
||||
**3.** Na afloop van het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden functie te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel d.
|
||||
**3.** Indien de ambtenaar na ommekomst van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden functie te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel d.
|
||||
|
||||
**4.** Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing indien aan de ambtenaar de eigen functie wordt opgedragen onder andere voorwaarden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -623,7 +623,7 @@ Op de ambtenaar zijn de artikelen 17 tot en met 20d van het ARAR van overeenkoms
|
|||
|
||||
**2.** De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere salarisnummer.
|
||||
|
||||
**3.** Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt de inhouding opgeschort voor de duur van de ziekte.
|
||||
**3.** Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, tweede lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt de inhouding opgeschort voor de duur van de ziekte.
|
||||
|
||||
**4.** Inhouding vindt niet plaats indien de in het eerste lid bedoelde functie wordt opgedragen op grond van artikel 27 of 29, tenzij betrokkene uitsluitend zijn voorkeur heeft kenbaar gemaakt voor functies waaraan een salarisschaal verbonden is met een lager maximumsalaris dan de reeds voor hem geldende salarisschaal, ondanks de beschikbaarheid van een passende functie waaraan een salarisschaal is verbonden die ten minste gelijk is aan de salarisschaal die voor betrokkene geldt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -740,7 +740,7 @@ Op het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding t
|
|||
| 63 | 1 |
|
||||
| 64 | 1 |
|
||||
|
||||
**5.** Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt ook de inhouding, bedoeld in het vierde lid, teruggebracht tot 80%.
|
||||
**5.** Indien na 78 weken ziekte de aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, dan wel de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, tweede lid, daalt naar 80%, wordt ook de inhouding, bedoeld in het vierde lid, teruggebracht tot 80%.
|
||||
|
||||
**6.** Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestelde regels omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -827,15 +827,17 @@ d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;
|
|||
e. verlof verleend op basis van artikel 42a, 43a, 43c, 43d, 43e, 45c of 45d;
|
||||
f. het minder uren werken op basis van de in artikel 40 bedoelde regels.
|
||||
|
||||
**11.** Met ingang van de dag dat de ambtenaar van 57 jaar of ouder op grond van artikel 38 gedeeltelijk geen dienst verricht, vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.
|
||||
**11.** In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 54ca, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.
|
||||
|
||||
**12.** Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op vakantie worden verlaagd. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.
|
||||
**12.** Met ingang van de dag dat de ambtenaar van 57 jaar of ouder op grond van artikel 38 gedeeltelijk geen dienst verricht, vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.
|
||||
|
||||
**13.** Onze Minister stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld in het twaalfde lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum gelijktijdig beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.
|
||||
**13.** Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op vakantie worden verlaagd. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.
|
||||
|
||||
**14.** De ambtenaar wordt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het twaalfde lid wordt verlaagd, een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de krachtens het dertiende lid vastgestelde datum.
|
||||
**14.** Onze Minister stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld in het twaalfde lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum gelijktijdig beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.
|
||||
|
||||
**15.** Indien de ambtenaar de vergoeding, genoemd in het veertiende lid, volledig inzet ten behoeve van verlofsparen als bedoeld in artikel 47, bedraagt, in afwijking van het twaalfde lid, het aantal uren waarmee de aanspraak op vakantie kan worden verlaagd ten hoogste het aantal uren waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 108 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.
|
||||
**15.** De ambtenaar wordt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het twaalfde lid wordt verlaagd, een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de krachtens het dertiende lid vastgestelde datum.
|
||||
|
||||
**16.** Indien de ambtenaar de vergoeding, genoemd in het veertiende lid, volledig inzet ten behoeve van verlofsparen als bedoeld in artikel 47, bedraagt, in afwijking van het twaalfde lid, het aantal uren waarmee de aanspraak op vakantie kan worden verlaagd ten hoogste het aantal uren waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 108 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.
|
||||
|
||||
### Artikel 41a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1008,12 +1010,16 @@ b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerki
|
|||
|
||||
**1.** De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
|
||||
|
||||
**2.** Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging overeenkomstig artikel 54.
|
||||
**2.** Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.
|
||||
|
||||
**3.** De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling.
|
||||
|
||||
**4.** De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
|
||||
|
||||
**6.** Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 45aa
|
||||
|
||||
**1.** De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, behoudt haar aanspraak op haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 45a, eerste lid, een aanvang heeft genomen.
|
||||
|
|
@ -1076,11 +1082,8 @@ De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gest
|
|||
|
||||
**1.** De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
a. De aanspraak op verlof in verband met adoptie bedraagt bij adoptie van een kind in Nederland ten hoogste drie aaneengesloten weken en bij adoptie van een kind in het buitenland ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken vanaf de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
|
||||
|
||||
b. Gedurende plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland dient in onderdeel a, eerste volzin, voor «adoptie van een kind in het buitenland» te worden gelezen: adoptie van een kind in een ander land dan het land waarin de ambtenaar is geplaatst. Ingeval redenen van zwaarwegend dienstbelang daartoe noodzaken, kan besloten worden dat het adoptieverlof gedurende die plaatsing op andere wijze wordt genoten dan vermeld onder a.
|
||||
**2.** a. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
|
||||
b. Ingeval redenen van zwaarwegend dienstbelang daartoe noodzaken, kan besloten worden dat het adoptieverlof gedurende plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland op een andere wijze wordt genoten dan vermeld onder a.
|
||||
|
||||
**3.** Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van een van die kinderen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1090,6 +1093,8 @@ b. Gedurende plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buit
|
|||
|
||||
**6.** Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
|
||||
|
||||
**7.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.
|
||||
|
||||
### Artikel 45d
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1171,20 +1176,21 @@ c. dienstongeval: een ongeval dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de a
|
|||
d. gangbare arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO;
|
||||
e. herplaatsen: het plaatsen in een andere functie op grond van artikel 28;
|
||||
f. herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
|
||||
g. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement van de Stichting ABP;
|
||||
g. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
|
||||
h. medisch advies: een advies van de Arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 of artikel 50a van dit reglement;
|
||||
i. gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
|
||||
j. passende arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 30 van de ZW;
|
||||
j. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
|
||||
k. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
|
||||
l. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
|
||||
m. Osv 1997: de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
|
||||
m. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;
|
||||
n. WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
|
||||
o. bovenwettelijke WW-uitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;
|
||||
p. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
|
||||
q. WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;
|
||||
r. ZW: de Ziektewet;
|
||||
s. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de ZW;
|
||||
t. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW.
|
||||
t. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW;
|
||||
u. Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en het medisch advies
|
||||
|
||||
|
|
@ -1225,9 +1231,27 @@ j. indien de ambtenaar in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan
|
|||
|
||||
### Artikel 50b
|
||||
|
||||
**1.** Het medisch advies dat door de Arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 of artikel 50a, wordt zo spoedig mogelijk door de Arbodienst aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.
|
||||
**1.** In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI in het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.
|
||||
|
||||
**2.** De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, Osv 1997 komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed overeenkomstig de in artikel 76 bedoelde regels.
|
||||
**2.** Het medisch advies dat door de Arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 50a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.
|
||||
|
||||
**3.** De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de Arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De Arbodienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.
|
||||
|
||||
**4.** Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, maar uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.
|
||||
|
||||
**5.** Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie kenbaar te maken.
|
||||
|
||||
**6.** De leden van de commissie worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:
|
||||
|
||||
a. de ambtenaar of de gewezen ambtenaar;
|
||||
b. Onze Minister;
|
||||
c. de behandelend arts, bedoeld in het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**8.** De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek, bedoeld in het derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.
|
||||
|
||||
### Artikel 50c
|
||||
|
||||
|
|
@ -1279,38 +1303,42 @@ Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de mate waar
|
|||
|
||||
**1.** De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging.
|
||||
|
||||
**2.** De ambtenaar die na het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, op grond van zijn dienstbetrekking aanspraak heeft op een WAO-uitkering, heeft aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De ambtenaar die na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, heeft, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking:
|
||||
|
||||
a. geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering
|
||||
|
||||
1°. gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, en
|
||||
2°. in de periode daarna aanspraak op doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging; of
|
||||
b. aanspraak heeft op een WAO-uitkering:
|
||||
|
||||
1°. gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering en
|
||||
2°. in de periode daarna aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt:
|
||||
|
||||
a. gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering, en
|
||||
b. daarna het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De ambtenaar geniet ook na afloop van het tijdvak van 26 weken de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering:
|
||||
|
||||
a. voor zo lang hij zijn arbeid voor ten minste 45% verricht;
|
||||
b. indien hij in het belang van zijn genezing door de Arbodienst wenselijk geachte andere arbeid verricht voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur; dan wel
|
||||
b. voor zolang hij tijdelijk andere arbeid voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur verricht;
|
||||
c. indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De ambtenaar die op grond van artikel 28, eerste lid, is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 104, derde lid, onderdeel a, is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van zijn herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen:
|
||||
|
||||
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidsduur zijn eigen functie, en
|
||||
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit zijn arbeidsongeschiktheid voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, een invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De ambtenaar die is herplaatst op grond van artikel 28, eerste lid, heeft tevens aanspraak op een aanvullende uitkering nadat de termijn van twee jaar is verstreken, indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ter grootte van het verschil tussen:
|
||||
|
||||
a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en
|
||||
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit de oorspronkelijke functie voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het percentage, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1328,7 +1356,7 @@ l55 tot 65%: 54,01%;
|
|||
|
||||
15 tot 25%: 18,00%.
|
||||
|
||||
**8.** Gedurende een plaatsing buiten Nederland kan Onze Minister een ambtenaar, indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte naar verwachting langer dan drie maanden zal voortduren, opdracht geven tot terugkeer met zijn gezinsleden naar Nederland.
|
||||
**7.** Gedurende een plaatsing buiten Nederland kan Onze Minister een ambtenaar, indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte naar verwachting langer dan drie maanden zal voortduren, opdracht geven tot terugkeer met zijn gezinsleden naar Nederland.
|
||||
|
||||
### Artikel 54a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1337,10 +1365,10 @@ l55 tot 65%: 54,01%;
|
|||
De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 104, eerste lid, aanhef en onderdeel e, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:
|
||||
|
||||
a. zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, maar niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, en
|
||||
b. indien hij na het tijdvak van 52 weken op grond van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op een WAO-uitkering, zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte maar niet langer dan een tijdvak van 26 weken, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen:
|
||||
b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte maar niet langer dan 26 weken, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking
|
||||
|
||||
1°. zijn laatstelijk genoten bezoldiging, en
|
||||
2°. de WAO-uitkering.
|
||||
1°. geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; of
|
||||
2°. aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantieuitkering, en de WAO-uitkering.
|
||||
|
||||
**2.** De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte, maar niet langer dan 52 weken, aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1382,8 +1410,14 @@ Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de ma
|
|||
De ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte tijdens de duur van zijn dienstverband recht op:
|
||||
|
||||
a. doorbetaling van zijn bezoldiging gedurende de eerste 52 weken;
|
||||
b. gedurende de daaropvolgende 26 weken een aanvulling tot zijn volle bezoldiging op een eventueel toegekende WAO-uitkering, en
|
||||
c. daarna een aanvulling tot 80% van zijn volle bezoldiging op een hem eventueel toegekende WAO-uitkering.
|
||||
b. gedurende de daaropvolgende 26 weken:
|
||||
|
||||
1°. indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van zijn bezoldiging; of
|
||||
2°. indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot zijn bezoldiging op WAO-uitkering; en
|
||||
c. daarna:
|
||||
|
||||
1°. indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging; of
|
||||
2°. indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot 80% van zijn bezoldiging op een eventueel toegekende WAO-uitkering.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, geen ZW-uitkering of WAO-uitkering kan worden toegekend tengevolge van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, wordt bedoelde uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1401,6 +1435,47 @@ c. indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zic
|
|||
|
||||
**2.** De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 54ca
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
|
||||
|
||||
a. niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
|
||||
b. zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
|
||||
c. de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
|
||||
d. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
|
||||
e. verzuimt de Arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
|
||||
f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbodienst om te verschijnen;
|
||||
g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
|
||||
h. niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij het bevoegd gezag;
|
||||
i. weigert aangeboden passende of gangbare arbeid, waartoe de Arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, zonder deugdelijke grond weigert deze arbeid, waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld, te verrichten;
|
||||
j. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
|
||||
k. zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
|
||||
l. weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor Onze Minister voor de uitvoering van wetten;
|
||||
m. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
|
||||
n. vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
|
||||
o. niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn aanspraak op of de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
|
||||
p. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
|
||||
q. zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende of gangbare arbeid te verrichten;
|
||||
r. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;
|
||||
s. geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO;
|
||||
t. zonder deugdelijke grond weigert meer te werken aan de doelmatige uitvoering van dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
**2.** De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** De ingevolge het eerste en tweede lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.
|
||||
|
||||
**5.** Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar aanspraak heeft op een WAO-uitkering, is op de aanspraak die de betrokkene heeft op doorbetaling van de bezoldiging of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** Indien ten aanzien van de WAO-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken, bedoeld in de artikelen 54, eerste, tweede en derde lid, 54a, eerste en tweede lid, of 54b, tweede lid.
|
||||
|
||||
**8.** Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
|
||||
|
||||
### Artikel 54cb
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister zal zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen treffen en voorschriften geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere passende arbeid voorhanden is, wordt de inschakeling van de ambtenaar bevorderd in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze Minister.
|
||||
|
|
@ -1422,10 +1497,10 @@ d. het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, vangt aan op de dag nadat het tijdvak van 52 weken is geëindigd. Het tijdvak van 26 weken eindigt na 26 weken, vermeerderd met de tijdvakken waarin de ambtenaar gerekend vanaf de eerste ziektedag:
|
||||
Het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 54a, eerste lid, aanspraak hebben op de doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, vangt aan op de dag nadat het tijdvak van 52 weken is geëindigd. Het tijdvak van 26 weken eindigt na 26 weken, vermeerderd met de tijdvakken waarin de ambtenaar gerekend vanaf de eerste ziektedag:
|
||||
|
||||
a. zijn arbeid voor ten minste 45% heeft verricht;
|
||||
b. in het belang van zijn genezing door de Arbodienst wenselijk geachte andere arbeid heeft verricht, voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur.
|
||||
b. andere arbeid voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur heeft verricht.
|
||||
|
||||
**4.** Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag volgende op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1434,13 +1509,15 @@ b. in het belang van zijn genezing door de Arbodienst wenselijk geachte andere a
|
|||
Indien Onze Minister de aangifte bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW doet na de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd, wordt:
|
||||
|
||||
a. het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging vermeerderd met een tijdvak ter grootte van het tijdvak tussen de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd en de dag waarop Onze Minister de aangifte heeft gedaan, en
|
||||
b. het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen hun bezoldiging en de WAO-uitkering, verminderd met het tijdvak ter grootte van het tijdvak tussen de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd en de dag waarop Onze Minister de aangifte heeft gedaan.
|
||||
b. het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen hun bezoldiging en de WAO-uitkering, verminderd met het tijdvak ter grootte van het tijdvak tussen de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd en de dag waarop Onze Minister de aangifte heeft gedaan.
|
||||
|
||||
**6.** Onverminderd het in dit artikel bepaalde, kan het tijdvak, bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, worden verlengd overeenkomstig het veertiende en vijftiende lid van dat artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 54e
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, eerste tot en met vierde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
|
||||
De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, eerste tot en met derde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 28 is herplaatst;
|
||||
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
|
||||
|
|
@ -1449,7 +1526,7 @@ d. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, vijfde en zesde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
|
||||
De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, vierde en vijfde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden;
|
||||
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend, waaronder het ontslag op grond van artikel 104, eerste lid, aanhef en onderdeel f;
|
||||
|
|
@ -1466,7 +1543,7 @@ c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overlede
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 54a, derde en vierde lid, eindigt:
|
||||
De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 54a, derde lid, eindigt:
|
||||
|
||||
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden;
|
||||
b. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, of
|
||||
|
|
@ -1476,64 +1553,15 @@ c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overlede
|
|||
|
||||
De aanvulling tot zijn bezoldiging, bedoeld in artikel 54b, tweede lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden;
|
||||
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden;
|
||||
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 28 wordt herplaatst;
|
||||
c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
|
||||
d. met ingang van de dag waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, of
|
||||
e. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar is overleden.
|
||||
e. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Verplichtingen en sancties
|
||||
**6.** Artikel 54d, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 54f
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk gedurende de eerste 52 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
|
||||
|
||||
a. niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
|
||||
b. zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
|
||||
c. de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
|
||||
d. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
|
||||
e. verzuimt de Arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
|
||||
f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbodienst om te verschijnen;
|
||||
g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
|
||||
h. niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij het bevoegd gezag;
|
||||
i. weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de Arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;
|
||||
j. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
|
||||
k. zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
|
||||
l. weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
|
||||
m. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
|
||||
n. vóór de betaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
|
||||
o. niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
|
||||
p. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; dan wel
|
||||
q. zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
**2.** De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.
|
||||
|
||||
**5.** Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of de niet uitbetaalde bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997 bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.
|
||||
|
||||
### Artikel 54g
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk na de eerste 52 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
|
||||
|
||||
a. zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;
|
||||
b. weigert aangeboden gangbare arbeid, waartoe de Arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;
|
||||
c. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure; dan wel
|
||||
d. geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO.
|
||||
|
||||
**2.** De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.
|
||||
|
||||
**3.** Na het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de artikelen 54, 54a en 54b, is op de aanspraak die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Indien ten aanzien van de WAO-uitkering die de ambtenaar geniet een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de ambtenaar aanspraak heeft.
|
||||
|
||||
**5.** Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
|
||||
### Paragraaf 4. Bijzondere situaties
|
||||
|
||||
### Artikel 54h
|
||||
|
||||
|
|
@ -1560,49 +1588,6 @@ b. de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
|
|||
|
||||
**2.** Ongeschikt tot werken wegens ziekte in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen als zij vervulde.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Bijzondere situaties
|
||||
|
||||
### Artikel 54h
|
||||
|
||||
**1.** Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk of artikel 45a, tweede lid, met een ZW-uitkering, een WW-uitkering of een bovenwettelijke WW-uitkering, wordt deze aanspraak verminderd met het bedrag van deze uitkeringen, tenzij het een tegemoetkoming op grond van artikel 56 of 56a betreft.
|
||||
|
||||
**2.** Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
|
||||
|
||||
**3.** Indien ten aanzien van de ZW-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk en artikel 45a, tweede lid, waarop de ZW-uitkering in mindering is gebracht.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar tevens een ZW-uitkering of een WAO-uitkering ontvangt uit een dienstbetrekking buiten het gezagsbereik van Onze Minister, wordt voor de vermeerdering of vermindering van de aanspraken op grond van dit hoofdstuk of artikel 45a, tweede lid, slechts rekening gehouden met de ZW-uitkering of de WAO-uitkering, die voortvloeit uit de dienstbetrekking bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**5.** De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de Arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht, voor zover deze tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de WAO-uitkering, vermeerderd met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, de bezoldiging te boven gaan.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij:
|
||||
|
||||
a. de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot, en
|
||||
b. de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die:
|
||||
|
||||
a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling, en
|
||||
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**2.** De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die:
|
||||
|
||||
a. aanvangt op de datum van bevalling, en
|
||||
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**4.** Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste of het derde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 54a. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen op de eerste dag na de bevalling.
|
||||
|
||||
**5.** Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vierde lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1622,7 +1607,7 @@ b. deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven.
|
|||
|
||||
**2.** Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtens artikel 48, tweede lid, van het ARAR gestelde nadere regels zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6. Overige bepalingen
|
||||
### Paragraaf 5. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
|
|
@ -1630,7 +1615,7 @@ b. deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 of 18a van het BBRA 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan:
|
||||
Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan:
|
||||
|
||||
a. de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, of
|
||||
b. de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
|
||||
|
|
@ -2248,7 +2233,7 @@ a. indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
|
|||
b. indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof, of
|
||||
c. indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt.
|
||||
|
||||
**7.** Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, wordt het oordeel gevraagd van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.
|
||||
**7.** Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt Onze Minister het oordeel van een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen arts.
|
||||
|
||||
**8.** De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door Onze Minister aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2264,6 +2249,18 @@ c. indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd d
|
|||
|
||||
Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd dat hij recht heeft op wachtgeld, daaronder mede begrepen herplaatsingswachtgeld, een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966 of een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk, een voor hem passend geachte functie is aangeboden en die functie binnen een periode van uiterlijk een jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die functie worden verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld of uitkering als evenbedoeld, wordt geacht niet door eigen toedoen te zijn verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 105a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het bepaalde in artikel 104, derde lid, onderdeel a, kan aan de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
|
||||
|
||||
a. gevolg te geven aan redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel j, te verrichten, of
|
||||
b. passende arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel j, te verrichten waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld, of
|
||||
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
|
||||
|
||||
**2.** Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, vraagt Onze Minister een hierop betrekking hebbend advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit mede in beschouwing.
|
||||
|
||||
### Artikel 106
|
||||
|
||||
**1.** Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die in artikel 104 zijn genoemd of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue