2013-07-01 | BWBR0005682 | Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

This commit is contained in:
Coornhert 2013-07-01 12:00:00 +00:00
parent c379734ec2
commit 275aaa57bd

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
bwb_id: BWBR0005682
type: wet
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2004-06-30'
datum_inwerkingtreding: '2005-05-12'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005682
citeertitel: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
---
@ -18,41 +18,53 @@ citeertitel: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;
c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;
d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;
e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;
f. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.2;
g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a of b ;
h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van de overheid;
f. instelling: een instelling of rechtspersoon als bedoeld in artikel 1.2;
g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, of een rechtspersoon voor hoger onderwijs;
h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van een publiekrechtelijke rechtspersoon;
i. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
j. instellingsbestuur:
- voorzover het een bijzondere instelling betreft: het bestuur van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan die instelling uitgaat;
- voorzover het een openbare instelling, uitgaande van een gemeente, betreft: het college van burgemeester en wethouders voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk acht, met inachtneming van door hem te stellen regelen;
- voorzover het een openbare instelling betreft, uitgaande van een openbaar lichaam ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling: het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde orgaan;
- voorzover het een openbare instelling, uitgaande van het Rijk, betreft: Onze minister;
- voorzover het een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid betreft: het ingevolge deze wet terzake bevoegde orgaan;
van een bekostigde instelling: het college van bestuur, tenzij anders bepaald;
van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde opleidingen verzorgt: het orgaan dat als zodanig in de statuten is aangewezen;
k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
l. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 5.1;
m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3;
l. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3 waarvoor accreditatie is verleend of die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan;
n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid,;
o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld;
p. waarborgfonds: het fonds bedoeld in artikel 2.15;
q. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank;
r. accreditatieorgaan: accreditatieorgaan hoger onderwijs als bedoeld in artikel 5a.2;
s. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding positief is beoordeeld;
t. toets nieuwe opleiding: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuwe opleiding positief is beoordeeld;
p. vervallen;
q. vervallen;
r. accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag;
s. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
t. toets nieuwe opleiding: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een voorgenomen opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
t1. instellingstoets kwaliteitszorg: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs voor zover die betrekking heeft op de kwaliteit van haar opleidingen door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid;
v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167).
v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167);
w. Ad-programma: het programma, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid;
x. toets nieuw Ad-programma: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuw Ad-programma positief is beoordeeld;
x1. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.38, derde lid;
y. college van bestuur:
van een bijzondere instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen;
van een openbare instelling: het orgaan van de instelling dat op grond van deze wet terzake bevoegd is;
z. graad: een graad als bedoeld in artikel 7.10a of artikel 7.18;
aa. rechtspersoon voor hoger onderwijs: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat of een instelling of een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat;
bb. openbaar lichaam BES: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
### Artikel 1.1a
Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen BES.
### Artikel 1.2
Deze wet heeft betrekking op:
a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit,
b. universiteiten en hogescholen die krachtens artikel 6.9 zijn aangewezen,
a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten,
b. rechtspersonen voor hoger onderwijs met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat en rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat,
c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en
d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.
@ -60,17 +72,19 @@ d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koni
**1.** Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.
**2.** Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij kunnen onderzoek verrichten voorzover dit verband houdt met het onderwijs aan de instelling. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.
**2.** Levensbeschouwelijke universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij verrichten wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk terrein, voorzien in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en dragen kennis over ten behoeve van de maatschappij.
**3.** De Open Universiteit heeft het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en van hoger beroepsonderwijs tot taak, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.
**3.** Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.
**4.** De universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.
**4.** De Open Universiteit is gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs, het, in overeenstemming met het profiel van de Open Universiteit, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.
**5.** De universiteiten, levensbeschouwelijke universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.
### Artikel 1.4
**1.** Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist.
**2.** De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 179 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 165 van de Wet op de expertisecentra en artikel 280 van de Wet op het voortgezet onderwijs informatie verstrekt, die relevant is voor de door dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.
**2.** De academische ziekenhuizen dragen er zorg voor dat er een educatieve voorziening is die het onderwijs aan een leerling die is opgenomen in het academisch ziekenhuis, kan ondersteunen, en die aan personeel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra informatie verstrekt, die relevant is voor de door dat personeel te verlenen ondersteuning bij het onderwijs.
**3.** Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.
@ -90,23 +104,58 @@ Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.
Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.
### Titel 1a. Ruimte voor innovatie
### Artikel 1.7a
**1.**
Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het hoger onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:
a. titel 2 van hoofdstuk 2,
b. hoofdstuk 5a,
c. hoofdstuk 6,
d. hoofdstuk 7,
e. titel 2 van hoofdstuk 9,
f. titel 3 van hoofdstuk 10, en
g. paragraaf 4 van hoofdstuk 11.
**2.**
In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.
**4.** Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
**5.** Onze minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.
**6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. In geval van een samenwerkingsverband met een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan voor die instelling worden afgeweken van artikel 8.1.1 van die wet, indien hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 1, van deze wet van toepassing wordt verklaard.
### Titel 2. De instellingen
#### Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
### Artikel 1.8
**1.** De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder *a* tot en met *h*.
**1.** De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met i.
**2.** De in de bijlage van deze wet onder *a*, *c* en *h* genoemde instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid.
**2.** De in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid.
**3.** Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze minister is medegedeeld.
### Artikel 1.9
**1.** Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder *a*, *c* en *h* genoemde instellingen en de gemeenten en openbare lichamen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet genoemde instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit s Rijks kas, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid wordt het onderwijsgebonden onderzoek aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende initieel onderwijs.
**1.** Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs.
**2.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
**2.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
**3.**
@ -121,53 +170,43 @@ f. de studenten en extraneï,
g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en
h. het bestuur en de inrichting.
**4.** Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en in opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek is het derde lid, onder *d*, voor wat betreft het onderwijs, de examens en de promoties, *e* en *h*, niet van toepassing, maar geldt als voorwaarde dat dit onderwijs en onderzoek alsmede de inrichting en het bestuur te dien aanzien worden geregeld bij of krachtens de statuten van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de bijzondere instelling uitgaat of in de op die instelling betrekking hebbende structuurregeling dan wel in het bestuursreglement.
**5.** De in het vierde lid bedoelde regeling alsmede wijzigingen daarvan worden door het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van Onze minister. Zij wordt geacht te beantwoorden aan de in het vierde lid genoemde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het instellingsbestuur gerichte brief heeft verklaard tegen de regeling of de desbetreffende wijziging daarvan uit oogpunt van voldoende waarborg van deugdelijkheid bedenkingen te hebben.
**6.** Indien de bedenkingen, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden worden ondervangen, kan Onze minister besluiten dat aan de desbetreffende opleiding de rechten, genoemd in het eerste en tweede lid, ontnomen worden, onverminderd het overigens met betrekking tot ontneming van rechten in hoofdstuk 6, titel 1, bepaalde. Artikel 6.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 1.10
**1.** De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7 met uitzondering van artikel 7.3b en titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titels 1 en 2, 10, met uitzondering van de artikelen 10.8 en 10.33, en 11 regelen het openbaar hoger onderwijs.
De bepalingen in deze wet die het openbaar hoger onderwijs regelen, gelden voor het bekostigde bijzonder hoger onderwijs als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders is bepaald.
**2.** De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7, met uitzondering van artikel 7.3b en titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titel 3 en 10, titel 1, paragrafen 1, 2 en 4, titel 3, zijn voor het bijzonder hoger onderwijs, met uitzondering van artikel 9.51 voorzover het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, betreft, en artikel 10.33, voorwaarden voor bekostiging. Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, gelden in plaats van de bepalingen van hoofdstuk 7, titels 1 en 2, de bepalingen van artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, als zodanige voorwaarden.
#### Paragraaf 2. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs
#### Paragraaf 2. Rechtspersonen met geaccrediteerd initieel onderwijs.
### Artikel 1.11
Andere instellingen voor hoger onderwijs dan die genoemd in de bijlage van deze wet, kunnen worden aangewezen.
Vervallen
### Artikel 1.12
**1.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door aangewezen instellingen, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
**1.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden.
**2.**
Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vierde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:
Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende rechtspersoon in acht neemt hetgeen is bepaald in het derde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg,
b. de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,
b. de registratie, het onderwijs en de examens,
c. de vooropleidingseisen.
**3.** Voorzover het een opleiding in de godgeleerdheid dan wel een opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een aangewezen instelling betreft, is in afwijking van het tweede lid voorwaarde, dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen is bepaald in het vierde lid, alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de registratie en dat het onderwijs wordt geregeld bij of krachtens de statuten, de akte of het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de instelling uitgaat.
**3.** Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de rechtspersoon en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de rechtspersoon.
**4.** Het instellingsbestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het instellingsbestuur doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.
#### Paragraaf 2a. Postinitiële masteropleidingen
#### Paragraaf 2a. Instellingen of rechtspersonen met geaccrediteerd postinitieel onderwijs
### Artikel 1.12a
Aan de met goed gevolg afgelegde examens van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3b, verzorgd door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs is een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden. Artikel 1.12, tweede en derde lid, is van toepassing.
#### Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen
### Artikel 1.13
**1.** Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel *i* van de bijlage van deze wet.
**1.** Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel j van de bijlage van deze wet.
**2.** De academische ziekenhuizen, genoemd in onderdeel *i*, onder 1, van de bijlage van deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid.
**2.** De academische ziekenhuizen, opgenomen in onderdeel j, onder 1, van de bijlage van deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid.
### Artikel 1.14
@ -183,9 +222,21 @@ c. het bestuur en de inrichting.
### Artikel 1.15
**1.** De bepalingen van de hoofdstukken 2, artikelen 2.10, 2.12 en 2.13, 4 en 12, met uitzondering van artikel 12.18, regelen de academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten.
**1.**
**2.** De bepalingen van de hoofdstukken 2, artikelen 2.10, 2.12 en 2.13, 4 en 12, artikelen 12.2 en 12.18, zijn met betrekking tot de academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.
De volgende bepalingen regelen de academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten:
a. de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en de bepalingen van titel 5 van hoofdstuk 2,
b. de bepalingen van hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel 4.7, en
c. de bepalingen van hoofdstuk 12, met uitzondering van artikel 12.18.
**2.**
De volgende bepalingen zijn met betrekking tot de academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs:
a. de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en de bepalingen van titel 5 van hoofdstuk 2,
b. de bepalingen van hoofdstuk 4, en
c. de artikelen 12.2 en 12.18.
#### Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
@ -212,25 +263,53 @@ d. het bestuur en de inrichting.
### Artikel 1.18
**1.** Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onder a, b en d, bedoelde instelling draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar.
**1.** Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onder a, b en d, bedoelde instelling draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar. Indien het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 5a.13a, vindt de beoordeling ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor de instellingstoets kwaliteitszorg en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.13b, tweede lid.
**2.** Onze minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen voorzover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel d.
**2.** Onze minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid met uitzondering van de laatste volzin. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen voorzover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel d.
**3.** Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onderdelen a en b, bedoelde instelling draagt er tevens zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen. De laatste twee volzinnen van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. Bij de beoordeling worden ten minste de accreditatiekaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, in acht genomen.
**3.** Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onderdelen a en b, bedoelde instelling draagt er tevens zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing en de uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. De beoordeling vindt ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor accreditatie op grond van artikel 5a.8 of artikel 5a.13f en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in 5a.8, tweede lid, of 5a.13f, eerste lid.
**4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid.
**4.** Het eerste lid, laatste volzin en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rechtspersoon voor hoger onderwijs die geaccrediteerde postinitiële masteropleidingen verzorgt.
### Titel 4. Overige voorschriften
### Artikel 1.19
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 1.20
**1.** Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.
**2.** Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
**3.** Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.
### Artikel 1.21
**1.** Het instellingsbestuur stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
**2.** Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
**3.** Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.
**4.** Het instellingsbestuur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
## Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
### Artikel 2.1
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met dien verstande dat artikel 2.13 en titel 5 niet van toepassing zijn en dat artikel 2.15 uitsluitend van toepassing is op de hogescholen. Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van toepassing.
**1.** Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 2.13 en titel 5, heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen, de Open Universiteit, de levensbeschouwelijke universiteiten, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.
**2.** Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van toepassing.
### Titel 1. Planning
### Artikel 2.2
Het instellingsbestuur stelt om het jaar een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die periode. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.
Het instellingsbestuur stelt eenmaal per zes jaren een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor de duur van het plan. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.
### Artikel 2.2a
@ -252,7 +331,7 @@ c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moe
### Artikel 2.3
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.
**2.** Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
@ -260,8 +339,9 @@ c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moe
Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:
a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede
b. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.
a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
b. algemene voornemens die in de beleidregels, bedoeld in artikel 6.2, vierde lid, worden opgenomen, en
c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.
### Artikel 2.4
@ -269,17 +349,24 @@ b. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanme
**2.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.
**3.** Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en in de *Staatscourant*.
**3.** Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in de *Staatscourant*.
### Titel 2. Bekostiging
### Artikel 2.5
**1.** De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze en voorzover het betreft investeringen in gebouwen en terreinen, hetzij op de grondslag van die algemene berekeningswijze hetzij op de grondslag van een andere door Onze minister te bepalen wijze. In afwijking van de eerste volzin wordt de rijksbijdrage voor de universiteiten voor zover het betreft onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de rijksbijdrage.
**1.** De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze. In afwijking van de eerste volzin kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze, voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).
**1a.**
In afwijking van het eerste lid kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze:
a. voor de universiteiten voorzover het betreft onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad, of
b. voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).
**2.** Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.
**3.** De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan de rijksbijdrage van een hogeschool kan worden vermeerderd of verminderd wegens het in dienst nemen van personeel dat een uitkering na ontslag verwerft of zal verwerven, onderscheidenlijk wegens het beëindigen van het dienstverband van zodanig personeel.
**3.** De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting.
**4.** Indien het in het derde lid bedoelde onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting wordt gewijzigd, wordt de rijksbijdrage door Onze minister nader vastgesteld.
@ -291,15 +378,13 @@ b. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanme
**1.** De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan.
**2.** De in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde bijzondere berekeningswijze wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de studieresultaten.
**2.** De bijzondere berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In die algemene maatregel van bestuur wordt tevens vastgesteld ten aanzien van welk onderwijs dat artikellid toepassing vindt. De bijzondere berekeningswijze bevat maatstaven die in elk geval betrekking hebben op de studieresultaten.
**3.** Wat betreft de instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van de Open Universiteit, hebben de maatstaven in elk geval betrekking op het aantal studenten en op de studieresultaten. De maatstaven kunnen verschillen per opleiding of groepen van opleidingen.
**4.** Bij de vaststelling van het aantal studenten tellen die studenten mee die zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens als bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Studenten die niet zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens tellen alleen mee als zij onderwijs in Nederland volgen en als de instelling na verificatie van de gegevens betreffende naam, adres en woonplaats van de betrokken student die gegevens heeft laten opnemen in het register, bedoeld in artikel 7.52. Studenten die voor 1 oktober een verzoek tot uitschrijving hebben ingediend, worden niet meegeteld, onverminderd het bepaalde in artikel 7.42, eerste lid, onderdeel c.
**4.** De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.
**5.** De maatstaven voor bekostiging van het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten hebben in ieder geval betrekking op de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte aan het onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met het profiel van de instellingen alsmede op de kwaliteit van het onderzoek.
**6.** Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste en tweede lid voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
**5.** Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste en tweede lid voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
### Artikel 2.6a
@ -323,7 +408,7 @@ c. andere inkomsten.
### Artikel 2.7
**1.** Onze minister maakt aan elke instelling, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.
**1.** Onze minister maakt aan elke instelling, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, jaarlijks uiterlijk in oktober bekend welke rijksbijdrage voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze de geraamde rijksbijdrage is berekend.
**2.** Onze minister maakt aan elke instelling zo spoedig mogelijk na de in artikel 2.5, derde lid, bedoelde vaststelling bekend, welke rijksbijdrage voor de instelling is vastgesteld.
@ -335,7 +420,7 @@ Vervallen
### Artikel 2.8
**1.** Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het instellingsbestuur zendt de begroting, alsmede wijzigingen van de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan Onze minister. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht.
**1.** Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht.
**2.** De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. In de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en die van de Koninklijke Bibliotheek is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2a. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde rijksbijdrage.
@ -347,17 +432,19 @@ Vervallen
### Artikel 2.9
**1.** Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeld, cursusgeld of wat de hogescholen betreft de bijdrage, bedoeld in artikel 7.46, tweede lid, anders dan op grond van artikel 7.46, derde lid, artikel 7.51 of artikel 7.51a.
**1.** Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens, alsmede een verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed bestuur is afgeweken, voor zover een zodanige code overeenkomstig artikel 2.14 is aangewezen. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het uitvoeren van de procedure voor erkenning van verworven competenties het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeld, cursusgeld of wat de hogescholen betreft het instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.46, tweede lid, anders dan op grond van de tweede volzin van dat lid of artikel 7.51.
**2.** In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het jaarverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het jaarverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21 bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder jaarverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.
**3.** Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het instellingsbestuur aangewezen registeraccountant als bedoeld in de Wet op de registeraccountants (*Stb.* 1962, 258). Die verklaring heeft mede betrekking op de gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de algemene berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid. Bij de aanwijzing van de registeraccountant wordt bedongen dat aan Onze minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de registeraccountant.
**3.** Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.
**4.** Indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen, dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening bekend aan het instellingsbestuur.
**4.** Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.
**5.** Het resultaat van het verslagjaar wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.
**5.** De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling.
**6.** De leden van het college van bestuur of het algemeen bestuur van een rechtspersoonlijkheid bezittende openbare instelling zijn persoonlijk aansprakelijk jegens de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, voorzover Onze minister heeft bepaald dat de met die uitgaven gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage, tenzij blijkt dat zij aan het doen van die uitgaven niet hebben medegewerkt. Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn geen rechtsvordering van de zijde van de instelling terzake is gesteld, kan Onze minister daartoe overgaan namens en ten behoeve van de instelling.
### Artikel 2.9a
Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet.
### Artikel 2.10
@ -365,11 +452,11 @@ De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de minister
### Artikel 2.10a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de door de instellingen opgegeven bekostigingsgegevens.
### Artikel 2.11
Het gedeelte van de rijksbijdrage dat wordt berekend op de wijze als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, tweede volzin, wordt besteed aan het desbetreffende onderwijs.
Vervallen
### Artikel 2.12
@ -385,51 +472,21 @@ Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit betaalt,
**4.** Bij de overgang van de eigendom van gebouwen of terreinen ingevolge het tweede lid, vergoedt het Rijk, voorzover deze gebouwen of terreinen door de rechtspersoon uit eigen middelen zijn betaald en hiervoor geen rijksbijdrage werd verstrekt, een door Onze minister te bepalen bedrag. Onze minister stelt dit bedrag vast in verhouding tot de waarde in het economisch verkeer van die gebouwen of terreinen.
### Titel 3. Richtlijn
### Titel 3. Inrichting verslag en aanwijzing branchecode
### Artikel 2.14
Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het verslag.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van het verslag en bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer branchecodes voor goed bestuur worden aangewezen.
### Titel 4. Bijzondere bepalingen in verband met investeringen en leningen
### Artikel 2.15
**1.** Elke instelling is aangesloten bij de door de instellingsbesturen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk. Deze rechtspersoon stelt zich ten doel zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het instellingsbestuur aangegane leningen door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds, dat uitsluitend de in dit artikel genoemde functies uitoefent.
**2.** De leden van het bestuur van het fonds worden benoemd door de instellingsbesturen. De leden stemmen zonder last of ruggespraak.
**3.** Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd.
**4.** Het instellingsbestuur kan het fonds verzoeken zich geheel of gedeeltelijk borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit een door het instellingsbestuur afgesloten lening.
**5.** Het fonds kan aan het verlenen van een waarborg algemeen geldende voorwaarden verbinden met betrekking tot de vorm van de te waarborgen lening en met betrekking tot een door de instelling aan het fonds te betalen borgstellingsvergoeding. Een verzoek om borgstelling van een instelling dat aan deze algemene voorwaarden voldoet kan, onverminderd het bepaalde in het negende lid, niet worden geweigerd.
**6.** Het instellingsbestuur legt jaarlijks een afschrift van de vastgestelde begroting als bedoeld in artikel 2.8 en het vastgestelde verslag als bedoeld in artikel 2.9 over aan het bestuur van het fonds.
**7.** Indien het aan het instellingsbestuur bij de vaststelling van de begroting blijkt dat het op enig moment in het kalenderjaar waarop die begroting betrekking heeft, niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, meldt het instellingsbestuur dit voor de aanvang van het in dit artikellid bedoelde kalenderjaar aan het fonds. Binnen acht weken na de melding, bedoeld in de eerste volzin, legt het instellingsbestuur aan het fonds een door hem vastgesteld saneringsplan over, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling hersteld kan worden. Het bestuur van het fonds kan ten aanzien van het saneringsplan voorwaarden van financiële aard stellen die zijn gericht op het herstel van het financieel evenwicht tussen de inkomsten en uitgaven van de instelling, die door de instelling in het door haar vastgestelde saneringsplan worden opgenomen.
**8.** Indien het aan het instellingsbestuur in de loop van een kalenderjaar blijkt dat het niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, terwijl dat bij de vaststelling van de begroting met betrekking tot dat kalenderjaar niet was voorzien, meldt het instellingsbestuur dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voordat de toestand, bedoeld in deze volzin, intreedt aan het fonds. De tweede en derde volzin van het zevende lid zijn van toepassing.
**9.** Indien een lening, waarvan de instelling bij het fonds om borging verzoekt, naar het oordeel van het fonds tot gevolg heeft dat het instellingsbestuur niet in staat zal zijn tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen uit één of meer door het fonds geborgde leningen, bepaalt het bestuur van het fonds dat de borging niet wordt verleend dan nadat een door het instellingsbestuur vastgesteld saneringsplan is overgelegd dan wel geheel of gedeeltelijk is uitgevoerd, waarin is aangegeven op welke wijze het evenwicht tussen de inkomsten en de uitgaven van de instelling kan worden behouden dan wel hersteld. De derde volzin van het zevende lid is van toepassing.
**10.** Het negende lid is niet van toepassing op de leningen die door het instellingsbestuur worden afgesloten in verband met de betaling van het bedrag, bedoeld in artikel II van de Wet van 11 november 1993, *Stb.* 628, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht.
**11.** Indien een of meer voorwaarden van het fonds als bedoeld in het zevende tot en met negende lid, de vrijheid van inrichting van het onderwijs in ernstige mate aantast, kan het instellingsbestuur daartegen beroep instellen bij Onze minister. Op het beroep zijn de hoofdstukken 6 en 7, met uitzondering van de artikelen 7:24 en 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
**12.** Onze minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het beroepschrift. Indien Onze minister het beroep gegrond acht, bepaalt hij dat een of meer van de voorwaarden niet in het saneringsplan behoeven te worden opgenomen. De instelling stelt met inachtneming van de uitspraak van Onze minister het saneringsplan opnieuw vast en treedt daarover in overleg met het fonds. De laatste twee volzinnen van het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
**13.** Indien een instelling één of meer leningen bij het fonds heeft geborgd, dient de instelling voorafgaand aan het aangaan van leningen waarvoor de instelling het fonds niet om borging verzoekt, dit te melden aan het fonds.
**14.** Van de verplichtingen, bedoeld in dit artikel, kan Onze minister op verzoek van het bestuur van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts, indien het instellingsbestuur aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.
**15.** Het fonds kan batig saldo uitkeren aan de instellingen. De instellingen besteden deze uitkeringen ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling, waarvoor de rijksbijdrage wordt verstrekt.
**16.** De statuten van de rechtspersoon die het fonds in stand houdt voldoen aan het gestelde in dit artikel.
Vervallen
### Artikel 2.16
**1.** Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een door het instellingsbestuur aangewezen registeraccountant, als bedoeld in de Wet op de registeraccountants (*Stb.* 1962, 258).
**1.** Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling, draagt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring van een door hem aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
**2.** Tenzij met Onze minister een andere regeling wordt getroffen, is het instellingsbestuur aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het instellingsbestuur uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.
@ -469,7 +526,7 @@ Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid
### Artikel 3.2
Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 1.9, zesde lid, 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, 4.2, tweede lid, en 7.56, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.
Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, en 7.56, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.
### Artikel 3.3
@ -481,23 +538,23 @@ Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 1.9, zesde lid, 2.9, v
### Artikel 4.1
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met uitzondering van artikel 4.2, derde tot en met vijfde lid, dat uitsluitend betrekking heeft op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit.
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op universiteiten, hogescholen, de Open Universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten.
**2.** Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 4.2, tweede en derde lid, heeft tevens betrekking op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek.
### Artikel 4.2
**1.** Het instellingsbestuur bepaalt het personeelsbeleid en voert het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.
**2.** Onze minister kan het instellingsbestuur van een universiteit richtlijnen geven met betrekking tot het minimum aantal assistenten in opleiding.
**2.** Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.
**3.** Het instellingsbestuur van een universiteit, een hogeschool of de Open Universiteit stelt ten behoeve van de leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek van elke van het instellingsbestuur uitgaande instelling, indien daaraan van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies op het gebied van onderwijs onderscheidenlijk onderzoek sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies vast.
**3.** Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.
**4.** Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het instellingsbestuur een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies wordt gevoerd, opdat in deze functies vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het instellingsbestuur heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.
**5.** Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling.
**4.** Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de instelling ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel en de studenten toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de instelling.
### Artikel 4.3
Over aangelegenheden van algemeen belang voor de algemene rechtstoestand van het personeel van de instellingen wordt door Onze minister overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens de gevallen bepaald waarin in dat overleg overeenstemming met de vakorganisaties dient te worden bereikt.
Vervallen
### Artikel 4.4
@ -532,7 +589,7 @@ Elke bijzondere instelling is aangesloten bij een commissie van beroep, waarbij
a. een disciplinaire maatregel,
b. schorsing,
c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,
c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt,
d. het direct of indirect onthouden van bevordering, of
e. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.
@ -588,21 +645,37 @@ Vervallen
### Artikel 5a.1
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.
**2.** Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b verzorgen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder instellingsbestuur mede begrepen het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin.
**2.** Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde initiële of postinitiële opleidingen verzorgen of willen verzorgen.
### Titel 1. Accreditatieorgaan
### Artikel 5a.2
**1.** De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, gevestigd te Den Haag, en bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag, is het accreditatieorgaan hoger onderwijs. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.
**1.** Er is een accreditatieorgaan dat is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van accreditatie, de toets nieuwe opleiding en de instellingstoets kwaliteitszorg op grond van titel 2 of 2a van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.
**2.** Het accreditatieorgaan is belast met activiteiten in het kader van het accrediteren van opleidingen in het hoger onderwijs en het afnemen van de toets nieuwe opleiding in het hoger onderwijs.
**2.** Het accreditatieorgaan is tevens belast met het instellen van een commissie van deskundigen, die adviseert over de aanvraag om toets nieuwe opleiding of de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast stemt het accreditatieorgaan in met een door het instellingsbestuur samengestelde commissie van deskundigen, voor de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, ten behoeve van de aanvraag om accreditatie, indien het accreditatieorgaan zich ervan verzekerd heeft dat de commissie van deskundigen onafhankelijk en deskundig is. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van deskundigen maakt een student deel uit.
**3.** Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak de accreditatiekaders en toetsingskaders te bespreken met de Europese landen, in het bijzonder met de grenslanden.
**3.** Het accreditatieorgaan is desgevraagd belast met het adviseren van Onze minister over het gebruiken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5a.12b en 5a.13e, tweede lid. Voordat het accreditatieorgaan een advies als bedoeld in de eerste volzin uitbrengt, kan hij een onderzoek instellen waarbij de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing zijn en schakelt hij een commissie van deskundigen in.
**4.** Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met de voorbereiding van een stelsel van bacheloropleidingen en masteropleidingen in Nederland, het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
**4.** Het accreditatieorgaan rapporteert desgevraagd aan Onze minister over de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de vergelijkbaarheid aan de hand van zijn beoordelingen op grond van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet op grond daarvan voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs nodig acht.
**5.** Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, te bespreken met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.
**6.** Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
**7.** Onverminderd het Accreditatieverdrag en het daarop gebaseerde Beheersreglement is op het accreditatieorgaan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
### Artikel 5a.2a
**1.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor het verlenen van accreditatie, toets nieuwe opleiding en instellingstoets kwaliteitszorg en de uitwerking van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13b, tweede lid, 5a.13f, eerste lid en 5a.13g, eerste lid, vast in het accreditatiekader, waarbij voor de beoordeling ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij het verschil in de wijze van beoordeling van aanvragen op grond van titel 2a ten opzichte van titel 2 wordt opgenomen.
**2.** Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.
**3.** Het accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.
**4.** Het accreditatiekader of de wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
### Artikel 5a.3
@ -616,41 +689,23 @@ Vervallen
### Artikel 5a.3a
De inspectie wordt in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van het accreditatieorgaan bij te wonen.
Vervallen
### Artikel 5a.4
**1.** Aan het lidmaatschap van het accreditatieorgaan is, indien dat bestuurslid door Onze minister is voorgedragen, een bezoldiging dan wel een schadeloosstelling verbonden.
**2.** Onze minister stelt de bezoldiging of de schadeloosstelling vast.
**3.** Buiten de bezoldiging of de schadeloosstelling en de vergoeding van bijzondere kosten in verband met zijn functie geniet een bestuurslid van het accreditatieorgaan geen inkomsten ten laste van het accreditatieorgaan.
**4.** Ten aanzien van de bestuursleden van het accreditatieorgaan wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 383 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verslag gedaan in het jaarverslag, bedoeld in artikel 5a.7.
Vervallen
### Artikel 5a.5
Op het personeel in dienst van het accreditatieorgaan, zijn de rechtspositieregels die gelden voor de ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, van overeenkomstige toepassing. De in die regels neergelegde bevoegdheden, met uitzondering van de aan Ons dan wel de aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels, worden uitgeoefend door het accreditatieorgaan. Voorzover in die regels is bepaald dat bevoegdheden worden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden deze bevoegdheden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze minister.
Vervallen
### Artikel 5a.6
**1.** Het accreditatieorgaan zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.
**2.** Indien gedurende een kalenderjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet het accreditatieorgaan daarvan onverwijld mededeling aan Onze minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
Vervallen
### Artikel 5a.6a
**1.** De begroting, bedoeld in artikel 5a.6, behelst een raming van de baten en lasten, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en een raming van de inkomsten en uitgaven.
**2.** De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.
**3.** Uit de toelichting blijkt steeds welke begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of krachtens de wet aan het accreditatieorgaan opgedragen taken dan wel op andere activiteiten.
**4.** Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde jaarrekening.
**5.** De begroting omvat voorts voorstellen aan Onze minister voor het bedrag dat in het desbetreffende jaar in de rijksbegroting zal worden opgenomen en voor de in het desbetreffende jaar te hanteren tarieven.
**6.** Indien het accreditatieorgaan andere baten of inkomsten raamt, worden deze afzonderlijk vermeld en van een toelichting voorzien.
Vervallen
### Artikel 5a.6b
@ -664,159 +719,264 @@ Op het personeel in dienst van het accreditatieorgaan, zijn de rechtspositierege
### Artikel 5a.6c
Onze minister kan bepalen dat het accreditatieorgaan zijn voorafgaande instemming behoeft voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon,
b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen,
c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan,
d. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening,
e. het aangaan van overeenkomsten waarbij het accreditatieorgaan zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt,
f. het vormen van andere fondsen en reserveringen dan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 5a.6d,
g. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling.
Vervallen
### Artikel 5a.6d
**1.** Het accreditatieorgaan vormt een egalisatiereserve.
**2.** Het verschil tussen de gerealiseerde baten van het accreditatieorgaan en de gerealiseerde lasten van de activiteiten komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.
**3.** De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.
Vervallen
### Artikel 5a.7
**1.** Het accreditatieorgaan stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar.
**2.** Het verslag wordt aan Onze minister gezonden.
Vervallen
### Artikel 5a.7a
Tegelijk met het jaarverslag, bedoeld in artikel 5a.7, dient het accreditatieorgaan de jaarrekening bij Onze minister in.
Vervallen
### Artikel 5a.7b
**1.** De jaarrekening, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over het verstreken boekjaar, wordt ingericht zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
**2.** De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het accreditatieorgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het accreditatieorgaan dat aan Onze minister desgevraagd inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
**3.** De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft mede betrekking op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door het accreditatieorgaan.
**4.** De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van het accreditatieorgaan voldoen aan eisen van doelmatigheid.
Vervallen
### Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding
### Artikel 5a.8
**1.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de accreditatie van opleidingen vast in afzonderlijke accreditatiekaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen. In de accreditatiekaders wordt tevens bepaald welke gegevens het instellingsbestuur meezendt bij een verzoek om accreditatie, waartoe in elk geval behoort de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur zal worden verleend.
**1.**
**2.** Bij het verlenen van accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit, die betrekking hebben op het niveau van de opleiding, de onderwijsinhoud, het onderwijsproces, de opbrengsten van het onderwijs van de opleiding, voldoende voorzieningen die noodzakelijk zijn om de opleiding te kunnen verzorgen, een adequate methode die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, wordt gehanteerd.
In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van accreditatie op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:
**3.**
a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om accreditatie,
b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd,
c. de procedure voor het instemmen met een commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, en
d. de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende, voldoende, goed en excellent aan de onderdelen, bedoeld in het tweede lid.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt begrepen onder:
**2.**
a. het niveau van de opleiding: dit is gericht op het eindniveau van de opleiding gelet op hetgeen gewenst en gangbaar is, bij voorkeur gemeten naar internationale standaard;
b. de onderwijsinhoud: deze omvat in ieder geval de aard van het onderwijs, voldoende samenhang in het opleidingsprogramma van de opleiding, de studielast en een duidelijke relatie tussen de doelstellingen en de inhoud van het opleidingsprogramma;
c. het onderwijsproces: dit omvat in ieder geval een voldoende afstemming tussen vormgeving van het onderwijs en de inhoud, voldoende studiebegeleiding en inzichtelijke beoordeling en toetsing van het onderwijs;
d. de opbrengsten van het onderwijs: deze omvatten in ieder geval voldoende maatschappelijke relevantie van de bereikte eindkwalificaties van afgestudeerden van de opleiding en voldoende rendement van de opleiding in relatie tot de beargumenteerde streefcijfers;
e. de voorzieningen: deze omvatten in ieder geval de materiële voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en de interne kwaliteitszorg;
f. de methoden die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, worden gehanteerd: deze hebben in ieder geval betrekking op de mogelijkheid de opleiding te vergelijken met andere opleidingen en op een internationaal beoordelingskader.
Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de opleiding, waarbij ten minste worden beoordeeld:
**4.** Alvorens een accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.
**5.** Een accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.
**6.** De accreditatiekaders worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
**7.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de toets nieuwe opleiding vast in afzonderlijke toetsingskaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en opleidingen in het hoger beroepsonderwijs. Het eerste tot en met zesde lid, met uitzondering van het derde lid, onderdeel f, zijn van overeenkomstige toepassing.
a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,
c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,
d. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,
e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en
f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.
### Artikel 5a.8a
Het accreditatieorgaan maakt jaarlijks aan de instellingen bekend welke instanties met behulp van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in artikel 1.18, derde lid, eerste volzin, opleidingen beoordelen op de wijze, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, vierde volzin.
Vervallen
### Artikel 5a.9
**1.** Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.
**2.** Een aanvraag om accreditatie wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het vorige accreditatiebesluit of van het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, bij het accreditatieorgaan ingediend.
**2.** Een aanvraag om accreditatie wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het vorige besluit tot het verlenen van accreditatie of van het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding, bij het accreditatieorgaan ingediend.
**3.** Het accreditatiebesluit wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid.
**3.** Het besluit tot het verlenen van accreditatie wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid.
**4.** Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag om accreditatie een besluit. Het accreditatiebesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige accreditatiebesluit vervalt of, indien een opleiding voor de eerste maal wordt geaccrediteerd, met ingang van de dag van bekendmaking van het accreditatiebesluit.
**4.** Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag om accreditatie een besluit. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van accreditatie of het besluit tot het verlenen van toets nieuwe opleiding vervalt.
**5.** Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zesde lid, is de vervaldatum van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het zevende lid, onherroepelijk op de aanvraag om accreditatie is beslist.
**5.** Het accreditatieorgaan verleent geen accreditatie indien het criterium, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, onder c, door hem onvoldoende is beoordeeld.
**6.** De accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het accreditatiebesluit.
**6.** Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zevende lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het achtste lid, op de aanvraag om accreditatie is beslist.
**7.**
**7.** Het besluit tot het verlenen van accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.
Indien een instellingsbestuur binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zesde lid, de vervaldatum van de accreditatie verlengd tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag om accreditatie is beslist indien:
**8.** Indien een instellingsbestuur binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zevende lid, de periode van de accreditatie verlengd tot het moment dat op de aanvraag om accreditatie is beslist indien het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.
a. het accreditatieorgaan de termijn, bedoeld in het vierde lid, heeft overschreden, of
b. op de vervaldatum nog niet onherroepelijk op de aanvraag om accreditatie is beslist.
**8.** De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
**9.** De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
### Artikel 5a.10
**1.** Het accreditatieorgaan legt de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid, en het besluit over de accreditatie van de opleiding vast in een accreditatierapport. Het accreditatieorgaan kan in het accreditatierapport overige opmerkingen opnemen over de bijzondere kwaliteitskenmerken van de opleiding.
**1.**
**2.** Alvorens het accreditatierapport vast te stellen stelt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een door het accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over het voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.
Het accreditatieorgaan legt haar oordeel vast in een accreditatierapport dat bestaat uit de volgende onderdelen:
**3.** Het accreditatieorgaan zendt het accreditatierapport na vaststelling onverwijld aan het instellingsbestuur en maakt het rapport tegelijkertijd openbaar.
a. het besluit op de aanvraag om accreditatie,
b. de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid,
c. een eindoordeel onvoldoende, voldoende, goed of excellent voor de opleiding, of
d. de bijzondere kenmerken van de opleiding.
**4.** Het accreditatieorgaan verstrekt een afschrift van het accreditatierapport op verzoek. Het accreditatieorgaan vraagt een vergoeding van de kosten voor de afgifte van een afschrift van het accreditatierapport overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
**2.** Het accreditatierapport is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
**3.** Alvorens het accreditatierapport vast te stellen stelt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een door het accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over het voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.
**4.** Het accreditatieorgaan zendt het accreditatierapport na vaststelling onverwijld aan het instellingsbestuur en maakt het rapport tegelijkertijd openbaar.
**5.** Het accreditatieorgaan verstrekt een afschrift van het accreditatierapport op verzoek. Het accreditatieorgaan vraagt een vergoeding van de kosten voor de afgifte van een afschrift van het accreditatierapport overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
### Artikel 5a.10a
**1.**
In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de toets nieuwe opleiding op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:
a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om een toets nieuwe opleiding, en
b. voor zover een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5a.11, vierde lid, is verleend, de procedure en voorwaarden voor de instelling.
**2.**
Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de voorgenomen opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:
a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,
c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,
d. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,
e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en
f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.
**3.** Onverminderd het tweede lid, legt het accreditatieorgaan zijn werkwijze vast voor de toets nieuwe opleiding van de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen overeenkomstig de kaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en op grond van artikel 5a.9, derde lid.
### Artikel 5a.11
**1.** Een opleiding die niet is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, kan een toets nieuwe opleiding ondergaan. Indien deze toets positief is, kan het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding laten registreren in dat register. In afwijking van de tweede volzin kan het instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van die opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.
**1.** De toets nieuwe opleiding wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.
**2.** De toets nieuwe opleiding vindt plaats op aanvraag van het instellingsbestuur.
**2.** Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om de toets nieuwe opleiding een besluit. In dit besluit geeft het accreditatieorgaan aan welk onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, naar zijn oordeel voor de opleiding passend is.
**3.**
**3.** Het accreditatieorgaan besluit gedurende drie jaar geen toets nieuwe opleiding te verlenen, indien uit de gegevens van de desbetreffende aanvraag blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, waarvoor geen accreditatie is verleend of het besluit tot het verlenen van accreditatie is ingetrokken.
Bij de toets nieuwe opleiding wordt in ieder geval rekening gehouden met het door het instellingsbestuur verstrekte document waarin ten minste zijn opgenomen:
**4.** Het accreditatieorgaan kan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden kan verlenen en welke voorwaarden hieraan gesteld kunnen worden. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de opleiding een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de toets nieuwe opleiding onder voorwaarden is genomen deze toets nieuwe opleiding. Artikel 5a.12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
a. het opleidingsprogramma,
b. het financieel overzicht waarin inzicht wordt verschaft in de uitgaven die voor het tot stand brengen van de opleiding noodzakelijk zijn,
c. een beschrijving van het voor de opleiding benodigde personeel naar omvang en kwalificatie,
d. de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur zal worden verleend.
**5.** Met een besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding laat het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
**4.** Het accreditatieorgaan besluit dat een toets nieuwe opleiding niet positief is, indien uit de gegevens van de betreffende aanvraag blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, waaraan accreditatie is onthouden.
**6.**
**5.**
Het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding vervalt:
Het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, vervalt:
a. na zes jaar,
b. in afwijking van onderdeel a, een jaar na de dag waarop het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding is genomen, indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, is voldaan,
c. na tien maanden, indien het instellingsbestuur de bekostigde opleiding niet binnen deze termijn heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, of
d. na zes maanden, indien het instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een opleiding onder c, niet binnen deze termijn heeft laten registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
a. indien het instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding niet binnen zes maanden heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, of
b. in andere gevallen dan als bedoeld in onderdeel a: na zes jaar.
**7.** De artikelen 5a.9, negende lid en 5a.10, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
**6.** De artikelen 5a.9, achtste lid, en 5a.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
**7.** Indien voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd en voor laatstbedoelde opleiding accreditatie is verleend, besluit het accreditatieorgaan dat voor de masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan. Dit besluit is geldig voor de termijn waarop de accreditatie betrekking had.
**8.** Tenzij Onze minister voor een opleiding anders besluit, is dit artikel niet van toepassing op opleidingen waarvoor de artikelen 7.31, 7.53 of 7.56 zijn toegepast en die worden verzorgd door bekostigde instellingen.
**8.** Indien een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, waarvoor accreditatie is verleend, verleent het accreditatieorgaan de toets nieuwe opleiding zonder nader onderzoek voor dezelfde termijn als gold voor de accreditatie.
### Artikel 5a.12
**1.** Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. De instelling stelt de redelijke termijn vast gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van studenten voor wie het niet mogelijk is de opleiding aan een andere instelling te voltooien, indien zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen.
**1.**
**2.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. Voor de studenten voor wie dat niet mogelijk is, wordt de opleiding aan de instelling voortgezet. Het instellingsbestuur maakt de inhoud van het besluit waarbij de accreditatie niet opnieuw wordt verleend, binnen zes weken bekend. Daarbij maakt het instellingsbestuur tevens bekend:
**3.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een aangewezen instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
a. aan welke andere instelling studenten die opleiding kunnen voltooien,
b. de termijn gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de studenten, bedoeld in de tweede volzin, met dien verstande dat zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen en die termijn ten hoogste de voor die studenten resterende aan de studielast gerelateerde duur vermeerderd met één jaar bedraagt.
**4.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, tot gevolg dat na het verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs wordt beëindigd.
**2.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
**5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel 5a.11, eerste lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.9, zesde lid, geen accreditatie is verleend.
**3.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon voor hoger onderwijs tot gevolg dat na het verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
**6.** In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
**4.** Onze minister kan in de situatie, bedoeld in het tweede of derde lid, een bestuurlijke boete opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat de desbetreffende instelling of de desbetreffende rechtspersoon de termijn van zes weken, genoemd in het eerste lid, derde volzin, overschrijdt.
**5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel 5a.11, vijfde lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.11, zesde lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, geen accreditatie is verleend.
**6.** In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
### Artikel 5a.12a
**1.** In afwijking van artikel 5a.12, eerste tot en met vierde lid, kan een instelling binnen twee weken na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, besluiten er voor zorg te dragen dat voor de opleiding binnen een termijn van twee jaar na die periode accreditatie wordt verkregen. Indien een instelling daartoe besluit, heeft het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, tot gevolg dat er geen studenten voor de eerste maal voor de opleiding worden ingeschreven.
**1.** Indien het accreditatieorgaan vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan de aspecten van kwaliteit, bedoeld artikel 5a.8, tweede lid, kan het eenmaal de geldigheidsduur van het laatstgenomen accreditatiebesluit of het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, verlengen met een periode van ten hoogste twee jaar. Daartoe besluit het accreditatieorgaan indien sprake is van een van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
**2.** Indien binnen de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, geen accreditatie aan de opleiding is verleend, is artikel 5a.12 van overeenkomstige toepassing met ingang van de eerste dag na die twee jaar.
**2.** Het accreditatieorgaan maakt in het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur melding van de te verbeteren aspecten van kwaliteit. Tevens kan het daarin voorwaarden opnemen.
**3.** Indien binnen de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, accreditatie aan de opleiding is verleend, treedt dat accreditatiebesluit, in afwijking van artikel 5a.9, vierde lid, tweede volzin, in werking met ingang van de dag van bekendmaking van dat besluit.
**3.** Artikel 5a.9, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot verlenging.
**4.** In afwijking van artikel 5a.9, tweede lid, dient het instellingsbestuur bij het accreditatieorgaan een aanvraag om een besluit tot vaststelling dat de opleiding alsnog aan het accreditatiekader voldoet, in ten minste een half jaar voor afloop van de geldigheidsduur van het besluit tot verlenging van accreditatie.
**5.** Het besluit van het accreditatieorgaan, bedoeld in het vierde lid, geldt met ingang van het moment waarop het accreditatieorgaan de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan. Op het vaststellingsbesluit is artikel 5a.9, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 5a.12b
**1.** Onze minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding intrekken, indien de beoordeling van de aspecten van kwaliteit van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13f, eerste lid, of 5a.13g, eerste lid, zodanig is gewijzigd dat deze beoordeling van die aspecten tot een afwijzing van de aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding zou leiden.
**2.** Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, hoort Onze minister het instellingsbestuur.
**3.** Na intrekking van het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding is artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, op de opleiding van overeenkomstige toepassing.
### Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg
### Artikel 5a.13a
Een instelling voor hoger onderwijs kan een instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
### Artikel 5a.13b
**1.**
In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan vastgelegd:
a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg, en
b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd.
**2.**
Bij de beoordeling van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg worden voor zover die betrekking hebben op de kwaliteit van haar opleidingen beoordeeld:
a. de visie op de kwaliteit van haar onderwijs,
b. de vormgeving en de effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een instelling,
c. het gevoerde beleid op het gebied van personeel en voorzieningen,
d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen.
### Artikel 5a.13c
**1.** Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.
**2.** Een aanvraag om verlenging van het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het besluit tot het verlenen van de vorige instellingstoets kwaliteitszorg bij het accreditatieorgaan ingediend.
**3.** Indien een instellingsbestuur overeenkomstig de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg heeft ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, de periode van het geldende besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg verlengd tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag is beslist.
**4.** Artikel 5a.9, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 5a.13d
**1.** Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg een besluit.
**2.** Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt, of indien een instelling voor de eerste maal een instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend, met ingang van de dag van bekendmaking van het besluit.
**3.** Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid.
**4.** Artikel 5a.10, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, kan een instellingsbestuur gedurende drie jaar vanaf de datum van het besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan aan het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden kan verbinden en welke voorwaarden hierbij kunnen worden gesteld. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de instelling een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg is genomen de instellingstoets kwaliteitszorg. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
### Artikel 5a.13e
**1.** Indien een instellingsbestuur beschikt over een besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en bij de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g, tenzij het instellingsbestuur het accreditatieorgaan verzoekt een aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding te beoordelen op grond van titel 2.
**2.** Artikel 5a.12b, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beoordeling betrekking heeft op de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.13b, tweede lid.
**3.** Indien een instelling niet langer beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie of toets nieuwe opleiding beoordeeld op grond van titel 2 van dit hoofdstuk met uitzondering van de opleidingen waarvoor een volledige aanvraag bij het accreditatieorgaan is ingediend voor de dag dat op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg is beslist.
**4.** Indien bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden zijn gesteld op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5a.13d, zesde lid, heeft een besluit tot het verlenen van accreditatie op grond van artikel 5a.13f onderscheidenlijk de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g op een volledige aanvraag die bij het accreditatieorgaan is ingediend gedurende het jaar waarin aan de voorwaarden moet worden voldaan, een geldigheidsduur van een jaar.
**5.** Indien een instelling op grond van het bepaalde in de tweede volzin van artikel 5a.13d, zesde lid, de instellingstoets kwaliteitszorg verliest, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel heeft bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het instellingsbestuur is verplicht binnen zes maanden na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel, bedoeld in de vorige volzin, heeft bekendgemaakt een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn gedaan gedurende het jaar waarin de voorwaarden voor de instellingstoets kwaliteitszorg golden.
**6.** Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op een aanvraag, bedoeld in het vijfde lid. Bij een positief besluit van het accreditatieorgaan op de aanvraag wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing. Indien het accreditatieorgaan niet binnen een jaar na de datum, waarop aan het instellingsbestuur het oordeel is bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, op de aanvraag heeft besloten, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.
**7.** Indien de instelling naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar heeft voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg, wordt de geldigheidsduur van een besluit, bedoeld in het vierde lid, verlengd tot zes jaar.
### Artikel 5a.13f
**1.**
Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:
a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en
c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
**2.** De artikelen 5a.8, eerste lid, 5a.9, 5a.10, 5a.12 en 5a.12a zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
### Artikel 5a.13g
**1.**
Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding voor een voorgenomen opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de volgende aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de voorgenomen opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:
a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het in te zetten personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en
c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
**2.** De artikelen 5a.10a, eerste lid, 5a.11 en 5a.12, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
### Titel 3. Overige bepalingen
@ -826,43 +986,35 @@ Vervallen
### Artikel 5a.14
**1.** Het accreditatieorgaan verstrekt desgevraagd aan Onze minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen.
**2.** Onze minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Vervallen
### Artikel 5a.15
**1.** Onze minister kan een besluit van het accreditatieorgaan vernietigen, indien dit besluit is genomen in strijd met het recht of het algemeen belang.
**2.** In afwijking van artikel 5a.12, kan Onze minister bij toepassing van het eerste lid bepalen dat een instelling gedurende een door Onze minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, of dat aan de examens een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
**3.** Van het vernietigingsbesluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Onze minister kan bij toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bepalen dat een instelling gedurende een door Onze minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
### Artikel 5a.16
Indien naar het oordeel van het Comité van Ministers ingevolge artikel 12 van het Accreditatieverdrag het accreditatieorgaan zijn taak ernstig verwaarloost, worden die voorzieningen, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het accreditatieorgaan in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
Vervallen
## Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod
### Artikel 6.1
**1.** De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen en op de Open Universiteit.
**1.** De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.
**2.** Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
**3.** Titel 3 heeft tevens betrekking op masteropleidingen als bedoeld in artikel 7.3b.
**2.** Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op rechtspersonen voor hoger onderwijs.
### Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
### Artikel 6.2
**1.** Het instellingsbestuur legt het voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Het instellingsbestuur verstrekt daarbij het gegeven, in welke gemeente de opleiding wordt gevestigd.
**1.** Het instellingsbestuur legt het voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Het instellingsbestuur verstrekt daarbij het gegeven, in welke gemeente of welk openbaar lichaam BES de opleiding wordt gevestigd. Artikel 7.17, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Het instellingsbestuur legt het voornemen voor nadat de opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan.
**2.** Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie.
**3.** Onze minister wordt geacht met het voornemen in te stemmen, indien hij niet binnen vier maanden na ontvangst heeft verklaard dat aan het voornemen geen uitvoering kan worden gegeven in verband met een ondoelmatige taakverdeling tussen de instellingen die als gevolg daarvan zou ontstaan. Onze minister kan zich hierbij laten adviseren door een adviescommissie bestaande uit drie deskundigen uit de betrokken sector.
**3.** De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
**4.** Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Algemene voornemens op dit punt worden verwoord in het hoger onderwijs- en onderzoekplan. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.
**4.** Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.
### Artikel 6.3
@ -879,7 +1031,7 @@ Vervallen
Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien:
a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.
**2.** Bij een besluit tot ontneming van rechten bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke termijn kunnen voltooien.
@ -891,34 +1043,98 @@ b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepa
### Artikel 6.7
Vervallen
**1.** Onze minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur toestemming verlenen gegadigden bij de inschrijving voor een opleiding te selecteren volgens door het instellingsbestuur vast te stellen criteria en in samenhang daarmee voor de geselecteerde studenten een collegegeld vast te stellen dat hoger is dan het volledige wettelijke collegegeld dat op grond van artikel 7.45, vijfde lid, bij algemene maatregel van bestuur is vastgesteld en op de wijze daarin bepaald is geïndexeerd.
**2.** De toestemming van Onze minister heeft betrekking op een bepaalde opleiding of op een bepaald programma binnen een opleiding waarvan de studielast en eindtermen gelijk zijn aan die van de opleiding.
**3.**
Onze minister verleent uitsluitend zijn toestemming, indien:
a. de aanvraag kleinschalig en intensief onderwijs betreft, dat is gericht op een bovengemiddeld onderwijsrendement en waarbij de activiteiten binnen en buiten het curriculum met elkaar zijn verbonden; en
b. de toestemming geen afbreuk doet aan de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.
**4.** Het hogere collegegeld bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste vijf maal het volledige wettelijk collegegeld dat op grond van artikel 7.45, vijfde lid, bij algemene maatregel van bestuur is vastgesteld en op de wijze daarin bepaald is geïndexeerd.
### Artikel 6.7a
**1.**
Aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, zijn de volgende verplichtingen voor het instellingsbestuur verbonden:
a. het selecteren van gegadigden;
b. het vaststellen van een regeling voor de selectiecriteria en -procedure;
c. het vaststellen van een regeling voor de criteria en procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld; en
d. het meewerken aan een eenmalige toetsing aan de praktijk als bedoeld in artikel 6.7c.
**2.** Onze minister kan andere verplichtingen aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, verbinden.
### Artikel 6.7b
**1.** Het instellingsbestuur dient een aanvraag als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, in bij het accreditatieorgaan.
**2.**
Na ontvangst van een aanvraag stelt het accreditatieorgaan ten behoeve van de beslissing van Onze minister, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, een advies op over:
a. het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, en;
b. de vraag, of de desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma binnen een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, ondanks de kwalificatie door het instellingsbestuur, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding
**3.** Het accreditatieorgaan zendt het advies, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van de aanvraag, binnen zes maanden na indiening van de aanvraag aan Onze minister.
**4.** Onze minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.
**5.** In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast.
### Artikel 6.7c
**1.** Indien Onze minister aan het instellingsbestuur toestemming als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, heeft verleend, laat het instellingsbestuur het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, van de desbetreffende opleiding of het programma binnen de opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, door het accreditatieorgaan zes jaar na de verlening éénmalig toetsen aan de praktijk.
**2.** Bij het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, kan Onze minister bepalen dat de toetsing aan de praktijk op een ander tijdstip dan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt dan wel dat de toetsing achterwege kan blijven, omdat daarvan geen nieuwe inzichten zijn te verwachten.
**3.** Het accreditatieorgaan zendt zijn bevindingen naar aanleiding van een toetsing aan de praktijk aan Onze minister.
**4.** Onze minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toetsing aan de praktijk, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
### Artikel 6.7d
Onze minister kan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, intrekken, indien:
a. de opleiding dan wel het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, niet langer voldoet aan het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a;
b. de opleiding of het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding;
c. de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt; of
d. het instellingsbestuur de verplichtingen, bedoeld in artikel 6.7a, niet naleeft.
### Artikel 6.8
Vervallen
### Titel 2. Aanwijzing en intrekking aanwijzing van niet bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
### Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs
### Artikel 6.9
**1.** Het besluit tot aanwijzing van een andere dan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling voor hoger onderwijs wordt genomen door Onze minister.
**1.** Een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.8, achtste lid, dient een verzoek om graden te mogen verlenen in bij Onze minister onder overlegging van een positief oordeel als bedoeld in artikel 5a.8, achtste lid, van het accreditatieorgaan.
**2.** Het besluit tot aanwijzing wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het initiële onderwijs, alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede onderscheidenlijk derde lid, bedoelde voorwaarde.
**2.** Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen 1.12, tweede lid en 1.12a.
**3.** Het besluit tot aanwijzing van universiteiten wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek.
**3.** Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze minister of de artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn.
**4.** Het besluit tot aanwijzing kan slechts worden genomen op een daartoe strekkende aanvraag van het instellingsbestuur.
**4.** Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12 of 1.12a op het moment van de overdracht niet van toepassing zijn.
**5.** Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid.
### Artikel 6.10
**1.** Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.
**1.** Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens of de vooropleidingseisen.
**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
**3.** Artikel 6.5, tweede lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.
**4.** Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
**5.** Indien Onze minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van artikel 6.9.
### Artikel 6.11
Vervallen
@ -933,15 +1149,11 @@ Vervallen
### Artikel 6.12a
In deze titel wordt mede begrepen onder:
a. instelling: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid,
b. instellingsbestuur: het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, en
c. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b, tenzij anders bepaald.
Vervallen
### Artikel 6.13
**1.** Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. De Informatie Beheer Groep is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.
**1.** Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.
**2.** Vervallen.
@ -951,30 +1163,33 @@ c. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b, tenzij anders bepaald.
Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:
a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,
a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, gesteld in het Nederlands en desgewenst in het Engels of in een andere internationale taal die gangbaar is,
b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,
c. of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan,
d. vervallen,
e. de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.15, daaronder ten minste begrepen afstudeerrichtingen binnen opleidingen en differentiaties binnen opleidingen op het gebied van de kunst en binnen lerarenopleidingen op het gebied van de kunst,
d. de indeling in het register,
e. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijk afstudeerprogramma als bedoeld in artikel 7.3c betreft: aan welke instellingen de opleiding of het afstudeerprogramma wordt verzorgd,
f. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,
g. de studielast,
h. of aan een opleiding een propedeutisch examen is verbonden,
g. de studielast waarbij ten aanzien van masteropleidingen is aangegeven of deze is vastgesteld van rechtswege, door het instellingsbestuur of, wat betreft masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, op zijn verzoek door Onze minister,
h. of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is verbonden,
i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,
j. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,
k. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,
l. de gemeente of de gemeenten waar de opleiding is gevestigd;
m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, eerste lid, tweede volzin, vastgestelde termijn,
n. de door de minister op grond van de artikelen 5a.12, vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, vastgestelde termijn,
o. het door een instelling op grond van artikel 5a.12a, eerste lid, genomen besluit,
l. de gemeente, de gemeenten, het openbaar lichaam BES of de openbare lichamen BES waar de opleiding is gevestigd,
m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, vierde volzin, onderdeel b vastgestelde termijn,
n. de door Onze minister op grond van artikel 5a.12, zesde lid, of 5a.15, vastgestelde termijn,
o. indien toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a: de termijn, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en het door het accreditatieorgaan genomen besluit op grond van vijfde lid van dat artikel,
p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,
q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is.
q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,
r. indien artikel 5a.9, zevende lid, van toepassing is: de door het accreditatieorgaan vastgestelde termijn, bedoeld in de tweede volzin van dat artikellid,
s. of Onze minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,
t. of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel.
**5.**
Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:
a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en
b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen c, m en n.
b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o en q.
**6.** Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
@ -982,30 +1197,32 @@ b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen c, m en n.
**1.** Het instellingsbestuur kan een opleiding na de verlening van accreditatie aanmelden voor registratie. Het instellingsbestuur kan een opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, aanmelden voor registratie, nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan. In afwijking van de tweede volzin kan het instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van die opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.
**2.** De aanmelding geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanmelding van een geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de aanmelding van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding en bewijst door middel van een voornemen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of een besluit als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, dat er geen sprake is van een ondoelmatige taakverdeling tussen de instellingen. Bij de aanmelding van een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onderdeel e, voegt het instellingsbestuur schriftelijke bewijsstukken waaruit de juistheid van de overgelegde gegevens blijkt. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding het best omschrijft.
**2.** De aanmelding geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanmelding van een geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de aanmelding van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding en bewijst door middel van een voornemen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of een besluit als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, dat er geen sprake is van een ondoelmatige taakverdeling tussen de instellingen. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding het best omschrijft. Het instellingsbestuur dat een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs aanmeldt voor registratie als bekostigde opleiding, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, aanhef en onder b, voegt het besluit van Onze minister, bedoeld in dat artikel toe. Het instellingsbestuur dat een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aanmeldt voor registratie, voegt zo nodig het besluit van Onze minister, bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, eerste volzin, toe.
**3.** De Informatie Beheer Groep registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
**3.** Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
**4.** Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door de Informatie Beheer Groep te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, stelt de Informatie Beheer Groep de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in artikel 5a.11, vijfde lid, onderdeel a. Onverminderd artikel 6.15 weigert de Informatie Beheer Groep registratie in het register uitsluitend, indien de Informatie Beheer Groep de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen en indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.
**4.** Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding, stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in artikel 5a.11, vijfde lid, onderdeel a. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien zij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.
**5.** De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van registratie als bedoeld in het vierde lid. Indien de weigering gegrond is op de indeling van de opleiding, maakt Onze minister het besluit houdende weigering van de registratie bekend en doet daarvan mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
**5.** Indien de Informatie Beheer Groep of Onze minister constateert dat de gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, worden de gegevens door de Informatie Beheer Groep of de indeling door Onze minister aangepast.
**6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
**6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde en vijfde lid.
### Artikel 6.15
**1.**
De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:
Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:
a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen,
b. de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde of vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, is verstreken,
b. de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde of vijfde lid, of artikel 5a.15, is verstreken,
c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel
d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.10 of 6.12 heeft besloten dat de aanwijzing niet betrekking zal hebben op de opleiding.
d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.9, vierde lid, of 6.10 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, bedoeld in artikel 1.12, ontnomen worden.
**2.** De Informatie Beheer Groep wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a.
**2.** Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a.
**3.** De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor de bacheloropleiding niet meer openstaat.
**3.** Onze minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onderdeel r of s, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 6.7d.
**4.** De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor de bacheloropleiding dan wel inschrijving voor de masteropleiding niet meer openstaat.
### Titel 4
@ -1017,11 +1234,9 @@ Vervallen
### Artikel 7.1
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen en op de Open Universiteit.
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.
**2.** De titels 1, 2 en 2a van dit hoofdstuk met uitzondering van artikel 7.17 hebben betrekking op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
**3.** Artikel 7.10a heeft tevens betrekking op masteropleidingen als bedoeld in artikel 7.3b.
**2.** De titels 1 en 2 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 7.8b, 7.17, 7.17a, 7.18, 7.22, 7.25, 7.30a, en 7.30b, met uitzondering van het eerste lid, vierde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs.
### Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties
@ -1037,7 +1252,7 @@ c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs da
### Artikel 7.3
**1.** Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van bacheloropleidingen en masteropleidingen.
**1.** Het onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.
**2.** Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.
@ -1077,13 +1292,21 @@ b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
### Artikel 7.3c
**1.** Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, met toestemming van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.
**1.** Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse instellingen of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of afstudeerrichting verzorgen. In dat geval is het instellingsbestuur van de betrokken Nederlandse instelling onderscheidenlijk zijn de instellingsbesturen van de betrokken Nederlandse instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8b, 7.9, 7.10a, 7.11, 7.12, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.
**2.** De examencommissie geeft bij het verlenen van de in het eerste lid bedoelde toestemming aan tot welke door de instelling aangeboden opleiding het door de betrokkene samengestelde programma voor de toepassing van deze wet wordt geacht te behoren.
**2.** Voor andere dan de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden die betrekking hebben op een opleiding of afstudeerrichting, leggen de instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur verantwoordelijk is voor de uitoefening daarvan. De Nederlandse instellingsbesturen blijven voor de uitoefening van deze taken en bevoegdheden gezamenlijk verantwoordelijk ten opzichte van belanghebbenden buiten de instelling.
**3.** Als een student zich bij een instelling laat inschrijven voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting, wordt die student ook ingeschreven bij de opleiding van de andere instelling voorzover het een Nederlandse instelling betreft.
**4.** Indien een instellingsbestuur als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, ten aanzien van een ingeschreven student bevoegd is de hoogte van het collegegeld te bepalen, geldt in het geval die student ook is ingeschreven bij een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs voor een gezamenlijke opleiding of afstudeerrichting in de zin van dit artikel, voor de vaststelling van de hoogte van het collegegeld niet het bij of krachtens de wet vastgestelde minimumbedrag.
### Artikel 7.3d
Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.
### Artikel 7.4
**1.** De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan 1680 uren studie. De studielast van een onderwijseenheid wordt uitgedrukt in hele studiepunten.
**1.** De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan 1680 uren studie.
**2.** Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang, genoemd in artikel 10.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000, of de norm vastgesteld krachtens artikel 10.6, derde lid, van die wet.
@ -1093,15 +1316,17 @@ b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
**2.** Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten.
**3.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
**3.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van door Onze minister aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
**4.** De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van tandarts en voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.
**4.** De studielast van de masteropleiding voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.
**5.** De studielast van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 120 studiepunten.
**5.** De studielast van de door Onze minister aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 120 studiepunten. Onze minister kan bepalen dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs die mede zijn gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep, 180 studiepunten bedraagt en dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een buitenlandse instelling als bedoeld in artikel 7.3c 90 studiepunten bedraagt.
**6.** De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van dierenarts en voor het beroep van apotheker bedraagt 180 studiepunten.
**6.** De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van dierenarts, voor het beroep van apotheker, voor het beroep van tandarts en voor het beroep van klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten.
**7.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
**7.** De studielast van de masteropleidingen geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.
**8.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
### Artikel 7.4b
@ -1109,7 +1334,17 @@ b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
**2.** De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten.
**3.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
**3.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
**4.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten.
**5.** De studielast van de masteropleidingen advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten.
**6.** De studielast van de masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten.
**7.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.
**8.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
### Artikel 7.5
@ -1119,24 +1354,17 @@ Vervallen
**1.** Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen.
**2.**
Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke zijn neergelegd in de volgende Richtlijnen van de Raad van Europese Gemeenschappen:
a. Richtlijn van 5 april 1993, 93/16/EEG (PbEG, L 165) (ten aanzien van artsen);
b. Richtlijn van 27 juni 1977, 77/453/EEG (*PbEG*, L 176) (ten aanzien van verpleegkundigen);
c. Richtlijn van 25 juli 1978, 78/687/EEG (*PbEG*, L 233) (ten aanzien van tandartsen);
d. Richtlijn van 18 december 1978, 78/1027/EEG (*PbEG*, L 362) (ten aanzien van dierenartsen);
e. Richtlijn van 10 juni 1985, 85/385/EEG (*PbEG*, L 223) (ten aanzien van architecten);
f. Richtlijn van 16 september 1985, 85/432/EEG (*PbEG*, L 253) (ten aanzien van apothekers).
**2.** Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke ten aanzien van artsen, verpleegkundigen, verloskundigen, tandartsen, dierenartsen, architecten en apothekers zijn neergelegd in richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).
**3.** Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
**4.** Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van opleidingen die leiden tot een getuigschrift als bedoeld in artikel 33, lid 1a, van de Wet op het voortgezet onderwijs en als bedoeld in artikel 80, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES.
### Artikel 7.7
**1.** Opleidingen aan universiteiten en hogescholen kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse, deeltijdse onderscheidenlijk duale opleidingen.
**1.** Opleidingen aan bekostigde instellingen kunnen voltijds, deeltijds of duaal zijn ingericht en worden alsdan aangeduid als voltijdse, deeltijdse onderscheidenlijk duale opleidingen.
**2.** Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Deze beroepsuitoefening vindt in het wetenschappelijk onderwijs niet plaats gedurende de propedeutische fase. Het gedeelte van een duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt aangeduid als onderwijsdeel.
**2.** Een duale opleiding is zodanig ingericht dat het volgen van onderwijs gedurende een of meer perioden wordt afgewisseld met beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. Deze beroepsuitoefening vindt in het wetenschappelijk onderwijs niet plaats gedurende de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, gedurende de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. Het gedeelte van een duale opleiding dat bestaat uit het volgen van onderwijs, wordt aangeduid als onderwijsdeel.
**3.** De studielast van het deel van de duale opleiding dat wordt gevormd door de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs, bedraagt een door het instellingsbestuur in de onderwijs- en examenregeling te beargumenteren aantal studiepunten.
@ -1163,7 +1391,7 @@ Vervallen
### Artikel 7.8
**1.** Het instellingsbestuur van een universiteit of van de Open Universiteit kan in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs een propedeutische fase instellen.
**1.** Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs een propedeutische fase instellen.
**2.** Een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs omvat een propedeutische fase.
@ -1175,7 +1403,11 @@ Vervallen
### Artikel 7.8a
Vervallen
**1.** Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een Associate-degreeprogramma instellen.
**2.** De studielast van het programma bedraagt ten minste 120 studiepunten.
**3.** De artikelen 7.8b, 7.53, 7.54, 7.56, 7.57b, 7.57c, 7.57d en 7.57g zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 7.8b
@ -1221,13 +1453,15 @@ Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan
**1.** Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.
**2.** Het instellingsbestuur deelt aan de Informatie Beheer Groep mee welke van de in het eerste lid bedoelde studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in artikel 10.6, tweede of derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, met inachtneming van artikel 10.6 van die wet, niet hebben behaald. Die mededeling geschiedt voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.
**2.** Het instellingsbestuur deelt aan Onze Minister mee welke van de in het eerste lid bedoelde studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in artikel 10.6, tweede of derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, met inachtneming van artikel 10.6 van die wet, niet hebben behaald. Die mededeling geschiedt voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.
**3.** Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, informeert het instellingsbestuur de betrokken student over de gegevens die aan de Informatie Beheer Groep zijn verstrekt. Daarbij geeft zij tevens aan wat de consequenties volgens de Wet studiefinanciering 2000 zijn, alsmede welke beroepsgang voor de student openstaat.
**3.** Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, informeert het instellingsbestuur de betrokken student over de gegevens die aan Onze Minister zijn verstrekt. Daarbij geeft zij tevens aan wat de consequenties volgens de Wet studiefinanciering 2000 zijn, alsmede welke beroepsgang voor de student openstaat.
### Artikel 7.9b
Vervallen
**1.** Indien een instellingsbestuur binnen een opleiding een speciaal traject aanbiedt, dat is gericht op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten, kan het instellingsbestuur daarvoor studenten selecteren.
**2.** Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de selectie, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 7.9ba
@ -1243,11 +1477,11 @@ Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder artikel
### Artikel 7.9d
Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in de artikelen 5.5 of 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.
Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in artikel 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan Onze Minister. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.
### Artikel 7.9e
Het instellingsbestuur van een op grond van artikel 6.9 aangewezen instelling doet voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin een student op grond van artikel 7.31a vrijstelling heeft gekregen van het afleggen van tentamens, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.
Vervallen
### Artikel 7.9f
@ -1259,51 +1493,100 @@ Vervallen
**2.** Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.
**3.** De examencommissie kan, in afwijking van het tweede lid en onder door haar te stellen voorwaarden, bepalen dat niet ieder tentamen van een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd.
### Artikel 7.10a
**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd« of arts» dan wel «of science».
**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.
**2.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd.
**2.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Het instellingsbestuur kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vaststellen.
**3.** Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft afgelegd.
**3.** Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft afgelegd. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder b.
**4.** Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.
### Artikel 7.10b
**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree aan degene die met goed gevolg het examen heeft afgelegd van een Ad-programma waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5a.13, derde lid, of een accreditatiebesluit als bedoeld in artikel 5a.9, vierde lid, is genomen.
**2.** Indien toepassing is gegeven aan artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin, voegt het instellingsbestuur dezelfde toevoeging toe aan de graad Associate degree.
**3.** Artikel 7.11, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 7.11
**1.**
Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld:
a. welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft,
b. welke onderdelen het examen omvatte,
c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,
d. welke graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, is verleend, en
e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan.
**2.** Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.
### Artikel 7.12
**1.** Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen een examencommissie in. Ten aanzien van het door de student samengestelde programma is de examencommissie bevoegd die de in artikel 7.3c, eerste lid, bedoelde toestemming heeft verleend.
**2.** Het instellingsbestuur benoemt de leden van de examencommissie uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in die opleiding of opleidingen zijn belast.
**3.** Ten behoeve van het afnemen van de tentamens wijst de examencommissie examinatoren aan. Als examinator kunnen slechts worden aangewezen leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in de desbetreffende onderwijseenheid zijn belast alsmede deskundigen van buiten de instelling. De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.
**4.** De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens de tentamens en met betrekking tot de in dat verband te nemen maatregelen. Die maatregelen kunnen inhouden dat in het geval van fraude door een student door de examencommissie, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste één jaar, aan die student het recht wordt ontnomen een of meer daarbij aan te wijzen tentamens of examens aan de instelling af te leggen. De examencommissie kan aan de examinatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling van degene die het tentamen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag van het tentamen.
### Artikel 7.13
**1.** Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.
**1.** Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt.
**2.**
In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld:
Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt, nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat aan de procedurele eisen voor de afgifte is voldaan. Per opleiding wordt één getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen worden relevante gegevens vermeld, waaronder in ieder geval:
a. de naam van de instelling en welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft,
b. welke onderdelen het examen omvatte,
c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,
d. welke graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, is verleend, en
e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan, en
f. indien het een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3b betreft, de naam van de instelling of, bij een gezamenlijke opleiding, instellingen die de bedoelde opleiding of afstudeerrichting mede heeft of hebben verzorgd.
**3.** Degene die aanspraak heeft op uitreiking van een getuigschrift, kan overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels de examencommissie verzoeken daartoe nog niet over te gaan.
**4.**
De examencommissie voegt aan een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen, een supplement toe. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,
b. of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft,
c. een beschrijving van de inhoud van de opleiding, en
d. de studielast van de opleiding.
Het supplement wordt opgesteld in het Nederlands of Engels en voldoet aan het Europese overeengekomen standaardformat.
**5.** Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het tweede lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.
### Artikel 7.12
**1.** Elke opleiding of groep van opleidingen aan de instelling heeft een examencommissie.
**2.** De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad.
### Artikel 7.12a
**1.** Het instellingsbestuur stelt de examencommissie in en benoemt de leden op basis van hun deskundigheid op het terrein van de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. Ten minste één lid is als docent verbonden aan de opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort.
**2.** Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende wordt gewaarborgd.
**3.** Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het instellingsbestuur de leden van de desbetreffende examencommissie.
### Artikel 7.12b
**1.**
Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid, heeft een examencommissie de volgende taken en bevoegdheden:
a. het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd artikel 7.12c,
b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen,
c. het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel 7.3d te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet, en
d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens.
**2.** Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.
**3.** De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid, en over de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. De examencommissie kan onder door haar te stellen voorwaarden bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd.
**4.** Indien een student bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een examinator betrokken is die lid is van de examencommissie, neemt de betrokken examinator geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht.
**5.** De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. De examencommissie verstrekt het verslag aan het instellingsbestuur of de decaan.
### Artikel 7.12c
**1.** Voor het afnemen van tentamens en het vaststellen van de uitslag daarvan wijst de examencommissie examinatoren aan.
**2.** De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.
### Artikel 7.13
**1.** Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling bevat adequate en heldere informatie over de opleiding of groep van opleidingen.
**2.**
In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, per opleiding of groep van opleidingen de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten minste begrepen:
a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens,
b. de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding,
@ -1311,7 +1594,7 @@ c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een stud
d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,
e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,
f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,
g. ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a, zevende lid,
g. ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a, achtste lid,
h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,
i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding,
j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,
@ -1325,12 +1608,13 @@ q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van v
r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens,
s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens,
t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen,
u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding, en
v. de wijze van beoordeling door het instellingsbestuur van gevallen als bedoeld in artikel 7.31a, derde lid.
u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding,
v. indien van toepassing: de wijze waarop de selectie van studenten voor een speciaal traject binnen een opleiding, bedoeld in artikel 7.9b, plaatsvindt, en
w. de procedureregels die gelden bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, derde volzin.
**3.** In de onderwijs- en examenregeling wordt met het oog op de doorstroming van personen aan wie een graad als bedoeld in als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, voor elke bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in een voorkomend geval voor een afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding ten minste een masteropleiding aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of die afstudeerrichting.
**3.** In de onderwijs- en examenregeling wordt met het oog op de doorstroming van personen aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, voor elke bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in een voorkomend geval voor een afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding ten minste een masteropleiding aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of die afstudeerrichting.
**4.** De in het derde lid bedoelde masteropleiding wordt aan de desbetreffende universiteit aangeboden, tenzij er uitzonderlijke redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. In dat geval kan het instellingsbestuur van deze universiteit met een andere universiteit overeenkomen dat de betreffende masteropleiding aan die andere universiteit wordt aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt de wijze waarop de doorstroming van personen, bedoeld in het derde lid, wordt gewaarborgd. De overeeenkomst behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsorganen van de betrokken universiteiten.
**4.** De in het derde lid bedoelde masteropleiding wordt aan de desbetreffende universiteit aangeboden, tenzij er uitzonderlijke redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. In dat geval kan het instellingsbestuur van deze universiteit met een andere universiteit overeenkomen dat de betreffende masteropleiding aan die andere universiteit wordt aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt de wijze waarop de doorstroming van personen, bedoeld in het derde lid, wordt gewaarborgd. De overeenkomst behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsorganen van de betrokken universiteiten.
### Artikel 7.14
@ -1338,26 +1622,21 @@ Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onder
### Artikel 7.15
Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat tijdig voor de aanvang van het studiejaar en zodanig dat de aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen omtrent de inhoud en de inrichting van het onderwijs en de examens, openbaar worden gemaakt:
**1.** Het instellingsbestuur verstrekt zodanige informatie aan studenten en aanstaande studenten over de instelling, het te volgen onderwijs en de opleidingsnamen dat het die personen in staat stelt opleidingsmogelijkheden te vergelijken, zich een goed oordeel te vormen over de inhoud en de inrichting van het gevolgde of te volgen onderwijs en de examens.
a. het onderwijsaanbod,
b. de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregelingen,
c. ten aanzien van welke opleidingen een afwijzing verbonden kan worden aan het advies, bedoeld in artikel 7.8b, en ten aanzien van welke opleidingen een verwijzing als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, kan plaatsvinden, en
d. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid.
**2.** De vertegenwoordiging van de instellingen en de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten maken gezamenlijke afspraken over de specificaties van de informatie, bedoeld in het eerste lid. Indien zij daarin niet slagen, kunnen bij ministeriële regeling die nadere specificaties worden gegeven van inhoud en vorm van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding. In de ministeriële regeling kunnen voor verschillende groepen van instellingen verschillende specificaties worden gegeven.
### Artikel 7.16
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van lerarenopleidingen inrichtingsvoorschriften worden gegeven.
**2.** Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Het instellingsbestuur kan procedures en criteria voor de erkenning van verworven competenties vaststellen voor degenen die niet zijn ingeschreven.
#### Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding
### Artikel 7.17
**1.** Onverminderd het tweede lid wordt een opleiding verzorgd in de gemeente waar die opleiding blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is gevestigd.
**1.** Onverminderd het tweede lid wordt een opleiding verzorgd in de gemeente of het openbaar lichaam BES waar die opleiding blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is gevestigd.
**2.** Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten te vestigen. Hij legt het voornemen daartoe ter instemming voor aan Onze minister.
**2.** Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES te vestigen. Hij legt het voornemen daartoe ter instemming voor aan Onze minister.
**3.** Onze minister wordt geacht met het voornemen, bedoeld in het tweede lid, in te stemmen, indien hij niet binnen vier maanden na ontvangst daarvan heeft verklaard dat aan het voornemen geen uitvoering kan worden gegeven in verband met een ondoelmatige spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs die als gevolg daarvan zou ontstaan.
@ -1367,15 +1646,15 @@ d. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid
### Artikel 7.17a
**1.** Onze minister kan besluiten dat een opleiding die in twee of meer gemeenten is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde gemeente is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding in die gemeente, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht.
**1.** Onze minister kan besluiten dat een opleiding die in twee of meer gemeenten, in twee of meer openbare lichamen BES of in een of meer gemeenten en een of meer openbare lichamen BES is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde gemeente of openbaar lichaam BES is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding in die gemeente of dat openbaar lichaam BES, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht.
**2.** Bij zijn besluit bepaalt Onze minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding niet langer in de in het eerste lid bedoelde gemeente is gevestigd.
**2.** Bij zijn besluit bepaalt Onze minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding niet langer in de gemeente of het openbaar lichaam BES, bedoeld in het eerste lid, is gevestigd.
#### Paragraaf 3. De promoties
### Artikel 7.18
**1.** Het college voor promoties van een universiteit of van de Open Universiteit is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de promotie.
**1.** Het college voor promoties van een universiteit, de Open Universiteit of een levensbeschouwelijke universiteit is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de promotie.
**2.**
@ -1385,11 +1664,13 @@ a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Mas
b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en
c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
**3.** In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder *b* en *c* maar niet voldoen aan dat lid onder *a*, tot de promotie toegang verlenen.
**3.** In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.
**4.** Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
**4.** Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit, een levensbeschouwelijke universiteit of de Open Universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
**5.** Voor de toepassing van het vierde lid worden de kerkelijke hoogleraren aan een openbare universiteit en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
**5.** Voor de toepassing van het vierde lid worden en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
**6.** Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen de graad Doctor verlenen op grond van een promotie. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. De instellingen kunnen nadere afspraken maken omtrent de uitvoering binnen het bepaalde in het promotiereglement.
### Artikel 7.19
@ -1397,8 +1678,9 @@ c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotier
Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:
a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken, en
b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen.
a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken,
b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen, en
c. indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot artikel 7.18, zesde lid.
**2.** Het college voor promoties is bevoegd om, op voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen de graad Doctor honoris causa te verlenen.
@ -1406,7 +1688,26 @@ b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betre
### Artikel 7.19a
Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.
**1.** Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.
**2.**
De graad, bedoeld in het eerste lid, en de toevoegingen, bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, worden als volgt aangeduid:
a. Bachelor: B,
b. Master: M,
c. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA,
d. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc,
e. Bachelor met een andere toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin,
f. Master met de toevoeging «of Arts»: MA,
g. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en
h. Master met een andere toevoeging als bedoeld in onderdeel e.
**3.** Indien artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin, toepassing heeft gevonden, worden de afkorting van de desbetreffende graden met toevoegingen bij ministeriële regeling vastgesteld.
**4.** Degene aan wie op grond van artikel 7.10b de graad Associate degree is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. De afkorting van die graad is Ad.
**5.** De graad en de toevoeging worden, afgekort, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.
### Artikel 7.20
@ -1445,7 +1746,7 @@ Vervallen
**2.** Degene die op grond van het eerste lid gerechtigd is de in dat lid bedoelde graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd de titel doctor te voeren.
**3.** De in het tweede lid bedoelde titel wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.
**3.** De in het eerste lid bedoelde graad wordt, aangeduid als D, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst. De in het tweede lid bedoelde titel wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.
**4.** De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van de graad, bedoeld in het eerste lid, en het voeren van de titel, bedoeld in het tweede lid.
@ -1461,9 +1762,9 @@ Vervallen
**2.** Degene aan wie op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren. In de in de eerste volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking kan worden gebracht.
**3.** De Informatie Beheer Groep kan aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van de Informatie Beheer Groep ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.
**3.** Onze Minister kan aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van Onze Minister ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.
**4.** Degene aan wie door een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad als bedoeld in artikel 7.22 is verleend en gerechtigd is op grond daarvan een graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Degene aan wie door een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad als bedoeld in artikel 7.22 is verleend en die gerechtigd is op grond daarvan een graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «het verlenen van een graad» mede begrepen het verkrijgen van een titel.
@ -1477,15 +1778,36 @@ In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een bacheloropleiding.
### Artikel 7.24
**1.** Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als vooropleidingseis het bezit van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.
**1.**
**2.** Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs of een diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Met een diploma als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als opleidingseis het bezit van:
a. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
**2.**
Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als vooropleidingseis het bezit van:
a. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
c. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
d. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
e. het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of
f. het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
**3.** Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
### Artikel 7.25
**1.** Bij ministeriële regeling worden het profiel of de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangewezen waarop het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs betrekking moeten hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen.
**1.**
Bij ministeriële regeling wordt het profiel of worden de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 38 van de Wet voortgezet onderwijs BES aangewezen waarop de hierna te noemen diplomas betrekking moeten hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of een groep van opleidingen:
a. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
c. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
d. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
**2.**
@ -1501,7 +1823,7 @@ c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer e
### Artikel 7.26
**1.** Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs”“beroepsonderwijs”” moet zijn beroepsonderwijs,”. onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.
**1.** Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs, bedoeld in de wet op het voortgezet onderwijs en in de Wet voortgezet onderwijs BES, of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling in verband daarmee eisen worden gesteld in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld ten aanzien van welke opleidingen het eerste lid toepassing kan vinden.
@ -1523,7 +1845,7 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op
### Artikel 7.28
**1.** Degene aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a is verleend, en de bezitter van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen, onverminderd het derde en vierde lid.
**1.** Degene aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a is verleend, en de bezitter van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen, onverminderd het derde en vierde lid. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de artikelen 7.26, 7.26a en 7.27.
**2.** Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.
@ -1555,7 +1877,7 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op
### Artikel 7.30a
**1.** Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in relatie tot een bacheloropleiding is aangewezen op grond van artikel 7.13, derde lid, geldt als toelatingseis dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, van de desbetreffende bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aan dezelfde instelling. Indien op grond van de in de eerste volzin genoemde bepaling een afstudeerrichting is aangewezen, geldt in afwijking van de eerste volzin als toelatingseis voor een in die volzin bedoelde masteropleiding het bezit van het in die volzin bedoelde getuigschrift dat betrekking heeft op die afstudeerrichting. In afwijking van de eerste volzin kan de examencommissie besluiten dat degene die voor een bacheloropleiding als bedoeld in die volzin is ingeschreven, toch wordt ingeschreven voor een masteropleiding als bedoeld in die volzin onder de voorwaarde dat is voldaan aan bij de onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende masteropleiding te stellen eisen.
**1.** Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in relatie tot een bacheloropleiding is aangewezen op grond van artikel 7.13, derde lid, geldt als toelatingseis dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, van de desbetreffende bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aan dezelfde instelling. Indien op grond van de in de eerste volzin genoemde bepaling een afstudeerrichting is aangewezen, geldt in afwijking van de eerste volzin als toelatingseis voor een in die volzin bedoelde masteropleiding dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend die betrekking heeft op die afstudeerrichting. In afwijking van de eerste volzin kan het instellingsbestuur desgevraagd besluiten dat degene die voor een bacheloropleiding als bedoeld in die volzin is ingeschreven, toch wordt ingeschreven voor een masteropleiding als bedoeld in die volzin voor zover het achterwege laten van de inschrijving gelet op het belang dat de voorgaande volzinnen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
**2.** Het eerste lid heeft ook betrekking op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.13, vierde lid, tweede volzin.
@ -1570,7 +1892,7 @@ De onder a bedoelde eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. D
**4.** Artikel 7.27 is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Het bewijs van toelating, bedoeld in het derde lid, heeft betrekking op het studiejaar dat gelegen is na het studiejaar waarin de aanvraag voor dat bewijs is ingediend.
**5.** Het bewijs van toelating, bedoeld in het derde lid, heeft betrekking op het studiejaar dat gelegen is na het studiejaar waarin de aanvraag voor dat bewijs is ingediend, tenzij het instellingsbestuur anders beslist.
### Artikel 7.30b
@ -1580,7 +1902,26 @@ De onder a bedoelde eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. D
### Artikel 7.30c
Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30a en 7.30b, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.
**1.**
Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs gelden als toelatingseisen dat:
a. aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, en
b. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te stellen eisen.
**2.** Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de toelatingseis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien uit een door hem ingesteld onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over vergelijkbare kennis, inzicht en vaardigheden waarop die toelatingseis betrekking heeft.
### Artikel 7.30d
Op de personen, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin, zijn, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet, niet van toepassing:
a. artikel 7.30a, met uitzondering van het derde lid, tweede volzin, onderdeel b, en de in het derde lid, vierde volzin, bedoelde kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden,
b. artikel 7.30b, met uitzondering van de in het eerste lid, vierde volzin, bedoelde eisen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden, en
c. artikel 7.30c, met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde kennis, inzicht en vaardigheden.
### Artikel 7.30e
Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30a tot en met 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.
### Artikel 7.31
@ -1590,23 +1931,6 @@ Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikele
### Titel 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS
### Artikel 7.31a
**1.**
In het hoger beroepsonderwijs is vrijgesteld van het afleggen van tentamens, verbonden aan onderwijseenheden met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten, degene
a. die in het bezit is van een diploma van een middenkaderopleiding, een specialistenopleiding of een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voorzover aangewezen bij ministeriële regeling, en
b. die is ingeschreven voor een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs, indien bij de in onderdeel a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding aansluit op een in onderdeel a bedoelde opleiding.
**2.** Het instellingsbestuur regelt voor elke opleiding, bedoeld in het eerste lid, onder a, de inhoud van de vrijstelling voor de daarop aansluitende bacheloropleiding of voor de groep van daarop aansluitende bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs. De regeling van deze vrijstelling wordt opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
**3.** In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur, indien naar zijn oordeel het niveau van betrokkene op grond van een aantoonbaar gebrek aan tijdens een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a, aangeboden kennis of vaardigheden een vrijstelling van de in dat lid bedoelde omvang niet toelaat, een vrijstelling van een geringere omvang verlenen. In dat geval maakt het instellingsbestuur de omvang en de inhoud van de verleende vrijstelling aan de betrokkene bekend.
### Artikel 7.31b
Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende bacheloropleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
### Titel 3. Studenten en extraneï
#### Paragraaf 1. Inschrijving
@ -1617,7 +1941,7 @@ Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling hee
**2.** In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student.
**3.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit ook kan geschieden voor een of meer onderwijseenheden.
**3.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden.
**4.** De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar.
@ -1635,7 +1959,7 @@ e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b
### Artikel 7.33
**1.** De inschrijving geschiedt overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
**1.** Onverminderd artikel 7.39, geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
**2.** Aan degene die is ingeschreven, wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven.
@ -1647,7 +1971,7 @@ e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b
De inschrijving als student geeft het recht:
a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid, 7.30a, derde lid, en 7.30b, eerste lid, 7.53, derde lid, of 7.56 anders te beslissen,
a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit in geval van toepassing van de artikelen 6.7a, 7.9, eerste lid, 7.30a, derde lid, 7.30b, eerste lid, 7.42a, 7.53, derde lid, 7.56 of 7.57h anders te beslissen,
b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,
c. van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet,
d. gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en
@ -1655,9 +1979,9 @@ e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg
**2.** Indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, bepaalt dat bestuur het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
**3.** De inschrijving aan de Open Universiteit geeft tevens het recht het benodigde cursusmateriaal te ontvangen en de daarbij behorende begeleiding te genieten. Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in de eerste volzin en de in het eerste lid onder *a* tot en met *d,* bedoelde rechten.
**3.** Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in het eerste lid onder a tot en met d, bedoelde rechten.
**5.** In afwijking van het eerste lid, onder b, heeft de student, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, tweede volzin, niet het recht de examens van die opleiding af te leggen.
**4.** In afwijking van het eerste lid, onder b, heeft de student, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, derde volzin, niet het recht het examen van de masteropleiding af te leggen.
### Artikel 7.35
@ -1665,31 +1989,53 @@ Vervallen
### Artikel 7.36
De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder *b* en *c* .Artikel 7.34, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder b en c. Artikel 7.34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 7.37
**1.** De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de in titel 2 van dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid, en met dien verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet.
**2.** Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde cursusgeld is voldaan.
**2.** Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde collegegeld OU is of wordt voldaan.
**3.** Indien een meerderjarige student of extraneus het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat door de student of extraneus schriftelijk is verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld voldoet.
**4.** Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te voren, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard, bij de Informatie Beheer Groep heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling en de bacheloropleiding waarop de inschrijving betrekking heeft. De Informatie Beheer Groep levert de aanmeldingsgegevens aan de instelling van eerste voorkeur.
**4.** Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te voren met inachtneming van artikel 7.38 en, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard, bij Onze Minister heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling en de bacheloropleiding waarop de inschrijving betrekking heeft. Onze Minister levert de aanmeldingsgegevens aan de instelling van eerste voorkeur.
**5.** Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
**6.** De inschrijving aan een bijzondere instelling kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
**7.** De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het vierde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
**7.** De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het vijfde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
### Artikel 7.37a
In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 6 of artikel 8 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, eveneens open voor degene die voldoet aan de in die artikelen bedoelde eisen.
### Artikel 7.37b
In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 7 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, in voorkomende gevallen in verband met het deelnemen aan een experimenteel programma, slechts open voor degene die tevens voldoet aan de in dat artikel bedoelde eisen.
### Artikel 7.38
Vervallen
**1.** Bij de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, vierde lid, legt de student mede zijn persoonsgebonden nummer over. Indien de student aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de aanmelding plaats met inachtneming van het derde lid.
**2.** Het persoonsgebonden nummer wordt overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van de student zijn vermeld.
**3.** Indien de student aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, verstrekt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan hem zijn onderwijsnummer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de student toegekend persoonsgebonden nummer.
**4.** Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan het bestuur van de instelling van eerste voorkeur van de student, het persoonsgebonden nummer van de student en de gegevens, bedoeld in artikel 7.52, tweede lid, voorzover die door de student zijn verstrekt.
### Artikel 7.39
Vervallen
**1.** Bij de inschrijving legt de student of extraneus tevens zijn persoonsgebonden nummer over. Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het tweede lid. Artikel 7.38, tweede lid, is van toepassing.
**2.** Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, meldt het instellingsbestuur binnen twee weken aan de Informatie Beheer Groep de beschikbare gegevens van de student of extraneus, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats.
**3.** De Informatie Beheer Groep verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid, aan het instellingsbestuur het burgerservicenummer van de student of extraneus, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of extraneus.
**4.** Het instellingsbestuur neemt het persoonsgebonden nummer van de student of extraneus op in de administratie van de instelling.
**5.** Indien aan een student of extraneus een onderwijsnummer is toegekend en het instellingsbestuur daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het instellingsbestuur dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het instellingsbestuur meldt deze wijziging binnen twee weken aan de Informatie Beheer Groep onder opgave van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de student of extraneus.
### Artikel 7.40
@ -1701,148 +2047,214 @@ Vervallen
### Artikel 7.42
**1.**
**1.** Het instellingsbestuur beëindigt op verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding diens inschrijving met ingang van de volgende maand.
Op het verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool:
**2.** Indien degene die is ingeschreven voor een opleiding zijn wettelijk collegegeld, instellingscollegegeld, collegegeld OU of examengeld na aanmaning niet heeft voldaan, kan het instellingsbestuur de inschrijving, met ingang van de tweede maand volgend op de aanmaning beëindigen.
a. wordt de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op die waarin het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg is afgelegd;
b. wordt in geval van ziekte of bijzondere familie-omstandigheden, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op de tweede hele maand waarin betrokkene niet aan het onderwijs heeft kunnen deelnemen;
c. wordt de inschrijving tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin dat bestuur het verzoek heeft ontvangen;
d. wordt de inschrijving beëindigd met ingang van de eerste maand volgend op de maand waarin het verzoek tot beëindiging van de inschrijving is ontvangen, indien de student als gevolg van de inrichting van de opleiding wat betreft de volgtijdelijkheid van praktische oefeningen alsmede de momenten waarop deze gevolgd kunnen worden, gedurende enige tijd geen onderwijs kan volgen;
e. wordt, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin betrokkene het verzoek heeft gedaan.
**3.** Indien een inschrijving wordt beëindigd in een geval als bedoeld in artikel 7.8b, vijfde lid, artikel 7.12b, artikel 7.37, vijfde of zesde lid, artikel 7.42a of artikel 7.57h, eerste of tweede lid, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving met ingang van de volgende maand.
**2.** Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
**4.** Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
**5.** Het instellingsbestuur informeert de betrokkene en de Informatie Beheer Groep over de beëindiging van de inschrijving.
### Artikel 7.42a
**1.** Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen de inschrijving van een student voor een opleiding beëindigen dan wel weigeren, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
**2.** Het instellingsbestuur dan wel het instellingsbestuur van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven.
**3.** Indien de student, bedoeld in het eerste lid, is ingeschreven voor een andere opleiding en daarbinnen het onderwijs volgt van een afstudeerrichting die overeenkomt met of gelet op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening verwant is aan de opleiding waarvoor de inschrijving met toepassing van het eerste lid is beëindigd, kan het instellingsbestuur na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen besluiten dat de student die afstudeerrichting of andere onderdelen van die opleiding niet mag volgen.
**4.** Artikel 7.42, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 2. Eigen bijdragen
### Artikel 7.43
**1.**
**1.** Een student is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling wettelijk collegegeld als bedoeld in de artikelen 7.45 en 7.45a of instellingscollegegeld als bedoeld in artikel 7.46 verschuldigd. Een student die door het instellingsbestuur van de Open Universiteit voor een onderwijseenheid is ingeschreven, is het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, verschuldigd.
Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een collegegeld verschuldigd van € 1 329,58 door degene die voor de aanvang van het studiejaar de leeftijd van 30 jaren nog niet heeft bereikt, en die
a. de nationaliteit bezit van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of
b. een niet onder a bedoelde vreemdeling is die studiefinanciering geniet krachtens de Wet studiefinanciering 2000.
**2.** Bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool is een door het instellingsbestuur vast te stellen collegegeld verschuldigd door degene die niet onder het bereik valt van het eerste lid. Het collegegeld bedraagt ten minste € 1 329,58.
**3.** Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van de op grond van het tweede lid vastgestelde bedragen en stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dat lid.
**4.** Bij ministeriële regeling wordt het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het geïndexeerde collegegeld zal gelden. De indexering wordt bepaald door de procentuele wijziging die het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. De aldus verkregen wijziging van het collegegeldbedrag wordt afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. Het overeenkomstig dit lid gewijzigde bedrag treedt in de plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag. Hetgeen onder prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie wordt verstaan, wordt geregeld bij ministeriële regeling.
**2.** Met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 7.48, eerste en tweede lid, is artikel 7.42, tweede lid, van toepassing.
### Artikel 7.44
**1.** Voor de inschrijving als student voor een deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool stelt het instellingsbestuur het collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten minste € 567,23.
**1.** Een extraneus is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling examengeld verschuldigd.
**2.** Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Het instellingsbestuur stelt de hoogte van het examengeld vast.
**3.** Artikel 7.42, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 7.45
**1.** Voor de inschrijving als extraneus is een door het instellingsbestuur vast te stellen examengeld verschuldigd.
**1.** De hoogte van het volledige wettelijke collegegeld wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
**2.** Artikel 7.43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** De hoogte van het gedeeltelijke wettelijke collegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld en is gelegen tussen een minimum- en een maximumbedrag. Deze bedragen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
**3.** Het gedeeltelijke wettelijke collegegeld bedraagt niet meer dan het volledige wettelijke collegegeld.
**4.** Het instellingsbestuur informeert Onze minister over de hoogte van het bedrag dat het instellingsbestuur op grond van het tweede lid heeft vastgesteld.
**5.** De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden jaarlijks volgens de consumentenprijsindex geïndexeerd, op de wijze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald.
### Artikel 7.45a
**1.**
Het wettelijke collegegeld is verschuldigd door een student die:
a. blijkens het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.52, sedert 1 september 1991 voor een inschrijving aan een bacheloropleiding niet eerder een bachelorgraad heeft behaald of voor een inschrijving aan een masteropleiding niet eerder een mastergraad heeft behaald,
b. woonachtig is in Nederland, België, Luxemburg of een van de deelstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland, en
c. tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000, behoort of de Surinaamse nationaliteit bezit.
**2.** De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geldt niet voor een student die voor de eerste maal een opleiding op het gebied van onderwijs of gezondheidszorg volgt.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie studenten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid.
**4.** Een student als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, die is ingeschreven voor een voltijdse opleiding is het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, verschuldigd.
**5.** Een student als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, die is ingeschreven voor een deeltijdse of duale opleiding, is het gedeeltelijke wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, tweede lid, verschuldigd.
**6.** Indien een student als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid meer dan één opleiding volgt en de opleiding waarvoor hij het eerst is ingeschreven met goed gevolg afrondt, is deze student het wettelijke collegegeld verschuldigd voor het resterende deel van het studiejaar. Het verschuldigde bedrag wordt in dat geval berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar.
**7.**
Voor de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt met een student die een bachelorgraad heeft behaald gelijkgesteld:
a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een hogere beroepsopleiding met een studielast van 168 studiepunten, volgens de wet zoals die luidde op 31 augustus 2002, en
b. een student die met goed gevolg het kandidaatsexamen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.8, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002.
**8.**
Voor de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt met een student die een bachelor- en mastergraad heeft behaald, gelijkgesteld:
a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002;
b. een student die op grond van artikel 18.14 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs; en
c. een student die op grond van artikel 18.15 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
### Artikel 7.45b
**1.** Een student als bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede of derde lid, die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één zestigste deel en ten hoogste één dertigste deel van het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is.
**2.** Een student die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit en die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede, of derde lid, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één dertigste deel van het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is.
**3.** De hoogte van het collegegeld OU wordt door het instellingsbestuur van de Open Universiteit vastgesteld. Voor de categorie studenten, bedoeld in het tweede lid, kan het instellingsbestuur van de Open Universiteit per onderwijseenheid of groep van onderwijseenheden of per groep of groepen studenten een verschillend collegegeld OU vaststellen.
**4.** Indien een student als bedoeld in het tweede lid gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede of derde lid, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn verzoek het collegegeld OU, bedoeld in het eerste lid, verschuldigd, en betaalt het instellingsbestuur OU hem het hogere collegegeld OU, dat de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald, terug.
**5.** Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
### Artikel 7.46
**1.** De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43, eerste en tweede lid, 7.44, eerste lid, en 7.45, eerste lid, bedoelde bedragen.
**1.** Een student die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede, derde of zesde lid, en niet is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is het instellingscollegegeld verschuldigd.
**2.** De hoogte van het instellingscollegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld. Het instellingsbestuur kan per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend instellingscollegegeld vaststellen.
**3.** Onverminderd artikel 7.3c, vierde lid, bedraagt het instellingscollegegeld ten minste het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid.
**4.** Indien de student, bedoeld in het eerste lid, gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede, derde of zesde lid, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn verzoek het wettelijke collegegeld verschuldigd en betaalt het instellingsbestuur hem het hogere instellingscollegegeld, dat de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald, terug.
**5.** Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
### Artikel 7.47
Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan door:
a. betaling ineens, dan wel
b. betaling in termijnen, overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling, waarbij door het instellingsbestuur administratiekosten in rekening kunnen worden gebracht tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag.
### Artikel 7.48
**1.** Indien een student als bedoeld in artikel 7.45a bij een instelling is ingeschreven voor een opleiding en aan dezelfde of een andere bekostigde instelling met uitzondering van de Open Universiteit een tweede inschrijving wenst, is hij voor de laatstbedoelde inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld, tenzij het betaalde dan wel te betalen bedrag voor de eerste inschrijving lager is dan het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid. In dat geval is het verschil verschuldigd.
**2.** Degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die in plaats daarvan, dan wel daarnaast in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en daarvoor het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, is verschuldigd, is voor de inschrijving voor een opleiding aan een bekostigde instelling met uitzondering van de Open Universiteit een collegegeld verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het bedoelde wettelijke collegegeld. Indien hij een collegegeld verschuldigd is dat lager is dan het reeds voldane bedrag wordt hij van het betalen van collegegeld vrijgesteld.
**3.** Een student is slechts een gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijk collegegeld verschuldigd, indien de student zich gedurende het studiejaar inschrijft. In dat geval wordt het verschuldigde bedrag berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar.
**4.** De student heeft aanspraak op terugbetaling van een twaalfde gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijk collegegeld voor elke maand dat het studiejaar na beëindiging van zijn inschrijving duurt, tenzij een betalingsregeling als bedoeld in artikel 7.47, onderdeel b, is getroffen. Indien een student in de loop van het studiejaar overlijdt, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde wettelijk collegegeld terugbetaald. Bij beëindiging van de inschrijving met ingang van juli of augustus heeft de student geen aanspraak op beëindiging van betaling van de termijnen, bedoeld in artikel 7.47, onderdeel b, en op terugbetaling van het voor die maanden betaalde collegegeld, tenzij het instellingsbestuur dat anders heeft geregeld. Dit lid is niet van toepassing op de Open Universiteit.
**5.** Vermindering of vrijstelling van het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt aangemerkt als ondoelmatige besteding van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid.
**6.** Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt een regeling vast waarin een voorziening in de vorm van een verlaging van het collegegeld OU wordt getroffen, voor studenten als bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, van wie het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, minder dan 110% van het belastbaar minimumloon bedraagt. In de regeling stelt het instellingsbestuur vast welke aanvraagbescheiden moeten worden ingediend. De hoogte van de verlaging, bedoeld in de eerste volzin, is in elk geval afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.
**7.** Een student die aanspraak maakt op wettelijk collegegeld op grond van artikel 7.45a, tweede lid, wordt voor een andere inschrijving niet vrijgesteld van het betalen van collegegeld als bedoeld in de artikelen 7.45, 7.45a en 7.46.
### Artikel 7.49
**1.** Het instellingsbestuur stelt in afwijking van artikel 7.45, eerste lid, voor een opleiding die of voor een experimenteel programma dat is aangewezen op grond van artikel 9 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, een collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten hoogste vijf keer het volledige wettelijke collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid.
**2.** Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag.
**3.** Indien het eerste lid voor een opleiding toepassing heeft gevonden, komt het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde collegegeld in de plaats van het collegegeld, genoemd in artikel 7.45, eerste lid.
**4.** Artikel 7.45, vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Artikel 7.47 is van toepassing.
### Artikel 7.50
**1.** De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43 tot en met 7.49 bedoelde bedragen.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur van een hogeschool met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 7.26, tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.
**3.** Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.
### Artikel 7.47
**1.**
Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan door:
a. betaling ineens, dan wel
b. gespreide betaling, overeenkomstig een door het instellingsbestuur en de degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling, waarbij door het instellingsbestuur administratiekosten in rekening kunnen worden gebracht. Deze bedragen ten hoogste € 13,61. In geval van betaling in termijnen is sprake van ten minste vijf termijnen, die over het hele studiejaar zijn gespreid.
**2.** De belanghebbende, bedoeld in de artikelen 7.43, tweede lid, en 7.44, eerste lid, is collegegeld verschuldigd met ingang van het door het instellingsbestuur te bepalen tijdstip.
### Artikel 7.48
**1.** Vermindering of vrijstelling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met het vierde lid.
**2.**
Het collegegeld wordt met een twaalfde deel voor elke maand dat betrokkene niet is ingeschreven, verminderd:
a. voor degene die in de loop van het studiejaar wordt ingeschreven;
b. voor degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool, en wiens inschrijving op zijn verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur is beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder *b*, *c*, *d* of *e*, en die in de loop van hetzelfde studiejaar opnieuw voor een opleiding wenst te worden ingeschreven.
**3.** Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel aan een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel XIII van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (*Stb. *1975, 729), of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die in plaats daarvan, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en daarvoor een hoger collegegeld is verschuldigd dan de reeds voldane bijdrage, is voor de tweede inschrijving een collegegeld verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het bedoelde, hogere collegegeld.
**4.** Degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een universiteit of hogeschool dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel XIII van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (*Stb*. 1975, 729), of degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die daarnaast, onderscheidenlijk daarnaast of in plaats daarvan, in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven, voor welke inschrijving een collegegeld is verschuldigd, dat lager is dan of gelijk is aan de reeds voldane bijdrage, wordt voor de tweede inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld.
### Artikel 7.49
**1.** Terugbetaling van het collegegeld, bedoeld in artikel 7.43, eerste lid, vindt plaats in de gevallen en op de wijze als omschreven in het tweede tot en met vierde lid.
**2.** Met ingang van de maand waarin de student, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, onder a, is uitgeschreven, wordt hem op zijn schriftelijk verzoek voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een tiende gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid. Voor de toepassing van dit artikellid tellen de laatste twee maanden van het studiejaar niet mee.
**3.** Indien de inschrijving van degene op wiens schriftelijk verzoek in de loop van het studiejaar door of namens het instellingsbestuur wordt beëindigd op grond van artikel 7.42, eerste lid, onder b, c, d of e, wordt met ingang van de maand waarin de inschrijving wordt beëindigd, voor elke maand die in dat studiejaar nog resteert, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald, tenzij deze student nog is ingeschreven voor een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 7.48, derde en vierde lid.
**4.** Indien een student in de loop van het studiejaar is overleden, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde collegegeld terugbetaald.
**5.** De in dit artikel bedoelde terugbetaling geschiedt overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
### Artikel 7.50
**1.** Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt het voor een inschrijving verschuldigde cursusgeld vast. Bij de vaststelling van de bedragen houdt het instellingsbestuur rekening met de toegankelijkheid van het onderwijs aan de Open Universiteit.
**2.** Het instellingsbestuur stelt een regeling vast, waarin een voorziening in de vorm van een gedeeltelijke vrijstelling ten aanzien van het cursusgeld wordt getroffen, ten behoeve van personen waarvan de draagkracht uit inkomen beneden een door Onze minister te bepalen grens ligt. De hoogte van de vrijstelling is afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.
**3.** Het instellingsbestuur draagt zorg voor openbaarmaking van de cursusgelden, bedoeld in het eerste lid, en van de regeling, bedoeld in het tweede lid. Deze openbaarmaking geschiedt in elk geval door plaatsing in de Staatscourant.
**4.** Het instellingsbestuur zendt de regeling, bedoeld in het tweede lid, binnen veertien dagen na de vaststelling aan Onze minister en brengt jaarlijks voor 1 juli verslag uit aan Onze minister over de uitvoering van de regeling.
### Artikel 7.51
**1.**
Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van de student ten aanzien van wie zich ieder van de navolgende feiten voordoet:
Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die:
a. de student is aan de desbetreffende instelling ingeschreven voor een opleiding waarvan hij het afsluitend examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd,
b. de student geniet of heeft in verband met het volgen van de opleiding, bedoeld onder a, dan wel het volgen van dezelfde opleiding aan een andere instelling, studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 genoten,
c. in de periode waarin met het oog op het volgen van een opleiding aan een instelling als bedoeld in de bijlage van deze wet onder a tot en met g studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering dan wel op de voet van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000 werd genoten, doen zich een of meer, in het tweede lid genoemde, bijzondere omstandigheden voor of hebben deze zich voorgedaan, en
d. de in onderdeel c bedoelde bijzondere omstandigheden hebben tot studievertraging geleid of zullen dat naar verwachting doen.
a. aan de desbetreffende instelling voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, is ingeschreven voor een opleiding waarvoor aan hem nog geen graad is verleend en wettelijk collegegeld verschuldigd is,
b. in verband met de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid de opleiding niet of niet geheel volgt, en voor die opleiding aanspraak heeft of heeft gehad op prestatiebeurs als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet studiefinanciering 2000, en
c. studievertraging heeft opgelopen of naar verwachting zal oplopen als gevolg van bijzondere omstandigheden, of
d. is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4a, achtste lid, heeft toegepast, of
e. aan de desbetreffende instelling voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, is ingeschreven voor een opleiding waaraan niet opnieuw accreditatie is verleend en waarvoor aan hem nog geen graad is verleend.
**2.**
De bijzondere omstandigheden van de student die bij de toepassing van het eerste lid in aanmerking worden genomen zijn:
De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zijn:
a. ziekte of zwangerschap;
b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornissen;
c. bijzondere familieomstandigheden;
d. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van:
a. het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, een opleidingscommissie, het bestuur van een opleiding als bedoeld in artikel 9.17, de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, of 10.16a, derde lid, de medezeggenschapsraad, de deelraad of de studentenraad,
b. activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt,
c. ziekte of zwangerschap en bevalling,
d. een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis,
e. bijzondere familieomstandigheden,
f. een onvoldoende studeerbare opleiding,
g. overige door het instellingsbestuur met in achtneming van het derde lid vastgestelde bijzondere omstandigheden waarin een student verkeert,
h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
1°. bij universiteiten: de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, of artikel 9.51, tweede lid, het bestuur van een opleiding of een opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op de taak, gelijk te stellen orgaan;
2°. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, de deelraad, een studentencommissie of opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op haar taak, gelijk te stellen orgaan;
e. andere door het instellingsbestuur te bepalen omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de instelling;
f. ter beoordeling van het instellingsbestuur: het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid;
g. een onvoldoende studeerbare opleiding;
h. verlies van accreditatie van de opleiding waaraan de student is ingeschreven;
i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
**3.**
**3.** Het instellingsbestuur deelt de student schriftelijk de beslissing op de aanvraag om toekenning van financiële ondersteuning zo spoedig mogelijk mede, nadat de student een bijzondere omstandigheid heeft aangemeld. De financiële ondersteuning wordt de student zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld of op een ander, door de student te bepalen tijdstip.
Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een student die:
**4.** De omvang van de financiële ondersteuning is gelijk aan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.
a. aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor aan hem nog geen graad is verleend,
b. niet voldoet aan een nationaliteitseis als bedoeld in artikel 7.45a, eerste lid, en
c. woonachtig is in Nederland, België, Luxemburg of een van de deelstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland.
**5.** Bij de vaststelling van de tijdsduur van de financiële ondersteuning wordt het verband tussen de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, en de onderwijsprogrammering in aanmerking genomen. Het instellingsbestuur kan aan de beschikbaarstelling van de voorziening de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk studerende is. Het instellingsbestuur kan aan toekenning van financiële ondersteuning op grond van de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder e en f, voorwaarden verbinden. Het instellingsbestuur stelt regels betreffende de voorwaarden, bedoeld in de derde volzin.
**3a.**
**6.** De omvang en de duur van een aan een student aan de desbetreffende instelling eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning op grond van dit artikel zoals dat luidde op 31 augustus 2000 worden geëerbiedigd, indien deze gunstiger voor de student zijn dan bij toepassing van dit artikel. De student die een opleiding aan een andere instelling als bedoeld in de bijlage van deze wet onder a tot en met g heeft gevolgd, en op grond van dit artikel een eerder toegekende aanspraak op financiële ondersteuning heeft of zou hebben gehad, indien hij daarom zou hebben verzocht, heeft, met inachtneming van de eerste volzin, aanspraak op financiële ondersteuning als ware die opleiding genoten aan de instelling waaraan de student is ingeschreven.
Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een persoon die:
**7.** Onze minister treft voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student die gedurende een maand of langer deelneemt aan een beoordeling als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, of een student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang, waarbij de behartiging van een maatschappelijk of onderwijskundig belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. Bij algemene maatregel van bestuur worden de voorwaarden vastgesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.
a. niet is ingeschreven, en
b. indien hij ingeschreven zou staan aan een instelling aanspraak zou hebben op een vorm van studiefinanciering als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet studiefinanciering 2000.
### Artikel 7.51a
**4.** Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel, met uitzondering van lid 3a, waartoe in ieder geval behoren regels over de aanvang, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning. De duur van de financiële ondersteuning aan een student als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt de periode die overeenstemt met de studielast die uitgaat boven 60 studiepunten. De financiële ondersteuning is niet hoger dan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken. Het instellingsbestuur kan aan de toekenning van financiële ondersteuning de voorwaarde verbinden dat de student feitelijk studerend is.
**1.** Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.8, tweede lid, onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.8, tweede lid, onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.
**4a.**
**2.** Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op prestatiebeurs, indien de student is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4a, zevende lid, heeft toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de masteropleiding, die uitgaat boven het aantal van 60 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.
De voorziening, bedoeld in lid 3a,
**3.** Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast voor de toepassing van dit artikel.
a. heeft de vorm van een overeenkomst,
b. wordt slechts getroffen voor de periode van een jaar,
c. wordt slechts getroffen voor een persoon die naar het oordeel van het instellingsbestuur activiteiten uitvoert op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die mede in het belang zijn van de instelling en niet commercieel van aard zijn, en
d. bevat in elk geval een regeling op grond waarvan de persoon voor wie de voorziening wordt getroffen toegang heeft tot de voorzieningen van de instelling, niet zijnde het onderwijs.
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een student die aan de Open Universiteit is ingeschreven voor een onderwijseenheid.
**6.** Onze minister treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die bestuurslid is van een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang die voor het hoger onderwijs relevante activiteiten ontplooit en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden gesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.
**7.** In aanvulling op de voorzieningen, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, kan een voorziening voor financiële ondersteuning worden getroffen, die samen met de financiële ondersteuning ingevolge de voorzieningen, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, hoger is dan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken. Deze aanvulling wordt verstrekt onder de benaming: voorziening voor aanvullende ondersteuning.
**8.** Het instellingsbestuur onderscheidenlijk Onze minister deelt de student schriftelijk de hoogte van de financiële ondersteuning, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, mee waarbij het bedrag van de aanvullende ondersteuning, bedoeld in het zevende lid, afzonderlijk wordt vermeld. Voorts legt het instellingsbestuur onderscheidenlijk Onze minister de aan de student verstrekte financiële ondersteuning vast in zijn administratie, onder vermelding van het burgerservicenummer van de student en de hoogte van het toegekende bedrag waarbij de hoogte van de aanvullende ondersteuning, bedoeld in het zevende lid, afzonderlijk wordt vermeld.
#### Paragraaf 3. Centraal register inschrijving hoger onderwijs
@ -1852,17 +2264,23 @@ i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die, in
Er is een Centraal register inschrijving hoger onderwijs, dat ten doel heeft:
a. de instellingsbesturen, dat van de Open Universiteit daaronder niet begrepen, op hun verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken over de inschrijving van hen die wensen te worden ingeschreven dan wel zijn ingeschreven aan een instelling,
b. de Informatie Beheer Groep op diens verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, en
a. de instellingsbesturen op hun verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken over de inschrijving van hen die wensen te worden ingeschreven dan wel zijn ingeschreven aan een instelling,
b. Onze Minister op diens verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, en
c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten behoeve van de planning en bekostiging van de instellingen.
**2.** Gegevens, opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, waaraan informatie herleidbaar tot natuurlijke personen, kan worden ontleend, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan de geregistreerde personen zelf of hun gemachtigden, alsmede aan de in het eerste lid bedoelde instellingsbesturen. Aan burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk aan de Sociale verzekeringsbank, worden kosteloos desgevraagd gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, onderscheidenlijk voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Tevens worden desgevraagd aan het Centraal bureau voor de statistiek gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek. Voorts kunnen desgevraagd aan andere door de Informatie Beheer Groep aan te wijzen instanties gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden verstrekt uitsluitend in verband met door haar aan te wijzen onderzoeksdoeleinden. Andere gegevens, opgenomen in dat register, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan door de Informatie Beheer Groep aan te wijzen instanties.
**2.** Gegevens, opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, waaraan informatie herleidbaar tot natuurlijke personen, kan worden ontleend, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan de geregistreerde personen zelf of hun gemachtigden, alsmede aan de in het eerste lid bedoelde instellingsbesturen. Aan burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk aan de Sociale verzekeringsbank, worden kosteloos desgevraagd gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, onderscheidenlijk voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Tevens worden desgevraagd aan het Centraal bureau voor de statistiek gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek. Voorts kunnen desgevraagd aan andere door Onze Minister aan te wijzen instanties gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden verstrekt uitsluitend in verband met door haar aan te wijzen onderzoeksdoeleinden. Andere gegevens, opgenomen in dat register, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan door Onze Minister aan te wijzen instanties.
**3.** Van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep verantwoordelijke in de zin van artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
**3.** Van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs is Onze Minister verantwoordelijke in de zin van artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
**4.** De Informatie Beheer Groep kan ten behoeve van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs gebruikmaken van het sociaal fiscaal nummer, bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet studiefinanciering 2000.
**4.** Onze Minister kan ten behoeve van het Centraal register inschrijving hoger onderwijs gebruikmaken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet studiefinanciering 2000.
**5.** De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen stellen het Centraal register inschrijving hoger onderwijs telkenmale voor een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen datum en op een door hem te bepalen wijze in kennis van elke door hen genomen beslissing met betrekking tot de inschrijving als student of extraneus de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in de artikelen 7.9a en 7.9b, alsmede van de gegevens met betrekking tot het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d. De instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen zijn gehouden medewerking te verlenen aan procedures die er op zijn gericht te bevorderen dat de in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs opgenomen gegevens zoveel mogelijk juist en volledig zijn. Onze minister kan terzake nadere regels stellen.
**5.** De instellingsbesturen stellen het Centraal register inschrijving hoger onderwijs telkenmale voor een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen datum en op een door hem te bepalen wijze in kennis van elke door hen genomen beslissing met betrekking tot de inschrijving als student of extraneus de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in artikel 7.9a, alsmede van de gegevens met betrekking tot het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d. De instellingsbesturen zijn gehouden medewerking te verlenen aan procedures die er op zijn gericht te bevorderen dat de in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs opgenomen gegevens zoveel mogelijk juist en volledig zijn. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regels worden gesteld.
**6.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**7.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**8.** Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een student of extraneus ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.
#### Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving
@ -1875,13 +2293,13 @@ b. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is inges
### Artikel 7.53
**1.** Het instellingsbestuur kan per opleiding het aantal studenten vaststellen, dat ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan de Informatie Beheer Groep.
**1.** Het instellingsbestuur kan per opleiding het aantal studenten vaststellen, dat ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan Onze Minister. Voor een opleiding die na deze datum voor de eerste maal is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 6.13, en waarvan het onderwijs zal aanvangen met ingang van het daaropvolgende studiejaar, geldt 1 april als uiterste datum voor de mededeling aan Onze Minister van de onderwijscapaciteit van die opleiding.
**2.** Indien uit de gegevens betreffende de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, vierde lid, blijkt dat het aantal eerste aanmeldingen van studenten voor de propedeutische fase van een opleiding meer bedraagt dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, doet de Informatie Beheer Groep daarvan voor 1 april mededeling aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur deelt de Informatie Beheer Groep voor 1 mei mee of het aanleiding ziet het aantal plaatsen te verhogen.
**2.** Indien uit de gegevens betreffende de aanmelding, bedoeld in artikel 7.37, vierde lid, blijkt dat het aantal eerste aanmeldingen van studenten voor de propedeutische fase van een opleiding meer bedraagt dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, doet Onze Minister daarvan voor 1 april mededeling aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur deelt Onze Minister voor 1 mei mee of het aanleiding ziet het aantal plaatsen te verhogen. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid.
**3.** Indien ook na toepassing van het tweede lid bij een of meer instellingen die de desbetreffende opleiding verzorgen, het aantal aanmeldingen op 1 mei het aantal plaatsen overtreft, stelt de Informatie Beheer Groep vast dat een toelatingsbeperking van kracht is, waarna paragraaf 4a van deze titel wordt toegepast.
**3.** Indien ook na toepassing van het tweede lid bij een of meer instellingen die de desbetreffende opleiding verzorgen, het aantal aanmeldingen op 1 mei het aantal plaatsen overtreft, stelt Onze Minister vast dat een toelatingsbeperking van kracht is, waarna paragraaf 4a van deze titel wordt toegepast.
**4.** Indien het instellingsbestuur in de verwachting verkeert dat het aantal inschrijvingen voor een opleiding meer zal bedragen dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, is, in afwijking van de procedure van het tweede en derde lid, eveneens een toelatingsbeperking op die opleiding van kracht en wordt vervolgens paragraaf 4a van deze titel toegepast, mits het instellingsbestuur die opleiding daartoe voor 1 mei heeft aangemeld bij de Informatie Beheer Groep.
**4.** Indien het instellingsbestuur in de verwachting verkeert dat het aantal inschrijvingen voor een opleiding meer zal bedragen dan het aantal plaatsen dat het instellingsbestuur op grond van het eerste lid heeft vastgesteld, is, in afwijking van de procedure van het tweede en derde lid, eveneens een toelatingsbeperking op die opleiding van kracht en wordt vervolgens paragraaf 4a van deze titel toegepast, mits het instellingsbestuur die opleiding daartoe voor 1 mei heeft aangemeld bij Onze Minister.
**5.** Indien een besluit ingevolge artikel 7.56 van toepassing is op de opleiding, blijft dit artikel buiten toepassing.
@ -1918,7 +2336,7 @@ Vervallen
### Artikel 7.57
Voor de toepassing van deze paragraaf en de artikelen 7.57d, 7.57f, derde lid, en 16.9a, vierde lid, gelden door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde opleidingen. Voor de toepassing van de artikelen 7.56, 7.57d, 7.57f, derde lid, en 16.9a, vierde lid, gelden bovendien door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde groepen van verwante opleidingen als dezelfde opleidingen.
Voor de toepassing van deze paragraaf en de artikelen 7.57d en 7.57f, vierde en vijfde lid, gelden door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde opleidingen. Voor de toepassing van de artikelen 7.56, 7.57d en 7.57f, vierde en vijfde lid, gelden bovendien door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde groepen van verwante opleidingen als dezelfde opleidingen.
#### Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking
@ -1926,7 +2344,7 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf en de artikelen 7.57d, 7.57f, derde lid, e
**1.** De eerste inschrijving van een student voor de propedeutische fase van een opleiding, verbonden aan een universiteit of een hogeschool, waarvoor op grond van paragraaf 4 van deze titel een toelatingsbeperking van kracht is, geschiedt slechts met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf, onverminderd het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk.
**2.** De inschrijving geschiedt niet dan na overlegging van een door de Informatie Beheer Groep afgegeven bewijs van toelating, tenzij bij of krachtens deze paragraaf anders is bepaald.
**2.** De inschrijving geschiedt niet dan na overlegging van een door Onze Minister afgegeven bewijs van toelating, tenzij bij of krachtens deze paragraaf anders is bepaald.
**3.**
@ -1935,13 +2353,14 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. selectieprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b tot en met 7.57e;
b. lotingsprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder b tot en met e, derde en vierde lid, en 7.57c, tweede en derde lid;
c. opleiding: een bacheloropleiding;
d. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten.
d. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten;
e. universiteit: de universiteit, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, en de levensbeschouwelijke universiteit, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel c.
**4.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld in verband met de afgifte en de geldigheidsduur van het bewijs van toelating.
### Artikel 7.57b
**1.** De Informatie Beheer Groep deelt degenen die op grond van artikel 7.24, eerste of tweede lid, inschrijving verlangen voor een opleiding, aan de hand van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen in.
**1.** Onze Minister deelt degenen die op grond van artikel 7.24, eerste of tweede lid, inschrijving verlangen voor een opleiding, aan de hand van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen in.
**2.**
@ -1957,36 +2376,31 @@ De klassen b tot en met e worden aangeduid als lotingsklassen.
**3.** De wijze van indeling in de klassen, bedoeld in het tweede lid, van degenen die een onderwijsvorm hebben afgerond waaraan geen cijferlijst is verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
**4.** De Informatie Beheer Groep deelt degenen die op grond van de artikelen 7.28 of 7.29 zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste of tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen in de lotingsklasse, bedoeld in het tweede lid onder c, in.
**4.** Onze Minister deelt degenen die op grond van de artikelen 7.28 of 7.29 zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste of tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen in de lotingsklasse, bedoeld in het tweede lid onder c, in.
**5.** De Informatie Beheer Groep deelt de door haar aangewezen aanstaande studenten uit de Nederlandse Antillen en Aruba in de klasse, bedoeld in het tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen, wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
**5.** Onze Minister deelt de door haar aangewezen aanstaande studenten uit Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen BES in de klasse, bedoeld in het tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen, wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
### Artikel 7.57c
**1.** De Informatie Beheer Groep verstrekt een bewijs van toelating aan degenen die zijn ingedeeld in de klasse, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder a.
**1.** Onze Minister verstrekt een bewijs van toelating aan degenen die zijn ingedeeld in de klasse, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder a.
**2.** De Informatie Beheer Groep verstrekt aan degenen die in de lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, zijn ingedeeld, en die door het lot zijn aangewezen, een bewijs van toelating.
**2.** Onze Minister verstrekt aan degenen die in de lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, zijn ingedeeld, en die door het lot zijn aangewezen, een bewijs van toelating.
**3.** Bij de loting, bedoeld in het tweede lid, verhouden de inlotingskansen, voorzover kleiner dan honderd procent, zich voor de in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, bedoelde lotingsklassen als respectievelijk 9 : 6 : 4 : 3.
**4.** In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kan worden bepaald dat de Informatie Beheer Groep ten hoogste een in die regeling vast te stellen percentage van het aantal plaatsen per opleiding kan toewijzen aan gegadigden jegens wie uitloting een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.
**4.** In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kan worden bepaald dat Onze Minister ten hoogste een in die regeling vast te stellen percentage van het aantal plaatsen per opleiding kan toewijzen aan gegadigden jegens wie uitloting een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.
### Artikel 7.57d
**1.** Indien een opleiding door meer dan één universiteit wordt verzorgd, wordt de selectieprocedure voor die opleidingen gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij worden de artikelen 7.57b en 7.57c toegepast, met inachtneming van het tweede en derde lid. De gegadigden delen aan de Informatie Beheer Groep de volgorde van hun voorkeur voor universiteiten mede.
**1.** Indien een opleiding door meer dan één universiteit wordt verzorgd, wordt de selectieprocedure voor die opleidingen gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij worden de artikelen 7.57b en 7.57c toegepast, met inachtneming van het tweede en derde lid. De gegadigden delen aan Onze Minister de volgorde van hun voorkeur voor universiteiten mede.
**2.** De Informatie Beheer Groep bepaalt, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorkeur van de aanstaande student, doch overigens aan de hand van het lot voor welke universiteit het bewijs van toelating geldt. Artikel 7.57c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Onze Minister bepaalt, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorkeur van de aanstaande student, doch overigens aan de hand van het lot voor welke universiteit het bewijs van toelating geldt. Artikel 7.57c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** De Informatie Beheer Groep kan ten hoogste vijf procent van het aantal plaatsen per opleiding toewijzen aan gegadigden die na toepassing van het tweede lid in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere universiteit dan die van de eerste voorkeur, indien dit een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.
**3.** Onze Minister kan ten hoogste vijf procent van het aantal plaatsen per opleiding toewijzen aan gegadigden die na toepassing van het tweede lid in het bezit zijn van een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere universiteit dan die van de eerste voorkeur, indien dit een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.
### Artikel 7.57e
**1.**
Een instellingsbestuur kan een door hem te bepalen percentage van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hem zelf geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over bijzondere kwalificaties. Dat percentage is aan een maximum gebonden, doordat:
a. in elk geval ten minste de helft van het aantal opleidingsplaatsen dient te worden toegewezen door toepassing van artikel 7.57c, tweede lid,
b. op dat percentage tevens in mindering wordt gebracht het aantal gegadigden dat een bewijs van toelating ontvangt door toepassing van artikel 7.57c, eerste lid.
**1.** Met inachtneming van de toelatingsrechten, bedoeld in artikel 7.57c, eerste lid, kan een instellingsbestuur een door hem te bepalen percentage van de opleidingsplaatsen van een opleiding toewijzen aan door hemzelf geselecteerde gegadigden die naar zijn oordeel beschikken over bijzondere kwalificaties.
**2.**
@ -1998,29 +2412,35 @@ c. regels van administratieve aard, voorzover niet voortvloeiend uit het vierde
d. het door hem te bepalen percentage, bedoeld in het eerste lid, en
e. de beslissing of gegadigden één, twee dan wel drie maal tot deelname aan de selectieprocedure zullen worden toegelaten, tijdig bekend.
**3.** Tot de bijzondere kwalificaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoren niet de behaalde eindexamencijfers.
**3.** Tot de bijzondere kwalificaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen mede de behaalde eindexamencijfers behoren. In dat geval bedraagt het aantal bijzondere kwalificaties, bedoeld in het tweede lid, onder a, ten minste twee.
**4.** De gegadigde die in aanmerking wenst te komen voor de selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt op zijn verzoek door de Informatie Beheer Groep aan het desbetreffende instellingsbestuur bekendgemaakt, mits hij aan de lotingsprocedure blijft deelnemen.
**4.** De gegadigde die in aanmerking wenst te komen voor de selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt op zijn verzoek door Onze Minister aan het desbetreffende instellingsbestuur bekendgemaakt, mits hij aan de lotingsprocedure blijft deelnemen.
**5.** In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, worden nadere voorschriften opgenomen voor de toepassing van dit artikel.
### Artikel 7.57f
**1.** Indien krachtens artikel 7.25 nadere vooropleidingseisen zijn gesteld, kan aan de selectieprocedure uitsluitend worden deelgenomen door degene die ten genoegen van de Informatie Beheer Groep het bewijs levert, dat door hem uiterlijk op een in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, te bepalen tijdstip aan die eisen wordt voldaan.
**1.** Indien krachtens artikel 7.25 nadere vooropleidingseisen zijn gesteld, kan aan de selectieprocedure uitsluitend worden deelgenomen door degene die ten genoegen van Onze Minister het bewijs levert, dat door hem uiterlijk op een in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, te bepalen tijdstip aan die eisen wordt voldaan.
**2.** Degene die heeft deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een bepaalde opleiding en geen bewijs van toelating heeft verkregen, kan nadien nog ten hoogste twee maal aan de lotingsprocedure voor die opleiding deelnemen.
**2.** Indien na toepassing van het eerste lid blijkt dat bij een of meer instellingen die toepassing hebben gegeven aan artikel 7.25, vierde lid, tweede volzin, nog plaatsen beschikbaar zijn, vindt, in afwijking van het eerste lid, alsnog selectie plaats van degenen die zich overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 7.37, vierde lid, hebben aangemeld, doch niet voldoen aan de krachtens artikel 7.25 gestelde nadere vooropleidingseisen. Deze selectie geschiedt met toepassing van artikel 7.57c, eerste lid, en met overeenkomstige toepassing van de lotingsprocedure. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kunnen voor de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.
**3.** Aan de selectieprocedure kan niet worden deelgenomen door degene die voor een opleiding is ingeschreven of in enig studiejaar was ingeschreven en inschrijving wenst voor dezelfde opleiding aan een andere instelling.
**3.** Degene die heeft deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een bepaalde opleiding en geen bewijs van toelating heeft verkregen, kan nadien nog ten hoogste twee maal aan de lotingsprocedure voor die opleiding deelnemen.
**4.** Bij de toepassing van het tweede lid telt deelname aan de lotingsprocedure voor het studiejaar 19981999 of eerdere studiejaren niet mee. Bovendien telt deelname aan de lotingsprocedure voor het studiejaar 19992000 niet mee voor degene die voor dat studiejaar voor de eerste maal aan de lotingsprocedure voor dezelfde opleiding heeft deelgenomen.
**5.** Aan de selectieprocedure kan niet worden deelgenomen door degene die voor een opleiding is ingeschreven of in enig studiejaar was ingeschreven en inschrijving wenst voor dezelfde opleiding aan een andere instelling.
### Artikel 7.57g
In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van de Informatie Beheer Groep inzake afgifte van een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift voor de beslissing van de Informatie Beheer Groep.
In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van Onze Minister inzake afgifte van een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift voor de beslissing van Onze Minister.
#### Paragraaf 5. Overige bepalingen
### Artikel 7.57h
Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd.
**1.** Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd, of de inschrijving gedurende eenzelfde periode wordt beëindigd.
**2.** Als de persoon die de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, overtreedt, ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de instelling heeft veroorzaakt en deze overlast ook na aanmaning door of vanwege het instellingsbestuur niet heeft gestaakt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen.
### Artikel 7.57i
@ -2028,19 +2448,7 @@ De onderwijs- en examenregelingen van de betreffende hogescholen en universiteit
### Artikel 7.58
**1.** Degene die een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 wenst te verkrijgen, dient overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels een verzoek in, ertoe strekkende dat door dit bestuur wordt verklaard, dat het getuigschrift kan worden afgegeven.
**2.**
Bij het verzoek worden overgelegd:
a. de bewijzen van met goed gevolg afgelegde tentamens,
b. het bewijs dat is voldaan aan de bij de onderwijs- en examenregeling gestelde verplichting betreffende het deelnemen aan praktische oefeningen, en
c. de desbetreffende bewijzen van inschrijving.
**3.** Ingeval de in het tweede lid bedoelde bewijzen van inschrijving niet worden overgelegd, kan het instellingsbestuur beslissen dat de verzochte verklaring wordt afgegeven, maar niet dan nadat het in verband met de inschrijving voor de desbetreffende onderwijseenheden verschuldigde collegegeld, examengeld onderscheidenlijk cursusgeld is voldaan.
**4.** Een examencommissie geeft geen getuigschrift af dan nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven.
Vervallen
### Artikel 7.59
@ -2069,12 +2477,34 @@ Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval:
a. een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de wet, en
b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen, waarin worden opgenomen:
1°. een beschrijving van de procedures voor bezwaar en beroep binnen de instelling, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en
1°. een beschrijving van de procedures voor de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in titel 4, alsmede van de procedures voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en
2°. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het instellingsbestuur worden getroffen.
### Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï
#### Paragraaf 1. College van beroep voor de examens
#### Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten
### Artikel 7.59a
**1.** Het instellingsbestuur richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het instellingsbestuur stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en paragraaf 2, die een onderdeel vormt van het bestuurs- en beheersreglement.
**2.** Een betrokkene dient een klacht als bedoeld in artikel 7.59b en een beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 vanwege een genomen beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs dan wel het ontbreken ervan op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, zijn de artikelen 6:4, eerste en tweede lid, en 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
**3.** In deze paragraaf en de paragrafen 2 tot en met 4 wordt onder «betrokkene» verstaan: een student, een aanstaande student, een voormalige student, een extraneus, een aanstaande extraneus of een voormalige extraneus.
**4.** De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 bedraagt zes weken.
**5.** De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
**6.** De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
**7.** Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit.
### Artikel 7.59b
Het instellingsbestuur behandelt een klacht van een betrokkene, wat een bijzondere instelling betreft met overeenkomstige toepassing van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.
#### Paragraaf 2. College van beroep voor de examens; geschillenadviescommissie
### Artikel 7.60
@ -2086,7 +2516,7 @@ b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te besche
**4.** De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of voorzitters en de overige leden en de eventuele plaatsvervangende leden worden door het instellingsbestuur benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar of, voorzover het studenten betreft, voor een termijn van ten minste een en ten hoogste twee jaar. De leden en plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het instellingsbestuur of van de inspectie. Buiten de voorzitter bestaat het college voor tenminste de helft uit docenten, onderscheidenlijk leden van de wetenschappelijke staf.
**5.** De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
**5.** De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
**6.** Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.
@ -2094,10 +2524,10 @@ b. een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te besche
**1.**
Een betrokkene kan beroep instellen bij het college van beroep voor de examens tegen:
Het college van beroep voor de examens is bevoegd ten aanzien van de volgende beslissingen:
a. beslissingen als bedoeld in de artikelen 7.8b, derde en vijfde lid, 7.9, eerste lid, en 16.6a, derde lid,
b. beslissingen inzake vaststelling van het aantal behaalde studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.9a, 7.9b, 7.9ba of 7.9bb, alsmede beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9*d*,
a. beslissingen als bedoeld in de artikelen 7.8b, derde en vijfde lid, en 7.9, eerste lid,
b. beslissingen inzake vaststelling van het aantal behaalde studiepunten als bedoeld in artikel 7.9a, alsmede beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d,
c. beslissingen inzake de omvang van de vrijstelling, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid,
d. beslissingen, niet zijnde besluiten van algemene strekking, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk, met het oog op de toelating tot examens,
e. beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, en 7.28, vierde lid,
@ -2107,27 +2537,25 @@ h. beslissingen, genomen op grond van de artikelen 7.30a en 7.30b met het oog op
**2.** Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.
**3.** De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, vier weken.
**3.** Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Indien de examinator tegen wie het beroep is gericht, lid is van de examencommissie, neemt hij geen deel aan de beraadslaging. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen.
**4.** Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen.
**4.** Het college van beroep beslist binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
**5.** Het college van beroep beslist binnen tien weken na ontvangst van het beroepschrift, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
**5.** Indien het college van beroep het beroep gegrond acht, vernietigt het de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.
**6.** Indien het college van beroep het beroep gegrond acht, vernietigt het de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.
**7.** Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het verzoekschrift, onverminderd het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.
**6.** Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het beroepschrift, onverminderd het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.
### Artikel 7.62
**1.**
Het college van beroep stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van:
Het college van beroep voor de examens stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van:
a. de omvang en samenstelling van het college van beroep,
b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers,
c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college van beroep,
d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college van beroep eindigt,
e. de in artikel 7.61, vierde lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten,
e. de in artikel 7.61, derde lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten,
f. de wijze waarop in het secretariaat van het college van beroep wordt voorzien, alsmede
g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
@ -2135,69 +2563,126 @@ g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
### Artikel 7.63
De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van beroep voor de examens de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
#### Paragraaf 2. College van beroep voor het hoger onderwijs
### Artikel 7.63a
**1.** Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een geschillenadviescommissie. Op een geschillenadviescommissie is artikel 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk.
**2.** De geschillenadviescommissie brengt aan het instellingsbestuur advies uit over bezwaren met betrekking tot andere beslissingen dan wel het ontbreken ervan op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan die, bedoeld in artikel 7.61.
**3.** De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is.
**4.** Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het instellingsbestuur. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het instellingsbestuur hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het instellingsbestuur neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing.
### Artikel 7.63b
**1.** Het instellingsbestuur beslist na ontvangst van het bezwaar binnen 10 weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in artikel 7.63a, vierde lid. Wat de openbare instellingen betreft beslist het instellingsbestuur in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
**2.** Wat bijzondere instellingen betreft worden de artikelen 7:11, 7:12 en 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht overeenkomstig toegepast.
#### Paragraaf 3. College van beroep voor het hoger onderwijs
### Artikel 7.64
**1.** Er is een college van beroep voor het hoger onderwijs, gevestigd te 's-Gravenhage.
**1.** Er is een college van beroep voor het hoger onderwijs, gevestigd te s-Gravenhage.
**2.** Het college van beroep heeft ten minste drie en ten hoogste zeven leden. Het aantal plaatsvervangende leden is niet groter dan het aantal leden.
**2.** Het college van beroep heeft ten minste drie en ten hoogste zeven leden, onder wie de voorzitter. Het college heeft een even groot aantal plaatsvervangende leden.
**3.** Het college van beroep houdt zitting in kamers van drie of vijf leden.
**3.** Het college van beroep wordt bijgestaan door een secretaris. Onze minister kan aan de secretaris ambtenaren toevoegen.
**4.** De ambtenaren die werkzaam zijn voor het college van beroep staan onder het gezag van dat college en leggen over werkzaamheden uitsluitend aan dat college verantwoording af.
**5.** Het college van beroep houdt zitting in kamers. Het college van beroep wijst de voorzitter van een kamer aan uit de leden.
**6.**
Het college van beroep stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast waarin in elk geval worden geregeld:
a. de splitsing in kamers,
b. de verdeling van werkzaamheden over de verschillende kamers, en
c. de wijze waarop de voorzitter van het college van beroep en van een kamer wordt vervangen.
### Artikel 7.65
**1.** De leden en de plaatsvervangende leden van het college van beroep worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. De benoeming geschiedt bij koninklijk besluit.
**1.** De leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs en de plaatsvervangende leden worden bij koninklijk besluit benoemd.
**2.** De voorzitter van het college van beroep wordt bij koninklijk besluit aangewezen uit de leden. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een plaatsvervangende voorzitter overeenkomstig het in artikel 7.66, derde lid, bedoelde reglement van orde. De leden en de plaatsvervangende leden moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De voorzitter van een kamer wordt door het college van beroep aangewezen uit de leden. De tweede volzin is van toepassing.
**2.** De secretaris wordt bij koninklijk besluit benoemd en is bezoldigd.
**3.** Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bij koninklijk besluit ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren wordt hun bij koninklijk besluit ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden bij koninklijk besluit ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de voorgaande volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich terzake te doen horen.
**3.** De leden en plaatsvervangende leden voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
**4.** De toelage aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, te nemen op gemeenschappelijke voordracht van Onze minister en Onze Minister van Financiën.
**4.**
**5.** Het college van beroep wordt bijgestaan door een bezoldigd secretaris, die bij koninklijk besluit wordt benoemd. Aan de secretaris kan Onze minister een of meer ambtenaren toevoegen.
Een lid of plaatsvervangend lid wordt bij koninklijk besluit ontslagen met ingang van de eerstvolgende maand, nadat hij:
a. hiertoe een verzoek heeft ingediend,
b. de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt,
c. terzake gehoord, uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is om zijn functie te vervullen, of
d. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld.
**5.** De toelage aan de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangende leden wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, te nemen op gemeenschappelijke voordracht van Onze minister en Onze Minister van Financiën.
### Artikel 7.66
**1.**
**1.** Het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt over het beroep dat een betrokkene heeft ingesteld tegen een beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen. Tegen uitspraken van het college van beroep voor het hoger onderwijs staat geen hoger beroep open.
Het college van beroep oordeelt bij uitsluiting, voorzover niet op grond van artikel 7.61, eerste lid, beroep openstaat op een college van beroep voor de examens, dan wel niet op grond van artikel 7.68 beroep openstaat op een college van beroep voor het bijzonder onderwijs, over het beroep dat door een betrokkene is ingesteld tegen:
**2.** Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1, 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, en 8:13.
a. beslissingen genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk met het oog op inschrijving,
b. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 3 van dit hoofdstuk, en
c. beslissingen van het instellingsbestuur, genomen op grond van artikel 7.57*h*.
**2.** Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, en 8:13.
**3.** Het college van beroep stelt ten behoeve van zijn werkzaamheden een reglement van orde vast waarin in elk geval de splitsing in kamers en de verdeling van werkzaamheden voor de verschillende kamers worden geregeld alsmede de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
**4.** Tegen uitspraken van het college van beroep staat generlei beroep open.
**5.** De besturen van de instellingen verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
**6.** Op het beroep op het College van beroep voor het hoger onderwijs tegen een beslissing van een bijzondere instelling zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
**3.** De organen van de instelling verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
### Artikel 7.67
Het griffierecht bedraagt € 37. Artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Het griffierecht bedraagt € 44. Dat bedrag wordt jaarlijks met ingang van 1 januari bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Daarbij wordt het bedrag rekenkundig afgerond op gehele euros.
#### Paragraaf 3. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
#### Paragraaf 4. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
### Artikel 7.68
**1.** Het bestuur van een bijzondere instelling voor hoger onderwijs kan, al dan niet in samenwerking met de besturen van een of meer andere bijzondere instellingen voor hoger onderwijs, een college van beroep instellen ter behandeling van de geschillen, bedoeld in artikel 7.66, eerste lid, niet zijnde beslissingen als bedoeld in artikel 7.61, eerste lid, dan wel zich aansluiten bij een dergelijk college. De beslissing waarbij een college van beroep wordt ingesteld, bevat tevens een regeling van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.62, eerste lid, alsmede van de rechtsgang bij het college. De beslissing waarbij een college van beroep wordt ingesteld, alsmede wijzigingen daarvan, dan wel een beslissing tot aansluiting bij een college wordt zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister gebracht.
**1.** In afwijking van artikel 7.66, eerste lid, kan het bestuur van een bijzondere instelling in een regeling bepalen dat de instelling in verband met de levensbeschouwelijke aard van de instelling, al dan niet in samenwerking met besturen van een of meer andere bijzondere instellingen voor hoger onderwijs met een levensbeschouwelijke aard, een college van beroep bijzonder onderwijs instelt voor de behandeling van beroepen ingesteld door een betrokkene tegen een beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen.
**2.** De artikelen 7.60, vierde lid eerste en tweede volzin, vijfde en zesde lid, 7.61, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, en 7.63 zijn van overeenkomstige toepassing.
**2.** De regeling bevat een uitwerking van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.62, eerste lid, alsmede de rechtsgang bij het college waarbij de artikelen 7.60, vierde lid, eerste en tweede volzin, vijfde en zesde lid, 7.61, tweede, vierde, vijfde, en zesde lid en 7.63 van overeenkomstige toepassing zijn.
**3.** De regeling alsmede wijzigingen daarvan worden vastgesteld met in achtneming van de artikelen 7.59a tot en met 7.67. De regeling alsmede de wijzigingen daarvan worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder g, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het bestuur bij de vaststelling van de rechtsgang de artikelen 7.59a tot en met 7.67 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen levensbeschouwelijke aard van de bijzondere instelling die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.
**4.** De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
## Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent
### Artikel 7a.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 7a.2, en
b. bekwaamheidsonderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 176f van de Wet op het primair onderwijs, artikel 148 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 162i van de Wet op de expertisecentra, artikel 118o van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 203 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
### Artikel 7a.2
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde en ingevolge artikel 6.9 aangewezen instellingen voor hoger onderwijs die voldoen aan artikel 176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 149 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 162j van de Wet op de expertisecentra, artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 204 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
### Artikel 7a.3
Ten bewijze dat het bekwaamheidsonderzoek met goed gevolg is afgesloten, wordt door de examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift bekwaamheidsonderzoek uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het bekwaamheidsonderzoek omvatte en, in een voorkomend geval, welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid.
### Artikel 7a.4
Ten bewijze dat de scholing, bedoeld in artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, ertoe heeft geleid dat betrokkene voldoet aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a, van die wet bedoelde bekwaamheidseisen, wordt door de examencommissie van een instelling die daarvoor het meest in aanmerking komt een getuigschrift pedagogisch-didactische scholing uitgereikt. Op het getuigschrift wordt vermeld, welke onderdelen het onderzoek dat tot het getuigschrift leidde, omvatte.
### Artikel 7a.5
**1.**
Degene die met goed gevolg het bekwaamheidsonderzoek heeft afgesloten, is gerechtigd tot het voeren van:
a. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het betreft een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van wetenschappelijk onderwijs zijn getoetst, of
b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het betreft een bekwaamheidsonderzoek waarin kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van hoger beroepsonderwijs zijn getoetst.
**2.** De in het eerste lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.
## Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
### Artikel 8.1
**1.** Met het oog op de samenwerking tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs, genoemd in de bijlage van deze wet, kunnen de besturen van die instellingen een gemeenschappelijke regeling sluiten.
**1.** Met het oog op de samenwerking tussen twee of meer, in de bijlage van deze wet onder a tot en met h opgenomen instellingen kunnen de besturen van die instellingen een gemeenschappelijke regeling sluiten.
**2.** De regeling omvat bepalingen omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding.
@ -2227,28 +2712,26 @@ Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.
### Artikel 9.3
**1.** Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit.
**1.** Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de rector magnificus van de universiteit. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
**2.** De leden van het college van bestuur worden door de raad van toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door de raad van toezicht te bepalen termijn. Met het einde van de maand waarin een lid de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.
**2.** Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**3.** Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad of de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**3.** De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.
**4.** De voorzitter van het college van bestuur wordt uit de leden door de raad van toezicht benoemd.
**4.** In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus.
**5.** In het bestuurs- en beheersreglement worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van voordracht en benoeming van de rector magnificus.
**5.** Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**6.** Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**7.**
**6.**
Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:
a. lid van de raad van toezicht,
a. lid van de raad van toezicht van de desbetreffende universiteit,
b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij een universiteit slechts een faculteit omvat,
c. lid van het bestuur van een opleiding, voorzover dat met toepassing van artikel 9.17 is ingesteld, of
d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.
**8.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
### Artikel 9.4
@ -2260,53 +2743,43 @@ Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de organisati
### Artikel 9.6
**1.** Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.
**2.** Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen.
**3.** Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.
Het college van bestuur verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit.
### Artikel 9.7
**1.** De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
**2.** De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.
**2.** De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad, dan wel het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.
**3.** Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van de raad van toezicht over te gaan, hoort Onze minister de universiteitsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, vertrouwelijk over het door hem voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Titel 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**3.** Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**4.** Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**4.** De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.
**5.**
**5.** De universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.
Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens:
a. voor het merendeel van zijn arbeidstijd personeelslid zijn van een in de bijlage van deze wet opgenomen universiteit of voor het merendeel werkzaam zijn aan een onderzoekinstituut of onderzoekschool,
b. werkzaam zijn bij een departement van algemeen bestuur, of
c. lid zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal.
**6.** Het college van bestuur voorziet in de administratieve ondersteuning van de raad van toezicht.
**6.** Het college van bestuur voorziet in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad.
**7.** De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Zij hebben daarin een adviserende stem.
**8.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent toelagen en tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
**8.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
### Artikel 9.8
**1.** De raad van toezicht is belast met het toezicht op het bestuur van de universiteit in haar geheel en op het beheer daarvan. Hij staat het college van bestuur met raad bij. De raad van toezicht ziet er op toe dat het college van bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de op de universiteit betrekking hebbende wetten alsmede de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen naleeft.
**1.**
**2.**
De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de universiteit, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
De raad van toezicht is belast met de goedkeuring dan wel instemming van:
a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;
c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en het instellingsplan;
d. indien van toepassing, het goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in artikel 8.1;
e. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
f. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;
g. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
h. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en
i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het jaarverslag van de universiteit.
a. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,
b. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
c. de begroting, bedoeld in artikel 2.8,
d. het verslag, bedoeld in artikel 2.9,
e. het document, bedoeld in artikel 4.2, derde lid,
f. het besluit of de herroeping daarvan, bedoeld in artikel 9.30, en, in voorkomende gevallen, van de daarbij behorende medezeggenschapsregeling, en
g. een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1.
**3.** De goedkeuring, bedoeld in onderdeel d, kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
**2.** De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.
### Artikel 9.9
@ -2383,12 +2856,15 @@ c. het vaststellen van het jaarlijks onderzoekprogramma van de faculteit,
d. het houden van toezicht op de uitvoering van de onderwijs- en examenregeling en op het jaarlijks onderzoekprogramma, alsmede het uitbrengen van regelmatig verslag hieromtrent aan het college van bestuur,
e. het instellen van de examencommissies en de commissie, bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, alsmede de benoeming van de leden van die commissies,
f. de uitvoering van de artikelen 7.8b en 7.9, met uitzondering van de aanwijzing van opleidingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, eerste lid,
g. het vaststellen van nadere regels omtrent de wijze waarop vrijstelling als bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, 7.28, tweede tot en met vierde lid, en 7.29, eerste lid, kan worden verkregen, en
h. het sluiten van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een of meer opleidingen met een of meer decanen van andere faculteiten.
g. het vaststellen van nadere regels omtrent de wijze waarop vrijstelling als bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, 7.28, tweede tot en met vierde lid, en 7.29, eerste lid, kan worden verkregen,
h. het verstrekken van een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 7.30a, derde lid, de toepassing van artikel 7.30a, vijfde lid, de uitvoering van artikel 7.30c, en
i. het sluiten van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van een of meer opleidingen met een of meer decanen van andere faculteiten,
j. de uitvoering van de artikelen 6.7a en 7.9b,
j. het vaststellen van de procedures en criteria met betrekking tot erkenning van verworven competenties.
**2.** De decaan oefent het recht tot voordracht, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, uit.
**3.** In het bestuurs- en beheersreglement worden regels gesteld omtrent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder h.
**3.** In het bestuurs- en beheersreglement worden regels gesteld omtrent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder i.
### Artikel 9.16
@ -2410,20 +2886,20 @@ De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstr
**1.**
Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak:
Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak:
a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13,
b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en
c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.
De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de faculteitsraad.
**2.** Op een advies als bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen *b* en *c*, van overeenkomstige toepassing.
**3.** In het faculteitsreglement wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
**3.** In het faculteitsreglement worden regels van procedurele aard met betrekking tot de toepassing van het eerste lid gesteld en wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
**4.** Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
### Artikel 9.19
**1.** Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.
@ -2470,8 +2946,6 @@ c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het bestuur van d
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit van de decaan betreffende de benoeming van leden van de commissies, bedoeld in artikel 9.15, eerste lid onderdeel e.
**3.** De besluiten van de examencommissie kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. Schorsing of vernietiging kan, in afwijking van artikel 10:38, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend plaatsvinden, voorzover tegen de desbetreffende besluiten geen beroep krachtens deze wet openstaat of heeft opengestaan. In geval van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier maanden duren.
### Artikel 9.25
Vervallen
@ -2490,9 +2964,7 @@ Vervallen
### Artikel 9.28
**1.** Het faculteitsreglement bepaalt op welke wijze aan een groep van studenten de gelegenheid wordt geboden bij de decaan hun beklag te doen terzake van de naleving van verplichtingen van de universiteit jegens studenten, zomede binnen welke termijn de decaan voorzieningen treft in de gevallen waarin naar zijn oordeel het beklag gegrond is.
**2.** Het beklag, bedoeld in het eerste lid, evenals de op grond daarvan door de decaan getroffen voorzieningen laten onverlet de rechten die een belanghebbende ingevolge de wet heeft.
Vervallen
### Titel 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN
@ -2511,13 +2983,13 @@ b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de universiteit.
**2.** Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake.
**3.** Het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel a, stelt de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel buiten werking voor de desbetreffende universiteit. Dit besluit gaat gepaard aan de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de universiteit en haar faculteiten, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de paragrafen 1 tot en met 5 van deze titel.
**3.** Het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel a, stelt de paragrafen 1, 2 en 4 tot en met 6 van deze titel buiten werking voor de desbetreffende universiteit. Dit besluit gaat gepaard aan de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de universiteit en haar faculteiten, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de paragrafen 1, 2, 4 en 5 van deze titel.
**4.** Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel *b*, zijn de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel van toepassing op de desbetreffende universiteit.
**4.** Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, zijn de paragrafen 1 tot en met 6 van deze titel van toepassing op de desbetreffende universiteit.
**5.** In het geval dat het eerste lid aanhef en onderdeel a toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid.
**5.** In het geval dat het eerste lid aanhef en onderdeel a toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid, alsmede voor vaststelling van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in het derde lid.
**6.** De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het vijfde lid, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen 9.40, derde en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing.
**6.** De in de medezeggenschapsregeling vast te stellen medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.
### Artikel 9.30a
@ -2531,9 +3003,9 @@ a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin, en
c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.
**3.** Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. Artikel 9.34, tweede lid en derde lid aanhef en onderdelen f en g, is van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.
**3.** Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. Artikel 9.34, tweede lid en derde lid aanhef en onderdelen f, g en j1, is van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.
**4.** De commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge het tweede of derde lid, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven. De artikelen 9.40, derde en vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing.
**4.** De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda.
#### Paragraaf 1. Medezeggenschap binnen de universiteit
@ -2561,19 +3033,23 @@ c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.
**2.** De raad is bevoegd over alle aangelegenheden de universiteit betreffende aan het college van bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.
**2a.** De raad is voorts bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door hem opgestelde agenda.
**3.** De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de universiteit.
**4.** De raad waakt voorts in de universiteit in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het reglement voor de raad, bedoeld in artikel 9.34, bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en onderdeel *d*, van de Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
**4.** De raad waakt voorts in de universiteit in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het reglement voor de raad, bedoeld in artikel 9.34, bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
**5.** Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur, de raad van toezicht, de organisatie binnen de universiteit en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de universiteit op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de raad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het instellingsplan. Voorts verschaft het college van bestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.
**5.** Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur, de raad van toezicht, de organisatie binnen de universiteit en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de universiteit op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de raad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het instellingsplan.
**6.** Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaats heeft.
**6.** Onverminderd het vijfde lid, verschaft het college van bestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. Daaronder worden in ieder geval begrepen ten minste eenmaal per jaar gegevens over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de instelling werkzame personen, de leden van het college van bestuur, en de raad van toezicht.
**7.** De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de universiteit betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agendas en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de faculteitsraden en aan de eventuele commissies, bedoeld in artikel 9.47, en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de universiteit ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
**7.** Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaats heeft.
**8.** Het college van bestuur draagt er jegens de raad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap daarvan worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de universiteit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.
**8.** De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de universiteit betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agendas en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de faculteitsraden en aan de eventuele commissies, bedoeld in artikel 9.47, en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de universiteit ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
**9.** De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de universiteit werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
**9.** Het college van bestuur draagt er jegens de raad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap daarvan worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de universiteit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.
**10.** De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de universiteit werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
### Artikel 9.33
@ -2585,7 +3061,27 @@ c. het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59,
d. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,
e. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,
f. de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel 9.30, eerste lid, en
g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.
g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vierde lid van dat artikel.
### Artikel 9.33a
**1.**
Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:
a. aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de universiteit betreffen,
b. de begroting, waaruit onder meer de hoogte van het instellingscollegegeld en die van het collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, dienen te blijken.
**2.**
Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de universiteitsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:
a. het algemeen personeels- en benoemingsbeleid, tenzij artikel 9.36, tweede lid, van toepassing is,
b. het beleid ten aanzien van het instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.46 en het collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid,
c. de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.48, vierde lid,
d. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder b,
e. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder c, en
f. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in artikel 7.9b, eerste lid.
### Artikel 9.34
@ -2598,15 +3094,16 @@ g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en
In het reglement worden ten minste geregeld:
a. de aangelegenheden waarover de raad, onverminderd artikel 9.33, instemmingsrecht heeft,
b. de aangelegenheden waarover de raad adviesrecht heeft, met dien verstande dat de raad ten minste adviesrecht wordt toegekend inzake aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de universiteit betreffen, alsmede inzake de begroting,
b. de aangelegenheden waarover de raad, onverminderd artikel 9.33a, adviesrecht heeft,
c. het aantal leden van de raad,
d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad,
e. de zittingsduur van de leden van de raad,
f. de wijze waarop het college van bestuur informatie verschaft aan de raad,
g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht,
h. de bevoegdheden die door de faculteitsraden worden uitgeoefend,
i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend,
j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,
i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend,
j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,
j1. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid die in artikel 9.32, lid 2a, aan de raad is toegekend waaronder de minimale termijn waarop het college van bestuur kan worden uitgenodigd,
k. de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de universiteit voorzover deze niet betreffen te nemen besluiten van het college van bestuur, bedoeld in artikel 9.33 onderdeel e, en
l. welke van de geschillen tussen het college van bestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.
@ -2614,7 +3111,7 @@ l. welke van de geschillen tussen het college van bestuur en de raad, waarvoor d
### Artikel 9.35
Indien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het reglement van de universiteitsraad, krachtens artikel 9.34, derde lid onderdeel b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad, draagt het college van bestuur er zorg voor dat:
Indien een te nemen besluit op grond van artikel 9.33a of het reglement van de universiteitsraad, krachtens artikel 9.34, derde lid onderdeel b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad, draagt het college van bestuur er zorg voor dat:
a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,
b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht,
@ -2625,9 +3122,7 @@ d. de raad, indien het college van bestuur het advies niet of niet geheel wil vo
**1.** Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de universiteit.
**2.** Indien het college van bestuur op grond van het eerste lid voor een te nemen besluit de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, behoeft, wordt het deel van de raad dat uit en door de studenten wordt gekozen, in de gelegenheid gesteld over het besluit advies uit te brengen.
**3.** Het instemmingsrecht of adviesrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet uitgeoefend, voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de universiteit reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst.
**2.** Het instemmingsrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid wordt niet uitgeoefend, voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de universiteit reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst. Het instemmingsrecht wordt evenmin uitgeoefend, voorzover de medezeggenschap met betrekking tot de desbetreffende aangelegenheid reeds op andere wijze is uitgeoefend.
#### Paragraaf 2. Medezeggenschap binnen de faculteit
@ -2648,11 +3143,11 @@ d. de raad, indien het college van bestuur het advies niet of niet geheel wil vo
De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
a. het faculteitsreglement, bedoeld in artikel 9.14, en
b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, en met uitzondering van het derde lid.
b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, en met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 7.30a, derde lid, derde volzin, en 7.30b, eerste lid, derde volzin.
### Artikel 9.38a
Artikel 9.32, eerste, tweede, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.32, eerste, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 9.38b
@ -2660,83 +3155,90 @@ In het faculteitsreglement worden ten minste geregeld de onderwerpen, genoemd in
#### Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap
### Artikel 9.38c
In deze paragraaf en artikel 9.46 wordt onder medezeggenschapsorgaan verstaan:
a. de gezamenlijke vergadering,
b. de ondernemingsraad,
c. het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin,
d. de universiteitsraad,
e. de faculteitsraad,
f. de dienstraad, bedoeld in artikel 9.50,
g. geledingen van de organen onder a tot en met f.
### Artikel 9.39
**1.** Er is een commissie voor geschillen inzake universitaire medezeggenschapsaangelegenheden.
**1.** Er is een geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs die bestaat uit drie leden, onder wie een voorzitter, en drie plaatsvervangende leden.
**2.** De commissie voor geschillen bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid worden gekozen door de colleges van bestuur en een lid en een plaatsvervangend lid door de universiteitsraden. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger. De leden en plaatsvervangende leden worden gekozen voor een termijn van vier jaar en zijn een keer herkiesbaar.
**2.** Onze minister benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar.
**3.** De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van een college van bestuur, een raad van toezicht, het bestuur van een faculteit, het bestuur van een opleiding, een universiteitsraad of een faculteitsraad.
**3.** Voor de benoeming, bedoeld in het tweede lid, dragen de gezamenlijke instellingen en vertegenwoordigers van de medezeggenschapsorganen elk een lid en een plaatsvervangend lid voor. Die twee leden dragen een derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger voor.
**4.** De leden functioneren zonder last of ruggespraak.
### Artikel 9.40
**1.**
De commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de volgende gevallen:
De geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen tussen een medezeggenschapsorgaan en het college van bestuur of de decaan over:
a. op verzoek van het college van bestuur, indien het college van bestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge de artikelen 9.33 en 9.34, derde lid onderdeel a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het college van bestuur zijn voorstel wenst te handhaven,
b. op verzoek van het college van bestuur of van de universiteitsraad, indien het college van bestuur ten aanzien van de inhoud van het reglement voorzover aangegeven in artikel 9.34, derde lid, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven,
c. op verzoek van de universiteitsraad, indien het college van bestuur een besluit heeft genomen waarover ingevolge de toepassing van artikel 9.34, derde lid onderdeel b, advies door de raad is uitgebracht, het college van bestuur daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de universiteit of de belangen van de raad ernstig worden geschaad, en
d. op verzoek van het college van bestuur of van de universiteitsraad, indien het college van bestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.
a. de totstandkoming, wijziging of toepassing van het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 9.34, en
b. geschillen die voortvloeien uit de artikelen 9.30a, 9.32 tot en met 9.36, 9.38 en 9.38a.
**2.** De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het college van bestuur en de raad dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 9.41, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Indien er een geschil is tussen het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, de universiteitsraad of de faculteitsraad en degene die of het orgaan dat beslissingsbevoegdheid heeft, onderzoekt het college van bestuur of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. Indien het college van bestuur het orgaan is dat de beslissingsbevoegdheid heeft, onderzoekt de raad van toezicht of een minnelijke schikking mogelijk is. Indien dit niet mogelijk blijkt, legt het medezeggenschapsorgaan, bedoeld in de eerste volzin, of degene die of het desbetreffende orgaan dat beslissingsbevoegdheid heeft het geschil voor aan de geschillencommissie.
**3.** Indien er een geschil is tussen het college van bestuur en de universiteitsraad, meldt het college van bestuur dan wel de universiteitsraad dit geschil aan bij de raad van toezicht. Het college van bestuur dan wel de universiteitsraad legt het geschil voor aan de commissie voor geschillen, tenzij de raad van toezicht van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel het college van bestuur als de universiteitsraad mee instemt.
**3.** Indien het geschil betrekking heeft op het niet of niet geheel volgen van het advies van een medezeggenschapsorgaan, wordt de uitvoering van de beslissing opgeschort met vier weken, tenzij het desbetreffende orgaan geen bedenkingen heeft tegen onmiddellijke uitvoering van de beslissing.
**4.** Indien er een geschil is tussen de decaan en een faculteitsraad, meldt de decaan dan wel de faculteitsraad dit geschil aan bij het college van bestuur. Het college van bestuur legt het geschil voor aan de commissie voor geschillen, tenzij het college van bestuur van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de commissie voor geschillen en dat oordeel gepaard doet gaan aan een voorstel ter oplossing van het geschil, waar zowel de decaan als de faculteitsraad mee instemt.
**4.**
**5.** Een uitspraak van de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.41, wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit, genomen in administratief beroep.
De geschillencommissie is bevoegd een minnelijke schikking tussen partijen tot stand te brengen. Indien geen minnelijke schikking wordt bereikt, beslecht de geschillencommissie een aan haar voorgelegd geschil door een bindende uitspraak te doen, waarbij zij toetst of:
a. het college van bestuur of de decaan zich heeft gehouden aan de eisen van de wet en het reglement, bedoeld in artikel 9.34,
b. het college van bestuur of de decaan bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het voorstel of de beslissing heeft kunnen komen, en
c. het college van bestuur of de decaan onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van het desbetreffende medezeggenschapsorgaan.
**5.** Indien het college van bestuur of de decaan voor de voorgenomen beslissing geen instemming van het medezeggenschapsorgaan heeft gekregen, kan het de geschillencommissie, in afwijking van het vierde lid, toestemming vragen om de beslissing te nemen. De geschillencommissie geeft slechts toestemming, indien de beslissing van het medezeggenschapsorgaan om geen instemming te geven onredelijk is of indien de voorgenomen beslissing van het college van bestuur of de decaan gevergd wordt door zwaarwegende organisatorische, economische of sociale redenen.
**6.** Indien het gaat om besluiten als bedoeld in de artikelen 9.30a, tweede lid, of 9.33, onder a, b of d, beoordeelt de geschillencommissie in afwijking van het vijfde lid, tweede volzin, of het college van bestuur of een ander orgaan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.
**7.** Het medezeggenschapsorgaan kan voor wat betreft het aanhangig maken van een geschil in de adviesbevoegdheden van de opleidingscommissie treden, voorzover dat strookt met het advies van de opleidingscommissie.
### Artikel 9.41
**1.** Indien aan een te nemen besluit van het college van bestuur instemming, vereist ingevolge artikel 9.33 of het reglement, bedoeld in artikel 9.34, is onthouden, deelt het college van bestuur binnen drie maanden aan de universiteitsraad mede of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
**2.** Het college van bestuur doet een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel a, onder overlegging van de door het college van bestuur gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het college van bestuur onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.
**3.** De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het college van bestuur en de raad.
Vervallen
### Artikel 9.42
**1.** Voorzover aan een voorstel van het college van bestuur tot vaststelling of wijziging van het reglement, bedoeld in artikel 9.34, wat onderwerpen betreft als bedoeld in het derde lid van dat artikel, de instemming die is vereist ingevolge het tweede lid van dat artikel is onthouden, deelt het college van bestuur aan de universiteitsraad dan wel de raad aan het college van bestuur binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
**2.** Indien het college van bestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, is artikel 9.41, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het college van bestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.
**3.** De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De commissie geeft, voorzover zij van oordeel is dat het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het college van bestuur het reglement, bedoeld in artikel 9.34, vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.
Vervallen
### Artikel 9.43
**1.** Indien het college van bestuur een besluit neemt waarbij het een advies van de universiteitsraad, vereist ingevolge artikel 9.34, derde lid onderdeel b, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met vier weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.
**2.** De universiteitsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel c, binnen vier weken nadat het betrokken besluit door het college van bestuur is genomen, onder overlegging van de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de universiteit of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie voor geschillen stelt het college van bestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.
**3.**
De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het college van bestuur en de raad voor te leggen, tenzij het college van bestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur en van de raad, beoordeelt de commissie of het college van bestuur bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad:
a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze titel of het reglement, bedoeld in artikel 9.34,
b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad,
c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad, of
d. bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.
**4.** De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.
Vervallen
### Artikel 9.44
Op een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel d, doet de commissie voor geschillen de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, dient te worden gegeven.
Vervallen
### Artikel 9.45
Indien in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, ingevolge de toepassing van het derde lid onderdeel l van dat artikel, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.
Vervallen
#### Paragraaf 4. Overige bepalingen
### Artikel 9.46
**1.** De universiteitsraad kan in rechte optreden, indien de vordering strekt tot naleving door het college van bestuur van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze titel.
**1.** Van een uitspraak van de geschillencommissie staat beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van artikel 9.40, zevende lid.
**2.** In afwijking van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
**2.** Een medezeggenschapsorgaan kan in rechte optreden, als het beroep strekt tot naleving door het college van bestuur of de decaan van de verplichtingen tegenover het medezeggenschapsorgaan.
**3.** De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in artikel 9.47 op, indien de rechten van die commissie specifiek aan de orde zijn.
**3.** Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand na de datum van de uitspraak van de geschillencommissie. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.
**4.** Een beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de geschillencommissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet.
**5.** Van een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen cassatie worden ingesteld.
**6.** In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het medezeggenschapsorgaan niet in de proceskosten worden veroordeeld.
### Artikel 9.47
@ -2750,7 +3252,7 @@ Indien in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, ingevolge de toepassing van he
**2.** Het college van bestuur stelt de leden van de universiteitsraad in de gelegenheid om gedurende een door het college van bestuur en de raad gezamenlijk vast te stellen hoeveelheid tijd de scholing te ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het personeel van de universiteit wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.
**3.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de faculteitsraden met dien verstande dat de decaan in de plaats treedt van het college van bestuur.
**3.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de faculteitsraden en opleidingscommissies met dien verstande dat de decaan in de plaats treedt van het college van bestuur.
#### Paragraaf 5. Medezeggenschap binnen onderzoekinstituten en onderzoekscholen
@ -2788,31 +3290,31 @@ e. de technische en economische dienstuitvoering bij een centrale dienst.
**2.** Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de afwijkende regeling in het bestuurs- en beheersreglement opgenomen.
### Titel 3. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN EN DE MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE BIJZONDERE UNIVERSITEITEN
### Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten
### Artikel 9.51
**1.** De besturen van de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid of stichtingen, waarvan de in de bijlage van deze wet onder *b* genoemde universiteiten uitgaan, zijn verplicht elke wijziging van de statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister te brengen.
**1.** De besturen van de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid of stichtingen, waarvan de in de bijlage van deze wet onder b en i opgenomen universiteiten uitgaan, zijn verplicht elke wijziging van de statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister te brengen.
**2.** Onverminderd artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, stellen de in het eerste lid bedoelde besturen regelen vast inzake het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen hun universiteit. Bij de vaststelling van die regelen alsmede bij wijziging daarvan worden de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk in acht genomen voorzover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet. In die regelen wordt bepaald welke faculteit of faculteiten de universiteit omvat. Zij brengen die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister.
**2.** Het college van bestuur stelt regelen vast inzake het college van bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen hun universiteit. Bij de vaststelling van die regelen alsmede bij wijziging daarvan worden de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk in acht genomen voorzover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het college van bestuur niet verzet. In die regelen wordt bepaald welke faculteit of faculteiten de universiteit omvat. Het college van bestuur brengt die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister. Indien dat naar het oordeel van het college van bestuur wenselijk is op grond van de eigen aard van de bijzondere universiteit, kan de universiteit een functionele scheiding aanbrengen tussen het toezicht en het bestuur. In dat geval is artikel 9.8 van overeenkomstige toepassing. In de statuten wordt vermeld op welke wijze de functionele scheiding wordt gewaarborgd. Het college van bestuur vermeldt jaarlijks in het jaarverslag bedoeld in artikel 2.9 de redenen voor een eventuele afwijking.
**3.** De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder *h*, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling aan het bestuur heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de bijzondere universiteit die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.
**3.** De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder h, bedoelde voorwaarde, indien Onze minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling aan het het college van bestuur heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het het college van bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de bijzondere universiteit die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.
**4.** De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
**5.** De besturen verstrekken aan Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de universiteit.
**5.** Het college van bestuur verstrekt aan Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de universiteit.
### Titel 4. Bijzonder onderwijs aan openbare universiteiten
**6.** Onverminderd het in dit artikel bepaalde behoeft een besluit tot fusie, als bedoeld in artikel 16.16, van het college van bestuur, voorafgaande instemming van de universiteitsraad.
**7.** Het college van bestuur stelt de universiteitsraad in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming, bedoeld in het zesde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 16.16a, vierde lid.
### Titel 4. Bijzonder onderwijs aan universiteiten
#### Paragraaf 1. De kerkelijke hoogleraren
### Artikel 9.52
**1.** De hoogleraren aan de bij het in werking treden van de wet van 28 april 1876 (*Stb.* 102) bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een na die inwerkingtreding vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel gevestigde leerstoel bekleden, hebben, voorzover die kweekscholen, seminaria of leerstoelen op 1 januari 1904 waren gevestigd in gemeenten waar een rijksuniversiteit is, tot het einde van de maand waarin zij de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens hebben bereikt, toegang met raadgevende stem in de vergaderingen van de examencommissies van de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt. Bij de examens in die faculteit mogen zij examineren in de door hen onderwezen vakken. De hoogleraren aan de op 1 september 1986 te Amsterdam gevestigde kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand alsmede zij, die een op dat tijdstip vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk tot hetzelfde doel te Amsterdam gevestigde leerstoel bekleden, hebben dezelfde rechten.
**2.** De kerkelijke hoogleraren kunnen onder door het college van bestuur te stellen voorwaarden gebruikmaken van de collegelokalen, inrichtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs.
**3.** Op de kerkelijke hoogleraren is artikel 9.19, derde en vierde lid, van toepassing.
Vervallen
#### Paragraaf 2. De bijzondere leerstoelen
@ -2858,7 +3360,7 @@ c. indien het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich ten gevolge van wij
### Artikel 9.59
Op een bijzondere leerstoel bij de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt zijn de artikelen 9.54, tweede lid, en 9.55 niet van toepassing.
Vervallen
### Artikel 9.60
@ -2968,69 +3470,90 @@ Vervallen
### Artikel 10.1
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in de bijlage van deze wet genoemde hogescholen.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in de bijlage van deze wet opgenomen hogescholen.
### Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen zonder rechtspersoonlijkheid
### Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen
#### Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool
### Artikel 10.2
**1.** Elke hogeschool, met uitzondering van de hogescholen met rechtspersoonlijkheid, heeft hetzij een centrale directie hetzij een college van bestuur. Een centrale directie dan wel een college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een door het instellingsbestuur wordt benoemd tot voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
**1.** Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
**2.** Een lid van een centrale directie, onderscheidenlijk college van bestuur kan niet tezelfdertijd lid zijn van een centrale directie of college van bestuur van een tweede hogeschool.
**2.** Een lid van het college van bestuur kan niet tegelijk lid zijn van het college van bestuur van een andere hogeschool.
**3.** De centrale directie heeft onder verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur de leiding van de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van de hogeschool alsmede de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en van het beheer van de hogeschool. Het college van bestuur is belast met de taken en bevoegdheden van de centrale directie alsmede met de door het instellingsbestuur aan het college overgedragen taken en bevoegdheden.
**3.** Artikel 9.3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 10.3
**1.** Het instellingsbestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een alsdan in de plaats van de centrale directie in te stellen college van bestuur.
**2.** Het college van bestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het instellingsbestuur overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a.
Het college van bestuur van een hogeschool kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a.
### Artikel 10.3a
Het instellingsbestuur kan bij bestuursreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.
Het college van bestuur kan bij bestuursreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.
### Artikel 10.3b
**1.**
**1.** Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement vast ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de hogeschool.
Het instellingsbestuur stelt een bestuursreglement vast. In het bestuursreglement wordt ten minste vastgesteld:
**2.** In het bestuurs- en beheersreglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt.
a. de taken en bevoegdheden welke het instellingsbestuur overdraagt aan het college van bestuur, indien het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, eerste lid,
b. de richtlijnen voor de uitoefening van de aan het college van bestuur overgedragen taken en bevoegdheden,
c. nadere regels met betrekking tot het sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8, en
d. indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat:
**3.**
1°. welke bevoegdheden het college van bestuur heeft overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, indien het college van bestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, tweede lid,
2°. de verhouding van het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het instellingsbestuur, het college van bestuur of de centrale directie,
3°. welke faculteiten of andere organisatorische eenheden de desbetreffende hogeschool omvat,
4°. welke opleidingen in die faculteiten of organisatorische eenheden zijn ingesteld.
Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat, bevat het bestuurs- en beheersreglement bovendien:
**2.** Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat, worden bij of krachtens het bestuursreglement de samenstelling en de werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid vastgesteld.
**3.** Het instellingsbestuur zendt het bestuursreglement, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk aan Onze minister.
a. welke faculteiten of eenheden er zijn en welke opleidingen daarin zijn ingesteld,
b. welke bevoegdheden het college van bestuur heeft overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid,
c. de samenstelling en werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, en
d. de verhouding van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het college van bestuur.
### Artikel 10.3c
**1.**
Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld, behoudens het bepaalde in het vierde lid. De commissie heeft tot taak:
Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie ingesteld, behoudens het bepaalde in het vierde lid. De commissie heeft tot taak:
a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling alvorens het instellingsbestuur de regeling vaststelt,
b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en
c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.
De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder *a* en *c*, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad.
De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad of de daarvoor in aanmerking komende deelraad.
**2.** Voorzover bij de vaststelling, nadere regeling of uitvoering van de onderwijs- en examenregeling het advies van de desbetreffende commissie niet wordt gevolgd, wordt de desbetreffende beslissing met redenen omkleed.
**3.** In het bestuursreglement wordt de wijze van benoemen en samenstellen van de commissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
**3.** In het bestuursreglement worden regels van procedurele aard met betrekking tot de toepassing van het eerste lid gesteld en wordt de wijze van benoemen en samenstellen van de commissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.
**4.** Indien een faculteit of een andere organisatorische eenheid slechts één opleiding omvat, kan het bestuursreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
### Artikel 10.3d
**1.** Een hogeschool heeft een raad van toezicht.
**2.**
De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de hogeschool, bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;
c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag, het instellingsplan;
d. indien van toepassing, het goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in artikel 8.1;
e. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
f. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de hogeschool verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;
g. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
h. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en
i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het jaarverslag van de hogeschool.
**3.** Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van een functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad.
**4.** De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de hogeschool. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de medezeggenschapsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht.
**5.** De medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de hogeschool dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.
**6.** De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.
**7.** Indien dat naar het oordeel van het college van bestuur wenselijk is op grond van de levensbeschouwelijke aard van de hogeschool, kan de hogeschool in afwijking van het eerste lid een functionele scheiding tussen het bestuur en het toezicht aanbrengen.
**8.** Indien de hogeschool een functionele scheiding aanbrengt, zijn de leden 2 tot en met 6 van overeenkomstige toepassing. In de statuten wordt vermeld op welke wijze de functionele scheiding wordt gewaarborgd. Het college van bestuur vermeldt jaarlijks in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.9, de redenen voor eventuele afwijking.
#### Paragraaf 2. Geschillenregeling
@ -3040,82 +3563,57 @@ Vervallen
### Artikel 10.5
Het instellingsbestuur van een hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid treft voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep.
Het instellingsbestuur van een hogeschool treft voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep.
#### Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een openbare hogeschool
### Artikel 10.6
Het instellingsbestuur van een openbare hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.
Vervallen
### Artikel 10.7
In afwijking van het bepaalde krachtens artikel 4.5, vierde lid, zijn gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire maatregel of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een personeelslid van een gemeentelijke hogeschool dat tevens lid is van de raad van de gemeente die de hogeschool in stand houdt.
Vervallen
#### Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een bijzondere hogeschool
### Artikel 10.8
**1.** Een bijzondere hogeschool wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
**1.** Een bijzondere hogeschool wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten het geven van onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
**2.** Indien de statuten van de rechtspersoon waarvan de bijzondere hogeschool uitgaat, bepalen dat het college van bestuur optreedt als instellingsbestuur, wordt in de statuten tevens voorzien in het toezicht op het beleid door een bestuursraad door middel van de uitoefening van instemmingsrecht.
**2.** Het bestuur van de rechtspersoon zendt elke wijziging van de statuten of reglementen binnen vier weken na vaststelling aan Onze minister.
**3.**
De bevoegdheden van de bestuursraad zijn ten minste:
a. het vaststellen en wijzigen van de statuten van de rechtspersoon,
b. de benoeming, de schorsing en het ontslag van de leden van de bestuursraad en van het college van bestuur.
**4.** Het bestuur van de rechtspersoon zendt elke wijziging van de statuten of reglementen binnen vier weken na vaststelling aan Onze minister. Het bestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de hogeschool.
**3.** Het college van bestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de hogeschool.
### Artikel 10.8a
Indien de statuten van een bijzondere hogeschool de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.3*b*, eerste lid, tweede volzin, onder *a* en *b*, regelen, kan het instellingsbestuur beslissen deze regeling niet op te nemen in het bestuursreglement.
Vervallen
### Titel 2. Het bestuur en de inrichting van hogescholen met rechtspersoonlijkheid
### Artikel 10.9
**1.** De bestuursorganen van een hogeschool met rechtspersoonlijkheid zijn het college van bestuur en de bestuursraad.
**2.** Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, alsmede de in artikel 10.2, derde lid, tweede volzin, bedoelde taken en bevoegdheden van de centrale directie.
Vervallen
### Artikel 10.10
**1.** Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een wordt benoemd tot voorzitter. De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen, de bestuursraad gehoord. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door Onze minister te bepalen termijn.
**2.** De voorzitter en de andere leden kunnen tussentijds worden ontslagen. Dat ontslag geschiedt niet dan nadat Onze minister de bestuursraad en het college van bestuur heeft gehoord. Met het einde van de maand waarin betrokkene de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem, behoudens in zeer bijzondere gevallen, eervol ontslag verleend.
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
**4.** De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de hogeschool in en buiten rechte.
**5.** Het college van bestuur verstrekt de bestuursraad de gevraagde inlichtingen omtrent zijn handelingen. Het verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.
Vervallen
### Artikel 10.11
**1.** De bestuursraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste elf andere leden. Bij koninklijk besluit worden regels vastgesteld omtrent de benoeming en het ontslag van de voorzitter en de andere leden van de bestuursraad alsmede omtrent de duur van hun benoeming, met dien verstande dat bij de benoeming zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
**2.** De bestuursraad heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het college van bestuur. Hij staat het college van bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van zijn taak richt de bestuursraad zich naar het belang van de hogeschool.
Vervallen
### Artikel 10.12
**1.** Het college van bestuur stelt met instemming van de bestuursraad ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de hogeschool het bestuursreglement vast. In het bestuursreglement worden tevens regels vastgesteld omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de vergaderstukken van het college van bestuur en de bestuursraad. In het bestuursreglement worden nadere regels gesteld met betrekking tot het sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8.
**2.** Het bestuursreglement of een wijziging daarvan behoeft de instemming van Onze minister.
**3.** Het college van bestuur zendt een beslissing als bedoeld in het tweede lid, binnen dertig dagen aan Onze minister. Onze minister beslist omtrent de instemming met deze beslissing binnen drie maanden na de dag waarop deze is ontvangen. De instemming wordt verleend of onthouden met betrekking tot een besluit in zijn geheel dan wel met betrekking tot een of meer onderdelen daarvan. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien Onze minister daaromtrent niet heeft beslist binnen de in de tweede volzin genoemde termijn. Onze minister kan deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste drie maanden.
Vervallen
### Artikel 10.13
De artikelen 10.3a, 10.3b, 10.3c en 10.5 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogeschool met rechtspersoonlijkheid.
Vervallen
### Artikel 10.14
**1.** De besluiten van het college van bestuur en van de bestuursraad kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.
**2.** Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het *Staatsblad* geplaatst.
Vervallen
### Artikel 10.15
@ -3123,13 +3621,53 @@ Vervallen
### Artikel 10.16
In geval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van de hogeschool kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig met afwijking van de artikelen 10.9 en 10.11, in dat bestuur worden voorzien.
Vervallen
### Titel 3. Medezeggenschap
### Artikel 10.16a
**1.**
Het college van bestuur besluit:
a. dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is op de hogeschool, dan wel
b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de hogeschool.
**2.** Een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake.
**3.** Het besluit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt de artikelen 10.17 tot en met 10.25 buiten werking voor de desbetreffende hogeschool. Dit besluit gaat gepaard met de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de hogeschool, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de artikelen 10.17 tot en met 10.25.
**4.** Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, is deze titel van toepassing op de desbetreffende hogeschool.
**5.** In het geval dat het eerste lid, aanhef en onderdeel a, toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid, alsmede voor vaststelling van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in het derde lid.
**6.** De in de medezeggenschapsregeling vast te stellen medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.
### Artikel 10.16b
**1.** Indien een besluit als bedoeld in artikel 10.16a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is genomen, is er aan een hogeschool een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin.
**2.**
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:
a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 10.3b, en
d. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van het tweede lid, onderdelen a tot en met g, van dat artikel.
**3.** Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. De artikelen 10.21, tweede lid, en 10.22, aanhef en onderdelen f, g en j1, zijn van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.
**4.** De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda.
**5.** Het college van bestuur behoeft eveneens voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor een besluit tot fusie als bedoeld in artikel 16.16.
**6.** Het college van bestuur stelt de gezamenlijke vergadering in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming, bedoeld in het vierde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 16.16a, vierde lid.
### Artikel 10.17
**1.** Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien een hogeschool één of meer faculteiten of organisatorische eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende eenheden een deelraad als bedoeld in artikel 10.25, verbonden.
**1.** Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien een hogeschool één of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende eenheden een deelraad als bedoeld in artikel 10.25, verbonden.
**2.** Het aantal leden van de raad bedraagt aan een hogeschool met minder dan 750 studenten ten hoogste tien leden, met 750 tot 1250 studenten ten hoogste veertien leden en met 1250 of meer studenten ten hoogste vierentwintig leden.
@ -3145,60 +3683,93 @@ In geval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur
### Artikel 10.18
De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.
Vervallen
### Artikel 10.19
**1.** Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het instellingsbestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het instellingsbestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.
**1.** Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het college van bestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het college van bestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.
**2.** De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het instellingsbestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het instellingsbestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het instellingsbestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.
**2.** De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het college van bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.
**2a.** De raad is voorts bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door hem opgestelde agenda.
**3.** De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de hogeschool.
**4.** De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel *d*, van de Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
**4.** De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
**5.** Het instellingsbestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur dan wel de centrale directie, de organisatie binnen de hogeschool, de taakverdeling tussen instellingsbestuur en centrale directie en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het instellingsbestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de hogeschool op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het plan, bedoeld in artikel 10.20, onder a. Voorts verschaft het instellingsbestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.
**5.** Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur dan wel de centrale directie, de organisatie binnen de hogeschool, de taakverdeling tussen college van bestuur en centrale directie en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de hogeschool op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het plan, bedoeld in artikel 10.20, onder a.
**6.** Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsheeft.
**6.** Onverminderd het vierde lid, verschaft het college van bestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. Daartoe worden in ieder geval begrepen ten minste eenmaal per jaar gegevens over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de instelling werkzame personen, de leden van het college van bestuur, en de raad van toezicht.
**7.** De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de hogeschool betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agendas en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het instellingsbestuur, aan de deelraden, aan de eventuele commissies en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de hogeschool ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
**7.** Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsheeft.
**8.** Het instellingsbestuur draagt er jegens de medezeggenschapsraad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de hogeschool. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.
**8.** De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de hogeschool betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agendas en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de deelraden, aan de eventuele commissies en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de hogeschool ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
**9.** De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de hogeschool werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
**9.** Het college van bestuur draagt er jegens de medezeggenschapsraad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de hogeschool. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.
**10.** De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de hogeschool werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
### Artikel 10.20
Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elke door het instellingsbestuur te nemen beslissing met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
**1.**
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elke door het college van bestuur te nemen beslissing met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
a. het instellingsplan,
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
c. het studentenstatuut,
d. het bestuursreglement, alsmede indien artikel 10.8a van toepassing is, het desbetreffende deel van de statuten,
e. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g,
f. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden, en
g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.
f. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,
g. de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel 10.16a, eerste lid,
h. het beleid van het college van bestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, en
i. een besluit tot fusie als bedoeld in artikel 16.16.
**2.** Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming met een besluit tot fusie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage bedoeld in artikel 16.16a, vierde lid.
### Artikel 10.20a
**1.**
Het college van bestuur vraagt, onverminderd het bepaalde in artikel 10.20, voorafgaand advies aan de medezeggenschapsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:
a. aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen, waaronder begrepen een institutionele fusie als bedoeld in artikel 16.16, eerste lid, en een bestuurlijke fusie als bedoeld in artikel 16.16, tweede lid,
b. de begroting, waaruit onder meer de hoogte van het instellingscollegegeld en die van het collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, dienen te blijken.
**2.**
Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:
a. het algemeen personeels- en benoemingsbeleid, tenzij artikel 10.24, tweede lid, van toepassing is,
b. het beleid ten aanzien van het instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.46 en het collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid,
c. de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.48, vierde lid,
d. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder b,
e. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder c, en
f. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in artikel 7.9b, eerste lid.
**3.** De aanhef van het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een voorgenomen besluit van de raad van toezicht ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel 10.3d, vierde lid.
### Artikel 10.21
**1.** Het instellingsbestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een medezeggenschapsreglement voor de hogeschool vast.
**1.** Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een medezeggenschapsreglement voor de hogeschool vast.
**2.** Het instellingsbestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.
**2.** Het college van bestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.
### Artikel 10.22
In het medezeggenschapsreglement worden ten minste geregeld:
a. de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd artikel 10.20, instemmingsrecht heeft,
b. de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad adviesrecht heeft, met dien verstande dat de raad ten minste adviesrecht wordt toegekend inzake aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen, de begroting, alsmede de keuze voor de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten,
b. de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd artikel 10.20a, adviesrecht heeft,
c. het aantal leden van de medezeggenschapsraad,
d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad,
e. de zittingsduur van de leden van de raad,
f. de wijze waarop het instellingsbestuur informatie verschaft aan de raad,
g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht,
h. de bevoegdheden die door de deelraden worden uitgeoefend,
i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend,
j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,
i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend,
j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,
j1. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid die in artikel 10.19, lid 2a, aan de raad is toegekend waaronder de minimale termijn waarop het college van bestuur kan worden uitgenodigd,
k. de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de hogeschool voorzover deze niet betreffen te nemen beslissingen van het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 10.20, onder f, en
l. welke van de geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.
@ -3215,9 +3786,9 @@ d. de raad, indien het instellingsbestuur het advies niet of niet geheel wil vol
**1.** Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elke door het instellingsbestuur te nemen beslissing met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de hogeschool.
**2.** Indien het instellingsbestuur op grond van het eerste lid voor een te nemen beslissing de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, behoeft, wordt het deel van de raad dat uit en door de studenten wordt gekozen, in de gelegenheid gesteld over de beslissing advies uit te brengen.
**2.** Het instemmingsrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid wordt niet uitgeoefend voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de hogeschool reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst.
**3.** Het instemmingsrecht of adviesrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet uitgeoefend voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de hogeschool reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst.
**3.** Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het instellingsbestuur wordt overgegaan, wordt de medezeggenschapsraad, dan wel het orgaan binnen de hogeschool dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, daartoe is aangewezen, vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
### Artikel 10.25
@ -3227,79 +3798,45 @@ d. de raad, indien het instellingsbestuur het advies niet of niet geheel wil vol
### Artikel 10.26
**1.** Elke hogeschool is aangesloten bij een commissie voor geschillen. Een commissie als bedoeld in de vorige volzin, strekt haar werkkring uit over ten minste twintig hogescholen. Onze minister kan het in de vorige volzin bedoelde aantal hogescholen lager stellen.
**1.** De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de hogescholen.
**2.** Een commissie voor geschillen bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid worden gekozen door de instellingsbesturen en een lid en een plaatsvervangend lid door de medezeggenschapsraden van de in het eerste lid bedoelde hogescholen. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.
**2.**
**3.** De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad van een hogeschool waarover de commissie haar werkkring uitstrekt.
De artikelen 9.39, 9.40 en 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogescholen, met dien verstande dat daarin onder «medezeggenschapsorgaan» wordt verstaan:
a. de gezamenlijke vergadering,
b. de ondernemingsraad,
c. het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin,
d. de medezeggenschapsraad, of
e. de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.
### Artikel 10.27
**1.**
Een commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de volgende gevallen:
a. op verzoek van het instellingsbestuur, indien het instellingsbestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen beslissing dat ingevolge de artikelen 10.20 en 10.22, onder a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het instellingsbestuur zijn voorstel wenst te handhaven,
b. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur ten aanzien van de inhoud van het medezeggenschapsreglement voorzover aangegeven in artikel 10.22, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven,
c. op verzoek van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur een beslissing heeft genomen waarover ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder b, advies door de raad is uitgebracht, het instellingsbestuur daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de hogeschool of de belangen van de raad ernstig worden geschaad, en
d. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement.
**2.** De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.28, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** Indien er een geschil is tussen het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid en een deelraad, meldt het bestuur dan wel de deelraad dit geschil aan bij het instellingsbestuur dan wel bij de medezeggenschapsraad van de hogeschool. Het instellingsbestuur dan wel de medezeggenschapsraad legt het geschil voor aan de commissie voor de geschillen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de medezeggenschapsraad van mening is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de geschillencommissie.
**4.** Een uitspraak van een commissie voor geschillen van openbare hogescholen wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit, genomen in administratief beroep.
Vervallen
### Artikel 10.28
**1.** Indien aan een te nemen beslissing van het instellingsbestuur instemming, vereist ingevolge artikel 10.20 of het medezeggenschapsreglement, is onthouden, deelt het instellingsbestuur binnen drie maanden aan de medezeggenschapsraad mede of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
**2.** Het instellingsbestuur doet een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder a, onder overlegging van de door het instellingsbestuur gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het instellingsbestuur onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.
**3.** De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het instellingsbestuur en de raad.
Vervallen
### Artikel 10.29
**1.** Voorzover aan een voorstel van het instellingsbestuur tot vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsreglement, wat betreft onderwerpen als bedoeld in artikel 10.22, de instemming die is vereist ingevolge artikel 10.21, tweede lid, is onthouden, deelt het instellingsbestuur aan de medezeggenschapsraad dan wel de raad aan het instellingsbestuur binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
**2.** Indien het instellingsbestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder b, is artikel 10.28, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het instellingsbestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.
**3.** De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel had kunnen komen. De commissie geeft, voorzover zij van oordeel is dat het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het instellingsbestuur het medezeggenschapsreglement vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.
Vervallen
### Artikel 10.30
**1.** Indien het instellingsbestuur een beslissing neemt waarbij het een advies van de medezeggenschapsraad, vereist ingevolge artikel 10.22, onder *b*, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van de beslissing opgeschort met vier weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van de beslissing geen bedenkingen heeft.
**2.** De medezeggenschapsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder *c*, binnen vier weken nadat de betrokken beslissing door het instellingsbestuur is genomen, onder overlegging van de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de instelling of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie stelt het instellingsbestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.
**3.**
De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur en van de raad, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad
a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze titel of het medezeggenschapsreglement,
b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad,
c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad, of
d. bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen.
**4.** De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of de betrokken beslissing al dan niet in stand kan blijven.
Vervallen
### Artikel 10.31
Op een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder *d*, doet de commissie de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement dient te worden gegeven.
Vervallen
### Artikel 10.32
Indien in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder l, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het medezeggenschapsreglement.
Vervallen
### Artikel 10.33
**1.** De medezeggenschapsraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het instellingsbestuur van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze titel.
**2.** Indien de burgerlijke rechter bevoegd is, neemt de kantonrechter kennis van de vordering.
**3.** In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
**4.** De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in artikel 10.34, op indien de rechten van die commissie specifiek aan de orde zijn.
Vervallen
### Artikel 10.34
@ -3309,21 +3846,11 @@ Indien in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van artikel 10.2
### Artikel 10.35
**1.** Indien een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid meerdere hogescholen in stand houdt, stelt het instellingsbestuur een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in voor alle of een aantal van deze hogescholen.
**2.** De leden van de gemeenschappelijke raad worden gekozen uit en door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zodanig dat de aantallen leden, gekozen uit het personeel onderscheidenlijk uit de studenten, elk de helft van het aantal leden van de raad bedragen. Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig leden.
**3.** Het instellingsbestuur stelt voor elke gemeenschappelijke raad een reglement vast. In het reglement wordt ten minste geregeld uit hoeveel leden de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bestaat, de wijze waarop de verkiezing door de betrokken medezeggenschapsraden geschiedt, en de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.22, onder d tot en met g.
**4.** Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing. In het reglement wordt vastgelegd met betrekking tot welke in dat artikel geregelde onderwerpen de instemming van de gemeenschappelijke raad is vereist.
**5.** Artikel 10.21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het reglement behalve voor wat betreft de bevoegdheden die ingevolge het vierde lid zijn overgedragen.
**6.** De artikelen 10.17 en 10.27 tot en met 10.33 zijn van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel 10.36
Indien een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid meerdere hogescholen in stand houdt, geeft het instellingsbestuur gelegenheid tot het instellen van een gemeenschappelijke commissie als bedoeld in artikel 10.34. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of uit eigen beweging advies uit te brengen aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel de afzonderlijke medezeggenschapsraden van de desbetreffende hogescholen over aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn en de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.
Vervallen
### Artikel 10.37
@ -3331,11 +3858,11 @@ Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen
### Artikel 10.38
**1.** Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de hogeschool ten grondslag ligt, kan Onze minister op verzoek van het instellingsbestuur van een bijzondere hogeschool ontheffing verlenen van de voorschriften van deze titel. Het instellingsbestuur toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de hogeschool als van de bij de hogeschool betrokken studenten.
**1.** Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de hogeschool ten grondslag ligt, kan Onze minister op verzoek van het college van bestuur van een bijzondere hogeschool ontheffing verlenen van de voorschriften van deze titel. Het college van bestuur toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de hogeschool als van de bij de hogeschool betrokken studenten.
**2.** Onze minister verklaart de ontheffing vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.
**3.** Het instellingsbestuur doet elke vijf jaren aan Onze minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing en de ondersteuning ervan.
**3.** Het college van bestuur doet elke vijf jaren aan Onze minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing en de ondersteuning ervan.
### Artikel 10.39
@ -3343,7 +3870,7 @@ Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen
**2.** Het instellingsbestuur stelt de leden van de medezeggenschapsraad in de gelegenheid om gedurende een door het instellingsbestuur en de raad gezamenlijk vast te stellen hoeveelheid tijd de scholing te ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het personeel van de hogeschool wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de raden, bedoeld in artikel 10.35.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op deelraden en opleidingscommissies.
## Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit
@ -3353,38 +3880,27 @@ Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen
**1.** Het college van bestuur van de Open Universiteit is belast met het bestuur van de Open Universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.
**2.** Het college van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
**3.** De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de Open Universiteit in en buiten rechte.
**4.** In dit hoofdstuk worden onder «het college van bestuur» en «de raad van toezicht» onderscheidenlijk verstaan: het college van bestuur van de Open Universiteit en de raad van toezicht van de Open Universiteit.
**2.** De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de Open Universiteit in en buiten rechte.
### Artikel 11.2
**1.** Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter.
**1.** Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
**2.** De leden van het college van bestuur worden door de raad van toezicht benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. De benoeming geschiedt voor een door de raad van toezicht te bepalen termijn. Met het einde van de maand waarin een lid van het college van bestuur de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend.
**2.** Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**3.** Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de ondernemingsraad van de Open Universiteit en de studentenraad, bedoeld in artikel 11.13, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**3.** Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**4.** Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**4.** Indien het college van bestuur slechts uit de voorzitter bestaat, regelt de raad van toezicht de vervanging van de voorzitter bij diens afwezigheid of ontstentenis.
**5.** Indien het college van bestuur slechts uit de voorzitter bestaat, regelt de raad van toezicht de vervanging van de voorzitter bij diens afwezigheid of ontstentenis.
**5.** Een lid van het college van bestuur kan niet tevens lid zijn van een ander bestuursorgaan van de Open Universiteit.
**6.** Een lid van het college van bestuur kan niet tevens lid zijn van een ander bestuursorgaan van de Open Universiteit, noch lid zijn van een bestuursorgaan van een andere in de bijlage van deze wet opgenomen instelling.
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
### Artikel 11.3
**1.** Het college van bestuur stelt het bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de Open Universiteit vast.
**2.**
In het reglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. Deze regels betreffen in elk geval:
a. de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt, en
b. het instemmingsrecht van studenten ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de onderwijs- en examenregeling met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.13, tweede lid, onder a tot en met g.
**2.** In het reglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt.
### Artikel 11.4
@ -3398,44 +3914,37 @@ b. het instemmingsrecht van studenten ten aanzien van de vaststelling en wijzigi
**1.** De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.
**2.** De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de ondernemingsraad van de Open Universiteit en de studentenraad, bedoeld in artikel 11.13, gezamenlijk. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.
**2.** De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.
**3.** Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van de raad van toezicht over te gaan, hoort Onze minister de ondernemingsraad en de studentenraad vertrouwelijk over het door hem voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**3.** Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**4.** Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.
**4.** De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de open Universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.
**5.**
**5.** De universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.
Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens:
a. voor het merendeel van zijn arbeidstijd personeelslid zijn van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling,
b. werkzaam zijn bij een departement van algemeen bestuur, of
c. lid zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal.
**6.** Het college van bestuur voorziet in de administratieve ondersteuning van de raad van toezicht.
**6.** Het college van bestuur voorziet in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de administratieve ondersteuning.
**7.** Het college van bestuur woont de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Het college van bestuur heeft daarin een adviserende stem.
**8.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent toelagen en tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
**8.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
### Artikel 11.6
**1.** De raad van toezicht is belast met het toezicht op het bestuur van de Open Universiteit in haar geheel en op het beheer daarvan. Hij staat het college van bestuur met raad bij. De raad van toezicht ziet er op toe dat het college van bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de op de Open Universiteit betrekking hebbende wetten alsmede de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen naleeft.
**1.**
**2.**
De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de Open Universiteit, bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
De raad van toezicht is belast met de goedkeuring dan wel instemming van:
a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
b. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;
c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en het instellingsplan;
d. indien van toepassing, het goedkeuren van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1;
e. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
f. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;
g. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
h. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en
i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het jaarverslag van de universiteit.
a. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 11.3,
b. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
c. de begroting, bedoeld in artikel 2.8,
d. het verslag, bedoeld in artikel 2.9,
e. het document, bedoeld in artikel 4.2, derde lid,
f. een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1,
g. de instelling of opheffing van regionale studiecentra, en
h. het reglement voor de studentenraad, bedoeld in artikel 11.14.
**3.** De goedkeuring, bedoeld in onderdeel d, kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
**2.** De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.
### Artikel 11.7
@ -3477,69 +3986,43 @@ a. advies uit te brengen aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, ov
b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en
c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen.
De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.
**2.** Op een advies, bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.
**3.** In het bestuurs- en beheersreglement wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het aantal leden van de commissie voortkomt uit studenten die aan de Open Universiteit zijn ingeschreven.
**3.** In het bestuurs- en beheersreglement worden regels van procedurele aard met betrekking tot de toepassing van het eerste lid gesteld en wordt de wijze van benoeming en samenstelling van de opleidingscommissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het aantal leden van de commissie voortkomt uit studenten die aan de Open Universiteit zijn ingeschreven.
### Paragraaf 3. Schorsing en vernietiging van besluiten
### Artikel 11.12
De besluiten van de examencommissie kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. In geval van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier maanden duren.
Vervallen
### Paragraaf 4. Medezeggenschap studenten
### Paragraaf 4. Medezeggenschap
### Artikel 11.13
**1.** Bij de Open Universiteit is een studentenraad. Het aantal leden bedraagt ten hoogste negen.
**1.** Op de medezeggenschap zijn de artikelen 9.30 tot en met 9.36 en 9.48 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder instellingscollegegeld wordt verstaan instellingscollegegeld OU.
**2.** De leden worden voor een periode van twee jaren bij geheime schriftelijke stemming gekozen door en uit de studenten.
**2.** Het college van bestuur behoeft voorts de voorafgaande instemming van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, en met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 7.30a, derde lid, derde volzin, en 7.30b, eerste lid, derde volzin.
**3.** Het college van bestuur stelt, overeenkomstig regels neergelegd in het reglement voor de studentenraad, de kandidaat-leden voor de studentenraad in de gelegenheid zich tijdig voor de verkiezing aan de studenten voor te stellen.
**3.** Indien het college van bestuur besluit dat de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is op de Open Universiteit is in afwijking van artikel 9.30, vierde lid, paragraaf 2 van titel 2 van hoofdstuk 9 niet van toepassing.
**4.** De vergaderingen van de studentenraad zijn openbaar, behoudens voorzover het reglement voor de studentenraad anders bepaalt of de raad anders beslist. De leden stemmen zonder last.
**5.** Het college van bestuur stelt de studentenraad en de leden daarvan in de gelegenheid de in deze wet bedoelde taken naar behoren te verrichten binnen het kader van de toegekende middelen en voorzieningen.
**6.** Het college van bestuur draagt er zorg voor dat de leden van de studentenraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van die raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de Open Universiteit.
**4.** Het aantal leden van de universiteitsraad van de Open Universiteit bedraagt ten hoogste achttien.
### Artikel 11.14
**1.** Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij deze paragraaf, een reglement voor de studentenraad vast. De vaststelling van het reglement alsmede elke wijziging daarvan behoeft de voorafgaande instemming van de studentenraad.
**2.**
Het reglement voor de studentenraad bevat in elk geval:
a. regels omtrent de verkiezing van de leden van de raad,
b. regels omtrent aanvang en einde van het lidmaatschap van de raad,
c. regels omtrent de werkwijze van de raad,
d. de wijze waarop het college van bestuur informatie verschaft aan de raad, en
e. regels omtrent geheimhouding van zaken de Open Universiteit betreffende.
Vervallen
### Artikel 11.15
**1.**
De studentenraad wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen, alvorens het college van bestuur een besluit neemt ten aanzien van:
a. de opleidingen die tot ontwikkeling zullen worden gebracht,
b. het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van studenten,
c. het beleid met betrekking tot verwijdering van studenten van de Open Universiteit,
d. de studiebegeleiding van studenten, en
e. de beperking van de inschrijving, bedoeld in artikel 7.55.
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op een besluit van de raad van toezicht tot goedkeuring van een besluit van het college van bestuur tot instelling of opheffing van regionale studiecentra.
**2.** De studentenraad kan het college van bestuur of de raad van toezicht ongevraagd advies uitbrengen ten aanzien van aangelegenheden de Open Universiteit betreffende die in het bijzonder de studenten aangaan.
**3.** Indien het college van bestuur of de raad van toezicht het ingevolge het eerste lid vereiste advies van de studentenraad niet of niet geheel opvolgt, worden de redenen daartoe schriftelijk aan de studentenraad meegedeeld.
Vervallen
### Artikel 11.16
**1.** Indien het college van bestuur de met betrekking tot het reglement voor de studentenraad vereiste instemming niet verwerft en zijn voorgenomen besluit wenst te handhaven, legt hij het voorgenomen besluit voor aan de raad van toezicht. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een geschil over de instemmingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid tweede volzin.
**1.** De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de Open Universiteit.
**2.** De raad van toezicht is bevoegd een bemiddelingsvoorstel voor te leggen. Indien de raad van toezicht van deze bevoegdheid geen gebruikmaakt of indien zijn voorstel niet de instemming verwerft van het college van bestuur en de studentenraad, beoordeelt de raad of het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorgenomen besluit heeft kunnen komen. De raad van toezicht neemt in elk geval een besluit dat bindend is voor het college van bestuur en de studentenraad.
**2.** Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 3 en artikel 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit.
### Artikel 11.17
@ -3633,7 +4116,7 @@ Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 12.18, van toepassing op de acade
### Artikel 12.5
De leden van de raad van bestuur genieten een bezoldiging dan wel een toelage. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld omtrent de rechtspositie van de leden van de raad van bestuur.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van de raad van bestuur.
### Artikel 12.6
@ -3668,13 +4151,11 @@ De raad van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. De
**2.** De voorzitter en de andere leden worden door Onze minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een termijn van ten hoogste vier jaren, de raad van toezicht gehoord.
**3.** Degene die een tussentijds opengevallen plaats vervult, wordt benoemd voor de duur van de voor degene in wiens plaats hij is benoemd, nog resterende benoemingstermijn.
**3.** De leden kunnen tussentijds, ook op eigen verzoek, worden ontslagen, de raad van toezicht gehoord.
**4.** De leden kunnen tussentijds, ook op eigen verzoek, worden ontslagen, de raad van toezicht gehoord.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
**5.** Onze minister kan een of meer leden van de raad van toezicht een tegemoetkoming toekennen. Onze minister kent de voorzitter een bezoldiging, toelage of tegemoetkoming toe. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter.
**6.** De raad van toezicht wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.
**5.** De raad van toezicht wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.
### Artikel 12.11
@ -3698,7 +4179,7 @@ Vervallen
### Artikel 12.15
Met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet ziekenhuisvoorzieningen (*Stb.* 1971, 268) beslist de raad van bestuur, na overleg met het college van bestuur van de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden, welke afdelingen en andere onderdelen het academisch ziekenhuis omvat.
Met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet toelating zorginstellingen beslist de raad van bestuur, na overleg met het college van bestuur van de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden, welke afdelingen en andere onderdelen het academisch ziekenhuis omvat.
### Artikel 12.16
@ -3861,27 +4342,15 @@ Vervallen
Vervallen
## Hoofdstuk 14. Beroep op de administratieve rechter
## Hoofdstuk 14. Beroep bij de bestuursrechter
### Artikel 14.1
**1.** Tegen een besluit van Onze minister of het accreditatieorgaan jegens een bepaalde instelling op grond van de in het tweede lid genoemde artikelen kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
**2.**
Het eerste lid heeft betrekking op:
a. artikel 1.9, zesde lid,
b. artikel 2.9, vierde lid,
c. artikel 5a.9,
d. artikel 6.5,
e. vervallen,
f. artikel 6.16, en
g. artikel 15.1, eerste lid.
Vervallen
### Artikel 14.2
**1.** Indien de uitspraak op een beroep tegen een beschikking als bedoeld in de artikelen 6.4, 6.8, 6.11, 6.14, vierde lid, tweede volzin en 7.17, strekt tot onderscheidenlijk het toekennen van de rechten genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, aanwijzing, registratie of goedkeuring, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt na het kalenderjaar waarin de uitspraak is gedaan.
**1.** Indien de uitspraak op een beroep tegen een beschikking als bedoeld in de artikelen 6.14, vierde lid, tweede volzin en 7.17, strekt tot registratie of goedkeuring, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt na het kalenderjaar waarin de uitspraak is gedaan.
**2.** Indien tegen de uitspraak hoger beroep openstaat, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.
@ -3889,45 +4358,44 @@ g. artikel 15.1, eerste lid.
### Artikel 15.1
**1.** Indien een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder *a*, *c* of *d*, in strijd handelen met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de rijksbijdrage, een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel wordt opgeschort.
**1.** Indien een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a, c of d, in strijd handelen met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de rijksbijdrage, een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel wordt opgeschort.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het instellingsbestuur, het personeel van een instelling of het accreditatieorgaan in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het instellingsbestuur, het personeel van een instelling of het accreditatieorgaan in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
**3.** Onze minister kent de rijksbijdrage wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
### Artikel 15.2
Degene die niet is ingeschreven en gebruikmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, is deswege aan die instelling een schadevergoeding verschuldigd, die door het instellingsbestuur wordt vastgesteld:
Degene die niet is ingeschreven en gebruikmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van onderwijs van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling, is deswege aan die instelling een schadevergoeding verschuldigd, die door het instellingsbestuur wordt vastgesteld:
a. met toepassing van artikel 7.43, tweede en derde lid, indien het deelname aan een voltijdse opleiding betreft,
b. met toepassing van artikel 7.44, eerste en tweede lid, indien het deelname aan een deeltijdse of duale opleiding betreft, of
c. met toepassing van artikel 7.50, eerste en tweede lid, indien het deelname aan een opleiding aan de Open Universiteit betreft.
a. met toepassing van artikel 7.46, tweede lid, indien het deelname aan een voltijdse opleiding betreft, of
b. met toepassing van artikel 7.45, tweede lid, indien het deelname aan een deeltijdse of duale opleiding betreft.
### Artikel 15.3
Degene die niet is ingeschreven en gebruikt maakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Degene die niet is ingeschreven en gebruikt maakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
### Artikel 15.4
**1.** Degene die aan onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling deelneemt, is verplicht bij die gelegenheid of onmiddellijk daarna op eerste vordering van of vanwege het instellingsbestuur aan dat bestuur dan wel aan een door dat bestuur aangewezen persoon of personen zijn naam en adres bekend te maken en het bewijs waaruit blijkt dat hij gerechtigd is daaraan deel te nemen, behoorlijk ter inzage te geven.
**1.** Degene die aan onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs aan een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling deelneemt, is verplicht bij die gelegenheid of onmiddellijk daarna op eerste vordering van of vanwege het instellingsbestuur aan dat bestuur dan wel aan een door dat bestuur aangewezen persoon of personen zijn naam en adres bekend te maken en het bewijs waaruit blijkt dat hij gerechtigd is daaraan deel te nemen, behoorlijk ter inzage te geven.
**2.** Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
### Artikel 15.5
Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling medewerkt aan het afgeven van een getuigschrift zonder dat ten aanzien van degene die het desbetreffende examen met goed gevolg heeft afgelegd, door het instellingsbestuur is verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling meewerkt aan het afgeven van een getuigschrift zonder dat ten aanzien van degene die het desbetreffende examen of onderzoek met goed gevolg heeft afgelegd onderscheidenlijk heeft ondergaan, door het instellingsbestuur is verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
### Artikel 15.6
**1.**
Het is verboden graden, genoemd in artikel 7.10a, te verlenen, tenzij:
Het is verboden graden, genoemd in de artikelen 7.10a, 7.18 en 7.19, te verlenen, tenzij:
a. op grond van artikel 5a.9 een accreditatiebesluit voor de opleiding van kracht is,
b. op grond van artikel 5a.11 het besluit van kracht is dat de opleiding een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, of
c. toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste, vierde, vijfde of zesde lid, of artikel 5a.15, tweede lid.
c. toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste, vierde, vijfde of zesde lid, of artikel 5a.15.
**2.** Het is verboden titels, genoemd in de artikelen 7.20 en 7.22, tweede lid, te verlenen.
**2.** Het is verboden titels, genoemd in de artikelen 7.20, 7.22, tweede lid, en 7a.5, te verlenen.
**3.** Degene die handelt in strijd met het eerste of tweede lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
@ -3935,47 +4403,27 @@ c. toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste, vierde, vijfde of zesde lid,
De in de artikelen 15.3, 15.4, 15.5 en 15.6 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
## Hoofdstuk 16. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen
### Titel 1. Intrekking wetten en besluiten
## Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen bij invoering van de wet en enkele andere overgangsvoorzieningen
### Artikel 16.1
**1.**
De artikelen 16.2 tot en met 16.6, 16.8 en 16.9 vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden gesteld.
Voorzover in deze wet niet anders is bepaald, worden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingetrokken:
a. de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (*Stb*. 1986, 414),
b. de Wet op het hoger beroepsonderwijs (*Stb*. 1986, 289),
c. de Wet op de Open Universiteit (*Stb*. 1984, 573),
d. de Invoeringswet W.W.O. (Stb. 1986, 426), met uitzondering van artikel C.2 onder *a* en *b*,
e. de Invoeringswet W.H.B.O. (*Stb*. 1986, 290), met uitzondering van de artikelen E.9, E.45, E.48 en E.65,
f. de Machtigingswet inschrijving studenten (*Stb*. 1985, 59),
g. de Machtigingswet beperking inschrijving h.b.o. (*Stb.* 1984, 693),
h. het Koninklijk besluit van 26 October 1851, no. 3, en het besluit van 5 januari 1938 (*Stb*. 390), houdende wijziging van de naam der Koninklijke Akademie van Wetenschappen en vaststelling van een reglement,
i. het besluit van 7 september 1982 (*Stb*. 518) houdende de regeling inzake de Koninklijke Bibliotheek als nationale bibliotheek, en
j. de ter uitvoering van de onder *a* tot en met *i* genoemde wetten en besluiten gegeven voorschriften, met uitzondering van
1°. de artikelen 335 en 337 van het Academisch Statuut (*Stb*. 1988, 315), welke artikelen worden ingetrokken met ingang van het in die artikelen genoemde tijdstip, en
2°. artikel 336 van het Academisch Statuut.
**2.** De op grond van de titels 1 tot en met 3 en 4, eerste en tweede paragraaf, van dit hoofdstuk gehandhaafde bepalingen van de bij of krachtens de in het eerste lid genoemde wetten en besluiten vastgestelde regelingen kunnen worden gewijzigd.
### Titel 2. Voorzieningen voor bepaalde en onbepaalde tijd
### Paragraaf 1. Onderwijsbevoegdheden en rechtspositie
### Artikel 16.2
**1.** Zij die een getuigschrift hebben verkregen van met goed gevolg afgelegd doctoraal examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, afsluitend examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs of examen van een diplomaprogramma als bedoeld in de Wet op de Open Universiteit, worden geacht dat getuigschrift te hebben verkregen op grond van deze wet.
**2.** Zij die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet op het hoger beroepsonderwijs, de Invoeringswet W.H.B.O., dan wel de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn een of meer van de in die wetten geregelde titels te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van de artikelen 7.20 tot en met 7.22 van deze wet.
Vervallen
### Artikel 16.3
Vervallen
Naast de bewijzen van voldoende didactische voorbereiding die voor 1 augustus 1993 aan een hogeschool of voor 1 september 1993 aan een universiteit zijn verkregen, alsmede de verklaringen van voldoende didactische voorbereiding die op grond van artikel 54, vierde lid, of artikel 110a, vierde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs zijn verkregen, gelden als zodanig de op 31 juli 1986 bestaande bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding.
### Artikel 16.4
Personeelsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet in dienst zijn van een instelling voor hoger onderwijs en die voor deze datum ten laste van het Rijk waren verbonden aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, en die op dat tijdstip aan bij of krachtens de in artikel 16.1, eerste lid, genoemde, op die instellingen betrekking hebbende wetten aanspraken, rechten en verplichtingen ontlenen of kunnen ontlenen, worden geacht deze vanaf dat tijdstip te ontlenen of te kunnen ontlenen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 4.5.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 13.1 en 13.3, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van de desbetreffende leden van bestuursorganen van toepassing.
### Paragraaf 2. Onderwijs en vooropleidingseisen
### Artikel 16.5
@ -3983,695 +4431,296 @@ Vervallen
### Artikel 16.6
Personeel van niet bekostigde ingevolge deze wet aangewezen bijzondere instellingen voor hoger beroepsonderwijs dat op grond van artikel B2, eerste lid, onderdeel *b*, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze bepaling luidde bij inwerkingtreding van deze wet, de ambtenarenstatus verworven heeft, is onder dezelfde voorwaarden met ingang van 1 januari 1996 overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP en behoudt voor zolang dat dienstverband voortduurt die status.
### Artikel 16.6a
**1.** Met ingang van het studiejaar 19981999 kan het instellingsbestuur de student die vóór dat studiejaar was ingeschreven voor een opleiding in het hoger onderwijs, en die met studie-onderbreking voor een tweede of volgende studiejaar aan een instelling is ingeschreven voor de propedeutische fase van dezelfde opleiding en het propedeutisch examen niet, dan wel zonder goed gevolg aflegt, met inachtneming van artikel 7.8b, derde tot en met vijfde lid, een afwijzing geven.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de student jegens wie het instellingsbestuur in een eerder studiejaar in de gelegenheid is geweest een afwijzing als bedoeld in dat lid of in artikel 7.9, tweede lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, met betrekking tot de desbetreffende opleiding te geven, doch dit heeft nagelaten.
**3.** In afwijking van artikel 7.9, vierde lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, is het instellingsbestuur bevoegd aan een voormalig student die vóór 1 september 1998 een afwijzing heeft ontvangen, op diens verzoek als student of extraneus in te schrijven voor de opleiding of voor een van de opleidingen waarvoor de afwijzing van kracht was. Artikel 7.8b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Artikel 7.9, eerste lid, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 september 1998 wordt niet toegepast met betrekking tot een opleiding waarvoor de student vóór het studiejaar 19981999 was ingeschreven.
Vervallen
### Artikel 16.7
**1.** Tot 1 januari 2005 verleent Onze minister aan hogescholen waaraan een opleiding muziek of een opleiding dans is verbonden, een rijksbijdrage ten behoeve van de aan die hogescholen verbonden voorbereidende periode voor die opleiding.
**2.**
In de onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende opleiding wordt voor een voorbereidende periode geregeld:
- de inhoud van de voorbereidende periode,
- de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een deelnemer aan de voorbereidende periode zich bij beëindiging daarvan moet hebben verworven,
- de inrichting van de praktische oefeningen, en
- de wijze waarop de deelnemers worden voorbereid om te kunnen voldoen aan de eisen en criteria, bedoeld in artikel 7.26a, eerste en tweede lid.
**3.** Een voorbereidende periode wordt in deeltijdse vorm gegeven.
**4.** Voor de inschrijving voor een voorbereidende periode is verschuldigd de helft van het bedrag, vastgesteld krachtens artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet.
**5.** De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan het in het vierde lid bedoelde bedrag.
Vervallen
### Artikel 16.8
**1.** Het college voor promoties van het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te 's-Gravenhage is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang een ieder die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding als bedoeld in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste lid of tweede lid, de graad Master is verleend.
**2.** De artikelen 1.12, vierde lid, 1.18, eerste lid, eerste en tweede volzin, en tweede lid, 7.18, tweede lid, aanhef en onder *b* en *c*, derde en vierde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder *a* en *b* genoemde universiteit deel uitmaken.
**3.** Onze minister besluit op grond van welke opleidingen, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën toegang tot de promotie kan worden verkregen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan het tweede lid.
**4.** Onze minister kan een besluit als bedoeld in het derde lid intrekken indien gebleken is dat de kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest, dan wel niet of niet meer voldaan wordt aan het tweede lid.
**5.** Indien Onze minister voornemens is toepassing te geven aan het vierde lid geeft hij een waarschuwing aan het instellingsbestuur, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande kan plaatsvinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. Bij zijn besluit tot intrekking bepaalt Onze minister het tijdstip waarop die intrekking van kracht wordt zodanig dat degenen die de voorbereiding van de promotie reeds ter hand hebben genomen, binnen redelijke tijd het doctoraat kunnen verkrijgen.
**6.** De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het vierde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
### Titel 3. Tijdelijke handhaving voorschriften oude stijl
Vervallen
### Artikel 16.9
**1.** Het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens artikel E.20 van de Invoeringswet W.H.B.O. met betrekking tot afwijkende vooropleidingseisen bepaalde blijft van toepassing tot uiterlijk het derde studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
**2.** Voorzover de in het eerste lid bedoelde vooropleidingseisen betrekking hebben op een verklaring van een middelbare technische school dat met goed gevolg eindexamen is afgelegd, zonder dat het praktijkjaar is doorlopen, blijft, in afwijking van het eerste lid, het krachtens artikel E.20 van de Invoeringswet W.H.B.O. bepaalde van toepassing tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Onder een verklaring van een middelbare technische school wordt tevens verstaan een verklaring van een school of instelling die een opleiding middelbaar beroepsonderwijs of een opleiding deeltijds middelbaar beroepsonderwijs in de sector techniek in stand houdt, voorzover deze opleidingen uitsluitend of mede gericht zijn op doorstroming naar het hoger beroepsonderwijs.
**3.** Voor de inschrijving op grond van het eerste en tweede lid geldt als eis het bezit van een door het instellingsbestuur afgegeven bewijs van toelating.
### Artikel 16.9a
**1.** Indien na toepassing van de artikelen 7.57b tot en met 7.57f blijkt dat bij een of meer instellingen die toepassing hebben gegeven aan artikel 7.25, vierde lid, nog plaatsen beschikbaar zijn, vindt alsnog selectie plaats van degenen die zich overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 7.37, vierde lid, hebben aangemeld, doch niet voldoen aan de krachtens artikel 7.25 gestelde nadere vooropleidingseisen. Deze selectie geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 7.57b tot en met 7.57f. In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid, kunnen voor de toepassing van dit lid nadere regels worden gesteld.
**2.** Artikel 7.57e wordt niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 20002001.
**3.** Artikel 7.57f, eerste lid, wordt jegens degene die niet eerder aan de selectieprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid onder a, of in artikel 7.53, tweede lid, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 1998, heeft deelgenomen, en die in een van de kalenderjaren 1997 tot en met 1999 een opleiding in het voortgezet onderwijs, een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs, dan wel een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die toelaatbaarheid tot het hoger onderwijs met zich meebrengt, met goed gevolg heeft afgerond, niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 19992000.
**4.**
Artikel 7.57f, tweede lid, wordt niet eerder toegepast dan met betrekking tot het studiejaar 20002001, met dien verstande dat:
a. degenen die met betrekking tot het studiejaar 19992000 voor de eerste maal hebben deelgenomen aan de lotingsprocedure voor een opleiding, nadien nog ten hoogste drie maal aan de lotingsprocedure voor dezelfde opleiding kunnen deelnemen,
b. deelname aan de loting voor een opleiding in 1998 of eerdere jaren niet meetelt bij de toepassing van dit artikellid voor dezelfde opleiding.
### Artikel 16.9b
**1.** Onverminderd artikel 7.51 treft het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 10.7 of 10.8 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het bij of krachtens de artikelen 10.6 tot en met 10.8 van die wet bepaalde resultaat niet heeft behaald. Deze financiële voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000.
**2.** De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zijn de bijzondere omstandigheden, genoemd in artikel 7.51, tweede lid. Bij de toepassing van het eerste lid betrekt het instellingsbestuur als bijzondere omstandigheid tevens de omstandigheid dat de opleiding zodanig is ingericht dat de student redelijkerwijs niet in staat is geweest het in dat lid bedoelde resultaat te behalen.
Op de beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 12.3.9, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die door de bijzondere hogeschool te Haarlem of door de rechtspersoon aan wie de instandhouding van die hogeschool is overgedragen, worden verzorgd, blijft artikel E.65, tweede lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. van toepassing.
### Artikel 16.10
**1.**
Vervallen
Ten aanzien van het onderwijs bedoeld in artikel 102 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs zoals dit artikel luidt bij inwerkingtreding van deze wet, blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen tot stand gekomen besluiten en regelen van kracht:
a. de artikelen 103, 105 en 107, tweede lid, en 110 en 110*a*, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs met dien verstande dat in artikel 110*a*, eerste lid, het gestelde onder *a* komt te vervallen en na onderdeel *c*, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, een nieuw onderdeel *d* wordt toegevoegd, luidende:
d. in plaats van een bewijs van bekwaamheid of een verklaring als bedoeld onder *b* en een bewijs van voldoende didactische voorbereiding of een verklaring als bedoeld onder *c* gezamenlijk, een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiplomas dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.
, en
b. de artikelen E.18, E.20 voor wat betreft de vooropleidings- en toelatingseisen en de daarmee verband houdende aanvullende voorschriften, E.21 tot en met E.26 en E.28, tweede en derde lid, van de Invoeringswet W.H.B.O.
**2.** Ten aanzien van de universitaire lerarenopleidingen blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de artikelen 67, 68, 69 en 71 van het Academisch Statuut van kracht.
**3.**
Ten aanzien van de hogescholen blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen tot stand gekomen besluiten en regelen van kracht:
a. artikel 54 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, met dien verstande dat het gestelde in het eerste lid, onder *a*, komt te vervallen en na onderdeel *c*, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, een nieuw onderdeel *d* wordt toegevoegd, luidende:
d. in plaats van een getuigschrift of een verklaring als bedoeld onder *b* en een bewijs of een verklaring als bedoeld onder *c* gezamenlijk, een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiplomas dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.
en
b. de artikelen D.4, D.6, D.9 en D.10 van de Invoeringswet W.H.B.O.
**4.** Ten aanzien van de niet uit de openbare kas bekostigde lerarenopleidingen waarop een aanwijzing ingevolge artikel 6.9 van toepassing is, geldt in afwijking van artikel 1.12, tweede lid, als voorwaarde dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens de in het eerste en derde lid gehandhaafde artikelen is bepaald alsmede hetgeen in deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg en de beperking van de inschrijving op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt.
**5.** Ten aanzien van de universitaire lerarenopleidingen waarop een aanwijzing ingevolge artikel 6.9 van toepassing is, is in aanvulling op artikel 1.12, tweede lid, tevens voorwaarde dat de instelling in acht neemt hetgeen in de krachtens het tweede lid gehandhaafde artikelen is bepaald.
**6.** Ten aanzien van de deeltijdse hogere kaderopleiding pedagogiek, genoemd in de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen, bijlage 1, onderdeel F, nr. 21*a*, zoals luidend bij inwerkingtreding van deze wet, blijft het bepaalde bij of krachtens artikel E.20 van de Invoeringswet W.H.B.O. wat betreft de vooropleidingseisen en toelatingseisen van toepassing.
### Artikel 16.10a
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum blijven voor het personeel, bedoeld in artikel 2.18, derde lid, in de nieuwe functie de regelingen met betrekking tot de rechtspositie zoals die op 31 juli 1999 voor dat personeel golden van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die zien op de inhoud van de functie die zij op die datum bekleedden, met dien verstande dat die overeenkomstige toepassing in elk geval eindigt op de datum waarop door de educatieve voorziening en de daarvoor in aanmerking komende personeelsorganisaties anders is overeengekomen. In de nieuwe functie geldt een carrièrepatroon en een maximumsalaris dat ten minste gelijk is aan het carrièrepatroon en het maximumsalaris dat behoorde bij de functie die het personeelslid op 31 juli 1999 bekleedde aan de in artikel 2.18, derde lid, bedoelde school.
### Titel 4. Voorschriften i.v.m. invoering wet
#### Paragraaf 1. Voorschriften betreffende de instellingen voor hoger onderwijs
### Paragraaf 3. Getuigschriften en titulatuur
### Artikel 16.11
**1.** Op de in de bijlage van deze wet onder c tot en met g genoemde instellingen blijven de artikelen 14, derde en vierde lid , 62, aanhef en onder c, d en n, 73, 75, 90, 128 en 166 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, artikel 17, eerste lid, laatste volzin, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs zoals dat artikel luidde op 30 juli 1993, alsmede artikel E.3 van de Invoeringswet W.H.B.O. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing. Op beslissingen van Onze minister, genomen op grond van de artikelen 128 en 166 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs blijven onderscheidenlijk de artikelen 134 en 169 van die wet van toepassing.
**1.** Degenen die een getuigschrift hebben verkregen van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, afsluitend examen of propedeutisch examen als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs of examen van een diplomaprogramma als bedoeld in de Wet op de Open Universiteit, worden geacht dat getuigschrift te hebben verkregen op grond van deze wet.
**1a.** Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de hogeschool in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de hogeschool overgaat. In het laatste geval zijn het tweede tot en met vierde lid van het op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikel 90 van overeenkomstige toepassing.
**2.** In geval van omzetting, splitsing of verplaatsing van een instelling, in overeenstemming met het op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikel 128, dan wel in geval van samenvoeging van twee of meer van de in dat lid bedoelde instellingen, worden de daaruit voortkomende instellingen geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en worden de instellingen waaruit zij voortkomen, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen.
**3.** Ingeval van opheffing van een openbare instelling onderscheidenlijk verlies van de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een bijzondere instelling, als bedoeld in het op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikel 166, wordt deze instelling geacht met onmiddellijke ingang niet langer in de bijlage van deze wet te zijn opgenomen.
**4.** Ingeval van bestuursoverdracht van een instelling als bedoeld in de op grond van het eerste lid van toepassing blijvende artikelen 75 en 90, worden het lichaam dat of de rechtspersoon die deze instelling na de bestuursoverdracht in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt het lichaam of de rechtspersoon waardoor de bestuursoverdracht is verricht, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen. Ingeval van splitsing van een rechtspersoon en overgang van de instandhouding van een instelling als bedoeld in lid 1a, wordt de rechtspersoon die de instelling na de splitsing in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt de rechtspersoon die de instelling voor de splitsing in stand hield, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen.
**5.** In afwijking van artikel 7.17, zoals dat artikel luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321), kunnen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip instellingen die met toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, of artikel E.66, eerste lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. in het studiejaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet onderwijs hebben gegeven buiten de gemeente van vestiging, dat onderwijs blijven geven in de gemeente waar in dat studiejaar dat onderwijs werd gegeven met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de genoemde artikelen.
**6.** In afwijking van artikel 7.17, zoals dat artikel luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321), kunnen instellingen die met toepassing van artikel E.66, tweede lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. in het studiejaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet onderwijs hebben gegeven buiten de gemeente van vestiging, dat onderwijs blijven geven in de gemeente waar in dat studiejaar dat onderwijs werd gegeven.
**7.** In afwijking van artikel 7.17, zoals dat artikel luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321), blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip het bepaalde bij of krachtens artikel 14, zesde lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van toepassing op de in het eerste lid bedoelde instellingen waaraan een lerarenopleiding is verbonden.
**8.** In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, onder *e*, is de titel baccalaureus tevens verbonden aan het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd examen van opleidingen die de voortzetting zijn van de opleidingen genoemd in artikel 191, tweede lid, onder *c*, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op opleidingen op het gebied van het hoger onderwijs die in het tijdvak 1970 tot en met 1998 zijn bekostigd op grond van de Experimentenwet onderwijs, alsmede op de getuigschriften en examens, bedoeld in artikel D.10 van de Invoeringswet W.H.B.O.
### Artikel 16.12
Vervallen
**1.** Degenen die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs of de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn de titel doctor te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van artikel 7.22, eerste lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde.
**2.** Het doctoraat in de godgeleerdheid of in de wijsbegeerte, verkregen aan een Nederlandse kerkelijke instelling van wetenschappelijk onderwijs, welke reeds op 1 januari 1960 dit doctoraat verleende, geeft het recht tot het voeren van de titel doctor. Artikel 7.22, derde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is van toepassing.
### Artikel 16.13
Erkenningen verleend op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen voor hoger beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het hoger beroepsonderwijs dan wel voor wetenschappelijk onderwijs in de zin van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs vervallen een jaar na inwerkingtreding van deze wet. Indien voor afloop van deze termijn een verzoek om aanwijzing als bedoeld in artikel 6.9 is gedaan, blijft de erkenning van kracht totdat definitief op het verzoek is beslist. Zolang de erkenning van kracht is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Wet op de erkende onderwijsinstellingen van toepassing.
**1.** Degenen die op grond van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet op het hoger beroepsonderwijs, de Invoeringswet W.H.B.O. of de Wet op de Open Universiteit gerechtigd zijn een of meer van de in die wetten geregelde titels te voeren, worden geacht dat recht te hebben verkregen op grond van artikel 7.20, eerste lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 16.11, tweede lid, doch uitsluitend voorzover krachtens de Experimentenwet onderwijs het recht tot het voeren van de titel ingenieur, afgekort tot ing., of de titel baccalaureus is verleend.
**3.** Artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is van overeenkomstige toepassing op degene die in het tijdvak 5 mei 1945 tot en met 31 december 1948 het diploma van vliegtuigbouwkundig ingenieur heeft verkregen aan de Technische Hogeschool te Delft.
**4.** In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder c, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is degene die in het studiejaar 19921993 was ingeschreven voor de in het Academisch Statuut bedoelde internationaal-juridische, juridisch bestuurswetenschappelijke of juridisch politiekwetenschappelijke studierichting en die in het studiejaar 19931994 of het studiejaar 19941995 die opleiding heeft afgerond door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, gerechtigd tot het voeren van de in artikel 7.20, eerste lid, onder d, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, bedoelde titel, mits de examencommissie op zijn verzoek op het desbetreffende getuigschrift een aantekening heeft geplaatst.
### Paragraaf 4. Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën
### Artikel 16.14
Een aanwijzing krachtens artikel 218 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs dan wel artikel 171 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs geldt als een aanwijzing ingevolge artikel 6.9.
**1.** Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te s-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen verbonden aan een opleiding in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Master is verleend, onverminderd het tweede lid.
**2.** De artikelen 1.12, vijfde lid, 1.18, eerste lid, eerste en tweede volzin, en tweede lid, 7.18, tweede lid, aanhef en onder b en c, derde, vierde en vijfde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder a of b opgenomen universiteit deel uitmaken.
**3.** Onze minister besluit op grond van welke opleidingen, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën, toegang tot de promotie kan worden verkregen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan het tweede lid.
**4.** Onze minister kan een besluit als bedoeld in het derde lid intrekken, indien gebleken is dat de kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest dan wel niet of niet meer voldaan wordt aan het tweede lid.
**5.** Indien Onze minister voornemens is toepassing te geven aan het vierde lid, geeft hij een waarschuwing aan het instellingsbestuur, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande kan plaatsvinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. Bij zijn besluit tot intrekking bepaalt Onze minister het tijdstip waarop de intrekking van kracht wordt, zodanig dat degenen die de voorbereiding van de promotie reeds ter hand hebben genomen, binnen redelijke termijn het doctoraat kunnen verkrijgen.
**6.** De werking van het besluit van Onze minister, bedoeld in het vierde lid, wordt opgeschort, totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
### Paragraaf 5. Fusies, omzetting, splitsing, verplaatsing en bestuursoverdracht hogescholen
### Artikel 16.15
**1.**
Uiterlijk drie maanden voor de aanvang van het studiejaar ten aanzien waarvan deze wet voor het eerst toepassing vindt, stelt Onze minister, na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, met betrekking tot alle op dat tijdstip uit s Rijks kas bekostigde dan wel aangewezen studierichtingen en diplomaprogrammas voor dat studiejaar het Centraal register opleidingen hoger onderwijs vast. In afwijking van artikel 6.13, vierde lid , bevat dit register de volgende gegevens:
a. de naam van de opleiding en, voorzover deze afwijkt van de studierichting of het diplomaprogramma waarvan de opleiding de voortzetting vormt, de naam van die studierichting onderscheidenlijk dat diplomaprogramma alsmede de instelling die de opleiding verzorgt,
b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,
c. de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs,
d. het voltijdse dan wel deeltijdse karakter, en
e. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld.
**2.** De naam van de opleiding wijkt niet af van de naam van de studierichting, onderscheidenlijk het diplomaprogramma, waarvan de opleiding de voortzetting is, tenzij alle instellingen die de opleiding verzorgen anders overeenkomen.
**3.** Tot de onderscheiden onderdelen van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs behoren in elk geval de volgende studierichtingen en diplomaprogramma's: de studierichtingen, genoemd in de artikelen 82 tot en met 95 van het Academisch Statuut en de diplomaprogramma's, genoemd in de artikelen 19 en 20 van het OU-statuut (*Stb.* 1988, 466) behoren tot het onderdeel recht, de studierichtingen, genoemd in de artikelen 244 tot en met 291 van het Academisch Statuut, de studierichtingen, genoemd in bijlage I onderdeel C van de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen (*Stcrt.* 1986, 127) en de diplomaprogramma's, genoemd in de artikelen 30 tot en met 34 van het OU-statuut behoren tot het onderdeel techniek, de studierichtingen, genoemd in de artikelen 292 tot en met 313 van het Academisch Statuut en de studierichtingen genoemd in bijlage I, onderdeel B, van de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen behoren tot het onderdeel landbouw en natuurlijke omgeving.
**4.** Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling bedoeld in artikel 7.25 onderscheidenlijk 7.26, blijft ten aanzien van de eisen van het vakkenpakket onderscheidenlijk de eisen ten aanzien van kennis en vaardigheden die in aanvulling op de vooropleidingseisen gesteld worden wat betreft de opleidingen die een voortzetting vormen van studierichtingen, bedoeld in het eerste lid, het bepaalde bij of krachtens het Academisch Statuut dan wel de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen van toepassing. Wat betreft de eisen ten aanzien van de eigenschappen van de student blijft tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.26, artikel E.33 van de Invoeringswet W.H.B.O. van toepassing op de opleidingen, bedoeld in de eerste volzin.
**5.** In afwijking van artikel 6.14, en met inachtneming van het vierde lid, verstrekken de instellingsbesturen binnen drie maanden na inwerkingtreding van de wet de gegevens voor het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het tweede studiejaar dat aanvangt na inwerkingtreding, doch niet later dan 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan dat studiejaar. Het register wordt voor 1 februari daaropvolgend bekendgemaakt.
**6.** Van een besluit van Onze minister als bedoeld in het eerste lid, kan het instellingsbestuur binnen dertig dagen nadat dit besluit hem ter kennis is gebracht, bij de Kroon beroep instellen.
### Artikel 16.15a
In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, onder *c*, is degene die in het studiejaar 1992-1993 was ingeschreven voor de in het Academisch Statuut bedoelde internationaal-juridische, juridisch bestuurswetenschappelijke of juridisch politiek-wetenschappelijke studierichting, en die in het studiejaar 1993-1994 of 1994-1995 die opleiding afrondt door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, gerechtigd tot het voeren van de titel doctorandus, afgekort drs., mits de examencommissie op zijn verzoek op het desbetreffende getuigschrift daarvan een aantekening plaatst.
Vervallen
### Artikel 16.16
**1.** Tot uiterlijk vier jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet kunnen als aparte opleidingen worden verzorgd de in artikel 18, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs genoemde opleidingen van de tweede fase, de in artikel 330 van het Academisch Statuut bedoelde opleiding tot wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied en de in artikel E.17, derde lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. genoemde opleidingen. Op deze opleidingen blijven alsdan de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing, met dien verstande dat met het oog op de toelating tot de tweede fase met het doctoraalexamen gelijk kan worden gesteld een met goed gevolg afgelegd, overeenkomstig examen als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid.
**1.** De rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt en die voldoet aan artikel 10.8, eerste lid of kan fuseren met een rechtspersoon die een andere bijzondere hogeschool in stand houdt. De overdracht van de instandhouding alsmede de fusie bedoeld in de eerste volzin wordt aangemerkt als bestuurlijke fusie.
**2.** Indien geen toepassing is gegeven aan het eerste lid, voorziet de onderwijs- en examenregeling in een overgangsregeling tot uiterlijk twee jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, ten behoeve van studenten die op dat tijdstip bezig zijn met een opleiding als bedoeld in dat lid. Op deze studenten blijven de in de tweede volzin van het eerste lid bedoelde voorschriften van toepassing.
**2.** Een rechtspersoon die twee of meer hogescholen in stand houdt, kan deze samenvoegen tot een hogeschool. Deze samenvoeging wordt aangemerkt als institutionele fusie.
**3.** In afwijking van artikel 7.38, tweede lid, bedraagt de inschrijvingsduur van studenten op wie het bepaalde in het eerste en het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is, indien zij op 31 augustus 1993 waren ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van tandarts of wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied, in totaal zeven en een half jaar en indien zij toen waren ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van arts, dierenarts of apotheker, in totaal acht en een half jaar.
**3.** De overdracht, bedoeld in het eerste lid, geschiedt bij notariële akte. Bij die akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van de gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Die akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat het lichaam waaraan of de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen aan de instelling aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
**4.** Op de in het eerste en tweede lid bedoelde studenten, met uitzondering van de studenten die een opleiding als bedoeld in artikel E.17, derde lid, van de Invoeringswet W.H.B.O. volgen, blijven van toepassing de artikelen 8, derde lid, 9, zesde lid, en 17*a*, derde lid, onder *b* en vijfde lid, van de Wet op de studiefinanciering (*Stb.* 1991, 112), zoals zij golden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. In afwijking van artikel 9, vijfde lid, onderdeel *b*, van de Wet op de studiefinanciering zoals dat voor de betrokkene gold op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voldoet de studerende, bedoeld in het derde lid, niet aan de voorwaarden voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, indien hij in totaal zeven en een half, onderscheidenlijk acht en een half jaar als studerende in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs studiefinanciering op grond van dat hoofdstuk heeft genoten.
**4.** Door overdracht met inachtneming van het eerste en derde lid treedt het verkrijgende lichaam op of de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
**5.** In afwijking van het eerste lid kunnen de opleidingen, bedoeld in artikel E.17, derde lid, onderdelen *i* en *j*, van de Invoeringswet W.H.B.O. als aparte opleidingen worden verzorgd tot uiterlijk 31 augustus 1998.
**5.** De artikelen 16.16 tot en met 16.16c, met uitzondering van artikel 16.16, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen die bijzondere universiteiten in stand houden.
### Artikel 16.17
### Artikel 16.16a
Het instellingsbestuur stelt uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar ten aanzien waarvan deze wet voor de eerste maal toepassing vindt, de in artikel 7.13 bedoelde onderwijs- en examenregeling vast en geeft tijdig voorafgaand aan dat studiejaar eveneens toepassing aan artikel 7.15.
### Artikel 16.18
**1.** Staatsexamens als bedoeld in artikel E.11 van de Invoeringswet W.H.B.O. en hoofdstuk VI van de Wet op het hoger beroepsonderwijs kunnen tot het vijfde kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet worden afgenomen, met dien verstande dat zij die in het laatste jaar waarin op grond van het vorenstaande het examen kon worden afgenomen het examen hebben afgelegd en zijn afgewezen in het daaropvolgende jaar voor de laatste maal gelegenheid krijgen dit examen af te leggen.
**2.** Artikel 176 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs blijft van toepassing, met dien verstande dat voor "het College van beroep voor het hoger beroepsonderwijs" wordt gelezen "het in artikel 7.64, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde college van beroep voor het hoger onderwijs".
**3.** De besluiten ten aanzien van staatsexamens als bedoeld in het eerste lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
### Artikel 16.19
Van degene die in enig studiejaar als student of extraneus wordt ingeschreven voor een opleiding waarvoor hij voor de inwerkingtreding van deze wet ook als student of extraneus was ingeschreven, worden de voor dat tijdstip met goed gevolg afgelegde examenonderdelen alsmede de examenonderdelen waarvoor geheel of gedeeltelijk vrijstelling is verleend, door de desbetreffende examencommissie uitgedrukt in studiepunten.
### Artikel 16.20
**1.** Wat het hoger beroepsonderwijs betreft, vangt het eerste studiejaar na inwerkingtreding van deze wet, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, onder *k*, aan op 1 augustus en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar.
**2.** Artikel 7.37, vierde lid, vindt ten aanzien van het hoger beroepsonderwijs voor het eerst toepassing met betrekking tot de inschrijving voor het tweede studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
**3.** In het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 12, eerste lid, onder *c*, van de Wet op de studiefinanciering (*Stb.* 1991, 112) in de laatste maand van dat studiejaar geen tegemoetkoming in de kosten van de onderwijsbijdrage uitgekeerd aan studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs.
**4.** In afwijking van artikel 7.42, zesde lid, vindt in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, beëindiging van de inschrijvingsduur op grond van artikel 7.42, vierde lid, niet plaats in de maanden juni, juli en augustus.
**5.** Voor de toepassing van artikel 7.43, tweede lid, blijft de laatste maand van het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing.
**6.** Voor de toepassing van artikel 7.49, eerste lid, eerste volzin, blijven in afwijking van het gestelde in de tweede volzin van dat artikellid, in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, de laatste drie maanden buiten beschouwing.
**7.** Studenten die in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, zijn ingeschreven voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, verbruiken in genoemd studiejaar in verband met het volgen van die opleiding, ten hoogste twaalf maanden inschrijvingsduur indien het een voltijdse opleiding betreft en ten hoogste acht maanden indien het een deeltijdse opleiding betreft.
### Artikel 16.21
**1.** De artikelen 7.53 en 7.54 kunnen voor de eerste maal toepassing vinden met betrekking tot de inschrijving voor het tweede studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
**2.** Het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet inschrijving studenten met betrekking tot de beperking van de inschrijving op grond van de beschikbare onderwijscapaciteit is wat universiteiten betreft van toepassing op het eerste studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
**3.** Op de inschrijving aan hogescholen voor het eerste studiejaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is artikel E.33 van de Invoeringswet W.H.B.O. van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 16.22
Met betrekking tot het studiejaar 1993-1994 blijft het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet inschrijving studenten, voorzover het betreft beperking van de inschrijving op grond van de behoefte op de arbeidsmarkt, onderscheidenlijk het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet beperking inschrijving h.b.o. van toepassing.
### Artikel 16.23
**1.** Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4.3, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van het overleg over aangelegenheden als bedoeld in dat artikel, van toepassing.
**2.** Ten aanzien van het personeel van de hogescholen, de universiteiten, de Open Universiteit, de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, blijven in afwijking van artikel 4.5, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, welke tijdstippen voor de onderscheiden instellingen verschillend kunnen liggen, de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van het desbetreffende personeel van toepassing.
**3.** Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 9.3, 10.10, 11.2, 12.5, 12.10, 13.1 en 13.3, onderscheidenlijk het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 10.11, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende regels ten aanzien van de desbetreffende leden van bestuursorganen van toepassing.
**4.** De regels die ingevolge dit artikel van toepassing blijven kunnen overeenkomstig de voor inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften worden gewijzigd met dien verstande dat voorzover de regels betrekking hebben op het personeel van de Universiteit van Amsterdam of van het academisch ziekenhuis bij die universiteit, het college van bestuur onderscheidenlijk de raad van bestuur in de plaats treedt van het gemeentebestuur van Amsterdam en dat bij algemene maatregel van bestuur op dat personeel van toepassing kunnen worden verklaard regels die van toepassing zijn op het personeel van de overige openbare universiteiten, onderscheidenlijk academische ziekenhuizen.
### Artikel 16.24
Ten aanzien van het in artikel 1.9, vierde lid, genoemde onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek wordt uiterlijk een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitvoering gegeven aan het bij of krachtens artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, bepaalde.
### Artikel 16.25
Aan artikel 2.4 wordt voor de eerste maal toepassing gegeven twee jaren na de gezamenlijke vaststelling van het laatste overheidsplan voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 176 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, en het laatste HBO-plan, bedoeld in artikel 115 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.
### Artikel 16.26
**1.** Titel 2 van hoofdstuk 2 vindt voor de eerste maal toepassing ten aanzien van het eerste volle kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
**2.** Voor het begrotingsjaar voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar blijven de op de datum voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van kracht met betrekking tot de berekening en vaststelling van de rijksbijdrage alsmede ten aanzien van het afleggen van rekening en verantwoording.
**3.** In afwijking van artikel 2.5, eerste lid, worden tot en met het begrotingsjaar 2007 de opleidingen op het gebied van de kunst, de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en de voortgezette kunstopleidingen en de voortgezette opleidingen bouwkunst, bedoeld in artikel 7.4, vijfde lid, eerste en derde volzin, in verband met de aard van deze onderwijsvoorzieningen bekostigd op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
### Artikel 16.27
**1.** De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande organen voor postacademisch onderwijs, bedoeld in artikel 146 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, worden voor 1 september van het daaropvolgende jaar opgeheven. Onze minister kan terzake nadere regels geven.
**2.** Tot het in het eerste lid bedoelde tijdstip blijft ten aanzien van de bestaande organen voor postacademisch onderwijs van kracht de Regeling post-academisch onderwijs (*Stb.* 1977, 525).
### Artikel 16.28
Het in artikel 7.64, eerste lid, genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs wordt in afwijking van het bepaalde bij artikel 7.65, eerste en tweede lid, voor de eerste maal gevormd door degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet zitting hebben in het college van beroep voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 136 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, tezamen met degenen die op dat tijdstip zitting hebben in het college van beroep voor het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 177 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.
### Artikel 16.29
**1.** Voor zolang het in artikel 7.62, eerste lid, bedoelde reglement van orde niet is vastgesteld, is het bepaalde bij en krachtens artikel 122 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, bij en krachtens de artikelen 47 tot en met 50 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, onderscheidenlijk bij en krachtens artikel 38 van de Wet op de Open Universiteit van overeenkomstige toepassing.
**2.** Voor zolang het in artikel 7.66, derde lid, bedoelde reglement van orde niet is vastgesteld, is op beroepen ingesteld bij het in artikel 7.64, eerste lid, genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs, het bepaalde bij en krachtens de artikelen 136 en 139 tot en met 142 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, onderscheidenlijk bij en krachtens de artikelen 177 en 180 tot en met 185 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot de overige in het reglement van orde te regelen onderwerpen voorziet de voorzitter van het in de eerste volzin bedoelde college in een voorlopig reglement, dat voorzover noodzakelijk uitvoering geeft aan het bepaalde bij artikel 7.66, derde lid.
### Artikel 16.30
De artikelen 42 tot en met 56, onderscheidenlijk de artikelen 59 tot en met 73, van het Uitvoeringsbesluit W.W.O. (*Stb.* 1986, 472) zijn tot bij koninklijk besluit te bepalen datum van toepassing op het in artikel 7.60 genoemde college van beroep voor de examens, onderscheidenlijk het in artikel 7.64 genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs.
### Artikel 16.31
**1.**
In afwijking van artikel 7.43, eerste lid, onder *a* bedraagt het collegegeld:
a. f 2 050 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
b. f 2 150 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
**1.** Een institutionele dan wel bestuurlijke fusie wordt niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is verleend door Onze Minister. De eerste volzin geldt eveneens indien daarbij is betrokken een bestuursoverdracht van rechtspersonen die een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs in stand houden, of een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs aan een rechtspersoon die een instelling in stand houdt.
**2.**
In afwijking van artikel 7.43, eerste lid, onder *b*, bedraagt het collegegeld:
De rechtspersoon dan wel de rechtspersonen dan wel de instellingen dienen gezamenlijk een aanvraag in bij Onze Minister voor het verkrijgen van de goedkeuring bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. f 1 550 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
b. f 1 625 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
a. een fusie-effectrapportage opgesteld door de betrokken rechtspersoon dan wel rechtspersonen dan wel door de betrokken instellingen, en
b. een schriftelijke verklaring van instemming van de medezeggenschapsraden, dan wel voor zover het betreft een bijzondere universiteit de universiteitsraden, over de voorgenomen fusie die is voorafgegaan door de kennisname van de fusie-effectrapportage door de medezeggenschapsraden respectievelijk de universiteitsraden.
**3.**
In afwijking van artikel 7.44, eerste lid, bedraagt het collegegeld:
a. f 2 870 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
b. f 3 010 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
**3.** De schriftelijke verklaring van instemming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, maakt onderdeel uit van de mededeling, bedoeld in artikel 1.8, derde lid.
**4.**
In afwijking van artikel 7.45 bedraagt het examengeld:
De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
a. f 1 180 wat het studiejaar 1993-1994 betreft;
b. f 1 240 wat het studiejaar 1994-1995 betreft.
a. de motieven voor de fusie,
b. de alternatieven voor de fusie,
c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
d. de te bereiken doelen,
e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding van voorzieningen en de diversiteit van het onderwijsaanbod in het hoger beroepsonderwijs,
f. de kosten en baten van de fusie,
g. de gevolgen van de fusie voor het personeel en de studenten, waaronder begrepen de gevolgen voor de dienstverlening en de voorzieningen en de eventuele gevolgen voor andere belanghebbende partijen,
h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd, en
i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd.
### Artikel 16.32
**5.** Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.
In afwijking van artikel 7.32, tweede lid, is inschrijving voor de in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, bedoelde opleidingen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip tevens mogelijk als extraneus.
### Artikel 16.16b
### Artikel 16.33
**1.** Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de fusie, de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, zowel in het opzicht van de spreiding van voorzieningen als de diversiteit van het opleidingenaanbod in het hoger onderwijs, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het onderwijs op significante wijze wordt belemmerd.
Het Reglement CRIHO, vastgesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 21 juli 1993 en gepubliceerd in *Uitleg O en W-regelingen* van 28 juli 1993, nr. 18a, blijft van kracht tot het tijdstip waarop het met inachtneming van artikel 7.52 door een of meer andere regelingen is vervangen.
**2.** Onze Minister verleent zijn goedkeuring aan een institutionele fusie indien dit noodzakelijk is voor de voortzetting van de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van een of meer betrokken hogescholen.
### Artikel 16.34
**3.** Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, adviseren door de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid.
**4.** Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 16.16c
**1.** Onze Minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in artikel 16.16b.
**2.** De termijn bedoeld in het eerste lid kan ten hoogste met 13 weken worden verlengd. Van deze verlenging wordt binnen de 13 weken bedoeld in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
**3.** Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
### Artikel 16.17
Onze minister kan goedkeuren dat een bekostigde hogeschool wordt gesplitst of een andere plaats van vestiging krijgt. Onze minister kan aan zijn goedkeuring voorwaarden verbinden.
### Artikel 16.18
Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere hogeschool in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande, splitsende rechtspersoon de hogeschool in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de hogeschool overgaat. In het laatste geval is artikel 16.16, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 16.19
**1.** In geval van een fusie als bedoeld in artikel 16.16 worden het lichaam dat of de rechtspersoon die de desbetreffende instelling na de fusie, bedoeld in artikel 16.16, in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt het lichaam of de rechtspersoon waardoor de fusie, bedoeld in artikel 16.16, is verricht, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage van deze wet te zijn opgenomen.
**2.** In geval van omzetting, splitsing of verplaatsing van een hogeschool, in overeenstemming met artikel 16.17, dan wel in geval van samenvoeging van twee of meer hogescholen worden de daaruit voortkomende hogescholen geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en worden de hogescholen waaruit zij voortkomen, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in de bijlage te zijn opgenomen.
**3.** In geval van splitsing van een rechtspersoon en overgang van de instandhouding van een hogeschool als bedoeld in artikel 16.18 wordt de rechtspersoon die de hogeschool na de splitsing in stand houdt, geacht met onmiddellijke ingang te zijn opgenomen in de bijlage van deze wet en wordt de rechtspersoon die de hogeschool voor de splitsing in stand hield, geacht vanaf dat tijdstip niet langer in die bijlage te zijn opgenomen.
**4.** In geval van opheffing van een openbare hogeschool of verlies van de aanspraak op bekostiging van een bijzondere hogeschool wordt deze hogeschool geacht met onmiddellijke ingang niet langer in de bijlage van deze wet te zijn opgenomen.
### Paragraaf 6. Rechtsbescherming
### Artikel 16.20
Vervallen
### Artikel 16.35
### Paragraaf 7. Bijdragen uit s Rijks kas voor theologisch en levensbeschouwelijk onderwijs
### Artikel 16.21
Vervallen
### Artikel 16.36
### Artikel 16.22
Vervallen
### Artikel 16.37
## Hoofdstuk 17. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot 2002
Vervallen
#### Paragraaf 2. Voorschriften betreffende de onderzoekinstellingen
### Artikel 16.38
De rechtspersoonlijkheid bezittende Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd in artikel 1.16, is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, geregeld in de Koninklijke besluiten van 26 oktober 1851, no. 3 en 5 januari 1938, *Stb.* 390.
### Artikel 16.39
Het reglement van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 januari 1938, *Stb.* 390, is van overeenkomstige toepassing totdat het door het reglement, bedoeld in artikel 13.2, is vervangen.
### Artikel 16.40
Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, bedoeld in artikel 13.2, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.
### Artikel 16.41
**1.** In afwijking van artikel 13.1, tweede lid, wordt de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voor de eerste keer gevormd door degenen, die krachtens het reglement, genoemd in artikel 16.39, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot de verenigde vergadering.
**2.** In afwijking van artikel 13.1, derde lid, wordt het algemeen bestuur voor de eerste keer gevormd door degenen, die krachtens het reglement, genoemd in artikel 16.39, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd.
**3.** Als voorzitter van het algemeen bestuur wordt voor de eerste keer aangemerkt degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is.
### Artikel 16.42
De besluiten die op grond van het in artikel 16.39 genoemde reglement voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk de verenigde vergadering, het algemeen bestuur en de president van het algemeen bestuur, en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk de algemene vergadering, het algemeen bestuur en de voorzitter van het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.1.
### Artikel 16.42a
**1.** De registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zijn verworven, gaan op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip over op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zonder dat daartoe een nadere akte wordt gevorderd. Onze minister doet de overgang van de registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
**2.** Wettelijke procedures of rechtsgedingen betreffende de in het eerste lid bedoelde registergoederen worden tegen of door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voortgezet met ingang van het tijdstip waarop deze goederen op deze instelling overgaan.
### Artikel 16.42b
Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op registergoederen welke nodig zijn voor de uitoefening van zijn taak, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
### Artikel 16.43
De dienstcommissies die zijn ingesteld op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten behoeve van het personeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onderscheidenlijk het personeel van de Koninklijke Bibliotheek worden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als de dienstcommissies, bedoeld in artikel 13.7, onverminderd artikel 16.23, eerste lid.
### Artikel 16.44
Het bepaalde bij of krachtens het koninklijk besluit van 7 september 1982, *Stb.* 518, is van overeenkomstige toepassing op de Koninklijke Bibliotheek totdat het reglement, bedoeld in artikel 13.6, tot stand is gekomen.
### Artikel 16.45
Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement, bedoeld in artikel 13.6, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.
### Artikel 16.46
In afwijking van artikel 13.3, derde lid, wordt het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek voor de eerste keer gevormd door degenen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot het algemeen bestuurscollege, benoemd op grond van het in artikel 16.1, eerste lid, onder *i,* genoemde besluit.
### Artikel 16.47
De besluiten die op grond van het koninklijk besluit van 7 september 1982, *Stb.* 518, voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuurscollege en de bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.3 en de bibliothecaris, bedoeld in artikel 13.5.
### Artikel 16.48
Het personeel dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek als rijksambtenaar is aangesteld dan wel op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij de rijksoverheid in dienst is genomen, wordt geacht met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in gelijk dienstverband met dezelfde rang en salarisanciënniteit te zijn aangesteld onderscheidenlijk op dezelfde voet op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te zijn genomen bij de Koninklijke Bibliotheek.
### Artikel 16.49
**1.** Bij de inwerkingtreding van dit artikel gaan alle lasten, verplichtingen, rechten en goederen, met uitzondering van registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek zijn aangegaan onderscheidenlijk verworven, over op de Koninklijke Bibliotheek zonder dat daartoe een nadere akte of betekening wordt gevorderd.
**2.** De registergoederen, welke door de Staat der Nederlanden ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek zijn verworven, gaan op een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip over op de Koninklijke Bibliotheek zonder dat daartoe een nadere akte wordt gevorderd. Onze minister doet de overgang van de registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
**3.** Wettelijke procedures of rechtsgedingen betreffende de in het eerste en tweede lid bedoelde lasten, verplichtingen en goederen worden tegen of door de Koninklijke Bibliotheek voortgezet met ingang van het tijdstip waarop deze lasten, verplichtingen en goederen op deze instelling overgaan.
### Artikel 16.50
Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Bibliotheek van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op de bibliotheek, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
#### Paragraaf 3. Aanhangige beroepen
### Artikel 16.51
**1.** Op geschillen die tijdig krachtens de in artikel 16.1, eerste lid, genoemde wetten en besluiten aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.
**2.** Onverminderd het eerste lid worden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingestelde beroepen bij het college van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 122 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk artikel 38 van de Wet op de Open Universiteit, en bij de commissie van beroep studenten en extraneï, bedoeld in artikel 48 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn ingesteld bij het desbetreffende in artikel 7.60 bedoelde college van beroep voor de examens.
### Titel 5. Wijzigingen in andere wetten
### Artikel 16.52
Vervallen
### Artikel 16.53
Vervallen
### Artikel 16.54
Vervallen
### Artikel 16.55
Vervallen
### Artikel 16.56
Vervallen
### Artikel 16.57
Vervallen
### Artikel 16.58
Vervallen
### Artikel 16.59
Vervallen
### Artikel 16.60
Vervallen
### Artikel 16.61
Vervallen
### Artikel 16.62
Vervallen
### Artikel 16.63
Vervallen
### Artikel 16.64
Vervallen
### Artikel 16.65
Vervallen
### Artikel 16.66
Vervallen
### Artikel 16.67
Vervallen
### Artikel 16.68
Vervallen
### Artikel 16.69
Vervallen
### Artikel 16.70
Vervallen
### Artikel 16.71
Vervallen
### Artikel 16.72
Vervallen
### Artikel 16.73
Vervallen
### Artikel 16.74
Vervallen
### Artikel 16.75
Vervallen
### Artikel 16.76
Vervallen
### Artikel 16.77
Vervallen
### Artikel 16.78
Vervallen
### Artikel 16.79
Vervallen
### Artikel 16.80
Vervallen
### Artikel 16.81
Vervallen
### Artikel 16.82
Vervallen
### Artikel 16.83
Vervallen
### Titel 6. Evaluatie, inwerkingtreding, citeertitel
### Artikel 16.84
Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
### Artikel 16.85
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
### Artikel 16.86
Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek".
## Hoofdstuk 17. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten
### Titel 1. Overgangsrecht wet van 6 juni 2002 houdende wijziging van onder meer de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van accreditatie in het hoger onderwijs
### Titel 1
### Artikel 17.1
In afwijking van artikel 5a.6, eerste lid, bepaalt Onze minister in het eerste jaar na inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) het tijdstip waarvoor het accreditatieorgaan de ontwerpbegroting voor het daaropvolgende jaar zendt.
Vervallen
### Titel 2
### Artikel 17.2
Vervallen
### Titel 3
### Artikel 17.3
**1.** Het instellingsbestuur meldt uiterlijk 30 dagen na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan de Informatie Beheer Groep, wanneer de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van een opleiding voor het laatst heeft plaatsgevonden.
Vervallen
**2.** De Informatie Beheer Groep maakt de uit artikel 17.2 voortvloeiende wijzigingen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, bekend binnen vier maanden na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302). Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
### Titel 4
### Artikel 17.4
Onderzoek dat wordt verricht naar de kwaliteit van de werkzaamheden van een instelling op grond van artikel 1.18, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) wordt afgerond met in achtneming van de wet zoals die luidde voor de dag van inwerkingtreding van de eerdergenoemde wet van 6 juni 2002.
Personeel van niet bekostigde ingevolge deze wet aangewezen hogescholen dat op grond van artikel B2, eerste lid, onder b, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze bepaling luidde bij inwerkingtreding van deze wet, de ambtenarenstatus verworven heeft, is onder dezelfde voorwaarden met ingang van 1 januari 1996 overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP en behoudt voor zolang dat dienstverband voortduurt die status.
### Titel 5
### Artikel 17.5
Vervallen
### Titel 6
### Artikel 17.6
**1.** Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de artikelen 6.4, 6.5, 6.8, 6.10 en 6.11 of onderdelen daarvan, dat is genomen voor de datum van het vervallen van die artikelen, blijft het recht zoals het gold voor die datum van toepassing.
**2.** Ten aanzien van een bezwaarschrift of beroepschrift tegen een besluit op grond van de artikelen 6.4, 6.5, 6.8, 6.10 en 6.11 of onderdelen daarvan, dat is ingediend voor de datum van het vervallen van die artikelen, blijft het recht zoals het gold voor die datum van toepassing.
Vervallen
### Artikel 17.7
Vervallen
### Titel 7
### Artikel 17.8
Vervallen
### Titel 8
### Artikel 17.9
Vervallen
### Titel 9
### Artikel 17.10
**1.** Onverminderd artikel 7.51 treft het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 10.7 of 10.8 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het bij of krachtens de artikelen 10.6 tot en met 10.8 van de Wet studiefinanciering 2000 bepaalde resultaat niet heeft behaald. Deze financiële voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000.
**2.** De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zijn de bijzondere omstandigheden, genoemd in artikel 7.51, tweede lid. Bij de toepassing van het eerste lid betrekt het instellingsbestuur als bijzondere omstandigheid tevens de omstandigheid dat de opleiding zodanig is ingericht dat de student redelijkerwijs niet in staat is geweest het in dat lid bedoelde resultaat te behalen.
## Hoofdstuk 18. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten vanaf 2002
### Titel 1. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 302)
### Artikel 18.1
Vervallen
### Artikel 18.2
**1.** Het instellingsbestuur meldt uiterlijk 30 dagen na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan Onze Minister, wanneer de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van een opleiding voor het laatst heeft plaatsgevonden.
**2.** Onze Minister maakt de uit de artikelen 18.27 tot en met 18.30 voortvloeiende wijzigingen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, bekend binnen vier maanden na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302). Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
### Artikel 18.3
Vervallen
### Artikel 18.4
Vervallen
### Artikel 18.5
**1.** Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van die wet.
**2.** Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het accreditatieorgaan.
## Hoofdstuk 17a. Overgangs- en invoeringsbepalingen van de wet betreffende de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs
### Titel 1. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 303)
### Titel 2. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 303)
#### Paragraaf 1. Algemeen
### Artikel 17a.1
### Artikel 18.6
Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002 aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit geen nieuwe opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, meer worden ingesteld.
Vervallen
#### Paragraaf 2. Instelling en registratie van bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs; tijdelijke handhaving van opleidingen in afbouw
### Artikel 17a.2
### Artikel 18.7
**1.** Met ingang van het studiejaar 20022003 kan aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit onderwijs worden verzorgd in bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a, en in masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder b.
Vervallen
**2.** Indien het instellingsbestuur van een instelling als bedoeld in heteerste lid met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is geregistreerd, in een bepaald studiejaar voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, stelt hij een bacheloropleiding in en zonodig een of meer daarop aansluitende masteropleidingen. Het aantal in te stellen masteropleidingen is gelijk aan ten hoogste het aantal afstudeerrichtingen dat op 31 augustus 2002 in de onderwijs- en examenregeling van de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, was beschreven. De in te stellen bachelor- en masteropleidingen zijn samengesteld uit programmaonderdelen die in het studiejaar voorafgaand aan de instelling van die opleidingen door de instelling werden verzorgd.
### Artikel 18.8
**3.** Artikel 7.4a, zevende lid, blijft ten aanzien van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.13, derde lid, op het moment van instelling van die opleiding buiten toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding ten aanzien waarvan het instellingsbestuur uiterlijk op 1 september 2001 met toepassing van artikel 7.4, zevende lid, zoals die bepaling op die datum luidde, heeft bepaald dat de desbetreffende opleiding een grotere studielast had dan 168 studiepunten.
Vervallen
**4.** De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, vervalt met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in artikel 17a.7, eerste lid, bedoelde koninklijk besluit.
### Artikel 18.9
**5.** De artikelen 6.2 tot en met 6.14 zijn niet van toepassing op de instelling van de in dit artikel bedoelde bachelor- en masteropleidingen.
Vervallen
### Artikel 17a.2a
### Artikel 18.10
**1.** In het studiejaar 20022003, het studiejaar 20032004 of het studiejaar 20042005 kan het instellingsbestuur van een bekostigde of aangewezen universiteit dat voornemens is met betrekking tot een of meer opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs de bachelor-masterstructuur in te voeren, naast de bacheloropleidingen een of meer bacheloropleidingen instellen, waarvan de programmaonderdelen tot het gebied van meer dan een opleiding of meer dan een faculteit behoren.
Vervallen
**2.** Artikel 17a.2, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 18.11
### Artikel 17a.2b
Vervallen
**1.** Het instellingsbestuur van een bekostigde of aangewezen universiteit dat met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs waaraan een afstudeerrichting is verbonden als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder b, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, is bevoegd in een bepaald studiejaar in plaats van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 17a.2, tweede lid, een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.
### Artikel 18.12
**2.** Het instellingsbestuur van een universiteit waaraan een opleiding als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is verbonden, is bevoegd in een bepaald studiejaar een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.
Vervallen
**3.** Artikel 17a.2, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.
### Artikel 18.13
### Artikel 17a.2c
Vervallen
**1.** Het instellingsbestuur van een universiteit of het college van bestuur van de Open Universiteit behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad of de studentenraad, bedoeld in artikel 11.13, voor een door het instellingsbestuur of het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de datum van gehele of gedeeltelijke invoering van de bachelor-masterstructuur voor een faculteit of de Open Universiteit.
### Artikel 18.14
**2.** De faculteitsraad of de studentenraad bericht het instellingsbestuur van een universiteit of het college van bestuur van de Open Universiteit binnen zes weken na het verzoek om instemming of hij al dan niet instemt met het voorgenomen besluit van het instellingsbestuur of het college van bestuur.
**1.** Indien het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 18.7 of artikel 18.9 toepassing heeft gegeven aan het tweede lid van die artikelen, houdt hij de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in stand tot een zodanig tijdstip dat de voor de opleiding ingeschreven studenten en extraneï de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
**3.** Indien het instellingsbestuur van een universiteit de vereiste instemming niet verwerft en hij zijn voorgenomen besluit wenst te handhaven, legt dat bestuur het geschil onverwijld voor aan de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.39. De artikelen 9.40, vijfde lid, en 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing. De commissie voor geschillen doet een uitspraak binnen uiterlijk vier weken, nadat het geschil door het instellingsbestuur aan de commissie is voorgelegd.
**4.** Indien het college van bestuur van de Open Universiteit de vereiste instemming niet verwerft en hij zijn voorgenomen besluit wenst te handhaven, legt hij het geschil onverwijld voor aan de raad van toezicht van die instelling. Artikel 11.16, tweede lid, is van toepassing. De raad van toezicht neemt een besluit binnen uiterlijk vier weken, nadat het geschil door het college van bestuur aan de raad is voorgelegd.
**5.** Indien 1 september 2002 geldt als de voorgenomen datum van invoering van de bachelor-masterstructuur, wordt het verzoek om instemming als bedoeld in het eerste lid voor 25 juni 2002 door het instellingsbestuur van een universiteit bij de faculteitsraad of door het college van bestuur van de Open Universiteit bij de studentenraad ingediend. In afwijking van het tweede lid wordt de mededeling, bedoeld in die volzin, binnen drie weken gedaan. In afwijking van het derde lid doet de commissie voor geschillen binnen twee weken een uitspraak. In afwijking van het vierde lid neemt de raad van toezicht van de Open Universiteit binnen twee weken een besluit.
**6.** Dit artikel is voor het studiejaar 20022003 niet van toepassing, indien het Staatsblad waarin de wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs wordt geplaatst, niet is uitgegeven voor 21 juni 2002.
**7.** Indien de universiteitsraad van een universiteit reeds betrokken is geweest bij de voorbereiding van de gehele of gedeeltelijke invoering van de bachelor-masterstructuur in die universiteit, kan het instellingsbestuur, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot een besluit als bedoeld in het eerste lid in plaats van de faculteitsraad de universiteitsraad om instemming als bedoeld in dat lid verzoeken. In het geval dat de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in het eerste, tweede, derde en vijfde lid «faculteitsraad» vervangen door: universiteitsraad.
### Artikel 17a.3
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van het studiejaar 20022003 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 1 augustus 2002 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.14, tweede lid, met uitzondering van het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, en het voornemen, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, of het besluit, bedoeld in artikel 6.2, derde lid.
**2.** De Informatie Beheer Groep registreert de opleidingen overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 20022003. Onverminderd artikel 6.13, vierde lid, bevat het register van elke opleiding het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is.
**3.** Indien de gegevens niet volledig zijn, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om uiterlijk 15 augustus 2002 te voorzien in de ontbrekende gegevens.
**4.** De Informatie Beheer Groep weigert registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs uitsluitend, indien hij de gegevens uiterlijk 15 augustus 2002 niet of niet volledig heeft ontvangen. De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van de registratie.
**5.** De Informatie Beheer Groep maakt voor 1 september 2002 het Centraal register opleidingen hoger onderwijs in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur bekend. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
### Artikel 17a.4
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2 , artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van een studiejaar 20032004 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 28 februari 2003 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
**2.** Artikel 17a.3, tweede lid, is van toepassing met dien verstande dat de registratie betrekking heeft op het studiejaar 20032004.
**3.** Artikel 17a.3, derde en vierde lid, is van toepassing met dien verstande dat het uiterste tijdstip 31 mei 2003 is.
**4.**
De Informatie Beheer Groep maakt voor 1 juli 2003 met betrekking tot het Centraal register opleidingen hoger onderwijs de volgende wijzigingen bekend:
a. de uit het tweede lid voortvloeiende wijzigingen, en
b. de verschillen tussen het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 20022003, en het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 20032004 zoals bekendgemaakt voor 1 juli 2002.
Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
### Artikel 17a.5
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van het studiejaar 20042005 of een later studiejaar heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
**2.** Artikel 17a.3, tweede lid, is van toepassing met dien verstande dat de registratie betrekking heeft op het studiejaar 20042005 of op het desbetreffende latere studiejaar.
**3.** Artikel 6.14, vierde lid, eerste en tweede volzin, en vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 17a.6
**1.** Indien het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2 of artikel 17a.2b toepassing heeft gegeven aan het tweede lid van die artikelen, houdt hij de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in stand tot een zodanig tijdstip dat de voor de opleiding ingeschreven studenten en extraneï de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
**2.** Met ingang van het in artikel 17a.2, tweede lid, bedoelde studiejaar worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs ingeschreven.
**2.** Met ingang van het in artikel 18.7, tweede lid, bedoelde studiejaar worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs ingeschreven.
**3.** Op een in dit artikel bedoelde opleiding en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.
@ -4679,251 +4728,412 @@ Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
#### Paragraaf 3. Ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
### Artikel 17a.7
### Artikel 18.15
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit opleidingen als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Het tijdstip, vastgesteld bij het in de eerste volzin bedoelde koninklijk besluit, is 1 september van enig jaar. Het koninklijk besluit wordt vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het tijdstip, vastgesteld bij dat besluit.
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit opleidingen als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Het tijdstip, vastgesteld bij het in de eerste volzin bedoelde koninklijk besluit, is 1 september van enig jaar. Het koninklijk besluit wordt vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het tijdstip, vastgesteld bij dat besluit.
**2.** Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.
### Artikel 18.16
**3.** Met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit, worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een opleiding als bedoeld in dit artikel ingeschreven.
Vervallen
### Artikel 17a.7a
### Artikel 18.17
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
Vervallen
**2.** Artikel 17a.7, tweede en derde lid, is van toepassing.
### Artikel 18.18
### Artikel 17a.8
Indien het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a, tot stand is gekomen, bepaalt Onze minister voor elke opleiding als bedoeld in genoemd artikellid of voor een groep van die opleidingen, met ingang van welk tijdstip de rechten, bedoeld in de artikelen 1.9 en 1.12, vervallen. Dat tijdstip wordt zodanig bepaald dat de voor de opleiding ingeschreven studenten en extraneï de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
### Artikel 17a.9
**1.** Op de in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a bedoelde opleidingen en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.
**2.**
De studielast van de volgende opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, bedraagt 300 studiepunten:
- life science and technology aan de openbare universiteit te Delft,
- telematica aan de openbare universiteit te Enschede, en
- voeding en gezondheid aan de openbare universiteit te Wageningen.
**3.** In afwijking van het eerste lid zijn met betrekking tot het toezicht op de in dat lid bedoelde opleidingen de voorschriften van de Wet op het onderwijstoezicht van toepassing.
Vervallen
#### Paragraaf 4. Omzetting van rechtswege en registratie van bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs; tijdelijke handhaving van voortgezette opleidingen
### Artikel 17a.10
### Artikel 18.19
**1.** De opleidingen in het hoger beroepsonderwijs waarvan de studielast op 31 augustus 2002 168 studiepunten bedroeg, zijn met ingang van 1 september 2002 bacheloropleidingen als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a.
**2.** Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.
### Artikel 17a.10a
### Artikel 18.20
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde hogeschool opleidingen in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die hogeschool zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde hogeschool opleidingen in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die hogeschool zijn verbonden. Artikel 18.15, tweede en derde volzin, is van toepassing.
**2.** Artikel 17a.7, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit, worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een opleiding als bedoeld in dit artikel ingeschreven.
**3.** Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor de onderscheiden opleidingen verschillend worden bepaald. Indien toepassing wordt gegeven aan de eerste volzin, wordt dat besluit niet eerder genomen dan nadat voor de desbetreffende opleiding een besluit als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, is genomen, waarbij een masteropleiding is aangemerkt die een voortzetting vormt van eerstbedoelde opleiding.
**3.** Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor de onderscheiden opleidingen verschillend worden bepaald.
**4.** Indien een besluit als bedoeld artikel 7.3a, tweede lid, betrekking heeft op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, bedraagt de studielast van die opleiding het aantal studiepunten, genoemd in die artikelleden, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.
### Artikel 18.21
### Artikel 17a.10b
Vervallen
De artikelen 17a.8 en 17a.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï.
### Artikel 18.22
### Artikel 17a.11
**1.** De Informatie Beheer Groep registreert de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10, in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 20022003.
**2.** De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, eerste lid, met ingang van 1 september 2002.
**3.** De Informatie Beheer Groep maakt de uit het eerste en tweede lid voortvloeiende wijzigingen bekend in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 17a.3, vijfde lid.
Vervallen
#### Paragraaf 5. Invoering studiepuntensysteem «nieuwe stijl»
### Artikel 17a.11a
### Artikel 18.23
**1.** Indien voor een bepaald studiejaar met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs toepassing is gegeven aan artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b, wordt voor de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding de studielast van die opleidingen met ingang van dat studiejaar uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4a.
Vervallen
**2.** Met betrekking tot de bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en de masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder b, wordt de studielast van die opleidingen met ingang van het studiejaar 20022003 uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4b.
### Artikel 18.24
**3.** Met betrekking tot de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.6, de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, en de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, wordt de studielast van die opleidingen met ingang van het studiejaar 20022003 uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4, tweede tot en met zesde lid, zoals die artikelleden luidden op 31 augustus 2002, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.
Vervallen
### Artikel 17a.11b
### Artikel 18.25
Het instellingsbestuur wijzigt voor 1 september 2004 van de onderwijs- en examenregeling het onderdeel, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder e.
Vervallen
### Artikel 17a.11c
### Artikel 18.26
**1.** De omrekenfactor voor de omzetting van studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, in studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b is het getal 1,43.
**2.** De uitkomst van de omzetting van studiepunten wordt rekenkundig afgerond op een decimaal achter de komma.
### Artikel 17a.11d
Het instellingsbestuur deelt een student of extraneus desgevraagd mee het aantal studiepunten, bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b, dat hij tot en met 31 augustus 2002 heeft behaald. Het instellingsbestuur waarborgt daarbij dat de rechten die een student of extraneus kan ontlenen aan de voor 1 september 2002 behaalde studiepunten, door deze omrekening niet minder kunnen worden.
Vervallen
#### Paragraaf 6. Overgangsrecht accreditatieplicht
### Artikel 17a.12
### Artikel 18.27
De bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a, en de masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder b, die met ingang van enig studiejaar worden verzorgd en in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn opgenomen en zijn geaccrediteerd als bedoeld in artikel 5a.9 tot en met 31 december 2007.
Vervallen
### Artikel 17a.13
### Artikel 18.28
**1.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
Vervallen
**2.**
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart met ingang van het studiejaar 20002001 of het studiejaar 20012002, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.
### Artikel 17a.14
### Artikel 18.29
**1.** Aan de bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
**2.**
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 20002001 tot en met 20032004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 20002001 tot en met 20032004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar zes jaar na de start van de opleiding.
### Artikel 17a.15
### Artikel 18.30
**1.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
**1.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
**2.**
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 20002001 tot en met 20032004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar, dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 20002001 tot en met 20032004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar zes jaar na de start van de opleiding.
### Artikel 17a.15a
### Artikel 18.31
Op opleidingen waaraan op grond van de artikelen 17a.12, 17a.13, 17a.14 of 17a.15, accreditatie is verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 6.5, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, 6.6, eerste lid, en 6.10, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, zoals die artikelen van toepassing waren op 25 september 2003.
Op opleidingen waaraan op grond van de artikelen 18.27, 18.28, 18.29 of 18.30, accreditatie is verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 6.5, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, 6.6, eerste lid, en 6.10, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, zoals die artikelen van toepassing waren op 25 september 2003.
### Artikel 17a.15b
### Artikel 18.32
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Vervallen
### Artikel 18.32a
In afwijking van artikel 5a.9, zesde lid en 5a.13f kan Onze minister eenmalig besluiten de termijn van accreditatie voor door hem aangewezen bachelor- en masteropleidingen, bedoeld in de artikelen 7.3a, eerste lid en tweede lid en 7.3b, te verlengen voor de duur van maximaal twee jaar.
### Artikel 18.32b
**1.** Gedurende drie jaar na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) wordt een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg ingediend, in afwijking van artikel 5a.13a, op grond van dit artikel en artikel 18.32c.
**2.** Binnen twee maanden na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) dient een instellingsbestuur een aanvraag in bij het accreditatieorgaan, indien zij in aanmerking wil komen voor een besluit tot deelname aan het invoeringsregime als bedoeld in artikel 18.32c.
**3.** Het accreditatieorgaan neemt een positief besluit op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, als het instellingsbestuur voor ten minste de helft van het aangeboden aantal opleidingen een besluit om accreditatie op grond van artikel 5a.8 heeft.
**4.** Indien blijkt dat alle instellingsbesturen die deelnemen aan het invoeringsregime een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg hebben gedaan en er capaciteit bij het accreditatieorgaan is voor nieuwe aanvragen om instellingstoets kwaliteitszorg die onbenut blijft gedurende deze drie jaar, kan het accreditatieorgaan de aanvragen in behandeling nemen, indien een instellingsbestuur heeft laten blijken belangstelling te hebben voor het indienen van een aanvraag. Artikel 18.32c is op deze aanvragen niet van toepassing.
### Artikel 18.32c
**1.** Het besluit tot deelname aan het invoeringsregime houdt in dat in afwijking van artikel 5a.13e, eerste lid, de aanvragen om accreditatie en toets nieuwe opleiding worden ingediend en beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en 5a.13g.
**2.** Aan het besluit tot deelname aan het invoeringsregime is de verplichting voor het instellingsbestuur verbonden op een door het accreditatieorgaan te bepalen tijdstip een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg in te dienen. Het tijdstip is niet gelegen na drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293).
**3.** In afwijking van artikel 5a.13f en 5a.13g is de duur van het besluit om accreditatie of toets nieuwe opleiding 3 jaar.
**4.** Indien het accreditatieorgaan besluit een instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, dan wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding, bedoeld in het derde lid, verlengd tot zes jaar.
**5.** Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen dan wel indien het instellingsbestuur niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, is het instellingsbestuur verplicht binnen een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het besluit heeft genomen dat geen instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend of binnen een jaar na het door het accreditatieorgaan bepaalde tijdstip, bedoeld in het tweede lid, waarop het instellingsbestuur aan de daar genoemde verplichting had moeten voldoen, een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10a, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn ingediend en beoordeeld volgens het invoeringsregime. Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op de aanvraag en indien het accreditatieorgaan positief besluit op de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing.
**6.** In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar, indien het accreditatieorgaan niet over de aanvraag op grond van het tweede of vijfde lid heeft besloten.
#### Paragraaf 7. Overig invoerings- en overgangsrecht
### Artikel 17a.16
### Artikel 18.33
Voor de toepassing van artikel 7.8b, vijfde lid, tweede volzin, wordt onder bacheloropleiding mede begrepen de daarmee overeenkomende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 17a.6 of artikel 17a.7.
Voor de toepassing van artikel 7.8b, vijfde lid, tweede volzin, wordt onder bacheloropleiding mede begrepen de daarmee overeenkomende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 18.14 of artikel 18.15.
### Artikel 17a.17
### Artikel 18.34
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b stelt uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar waarin het onderwijs in de opleiding, bedoeld in dat artikel, voor het eerst wordt verzorgd, de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, voor die opleiding vast.
Vervallen
**2.** Voor het studiejaar 20022003 is het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 15 augustus 2002.
### Artikel 18.35
### Artikel 17a.18
Vervallen
### Artikel 18.36
Vervallen
### Artikel 18.37
Degene die op of voor 31 augustus 2002 voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2002, wordt gelijkgesteld aan degene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a.
### Artikel 17a.19
### Artikel 18.38
De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24, eerste of tweede lid, onverminderd het derde en vierde lid van dat artikel.
De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24, eerste of tweede lid, onverminderd het derde lid van dat artikel.
### Artikel 17a.20
### Artikel 18.39
**1.** Degenen die op grond van artikel 7.20a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel kandidaat, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die na 31 augustus 2002 met goed gevolg het kandidaatsexamen van een opleiding als bedoeld in artikel 17a.6 of van een opleiding als bedoeld in artikel 17a.7 hebben afgelegd.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die na 31 augustus 2002 met goed gevolg het kandidaatsexamen van een opleiding als bedoeld in artikel 18.14 of van een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 hebben afgelegd.
### Artikel 17a.21
### Artikel 18.40
**1.** Indien ten behoeve van een bepaald studiejaar toepassing is gegeven aan artikel 17a.2, tweede lid, wordt de aanmelding overeenkomstig artikel 7.37, derde lid, met het oog op de inschrijving voor dat studiejaar voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, aangemerkt als aanmelding voor de overeenkomstige bacheloropleiding, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a.
Degene die voorafgaand aan het studiejaar 20022003 een aanvang heeft gemaakt met een opleiding in het hoger beroepsonderwijs en aan wie na 31 augustus 2002 doch voor 1 september 2006 op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs de graad Bachelor is verleend, is tevens gerechtigd tot het voeren van de titel Bachelor overeenkomstig artikel 7.21, tweede en derde lid, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002 luidden.
**2.** De aanmelding overeenkomstig artikel 7.37, derde lid, met het oog op de inschrijving voor het studiejaar 20022003 voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, wordt aangemerkt als aanmelding voor de overeenkomstige bacheloropleiding, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a.
### Artikel 18.41
### Artikel 17a.22
Vervallen
Voor de toepassing van de paragrafen 4 en 4a van titel 3 van hoofdstuk 7 wordt onder bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs mede begrepen een opleiding als bedoeld in artikel 17a.7.
### Artikel 18.42
### Artikel 17a.23
Vervallen
De opleidingscommissies, bedoeld in de artikelen 9.18 en 10.3c, zoals die artikelen op 31 augustus 2002 luidden, en in artikel 11.11, zijn mede ingesteld voor de overeenkomstige opleidingen, bedoeld in de artikelen 17a.6 en 17a.7.
### Artikel 18.43
Vervallen
#### Paragraaf 8. Overige bepalingen
### Artikel 17a.24
### Artikel 18.44
Ten aanzien van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat gericht is tegen een besluit dat voor 1 september 2002 is bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold voor die dag van toepassing.
Vervallen
### Artikel 17a.25
### Artikel 18.45
Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002, houdende wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van die wet.
Vervallen
## Hoofdstuk 17b. Overgangsbepaling van de Wet betreffende onder meer de uitvoering van de in de nota «Zicht op kwaliteit» aangekondigde maatregelen
### Titel 3. Wet van 12 september 2002 (Stb. 493)
### Artikel 17b.1
### Artikel 18.46
Op bezwaar en beroep tegen een besluit als bedoeld in artikel 6.16, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, voorzover ingesteld voor dat tijdstip, blijven de op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 12 september 2002 (Stb. 493) geldende voorschriften van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van toepassing.
Vervallen
## Hoofdstuk 17c. Overgangs- en invoeringsbepaling van de wet betreffende versnelde invoering toets nieuwe opleiding
### Titel 4. Wet van 30 januari 2003 (Stb. 70)
### Artikel 17c.1
### Artikel 18.47
Aanvragen om een oordeel als bedoeld in artikel 6.3, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de wet van 30 januari 2003 (Stb. 70), die voor 12 september 2002 zijn ingediend bij de adviescommissie onderwijsaanbod en die nog niet voor 12 september 2002 zijn afgehandeld, worden geacht te zijn ingediend bij het accreditatieorgaan.
Vervallen
## Hoofdstuk 17d. Overgangsbepalingen van de wet ter uitvoering van de in het wetenschapsbudget 2000 opgenomen voornemens en tot het aanbrengen van een aantal technische wijzigingen
### Titel 5. Wet van 3 april 2003 (Stb. 188)
### Artikel 17d.1
### Artikel 18.48
Artikel 2.2a wordt voor het eerst toegepast op het instellingsplan dat het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onderscheidenlijk het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek vaststelt in het jaar 2006.
### Artikel 17d.2
### Artikel 18.49
Op geschillen betreffende de vaststelling van de rijksbijdrage op grond van artikel 16.26, vierde lid, die tijdig aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.
## Hoofdstuk 17e. Overgangsrecht Wet van 2 juli 2003 (Stb. 287)
### Titel 6. Wet van 2 juli 2003 (Stb. 287)
### Artikel 17e.1
### Artikel 18.50
**1.** Indien het instellingsbestuur van de openbare universiteit te Enschede voornemens is in het studiejaar 20032004 de bacheloropleiding klinische technologie te verzorgen, kan hij die opleiding tot 20 augustus 2003 aanmelden voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 20032004.
Vervallen
**2.** Indien het instellingsbestuur de opleiding, bedoeld in het eerste lid, voor registratie heeft aangemeld, registreert de Informatie Beheer Groep deze opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens.
### Artikel 18.51
**3.** Indien de gegevens niet volledig zijn, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om uiterlijk 27 augustus 2003 te voorzien in de ontbrekende gegevens.
Vervallen
**4.** De Informatie Beheer Groep weigert registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs uitsluitend, indien hij de gegevens uiterlijk 27 augustus 2003 niet of niet volledig heeft ontvangen. De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van de registratie.
### Artikel 18.52
### Artikel 17e.2
Vervallen
Indien de bacheloropleiding klinische technologie met toepassing van artikel 17e.1 is geregistreerd, is aan die opleiding accreditatie verleend tot en met 31 augustus 2007.
### Titel 7. Wet van 24 juni 2004 (Stb. 321)
### Artikel 17e.3
Indien het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17e.1, met toepassing van artikel 7.53 besluit tot beperking van de eerste inschrijving voor het studiejaar 20032004 voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding klinische technologie aan die universiteit, bedraagt het aantal personen dat ten hoogste kan worden ingeschreven 50.
## Hoofdstuk 17f. Overgangsrecht wet van 24 juni 2004 (stb. 321)
### Artikel 17f.1
### Artikel 18.53
**1.** De gemeente waar een in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, opgenomen opleiding op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321) blijkens dat register wordt verzorgd, is de gemeente waar die opleiding op de datum van inwerkingtreding van die wet is gevestigd.
**2.** Indien ten aanzien van een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.17, tweede lid, zoals die bepaling luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321), is de desbetreffende gemeente eveneens een gemeente waar die opleiding is gevestigd, voorzover die gemeente op die dag in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is vermeld.
### Artikel 17f.2
### Artikel 18.54
Op de verzoeken om toestemming als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, zoals die bepaling luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, die voor dat tijdstip zijn ingediend, blijven de op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.
### Titel 9. Wet van 6 december 2001 (Stb. 681)
### Titel 10. Wet van 14 juni 2007 (Stb. 254)
### Artikel 18.63
**1.** Vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen studenten niet meer deelnemen aan een Ad-programma. Vanaf dat tijdstip zorgt het instellingsbestuur ervoor dat studenten die aan het Ad-programma binnen een opleiding deelnemen, de gelegenheid krijgen het programma te voltooien binnen een redelijke termijn, indien zij het programma zonder onderbreking blijven volgen. Artikel 6.15, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** De artikelen 5a.13 en 7.8a vervallen op een bij het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, te bepalen tijdstip dat ligt na de redelijke termijn, bedoeld in het eerste lid.
**3.** Personen die een voor 1 september 2007 op grond van artikel 7.11, vierde lid, afgegeven verklaring betreffende een Ad-programma overleggen aan het instellingsbestuur van de instelling waar die verklaring is afgegeven, ontvangen een desbetreffend getuigschrift en een desbetreffend diplomasupplement als bedoeld in het genoemde artikel, indien Onze minister bij besluit met het Ad-programma heeft ingestemd. Tevens verleent het instellingsbestuur op grond van artikel 7.10b, eerste lid, de graad Associate degree aan degenen die met goed gevolg het examen hebben afgelegd van een Ad-programma met een studielast van ten minste 120 studiepunten.
### Artikel 18.64
**1.** Universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, worden, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan de desbetreffende bekostigde of aangewezen universiteit zijn verbonden, aangemerkt als de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7.30c.
**2.** Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.
### Artikel 18.65
**1.** Aan de opleidingen die tot 1 januari 2006 werden verzorgd door de instelling, bedoeld in artikel 16.21, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en met ingang van die datum worden verzorgd door de bijzondere universiteit te Tilburg, blijft de verleende accreditatie verbonden.
**2.** Onze Minister draagt zorg voor de wijziging van de registratie van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Daarbij wordt vastgelegd dat die opleidingen in Tilburg worden verzorgd.
### Artikel 18.66
**1.** Aan de opleidingen die tot 1 juli 2006 werden verzorgd door de instelling, bedoeld in artikel 16.21, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en met ingang van die datum worden verzorgd door de bijzondere universiteit te Tilburg, blijft de verleende accreditatie verbonden.
**2.** Onze Minister draagt zorg voor de wijziging van de registratie van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Daarbij wordt vastgelegd dat die opleidingen in Utrecht worden verzorgd.
### Titel 11. Wet van 4 februari 2010 (Stb. 119)
### Artikel 18.67
Titel 3 van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 9 worden van toepassing op het instellingsbestuur van een levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, en de betrokken studenten zes maanden na de inwerkingtreding van de artikelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) die zien op de opheffing van de uitzonderingspositie van de levensbeschouwelijke universiteiten.
### Artikel 18.68
Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste of vijfde lid, zoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de redelijke termijn zoals die door de instelling is vastgesteld.
### Artikel 18.69
Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a zoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de herstelperiode, bedoeld in artikel 5a.12a, zoals die bepaling op die dag luidde.
### Artikel 18.70
**1.** De leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
**2.** De examinatoren, bedoeld in artikel 7.12, derde lid, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de examinatoren, bedoeld in artikel 7.12c, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
### Artikel 18.71
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gelden de verplichtingen op grond van artikel 7.52 zoals dat luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BX, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) niet voor de Open Universiteit.
### Artikel 18.72
Klachten van studenten die zijn ingediend op grond van artikel 9.28 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CQ, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) worden na inwerkingtreding van dat artikel aangemerkt als klachten ingediend op grond van artikel 7.59b zoals luidend na inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
### Artikel 18.73
**1.** De leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
**2.** Voor de zittende leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs blijven bij de toepassing van artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), de benoemingstermijnen, bedoeld in artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), van kracht.
**3.** Over beroepen die zijn ingesteld bij het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt het college van beroep met inachtneming van de voorschriften van de artikelen waarop het beroep ziet zoals die golden voor de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
### Artikel 18.74
**1.** De colleges van beroep bijzonder onderwijs, zoals die bestonden op grond van artikel 7.68 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijven in stand tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De behandeling van beroepen vindt plaats overeenkomstig artikel 7.68 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
**2.** Na ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) wordt de behandeling van de geschillen door een college van beroep bijzonder onderwijs dat niet is ingesteld door een instellingsbestuur van een bijzondere instelling met een levensbeschouwelijke aard of instellingsbesturen van bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard overgedragen aan het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64.
**3.** Het instellingsbestuur of de instellingsbesturen verleent respectievelijk verlenen eervol ontslag aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bijzonder onderwijs, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 18.75
**1.** Aanvragen om een besluit tot aanwijzing op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden behandeld als aanvragen op grond van artikel 6.9 zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
**2.** De hogescholen die krachtens artikel 6.9, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), waren aangewezen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) aangemerkt als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa.
**3.** De universiteiten als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) blijven universiteiten aangewezen op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De artikelen die gelden voor de rechtspersonen voor hoger onderwijs zijn op die universiteiten van toepassing, evenals de artikelen 7.18 en 7.19.
**4.** De instellingen die geaccrediteerd postinitieel onderwijs verzorgen als bedoeld in artikel 1.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119),worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) beschouwd als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa.
**5.** Indien een instelling op grond van artikel 1.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) tevens postinitiële masteropleidingen verzorgt of een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor een postinitiële masteropleiding heeft ingediend bij het accreditatieorgaan voor 1 september 2010, kan deze instelling overeenkomstig artikel 1.1, sub aa, zoals dit artikel luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) deze opleidingen als rechtspersoon voor hoger onderwijs verzorgen, bedoeld in het vierde lid of kan de instelling deze opleidingen in een afzonderlijke privaatrechtelijke rechtspersoon onderbrengen die rechtspersoon voor hoger onderwijs is.
### Artikel 18.76
Artikel 2.15 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing, met dien verstande dat het vierde lid uitsluitend geldt voor de borging van de lopende leningen die hogescholen zijn aangegaan met het oog op de overdracht van het economisch claimrecht als bedoeld in de wet van 11 november 1993, Stb. 629, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht.
### Titel 12
### Artikel 18.77
Onze minister kan ten aanzien van één of meer instellingen tot 1 juni 2012 besluiten, dat de derde volzin van het eerste lid van artikel 7.30a, zoals die volzin luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de wet van 8 juli 2011 (Stb. 369) ten aanzien van de desbetreffende instelling of instellingen tot 1 september 2013 buiten toepassing blijft.
### Titel 13. Wet van.... 2011 (Stb...)
### Artikel 18.78
**1.** In afwijking van artikel 7.45, tweede lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 20112012 het bedrag van het volledige wettelijke collegegeld bij wet vastgesteld.
**2.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 20112012 1713 euro.
**3.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 20112012 1713 euro.
### Artikel 18.79
**1.** In afwijking van artikel 7.45, derde lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 20112012 het bedrag van het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijke wettelijke collegegeld bij wet vastgesteld.
**2.** Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 20112012 961 euro.
**3.** Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 20112012 1713 euro.
**4.** Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 20112012 961 euro.
**5.** Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 20112012 1713 euro.
### Artikel 18.80
Vervallen
### Titel 14. Wet van 28 januari 2013 (Stb. 70)
### Artikel 18.81
**1.** In afwijking van artikel 7.45, tweede lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 20122013 het bedrag van het volledige wettelijke collegegeld bij wet vastgesteld.
**2.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 20122013 1771 euro.
**3.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 20122013 1771 euro.
### Artikel 18.82
**1.** In afwijking van artikel 7.45, derde lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 20122013 het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijke wettelijke collegegeld bij wet vastgesteld.
**2.** Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 20122013 1003 euro.
**3.** Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 20122013 1771 euro.
**4.** Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 20122013 1003 euro.
**5.** Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 20122013 1771 euro.
### Artikel 18.83
**1.** In afwijking van artikel 7.45, eerste lid, wordt voor het studiejaar 20122013 het bedrag van het volledige wettelijke collegegeld bij wet vastgesteld. Het volledige wettelijke collegegeld bedraagt voor het studiejaar 20122013 euro 1771.
**2.** In afwijking van artikel 7.45, tweede lid, tweede volzin, wordt voor het studiejaar 20122013 het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijke wettelijke collegegeld bij wet vastgesteld. Voor het studiejaar 20122013 bedraagt het gedeeltelijk wettelijke collegegeld minimaal euro 1003 en maximaal euro 1771.
### Artikel 18.84
Het instellingsbestuur dat voorzieningen heeft getroffen voor studenten op grond van artikel 7.51, eerste lid, onderdeel f, of vierde lid, tweede volzin, stelt regels vast met betrekking tot de afhandeling van de wederzijdse financiële verplichtingen ten aanzien van de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, tweede volzin, van de wet zoals deze luidde op 1 september 2011.
## Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
### Artikel 19.1
Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
### Artikel 19.2
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
### Artikel 19.3
Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek".
## Bijlage . behorende bij de
In deze bijlage zijn in de onderdelen *a* tot en met *h* opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel *i* opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.
In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met i opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel j opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.
De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.