2010-01-01 | BWBR0017017 | Wet kinderopvang

This commit is contained in:
Coornhert 2010-01-01 12:00:00 +00:00
parent 99147e164c
commit 27626ef297

View file

@ -127,7 +127,7 @@ i. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
1°. ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 30a, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen laat verrichten,
2°. ten behoeve van wie de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 82 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 42 van die wet laat verrichten, of
3°. werkzaamheden op een proefplaats verricht als bedoeld in artikel 65g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 2:24 of 3:69 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, artikel 67e van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 37 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of artikel 52e van de Ziektewet,
j. is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten dan wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000.
j. is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten dan wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000.
k. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
l. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
@ -165,7 +165,7 @@ b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
**4.** Het aantal uren kinderopvang dat in aanmerking wordt genomen bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen maximum, dat per soort kinderopvang of per leeftijdsgroep verschillend kan worden vastgesteld, niet te boven.
**5.** De bedragen, bedoeld in het tweede lid, en de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, worden per 1 januari van ieder kalenderjaar bij regeling van Onze Minister herzien aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
**5.** De bedragen, bedoeld in het tweede lid, en de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, worden per 1 januari van ieder kalenderjaar bij regeling van Onze Minister herzien aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tevens tabellen worden vastgesteld, waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen.
@ -743,7 +743,7 @@ b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor h
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 62 blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 62 blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
### Artikel 67
@ -761,11 +761,11 @@ De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlic
### Artikel 68
**1.** Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels door het college van burgemeester en wethouders.
**1.** Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels door het college van burgemeester en wethouders.
**2.** Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgeoefend door de Inspectie van het onderwijs, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. De artikelen 3, 4, tweede lid, 7, 22 en 23 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.** Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.
**3.** Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.
### Artikel 69
@ -795,9 +795,9 @@ Vervallen
Het college van burgemeester en wethouders kan:
a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens hoofdstuk 3, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 65 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000;
b. de houder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, vierde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;
c. de ouder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, eerste tot en met derde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 2269.
a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens hoofdstuk 3, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 65 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000;
b. de houder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, vierde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;
c. de ouder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, eerste tot en met derde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 2269.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
@ -873,9 +873,9 @@ b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
c. de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de hoogte van de tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment.
Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1, eerste lid, wat betreft de begrippen gastouderbureau en gastouderopvang, artikel 7, hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 48, alsmede van hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, hoofdstuk 5, paragraaf 2.
Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1, eerste lid, wat betreft de begrippen gastouderbureau en gastouderopvang, artikel 7, hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 48, alsmede van hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, hoofdstuk 5, paragraaf 2.
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de artikelen 6, 22, 29 of 35 aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de artikelen 6, 22, 29 of 35 aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
@ -895,19 +895,19 @@ Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatreg
### Artikel 90
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen G en H, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a. Artikel 46, derde en vijfde lid, alsmede artikel 47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen G en H, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a. Artikel 46, derde en vijfde lid, alsmede artikel 47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.
**2.** Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft artikel 46, zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.
**2.** Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft artikel 46, zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.
**3.** Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid, verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens, bedoeld in artikel 45, vierde lid.
**4.** De in het eerste lid bedoelde inschrijving in het register kinderopvang van gastouderbureaus betreft een voorlopige inschrijving, welke voortduurt tot en met uiterlijk 31 december van het eerste kalenderjaar waarop de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
**4.** De in het eerste lid bedoelde inschrijving in het register kinderopvang van gastouderbureaus betreft een voorlopige inschrijving, welke voortduurt tot en met uiterlijk 31 december van het eerste kalenderjaar waarop de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
**5.** De in het vierde lid bedoelde inschrijving wordt definitief indien uiterlijk op de in dat lid genoemde datum uit het onderzoek, bedoeld in artikel 62, is gebleken dat de exploitatie van het gastouderbureau zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
### Artikel 90a
**1.** Ter uitvoering van artikel 49, derde lid, onderdeel a, is het gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (*Stb.* 345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
**1.** Ter uitvoering van artikel 49, derde lid, onderdeel a, is het gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (*Stb.* 345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
**2.** Het gastouderbureau stelt de ouders die gebruikmaken van de diensten van de gastouder in kennis van zijn in het eerste lid bedoelde beoordeling.
@ -915,13 +915,13 @@ Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatreg
**4.** Voor de toepassing van het eerste en derde lid baseert het gastouderbureau zich op geobjectiveerde redelijke maatstaven die aantoonbaar zijn afgeleid van de in het eerste lid bedoelde eisen.
**5.** Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
**5.** Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
**6.** De gastouder verstrekt aan het gastouderbureau de benodigde informatie met het oog op toepassing van het tweede en derde lid.
**7.** Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten, stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
**7.** Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten, stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
**8.** Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, is de ouder aan het gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.
**8.** Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, is de ouder aan het gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.
**9.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
@ -929,7 +929,7 @@ Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatreg
**1.** Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) werkzaam waren als gastouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G, worden door het college van burgemeester en wethouders in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, ingeschreven als voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving na een aanvraag als bedoeld in artikel 45, tweede lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 62, eerste lid, is gebleken dat exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
**2.** Indien de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt uiterlijk op 31 december van het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft, werkt de inschrijving, onder voorwaarde dat de aanvraag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, voor 1 september van genoemd kalenderjaar plaatsvindt, terug tot en met 1 januari van dat kalenderjaar.
**2.** Indien de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt uiterlijk op 31 december van het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft, werkt de inschrijving, onder voorwaarde dat de aanvraag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, voor 1 september van genoemd kalenderjaar plaatsvindt, terug tot en met 1 januari van dat kalenderjaar.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
@ -969,7 +969,51 @@ Vervallen
### Artikel 97
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
### Artikel 3.3
**1.** Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) werkzaam waren als gastouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G, worden door het college van burgemeester en wethouders in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a, ingeschreven als voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
### Artikel 3.6a
**1.** In afwijking van artikel 1.5, eerste lid, onder b, heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010 tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan artikel 1.56b, derde, vierde en vijfde lid.
**2.** Voor zover er geen uniek nummer is verstrekt als bedoeld in artikel 1.10, is dat artikel niet van toepassing gedurende het berekeningsjaar 2010.
**3.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016.
### Artikel 3.6b
**1.**
Voorzieningen voor gastouderopvang die niet zijn opgenomen in het register kinderopvang, worden voor de toepassing van artikel 1.5, eerste lid, onder b, gelijk gesteld met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang op voorwaarde dat:
a. van de gastouder die de opvang verzorgt in een gelijkgestelde voorziening één voorzienig voor gastouderopvang is opgenomen in het register kinderopvang; en
b. de gelijkgestelde voorzieningen voor gastouderopvang voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1.
**2.**
Indien opvang plaatsvindt in meer dan een voorzienig van gastouderopvang heeft een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, betrekking:
a. op het woonadres van de gastouder, indien de gastouderopvang zal plaatsvinden op zowel het woonadres van de gastouder als op het woonadres van een of meer ouders; of
b. op een van de woonadressen van de ouders, indien de gastouderopvang uitsluitend zal plaatsvinden op twee of meer woonadressen van ouders.
**3.** Indien de gastouder van wie een voorziening voor gastouderopvang met het woonadres van een ouder is ingeschreven in het register kinderopvang, na die inschrijving tevens opvang gaat bieden op het eigen woonadres, wordt dit aangemerkt als een wijziging in de gegevens als bedoeld in artikel 1.47, eerste lid.
**4.** Op het in exploitatie nemen van een op grond van het eerste lid gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang zijn de artikelen 1.45 tot en met 1.47a niet van toepassing.
**5.** Een ouder die gebruik maakt van een of meer voorzieningen die zijn gelijkgesteld op grond van het eerste lid, verstrekt het in artikel 1.10 bedoelde unieke nummer dat is afgegeven voor de geregistreerde voorziening bedoeld in het eerste lid, onder a, eveneens ten aanzien van de gelijkgestelde voorzieningen.
**6.** Dit artikel geldt vanaf het berekeningsjaar 2011 en vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij de verschillende leden op verschillende tijdstippen kunnen vervallen.
### Artikel 3.6c
**1.** De in artikel 1.61, eerste lid, genoemde toezichthouder kan in afwijking van artikel 1.62 tevens ten aanzien van een op grond van artikel 3.6b, eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang onderzoeken of de exploitatie van deze voorziening redelijkerwijs plaatsvindt in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1. De artikelen 1.61, 1.62, derde lid, en 1.63 tot en met 1.66 zijn met ingang van 1 januari 2011 van overeenkomstige toepassing op een op grond van artikel 3.6b, eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang.
**2.** Dit artikel vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving