2016-01-01 | BWBR0005645 | Provinciewet

This commit is contained in:
Coornhert 2016-01-01 12:00:00 +00:00
parent 99b8fd3a9b
commit 27ee5bf394

View file

@ -2365,7 +2365,7 @@ Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belasting
**1.** Er kunnen provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting worden geheven van de in de provincie wonende of gevestigde houders van personenautos en motorrijwielen, bedoeld in artikel 2, onderdelen b en d, en artikel 3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en van degenen op wier naam een kenteken als bedoeld in artikel 62 van die wet is gesteld.
**2.** Het aantal opcenten bedraagt voor de belastingtijdvakken die na 31 december 2011 aanvangen ten hoogste 110,1.
**2.** Het aantal opcenten bedraagt voor de belastingtijdvakken die na 31 december 2011 aanvangen ten hoogste 110,7.
**3.**
@ -2374,8 +2374,9 @@ Voor de berekening van het aan opcenten verschuldigde bedrag wordt uitgegaan van
a. dit tarief voor motorrijwielen wordt vermenigvuldigd met het tarief zoals dat luidt op 1 april 2007 gedeeld door het tarief zoals dat luidde op 31 maart 2007;
b. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdelen b, c en f, en artikel 23a, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt gedeeld door vier;
c. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 23a, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt gedeeld door twee; en
d. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 23b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, nihil bedraagt;
e. buiten beschouwing blijft de verhoging van de belasting, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van die wet;
d. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 23b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, nihil bedraagt;
da. dit tarief voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 23b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, wordt gedeeld door twee;
e. buiten beschouwing blijft de verhoging van de belasting, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;
f. indien de hoofdsom en de provinciale opcenten zonder toepassing van artikel 84a, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, samen meer bedragen dan het maximum, bedoeld in dat artikel, wordt voor de berekening van de provinciale opcenten, het maximum verminderd met de hoofdsom, waarbij het aandeel van de hoofdsom ten hoogste het genoemde maximum kan bedragen.
**4.** Vanaf 1 januari 2013 wordt bij het begin van het kalenderjaar het aantal opcenten, genoemd in het tweede lid, bij ministeriële regeling van Onze Minister van Financiën vervangen door een ander aantal. Dit aantal wordt berekend door het te vervangen aantal te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, en de uitkomst, indien deze twee of meer decimalen telt, af te ronden op één decimaal. Indien het aantal opcenten in het voorafgaande jaar is afgerond, wordt de tabelcorrectiefactor toegepast op het niet afgeronde bedrag van het voorgaande jaar.
@ -2392,7 +2393,7 @@ f. indien de hoofdsom en de provinciale opcenten zonder toepassing van artikel 8
**3.** Bij naheffing van belasting worden opcenten berekend volgens het hoogste aantal dat in enige provincie van toepassing was op de dag waarop de in de artikelen 33, 34, 35, 36, 69 en 76 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde feiten zijn geconstateerd.
**4.** De houders van motorrijtuigen die niet hier te lande wonen of gevestigd zijn, maar die wel aan de heffing van motorrijtuigenbelasting zijn onderworpen, worden voor de heffing van opcenten geacht te wonen of te zijn gevestigd in een provincie die het hoogste aantal opcenten heft. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister ook voor andere houders van motorrijtuigen een provincie aanwijzen waar deze houders worden geacht te wonen of te zijn gevestigd.
**4.** De houders van motorrijtuigen die niet hier te lande wonen of gevestigd zijn, maar die wel aan de heffing van motorrijtuigenbelasting zijn onderworpen, worden voor de heffing van opcenten geacht te wonen of te zijn gevestigd in een provincie die het laagste aantal opcenten heft. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister ook voor andere houders van motorrijtuigen een provincie aanwijzen waar deze houders worden geacht te wonen of te zijn gevestigd.
**5.** De opbrengsten van de opcenten die worden geheven volgens het derde en vierde lid, worden naar evenredigheid van het aandeel van een provincie in de totale opbrengst van de ten behoeve van de provincies geheven opcenten over alle provincies verdeeld.