2009-03-16 | BWBR0020368 | Wet op het financieel toezicht
This commit is contained in:
parent
88fc90d1f8
commit
2607937ab7
1 changed files with 43 additions and 6 deletions
|
|
@ -6323,6 +6323,8 @@ c. financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bed
|
|||
|
||||
**2.** De intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op vorderingen van beleggers op de financiële onderneming die verband houden met beleggingsverrichtingen die tot het tijdstip van intrekking van de vergunning hebben plaatsgevonden en laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op bestaande vorderingen van crediteuren op de financiële onderneming op het tijdstip van de intrekking van de vergunning.
|
||||
|
||||
**3.** In deze paragraaf en paragraaf 3.5.6.1A wordt verstaan onder belegger: persoon als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, eerste volzin.
|
||||
|
||||
### Artikel 3:259
|
||||
|
||||
**1.** Er is een beleggerscompensatiestelsel dat tot doel heeft personen die op grond van een beleggingsdienst als omschreven in artikel 1:1 of een dienst als vermeld in bijlage I, deel B, punt 1, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten, geld of financiële instrumenten aan een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling hebben toevertrouwd, te compenseren ingeval de betreffende onderneming niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen die verband houden met die beleggingsdienst of nevendienst. Banken waarop artikel 2:13 of 3:33 van toepassing is, beleggingsondernemingen en financiële instellingen dragen de kosten van het beleggerscompensatiestelsel.
|
||||
|
|
@ -6358,11 +6360,17 @@ b. zo spoedig mogelijk nadat een rechterlijke instantie in een lidstaat, om rede
|
|||
|
||||
### Artikel 3:261
|
||||
|
||||
**1.** Bij de toepassing van een vangnetregeling stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, bepaalde de omvang vast van de vorderingen die voor vergoeding in aanmerking komen, alsmede de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers of depositohouders.
|
||||
**1.** Bij de toepassing van een vangnetregeling stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, bepaalde de omvang vast van de vorderingen die voor vergoeding in aanmerking komen en de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers of depositohouders, alsmede de hoogte van de vergoeding van de vorderingen.
|
||||
|
||||
**2.** De Nederlandsche Bank draagt zorg voor betaling van de ingevolge deze paragraaf voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen aan beleggers of depositohouders. Betaling geschiedt niet later dan drie maanden na het tijdstip waarop een belegger of depositohouder zijn vorderingen op de betalingsonmachtige financiële onderneming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend. De Nederlandsche Bank kan in bijzondere gevallen de termijn verlengen, ten hoogste driemaal en telkens voor ten hoogste drie maanden.
|
||||
**2.** De Nederlandsche Bank draagt zorg voor betaling van de vergoeding van de ingevolge deze paragraaf daarvoor in aanmerking komende vorderingen aan beleggers of depositohouders. Betaling geschiedt niet later dan drie maanden na het tijdstip waarop een belegger of depositohouder zijn vorderingen op de betalingsonmachtige financiële onderneming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend. De Nederlandsche Bank kan in bijzondere gevallen de termijn verlengen, ten hoogste driemaal en telkens voor ten hoogste drie maanden.
|
||||
|
||||
**3.** De Nederlandsche Bank treedt in de rechten die een belegger of depositohouder terzake van een vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft voorzover zij de vordering van die belegger of depositohouder heeft voldaan.
|
||||
**3.** De Nederlandsche Bank treedt in de rechten die een belegger of depositohouder terzake van een vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft voor zover zij een vergoeding als bedoeld in het eerste lid aan die belegger of depositohouder heeft betaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 3:261a
|
||||
|
||||
**1.** De samenloop van vorderingen van beleggers op een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel, beleggingsonderneming of financiële instelling hoofdelijk zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** De samenloop van vorderingen van depositohouders op een bank ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel of de bank hoofdelijk zijn verbonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3:262
|
||||
|
||||
|
|
@ -6388,13 +6396,42 @@ De Nederlandsche Bank stelt met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vi
|
|||
|
||||
**2.** Ingeval bij de toepassing van een vangnetregeling een batig saldo resteert, stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid, onderdeel b, bepaalde dit ter beschikking aan de financiële ondernemingen die een bijdrage als bedoeld in artikel 3:262 hebben gedaan.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 3.5.6.1a. Uitvoering van de vangnetregeling in de noodregeling
|
||||
|
||||
### Artikel 3:265a
|
||||
|
||||
De bewindvoerders stellen de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk na het uitspreken van de noodregeling, bedoeld in Afdeling 3.5.5, in kennis van aan hen bekende
|
||||
|
||||
a. beleggers;
|
||||
b. depositohouders;
|
||||
c. vorderingen van de personen, bedoeld in de onderdelen a en b, op de financiële onderneming; en
|
||||
d. vorderingen van de financiële onderneming op de personen, bedoeld in de onderdelen a en b.
|
||||
|
||||
### Artikel 3:265b
|
||||
|
||||
**1.** Zodra de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding van een vordering overeenkomstig artikel 3:261, eerste lid, heeft vastgesteld, deelt zij die en de berekening daarvan mee aan de bewindvoerders.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de vordering niet voor vergoeding in aanmerking komt, deelt zij dat mee aan de bewindvoerders.
|
||||
|
||||
**3.** De bewindvoerders brengen het aan hen ingevolge het eerste lid medegedeelde bedrag in mindering op het bedrag van de na verrekening geresteerde of te resteren vordering van de belegger of depositohouder op de financiële onderneming.
|
||||
|
||||
### Artikel 3:265c
|
||||
|
||||
**1.** Indien de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding van een vordering nog niet ingevolge artikel 3:265b, eerste lid, aan de bewindvoerders heeft medegedeeld op het tijdstip waarop de bewindvoerders tot uitkering van vorderingen overgaan, keren de bewindvoerders het bedrag aan de desbetreffende belegger of depositohouder uit dat zij zouden hebben uitgekeerd in het geval waarin de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding zou hebben vastgesteld op het bedrag waarop de belegger of depositohouder aanspraak maakt.
|
||||
|
||||
**2.** De bewindvoerders doen geen uitkering op het gedeelte van de na verrekening resterende vordering dat resteert na de uitkering ingevolge het eerste lid dan nadat de Nederlandsche Bank de overeenkomstig artikel 3:261, eerste lid, vastgestelde hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vordering aan de bewindvoerders heeft medegedeeld.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de bewindvoerders tot een tussentijdse uitkering overgaan, reserveren zij een bedrag met betrekking tot elke na verrekening geresteerde of te resteren vordering waarop ingevolge het tweede lid nog geen uitkering is gedaan.
|
||||
|
||||
**4.** De hoogte van het bedrag, bedoeld in het derde lid, wordt gevormd door een percentage van de na verrekening geresteerde of te resteren vordering waarop ingevolge het tweede lid nog geen uitkering is gedaan, welk percentage gelijk is aan het percentage dat is uitgekeerd op de andere vorderingen met dezelfde rang die wel zijn voldaan.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 3.5.6.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat
|
||||
|
||||
### Artikel 3:266
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Paragraaf 3.5.6.1 is van overeenkomstige toepassing op:
|
||||
De paragrafen 3.5.6.1 en 3.5.6.1A zijn van overeenkomstige toepassing op:
|
||||
|
||||
a. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verlenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het tweede lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel;
|
||||
b. banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het derde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het depositogarantiestelsel; en
|
||||
|
|
@ -6412,9 +6449,9 @@ c. banken en financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat die hun b
|
|||
|
||||
### Artikel 3:267
|
||||
|
||||
**1.** De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge paragraaf 3.5.6.1 bepaalde betreffende het beleggerscompensatiestelsel van overeenkomstige toepassing is op een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, of op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:22 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen en, indien op de vorderingen van beleggers op die beleggingsondernemingen in verband met beleggingsverrichtingen geen stelsel van beleggerscompensatie van toepassing is waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).
|
||||
**1.** De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de paragrafen 3.5.6.1 en 3.5.6.1A bepaalde betreffende het beleggerscompensatiestelsel van overeenkomstige toepassing is op een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, of op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:22 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen en, indien op de vorderingen van beleggers op die beleggingsondernemingen in verband met beleggingsverrichtingen geen stelsel van beleggerscompensatie van toepassing is waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).
|
||||
|
||||
**2.** De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge paragraaf 3.5.6.1 bepaalde betreffende het depositogarantiestelsel van overeenkomstige toepassing is op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien op de vorderingen van crediteuren op die banken geen stelsel van depositogarantie van toepassing is, waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn nr. 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).
|
||||
**2.** De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de paragrafen 3.5.6.1 en 3.5.6.1A bepaalde betreffende het depositogarantiestelsel van overeenkomstige toepassing is op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien op de vorderingen van crediteuren op die banken geen stelsel van depositogarantie van toepassing is, waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn nr. 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).
|
||||
|
||||
**3.** Een bank of beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor stelt op verzoek informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue