From 261a42d6eb5dedc4a5943ec12fbfe28675602374 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 11 Dec 2021 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2021-12-11 | BWBR0041411 | Accountantsprotocol vervoerders 2017 --- .../BWBR0041411/README.md | 10 +++++----- 1 file changed, 5 insertions(+), 5 deletions(-) diff --git a/zbo/accountantsprotocol-vervoerders-2017/BWBR0041411/README.md b/zbo/accountantsprotocol-vervoerders-2017/BWBR0041411/README.md index 2c4f6a08016..98af2aeb185 100644 --- a/zbo/accountantsprotocol-vervoerders-2017/BWBR0041411/README.md +++ b/zbo/accountantsprotocol-vervoerders-2017/BWBR0041411/README.md @@ -23,7 +23,7 @@ Besluit: ### 1.1. Achtergrond 1. Op grond van artikel 87, vijfde lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wp2000), houdt de Autoriteit Consument en Markt (hierna: de ACM) toezicht op de naleving van, onder meer, hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 63c, vierde, zesde tot en met tiende lid van de Wp2000. De achtergronden bij die bepalingen uit de Wp2000 laten zich als volgt samenvatten. De Wp2000 kent als basisregel dat concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer in bepaalde regio’s in Nederland, aan openbaarvervoerbedrijven dienen te worden gegund door middel van openbare aanbestedingen. Artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000 bevatten een uitzondering op die basisregel: bij uitzondering mogen bepaalde concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer worden gegund zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden. -2. Volgens artikel 63a, eerste lid, van de Wp2000, geldt die uitzondering ten eerste alleen in gebieden die de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage of Rotterdam omvatten. Op grond van artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 kan die uitzondering ook gelden voor de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat.1Artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 vermeldt tevens dat het bevoegde overheidsorgaan van de zogenoemde voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, in principe ook in staat is om een concessie voor openbaar vervoer (anders dan per trein) in te besteden aan een vervoerder waarover het voldoende zeggenschap uitoefent. Op het moment van vaststelling van deze Beleidsregel heeft het bevoegde orgaan echter geen of onvoldoende zeggenschap over een openbaarvervoerbedrijf om daaraan een concessie in te mogen besteden. Deze Beleidsregel is echter ook van toepassing, zodra het bevoegde bestuursorgaan in de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000. Bij het opstellen van deze Beleidsregel waren bij de ACM geen gevallen (vervoerders) bekend, die vallen onder het toepassingsbereik van artikel 63c, elfde lid, van de Wp2000. Deze Beleidsregel is daarop vooralsnog niet van toepassing. Ten tweede geldt de uitzondering alleen voor concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer anders dan per trein, bijvoorbeeld voor openbaar vervoer per bus, tram en metro.2“Waar in deze regels over ‘openbaar vervoer’ wordt gesproken, wordt daarmee steeds bedoeld: openbaar vervoer, anders dan per trein.” De bevoegde overheidsorganen in die drie gebieden mogen concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer alleen gunnen zonder daarvoor een openbare aanbestedingsprocedure te doorlopen, als zij zelf een voldoende mate van zeggenschap3Volgens artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000 is sprake van voldoende zeggenschap als het bevoegde overheidsorgaan invloed kan uitoefenen op de vervoerder in dezelfde mate ‘[...] als [zij] over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent’. Zie voorts artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007, betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad, *PbEG* L 315 van 3 december 2007, blz. 1, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016, *PbEU* L 354 van 23 december 2016, blz. 22. hebben over het vervoerbedrijf aan wie zij de concessie gunnen. Dat is bijvoorbeeld het geval als die overheidsorganen zelf eigenaar zijn van het vervoerbedrijf. +2. Volgens artikel 63a, eerste lid, van de Wp2000, geldt die uitzondering ten eerste alleen in gebieden die de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage of Rotterdam omvatten. Op grond van artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 kan die uitzondering ook gelden voor de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat.1Artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 vermeldt tevens dat het bevoegde overheidsorgaan van de zogenoemde voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, in principe ook in staat is om een concessie voor openbaar vervoer (anders dan per trein) in te besteden aan een vervoerder waarover het voldoende zeggenschap uitoefent. Op het moment van vaststelling van deze Beleidsregel heeft het bevoegde orgaan echter geen of onvoldoende zeggenschap over een openbaarvervoerbedrijf om daaraan een concessie in te mogen besteden. Deze Beleidsregel is echter ook van toepassing, zodra het bevoegde bestuursorgaan in de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000. Bij het opstellen van deze Beleidsregel waren bij de ACM geen gevallen (vervoerders) bekend, die vallen onder het toepassingsbereik van artikel 63c, elfde lid, van de Wp2000. Deze Beleidsregel is daarop vooralsnog niet van toepassing. Ten tweede geldt de uitzondering alleen voor concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer anders dan per trein, bijvoorbeeld voor openbaar vervoer per bus, tram en metro.2“Waar in deze regels over ‘openbaar vervoer’ wordt gesproken, wordt daarmee steeds bedoeld: openbaar vervoer, anders dan per trein.” De bevoegde overheidsorganen in die drie gebieden mogen concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer alleen gunnen zonder daarvoor een openbare aanbestedingsprocedure te doorlopen, als zij zelf een voldoende mate van zeggenschap3Volgens artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000 is sprake van voldoende zeggenschap als het bevoegde overheidsorgaan invloed kan uitoefenen op de vervoerder in dezelfde mate ‘[...] als [zij] over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent’. Zie voorts artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007, betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad, *PbEG* L 315 van 3 december 2007, blz. 1, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016, *PbEU* L 354 van 23 december 2016, blz. 22. hebben over het vervoerbedrijf aan wie zij de concessie gunnen. Dat is bijvoorbeeld het geval als die overheidsorganen zelf eigenaar zijn van het vervoerbedrijf. 3. Het bevoegde overheidsorgaan kan, ook in geval van gunning van een concessie op grond van artikel 63c, eerste en tweede lid, van de Wp2000, subsidie verstrekken aan het vervoerbedrijf voor het verzorgen van het openbaar vervoer. Artikel 22 van de Wp2000 geeft daarvoor de benodigde grondslag. Die subsidie mag echter niet worden gebruikt voor het verzorgen van openbaar vervoer in andere concessiegebieden en ook niet voor (andere) commerciële activiteiten. Andere bedrijven die dergelijke subsidies niet ontvangen, zouden daarvan immers nadeel in hun concurrentiepositie kunnen ondervinden. Daarom schrijven het eerste en het tweede lid van artikel 63c van de Wp2000 voor dat vervoerders in de gebieden die de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage of Utrecht omvatten, een scheiding in hun boekhouding moeten aanbrengen en hanteren om kruissubsidiëring te voorkomen. Bovendien moet de accountant van dergelijke Vervoerders jaarlijks een controle uitvoeren en daarbij een verklaring opstellen. Uit de controle en de verklaring moet blijken dat er een boekhoudkundige scheiding is en dat deze correct is gehanteerd. Ook moet daaruit blijken dat is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van artikel 63c van de Wp2000 en aan de voorwaarden die zijn gesteld in onderdeel 5 van de bijlage bij Verordening (EG) 1370/2007.4Verordening (EG) 1370/2007: zie voetnoot 3, hiervóór. De Vervoerders dienen deze verklaring van de accountant voor eenieder ter inzage te leggen op alle kantoren van de Vervoerder. ### 1.2. Grondslag, doelstelling en toepassingsbereik @@ -42,7 +42,7 @@ Besluit: ### 1.4. Procedures en termijnen -12. Deze Beleidsregel is van toepassing vanaf boekjaar 2017, op Vervoerders aan wie een concessie is verleend zoals bedoeld in artikel 63c, eerste of tweede lid, van de Wp2000 en voor zover die concessie is gegund na 1 januari 2013. +12. Deze Beleidsregel is van toepassing vanaf boekjaar 2017, op Vervoerders aan wie een concessie is verleend zoals bedoeld in artikel 63c, eerste of tweede lid, van de Wp2000 en voor zover die concessie is gegund na 1 januari 2013. 13. Op grond van artikel 63c, negende lid, van de Wp2000 legt de vervoerder de verklaring ter inzage op alle kantoren van de vervoerder gelijktijdig met de jaarrekening of het financieel overzicht (artikel 63c, zevende lid, van de Wp2000). 14. De verklaring wordt jaarlijks gevraagd over het voorafgaande boekjaar. De verklaring over dat boekjaar (en in geval van artikel 63c, zevende lid, van de Wp2000 samen met de jaarrekening over dat boekjaar of het financieel overzicht over dat boekjaar) moet uiterlijk 9 maanden na afronding van het boekjaar ter inzage liggen. 15. Op grond van artikel 87, vijfde lid, van de Wp2000 in verbinding met titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt de Vervoerder een kopie van de verklaring (en in geval van artikel 63c, zevende lid, van de Wp2000 samen met de jaarrekening over dat boekjaar of het financieel overzicht over dat boekjaar) aan de ACM, door deze te verzenden. Verzending geschiedt op hetzelfde moment dat de verklaring ter inzage wordt gelegd op de kantoren van de Vervoerder. Het postadres voor toezending aan de ACM is: @@ -72,13 +72,13 @@ De hier opgesomde wet- en regelgeving vormt het normenkader voor de accountant e ### 2.2. Reikwijdte van het onderzoek 18. Object van onderzoek zijn alle financiële verhoudingen en transacties die gedurende het boekjaar hebben plaatsgevonden bij de vervoerder (indien artikel 63c, eerste lid, van de Wp2000 van toepassing is, dan geldt: binnen de groep waartoe de vervoerder behoort). -19. Omdat de accountant de evaluatie uitvoert is er sprake van een directe opdracht die valt onder standaard 3000D ‘Assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie (directe-opdrachten)’. Het is ook mogelijk dat de accountant over de evaluatie rapporteert in de controleverklaring bij de jaarrekening. Er is dan geen aparte rapportage van de accountant nodig. +19. Indien de Vervoerder een afzonderlijke opdracht verstrekt, valt deze onder standaard 3000A ‘Assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie (attest-opdrachten)’. Indien de Vervoerder geen afzonderlijke opdracht verstrekt, moet de accountant de in artikel 63c, negende en tiende lid, van de Wp2000 gevraagde verklaring tot uitdrukking brengen in de controleverklaring bij de jaarrekening van de Vervoerder. 20. De accountant wordt gevraagd deze opdracht of controlewerkzaamheden uit te voeren met een redelijke mate van zekerheid, waarbij het oordeel in positieve bewoordingen wordt geformuleerd. ### 2.3. Betrouwbaarheid en materialiteit 21. Het onderzoek of de controle moet zodanig worden ingepland en uitgevoerd dat het oordeel dat de vervoerder in alle van materieel belang zijnde opzichten de betreffende wet- en regelgeving heeft nageleefd op grond van een redelijke mate van zekerheid kan worden geformuleerd. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, betekent dit een betrouwbaarheid van 95%. -22. Een oordeel in de controleverklaring of een assurance-rapport met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven de bovengenoemde betrouwbaarheid, de accountant geen afwijkingen (fouten) en onzekerheden heeft aangetroffen die groter zijn dan 1% van de op grond van artikel 22 van de Wp2000 verleende subsidie. Indien de uitkomst hiervan in verhouding tot de omzet van de commerciële activiteiten hoger is dan 2% (van de commerciële activiteiten), dan wordt de materialiteit verlaagd tot 2% van de commerciële activiteiten. Indien uit de berekening een lager bedrag komt dan € 100.000, dan kan worden uitgegaan van een materialiteit van € 100.000. In deze context wordt met de op grond van artikel 22 van de Wp2000 verleende subsidie (zie ook de Bijlage) bedoeld: de bijdrage in de exploitatie voor de betreffende concessie. De werkzaamheden en de materialiteit gelden per verstrekte concessie. Met commerciële activiteiten wordt hier bedoeld: de activiteiten die bovenhands gegund zijn en andere activiteiten. +22. Een oordeel in de controleverklaring of een assurance-rapport met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven de bovengenoemde betrouwbaarheid, de accountant geen afwijkingen (fouten) en onzekerheden heeft aangetroffen die groter zijn dan 1% van de op grond van artikel 22 van de Wp2000 verleende subsidie. Indien de uitkomst hiervan in verhouding tot de omzet van de commerciële activiteiten hoger is dan 2% (van de commerciële activiteiten), dan wordt de materialiteit verlaagd tot 2% van de commerciële activiteiten. Indien uit de berekening een lager bedrag komt dan € 100.000, dan kan worden uitgegaan van een materialiteit van € 100.000. In deze context wordt met de op grond van artikel 22 van de Wp2000 verleende subsidie (zie ook de Bijlage) bedoeld: de bijdrage in de exploitatie voor de betreffende concessie. De werkzaamheden en de materialiteit gelden per verstrekte concessie. Met commerciële activiteiten wordt hier bedoeld: de activiteiten die bovenhands gegund zijn en andere activiteiten. 23. Van een fout is sprake als naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek of de uitgevoerde controlewerkzaamheden blijkt dat niet is voldaan aan één of meer aspecten van het normenkader in dit Protocol. Fouten worden in absolute zin opgevat, saldering van fouten is daarom niet toegestaan. 24. Van een onzekerheid in het uitgevoerde onderzoek of de uitgevoerde controlewerkzaamheden is sprake als er onvoldoende controle-informatie beschikbaar is om vast te stellen of aan één of meer aspecten van het normenkader is voldaan. 25. Voor een adequate onderbouwing van het oordeel is het noodzakelijk dat de accountant fouten en onzekerheden zoveel mogelijk kwantificeert. Indien de accountant zowel fouten als onzekerheden aantreft die los van elkaar tot een goedkeurend oordeel zouden leiden, weegt de accountant deze in samenhang om te beoordelen of een aangepast oordeel passend is. @@ -156,7 +156,7 @@ In de Bijlage bij deze Beleidsregel is nadere uitleg gegeven van het begrip ‘r ## 4. Slotbepalingen 41. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst. -42. Het *Controleprotocol gemeentelijke vervoerbedrijven*5Staatscourant van 21 december 2007, nr. 248, blz. 58 e.v. vervalt, met dien verstande dat het van toepassing blijft op gemeentelijk vervoerbedrijven, bedoeld in artikel 124d, eerste lid, van de Wp2000. +42. Vervallen. 43. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Accountantsprotocol vervoerders 2017. 44. Deze beleidsregels zullen, met de Bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst.