2020-07-18 | BWBR0037940 | Netcode elektriciteit
This commit is contained in:
parent
5a75a617cc
commit
28ec75137f
1 changed files with 279 additions and 39 deletions
|
|
@ -75,7 +75,7 @@ Met in deze code bedoelde materialen en/of producten worden gelijkgesteld materi
|
|||
Indien een aansluiting waaraan een primair allocatiepunt is toegekend, bestaat uit meer dan één verbinding en de installaties die zich achter die verbindingen bevinden niet elektrisch gekoppeld zijn of kunnen worden anders dan via de netzijde van de aansluiting, kent de netbeheerder op verzoek van de aangeslotene een of meer secundaire allocatiepunten aan de aansluiting toe ten behoeve van het faciliteren van meerdere overeenkomsten met leveranciers en BRP’s op die aansluiting onder voorwaarde dat:
|
||||
|
||||
a. elk allocatiepunt bij een afzonderlijke installatie behoort, die niet elektrisch gekoppeld is of kan worden met een andere installatie anders dan via de netzijde van de aansluiting;
|
||||
b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a, zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Elektriciteitswet 1998;
|
||||
b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a, zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998;
|
||||
c. de installatie die bij een secundair allocatiepunt hoort, niet wordt gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte;
|
||||
d. op het overdrachtspunt van elke verbinding zich een meetinrichting bevindt overeenkomstig artikel 2.12 en overeenkomstig de voorwaarden voor meetinrichtingen die op grond van de Meetcode elektriciteit van toepassing zijn op de desbetreffende aansluiting;
|
||||
e. de locatie van elk van de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, aan de voorwaarden in artikel 2.11 voldoet;
|
||||
|
|
@ -87,7 +87,7 @@ g. er sprake is van één aansluit- en transportovereenkomst tussen de aangeslot
|
|||
Indien een aansluiting waaraan een primair allocatiepunt is toegekend, bestaat uit één verbinding of uit meerdere elektrisch parallelle verbindingen, kent de netbeheerder op verzoek van de aangeslotene een of meer secundaire allocatiepunten aan de aansluiting toe ten behoeve van het faciliteren van meerdere overeenkomsten met leveranciers en BRP’s op die aansluiting onder voorwaarde dat:
|
||||
|
||||
a. elk allocatiepunt bij een afzonderlijke installatie behoort, die niet elektrisch gekoppeld is of kan worden met een andere installatie anders dan via de netzijde van de aansluiting;
|
||||
b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a, zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Elektriciteitswet 1998;
|
||||
b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a, zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998;
|
||||
c. de installatie die bij een secundair allocatiepunt hoort, niet wordt gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte.
|
||||
d. op de grens tussen elke afzonderlijke installatie, als bedoeld in onderdeel a, en de aansluiting waarachter deze zich bevindt, zich een meetinrichting bevindt overeenkomstig artikel 2.12 en overeenkomstig de voorwaarden voor meetinrichtingen die op grond van de Meetcode elektriciteit van toepassing zijn op de desbetreffende aansluiting;
|
||||
e. de locatie van de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, aan de voorwaarden in artikel 2.11 voldoet;
|
||||
|
|
@ -116,7 +116,7 @@ c. de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting de energieverliezen
|
|||
Aan een grootverbruikaansluiting waaraan een primair allocatiepunt is toegekend, kent de netbeheerder op verzoek van de aangeslotene een of meer secundaire allocatiepunten toe, ongeacht het aantal verbindingen waaruit de aansluiting bestaat, ten behoeve van het faciliteren van meerdere overeenkomsten met leveranciers en BRP’s op die aansluiting onder voorwaarde dat:
|
||||
|
||||
a. elk allocatiepunt bij een afzonderlijke installatie behoort, die niet elektrisch gekoppeld is of kan worden met een andere installatie anders dan via de in onderdeel d bedoelde grens;
|
||||
b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Elektriciteitswet 1998;
|
||||
b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998;
|
||||
c. de installatie die bij een secundair allocatiepunt hoort, niet wordt gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte;
|
||||
d. op het overdrachtspunt van de aansluiting en op elke grens tussen de afzonderlijke installaties, als bedoeld in onderdeel a, en de andere installatie(s) achter de desbetreffende aansluiting, zich een meetinrichting bevindt overeenkomstig artikel 2.12 en overeenkomstig de voorwaarden voor meetinrichtingen die op grond van de Meetcode elektriciteit van toepassing zijn op de desbetreffende aansluiting;
|
||||
e. tussen een afzonderlijke installatie als bedoeld in onderdeel a en het overdrachtspunt van de aansluiting op het net zich maximaal één andere installatie bevindt;
|
||||
|
|
@ -275,8 +275,8 @@ c. de werkzaamheden worden uitgevoerd met voor onder spanning werken geëigende
|
|||
|
||||
Een aansluiting met een aansluitcapaciteit:
|
||||
|
||||
a. kleiner dan of gelijk aan 5,5 kVA wordt aangesloten op een net met een spanningsniveau van 0,23 kV;
|
||||
b. groter dan 5,5 kVA en kleiner dan of gelijk aan 60 kVA wordt aangesloten op een net met een spanningsniveau van 0,4 kV;
|
||||
a. kleiner dan of gelijk aan 5,75 kVA wordt aangesloten op een net met een spanningsniveau van 0,23 kV;
|
||||
b. groter dan 5,75 kVA en kleiner dan of gelijk aan 60 kVA wordt aangesloten op een net met een spanningsniveau van 0,4 kV;
|
||||
c. groter dan 60 kVA en kleiner dan of gelijk aan 0,3 MVA wordt aangesloten op de secundaire zijde van de laagspanningsdistributietransformator met een spanningsniveau van 0,4 kV;
|
||||
d. groter dan 0,3 MVA en kleiner dan of gelijk aan 3 MVA wordt aangesloten op een net met een spanningsniveau groter dan 1 kV en kleiner dan 25 kV;
|
||||
e. groter dan 3 MVA en kleiner dan of gelijk aan 100 MVA wordt aangesloten op een net met een spanningsniveau groter dan of gelijk aan 25 kV en kleiner dan of gelijk aan 50 kV;
|
||||
|
|
@ -366,9 +366,9 @@ d. de aangeslotene bij de netbeheerder een verzoek heeft ingediend tot verlaging
|
|||
|
||||
### Artikel 2.33
|
||||
|
||||
**1.** Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,5 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als éénfase-aansluiting uitgevoerd, tenzij de aan te sluiten elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in artikel 2.34 op drie fasen moeten worden aangesloten, dan wel de netbeheerder om vergelijkbare technische redenen een driefasen-aansluiting verlangt.
|
||||
**1.** Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als éénfase-aansluiting uitgevoerd, tenzij de aan te sluiten elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in artikel 2.34 op drie fasen moeten worden aangesloten, dan wel de netbeheerder om vergelijkbare technische redenen een driefasen-aansluiting verlangt.
|
||||
|
||||
**2.** Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder een grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,5 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden, behoudens ontheffing van de netbeheerder, als driefasen-aansluiting uitgevoerd. Daarbij zorgt de aangeslotene voor een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de belasting over de drie fasen.
|
||||
**2.** Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder een grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden, behoudens ontheffing van de netbeheerder, als driefasen-aansluiting uitgevoerd. Daarbij zorgt de aangeslotene voor een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de belasting over de drie fasen.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting op een aansluiting wordt het schijnbare vermogen per lichtpunt en contactdoos gesteld op de werkelijke waarde of, indien deze niet bekend is, op een minimum van 50 VA per lichtpunt en 200 VA per contactdoos. Een meervoudige contactdoos wordt als één contactdoos aangemerkt. Bij de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting wordt rekening gehouden met de te verwachten gelijktijdigheidfactor.
|
||||
|
||||
|
|
@ -769,7 +769,86 @@ e. de maximum gradiënt van het werkzaam vermogen 20% is van de maximumcapacitei
|
|||
|
||||
### Artikel 3.19
|
||||
|
||||
[gereserveerd]
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,9 pu tot 1,05 pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 1,05 pu en 1,1 pu.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat bij variërende spanning maximaal blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,1 pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een spanning tussen 0,9 en 0,95 pu.
|
||||
|
||||
**3.** In aanvulling op het eerste lid is het toegestaan het werkzame vermogen, zoveel als met het oog op de begrenzing door de maximale stroom technisch nodig is, te verminderen ten gunste van het leveren van blindvermogen binnen het deel van het U-Q/Pmax-profiel dat begrensd wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,2 en 0,33 bij een spanning tussen 0,90 pu en 0,95 pu en het profiel overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** De power park module is op grond van het eerste tot en met het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde U-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximum capaciteit maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximum capaciteit als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,2 pu tot 1 pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,0 pu tot 0,2 pu.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximum capaciteit maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximum capaciteit als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,2 pu tot 1pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,0 tot 0,2 pu.
|
||||
|
||||
**7.** In aanvulling op het vijfde en zesde lid is het bij een werkzaam vermogen tussen 0,93 pu en 1,0 pu toegestaan om het werkzame vermogen zoveel als met het oog op de begrenzing door de maximale stroom technisch nodig is, te verminderen tot een werkzaam vermogen dat beschreven wordt door het lineaire verloop van Q/Pmax tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een werkzaam vermogen van 1,0 pu en 0,93 pu, ten gunste van het leveren van blindvermogen.
|
||||
|
||||
**8.** In aanvulling op het vijfde en zesde lid is het toegestaan bij een uitgewisseld schijnbaar vermogen van minder dan 10% van het maximale schijnbaar vermogen het gevraagde blindvermogen te leveren of op te nemen overeenkomstig de technische mogelijkheden en met een afwijking van maximaal 10% van het maximale schijnbaar vermogen.
|
||||
|
||||
**9.** De power park module is op grond van het vijfde tot en met het achtste lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde P-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram.
|
||||
|
||||
**10.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat snelle foutstroom te leveren in het geval van symmetrische (driefasen) storingen onder de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. ingeval van een spanningsafwijking van meer dan 10% van de effectieve waarde op de aansluitklemmen van de afzonderlijke elektriciteitsproductie-eenheden van de power park module wordt additionele blindstroominjectie geactiveerd;
|
||||
b. de spanningsregeling zorgt ervoor dat de aanvoer van additionele blindstroom, afkomstig van de aansluitklemmen van de afzonderlijke elektriciteitsproductie-eenheden de power park module, met minimaal 2% en maximaal 10% van de nominale stroom (gebaseerd op het nominale schijnbare vermogen S_max = √(P_max^2 + Q_max^2)) per procent spanningsafwijking verzekerd is;
|
||||
c. de vereiste blindstroom is volledig beschikbaar na 40 ms (tijd tot eerste piek bij het in-slingereffect) na de storingsaanvang in het net, met een stijgtijd van minder dan 30 ms tussen 10 en 90% van de stabiele eindwaarde;
|
||||
d. additionele blindstroominjectie wordt geleverd met een spanningslimiet van ten minste 120% van de nominale spanning op de aansluitklemmen van de afzonderlijke elektriciteitsproductie-eenheden van de power park module;
|
||||
e. de te injecteren additionele blindstroom ΔI_B is het verschil van de blindstroom tijdens de storing (I_B) en de blindstroom voor de storing (I_B0) en deze is evenredig aan de spanningsafwijking als volgt: ΔI_B = ((U-U_0) / U_N) – I_N – k
|
||||
|
||||
waarbij: ΔI_B: additionele blindstroominjectie;
|
||||
|
||||
(U-U_0) / U_N: relatieve spanningsafwijking in pu;
|
||||
|
||||
U: spanning tijdens de storing;
|
||||
|
||||
U_0: spanning vóór de storing;
|
||||
|
||||
U_N: nominale spanning;
|
||||
|
||||
I_N: nominale stroom;
|
||||
|
||||
k: helling voor de additionele blindstroominjectie;
|
||||
f. het aanpassingsbereik van k is: 2 ≤ k ≤ 10;
|
||||
g. de aanpassingsstap van k is kleiner dan of gelijk aan 0,01 pu;
|
||||
h. de standaardwaarde van k is: 2;
|
||||
i. in geval van wijziging van het instelpunt geeft de netbeheerder twee weken van tevoren een kennisgeving aan de aangeslotene;
|
||||
j. nadat de storing voorbij is, wordt gestreefd naar een stabiele werking;
|
||||
k. de te injecteren blindstroom bedraagt minimaal I_N bij maximale spanningsdaling.
|
||||
|
||||
**11.** Indien in overleg tussen relevante netbeheerder en de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet overeengekomen, wordt de eis tot het leveren van snelle foutstroom door een power park module in geval van symmetrische storingen vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
**12.** De power park module is in staat in het geval van asymmetrische storingen de snelle foutstroom op identieke wijze te leveren als bij symmetrische storingen.
|
||||
|
||||
**13.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat om na een fout het werkzame vermogen zo snel mogelijk te herstellen. De minimale eisen zijn:
|
||||
|
||||
a. het herstel van het werkzame vermogen begint op een spanningsniveau van 90% van de spanning vóór de fout;
|
||||
b. de maximale toegestane tijd voor het herstel van het werkzame vermogen is tussen 0,5 en 10 seconden;
|
||||
c. de grootte voor het herstel van het werkzame vermogen is 90% van het vermogen vóór de fout;
|
||||
d. de nauwkeurigheid van het herstelde werkzame vermogen is 10% van het vermogen vóór de fout.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.20
|
||||
|
||||
|
|
@ -875,7 +954,36 @@ De responstijd voor de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid om over te gaan
|
|||
|
||||
### Artikel 3.26
|
||||
|
||||
[gereserveerd]
|
||||
**1.** Het U-Q/Pmax-profiel, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel b, subonderdeel l, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), waarbinnen een power park module blindvermogen moet kunnen leveren en opnemen, is gelijk aan het U-Q/Pmax-profiel zoals bedoeld in artikel 3.19, eerste tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het P-Q/Pmax-profiel, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel c, subonderdeel l, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), waarbinnen een power park module blindvermogen moet kunnen leveren en opnemen, is gelijk aan het P-Q/P-max-profiel zoals bedoeld in artikel 3.19, vijfde tot en met negende lid.
|
||||
|
||||
**3.** De tijdsperiodes voor een power park module om over te gaan tot elk bedrijfspunt binnen zijn P-Q/P_max-profiel worden overeengekomen tussen de aangeslotene en de netbeheerder, in overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De overeengekomen tijdsperiodes worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de power park module worden de tijden t_1 (voor verandering van 90% van het blindvermogen) en t_2 (voor het stabiliseren van het blindvermogen) overeengekomen tussen de netbeheerder en de aangeslotene, in overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De waarden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor de parameters van de arbeidsfactor-regelmodus van power park modules, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel d, subonderdeel vi, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), geldt dat:
|
||||
|
||||
a. de gewenste waarde van de arbeidsfactor overeengekomen wordt tussen de netbeheerder en de aangeslotene, in overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De overeengekomen waarde wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst;
|
||||
b. de tolerantie van de gewenste waarde van de arbeidsfactor plus of min 0,005 is. Bij een arbeidsfactor van 1 is de tolerantie op het blindvermogen 10% van het maximale blindvermogen;
|
||||
c. de tijdsperiode voor het bereiken van de gewenste waarde van de arbeidsfactor na een abrupte verandering van het werkzame vermogen overeengekomen wordt tussen de netbeheerder en de aangeslotene, in overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De overeengekomen waarde wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
In de aansluit- en transportovereenkomst is vastgelegd of automatisch blindvermogen door de power park module, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel d, subonderdeel vii, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), wordt geleverd door middel van:
|
||||
|
||||
a. spannings-regelmodus (sub mode 1) waarbij het uitgewisselde blindvermogen zich bevindt in een overeengekomen bandbreedte, die ook wordt opgenomen in de aansluit- en transportovereenkomst;
|
||||
b. spannings-regelmodus (sub mode 2) zonder eis ten aanzien van het uitgewisselde blindvermogen;
|
||||
c. blindvermogen-regelmodus; of
|
||||
d. arbeidsfactor-regelmodus.
|
||||
|
||||
**7.** Welke aanvullende apparatuur vereist is om de aanpassing van de overeenkomstig het negende lid van toepassing zijnde referentiewaarden op afstand te kunnen uitvoeren, wordt overeengekomen en vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
**8.** De overeenkomstig het negende lid van toepassing zijnde referentiewaarden of gewenste waarden worden door de netbeheerder gespecificeerd en wordt via telefonisch contact of digitaal bericht ingesteld.
|
||||
|
||||
**9.** Voor de power park module is de prioriteit van de bijdrage van het werkzaam vermogen dan wel het blindvermogen gedurende storingen waarbij fault-ride-through capaciteit vereist is, locatie-specifiek. Deze optie wordt overeengekomen tussen de netbeheerder en de aangeslotene, in overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, en wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.7. Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type D als bedoeld in artikel 5 van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)
|
||||
|
||||
|
|
@ -945,7 +1053,25 @@ b. de tijdsparameters:
|
|||
|
||||
### Artikel 3.30
|
||||
|
||||
[gereserveerd]
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De power park module aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij varierende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel b, subonderdeel l, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 1 pu en 1,05 pu.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De power park module aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt een verhouding tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel b, subonderdeel l, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,05 pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 0,95 pu en 0,9 pu.
|
||||
|
||||
**3.** In aanvulling op het eerste lid is het toegestaan het werkzame vermogen, zoveel als met het oog op de begrenzing door de maximale stroom technisch nodig is, te verminderen ten gunste van het leveren van blindvermogen binnen het deel van het U-Q/Pmax-profiel dat begrensd wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,2 en 0,33 bij een spanning tussen 0,90 pu en 0,95 pu en het profiel overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** De power park module aangesloten op het hoogspanningsniveau met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is op grond van het eerste tot en met het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde U-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram:
|
||||
|
||||
**5.** Indien de power park module via een transformator met een onder belasting verstelbare trappenschakelaar (on-line step changer) is aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau van 110 kV of hoger is de afwijking bedoeld in het derde lid en in artikel 3.19, derde en zevende lid, uitsluitend toegestaan gedurende de regelactie van de trappenschakelaar van de transformator.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.31
|
||||
|
||||
|
|
@ -1075,7 +1201,98 @@ b. Het planningsniveau voor de totale harmonische vervorming (THD) op een (66 kV
|
|||
2°. THD < 3,6%, gedurende 99,9% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week.
|
||||
c. Indien er meer dan één offshore-power park module is aangesloten op één 66 kV railsysteem, wordt het geplande emissieniveau evenredig verdeeld over de offshore-power park modules naar rato van het vermogen dat aan elke offshore-power park module is toegekend.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Aansluitvoorwaarden voor verbruikersinstallaties
|
||||
## Hoofdstuk 4. Aansluitvoorwaarden voor verbruiksinstallaties
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.1. Nadere voorwaarden voor verbruiksinstallaties aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1
|
||||
|
||||
De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor frequenties in de band van 47,5 Hz tot 48,5 Hz en de tijdsduur van de bedrijfsperiode voor frequenties in de band van 48,5 Hz tot 49,0 Hz, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 30 minuten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2
|
||||
|
||||
**1.** Voor verbruiksinstallaties met een nominale spanning kleiner dan 300 kV is de tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen in de band van 1,118 pu tot 1,15 pu, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), 60 minuten.
|
||||
|
||||
**2.** Voor verbruiksinstallaties met een nominale spanning groter dan of gelijk aan 300 kV is de tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen in de band van 1,05 pu tot 1,10 pu, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), 60 minuten.
|
||||
|
||||
**3.** De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie komen voorwaarden en instellingen voor automatische ontkoppeling bij specifieke spanningswaarden, als bedoeld in artikel 13, zesde lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), overeen en deze worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.3
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 2.13 wordt de maximale kortsluitstroom, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet informeert de aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie en overlegt met hem voor zover van toepassing bij eerste aansluiting en bij latere wijzigingen van het net omtrent:
|
||||
|
||||
a. de minimum en maximum waarde van de kortsluitstroom, als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), tijdens de normale bedrijfstoestand;
|
||||
b. de wijze van sterpuntsbehandeling;
|
||||
c. de isolatiecoördinatie;
|
||||
d. de netconfiguratie;
|
||||
e. de bedrijfsvoering.
|
||||
|
||||
**3.** De aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie specificeert de drempelwaarden, als bedoeld in artikel 14, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC). Deze waarden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
**4.** De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet specificeert de drempelwaarden, als bedoeld in artikel 14, achtste en negende lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC). Deze waarden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de aangeslotene geen nadere contractuele afspraken heeft gemaakt met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet over het uitwisselen van blindvermogen met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, varieert de arbeidsfactor, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), in afwijking van artikel 2.27, in het overdrachtspunt van de aansluiting van een verbruiksinstallatie:
|
||||
|
||||
a. zonder lokale elektriciteitsproductie tussen 0,9 (inductief) en 1.0;
|
||||
b. met lokale elektriciteitsproductie tussen 0,9 (capacitief) en 0,9 (inductief).
|
||||
|
||||
**2.** Een overeengekomen afwijking van dit blindvermogensbereik wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 2.13 informeert de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de aangeslotene en bereikt overeenstemming met hem voor zover van toepassing bij eerste aansluiting en bij latere wijziging van het net over de beveiligingsfilosofie, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC).
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover de in het eerste lid genoemde gegevens nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de aangeslotene, worden deze in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.6
|
||||
|
||||
In de aansluit- en transportovereenkomst worden concepten en instellingen van de verschillende regelingen van de verbruiksinstallatie die van belang zijn voor de systeemveiligheid, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), vastgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.7
|
||||
|
||||
**1.** Verbruiksinstallaties aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet beschikken over de mogelijkheid tot automatische belastingafschakeling bij lage frequentie, als bedoeld in artikel 19 van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), op de wijze zoals gespecificeerd door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet op grond van de Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER).
|
||||
|
||||
**2.** Het ontkoppelsignaal voor automatische belastingafschakeling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), wordt gespecificeerd op basis van lage frequentie.
|
||||
|
||||
**3.** In de aansluit- en transportovereenkomst worden de functionele mogelijkheden voor het blokkeren van de trappenschakelaar bij lage spanning, als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), opgenomen.
|
||||
|
||||
**4.** In de aansluit- en transportovereenkomst worden de instellingen van synchronisatieapparaten, als bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel b, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), vastgelegd.
|
||||
|
||||
**5.** In de aansluit- en transportovereenkomst worden de ontkoppelapparatuur en de vereiste tijd voor ontkoppeling op afstand, als bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel c, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), vastgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.8
|
||||
|
||||
**1.** In de aansluit- en transportovereenkomst worden de eisen ten aanzien van de simulatiemodellen, als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), opgenomen.
|
||||
|
||||
**2.** In de aansluit- en transportovereenkomst worden de eisen ten aanzien van de uitvoering van de registratie, als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), opgenomen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.2. Nadere voorwaarden voor verbruiksinstallaties die vraagsturing leveren aan een netbeheerder
|
||||
|
||||
### Artikel 4.9
|
||||
|
||||
**1.** De netbeheerder verstrekt desgevraagd aan een aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie die vraagsturing levert aan een netbeheerder per vraagsturingleverende verbruikseenheid een EAN-code ter identificatie van de desbetreffende vraagsturingleverende verbruikseenheid en legt deze vast in het register als bedoeld in paragraaf 13.4.
|
||||
|
||||
**2.** De tijdsperiode waarbinnen de vermogensaanpassing, na instructie door de regionale netbeheerder of de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, wordt aangepast, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel f, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), wordt vastgelegd in de overeenkomst met de aangeslotene of met de partij die vraagsturing aanbiedt namens verbruikseenheden gezamenlijk als onderdeel van een aggregatie.
|
||||
|
||||
**3.** De bijzonderheden van de kennisgeving waarmee de aanpassing van de capaciteit van de vraagsturing wordt medegedeeld, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel i, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), worden vastgelegd in de overeenkomst met de aangeslotene of met de partij die vraagsturing aanbiedt namens verbruikseenheden gezamenlijk als onderdeel van een aggregatie.
|
||||
|
||||
**4.** De maximale waarde van de frequentiegradiënt waarbij niet van het net mag worden ontkoppeld, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel k, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is: 2 Hz/s.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.10
|
||||
|
||||
**1.** De bandbreedte van de dode band, als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 0,2 Hz hoger en lager ten opzichte van de nominale systeemfrequentie.
|
||||
|
||||
**2.** De maximale frequentie-afwijking van de nominale waarde van 50,0 Hz, als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 1,0 Hz voor lage frequenties en 1,5 Hz voor hoge frequenties.
|
||||
|
||||
**3.** De snelle respons, als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel g, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 0,5 s.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Voorwaarden voor aansluiting van distributienetten en gesloten distributiesystemen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1083,7 +1300,9 @@ c. Indien er meer dan één offshore-power park module is aangesloten op één 6
|
|||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
In aanvulling op de voorwaarden in de paragrafen 2.1, 2.3 en 2.5 gelden voor een aansluiting van een distributienet op een ander net de voorwaarden van deze paragraaf.
|
||||
**1.** In aanvulling op de voorwaarden in de paragrafen 2.1, 2.3 en 2.5 gelden voor een aansluiting van een distributienet op een ander net de voorwaarden van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
**2.** De voorwaarden in paragraaf 4.1, met uitzondering van artikelen 4.4 en 4.5, zijn van overeenkomstige toepassing op distributienetten, als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC).
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -1103,13 +1322,13 @@ In aanvulling op de voorwaarden in de paragrafen 2.1, 2.3 en 2.5 gelden voor een
|
|||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
**1.** In geval van een aansluiting van een net op een ander net, stellen de netbeheerders na onderling overleg de toe te passen beveiligingsconcepten vast.
|
||||
**1.** De netbeheerders bereiken, na onderling overleg, bij eerste aansluiting en bij latere wijziging van het net overeenstemming omtrent de toe te passen beveiligingsconcepten, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC).
|
||||
|
||||
**2.** Het beveiligingsconcept van de transformator wordt bepaald door de beheerder van de transformator. De netbeheerders stellen elkaar de uitschakelcommando’s voor het uitschakelen van de vermogenschakelaars aan weerszijden van de transformator ter beschikking. De voor het overbrengen van deze commando’s benodigde verbindingen met toebehoren zijn eigendom van de eigenaar van de transformator.
|
||||
**2.** De netbeheerders stellen elkaar de uitschakelcommando’s voor het uitschakelen van de vermogenschakelaars aan weerszijden van de transformator ter beschikking. De voor het overbrengen van deze commando’s benodigde verbindingen met toebehoren zijn eigendom van de eigenaar van de transformator.
|
||||
|
||||
**3.** Instellingen van de beveiligingen, het type beveiliging en de inschakelvoorwaarden worden in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** De behandeling van het sterpunt en de eventuele regeling van de blusspoelinstelling wordt door de betrokken netbeheerders in onderling overleg bepaald.
|
||||
**4.** De eventuele regeling van de blusspoelinstelling, als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) wordt door de betrokken netbeheerders in onderling overleg bepaald.
|
||||
|
||||
**5.** Ter voorkoming van schade ten gevolge van bedieningsfouten worden elektrische of mechanische vergrendelingen tussen scheiders en aarders en de vermogensschakelaars aangebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1119,13 +1338,18 @@ In afwijking van de begripsomschrijving van ‘overdrachtspunt’ in de Begrippe
|
|||
|
||||
### Artikel 5.6
|
||||
|
||||
[gereserveerd]
|
||||
Distributienetten, aangesloten aan het landelijk hoogspanningsnet, zijn in staat de stationaire bedrijfstoestand op het aansluitpunt in stand te houden binnen het blindvermogensbereik, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), dat gespecificeerd is als:
|
||||
|
||||
a. maximaal 48% van de maximale importcapaciteit of van de maximale exportcapaciteit, naar gelang welke het grootst is, tijdens de import van blindvermogen;
|
||||
b. maximaal 48% van de maximale importcapaciteit of van de maximale exportcapaciteit, naar gelang welke het grootst is, tijdens de export van blindvermogen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.2. Voorwaarden voor aansluitingen van gesloten distributiesystemen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.7
|
||||
|
||||
In aanvulling op de voorwaarden in paragraaf 5.1 gelden voor een aansluiting van een gesloten distributiesysteem op een net de voorwaarden van deze paragraaf voor zover van toepassing op het spanningsniveau waarop het gesloten distributiesysteem aangesloten is op het net van de netbeheerder. In paragraaf 5.1 dient dan in plaats van ‘de netbeheerders’ gelezen te worden ‘de beheerder van het gesloten distributiesysteem en de netbeheerder’.
|
||||
**1.** In aanvulling op de voorwaarden in paragraaf 5.1 gelden voor een aansluiting van een gesloten distributiesysteem op een net de voorwaarden van deze paragraaf voor zover van toepassing op het spanningsniveau waarop het gesloten distributiesysteem aangesloten is op het net van de netbeheerder. In paragraaf 5.1 dient dan in plaats van ‘de netbeheerders’ gelezen te worden ‘de beheerder van het gesloten distributiesysteem en de netbeheerder’.
|
||||
|
||||
**2.** De voorwaarden in paragraaf 4.2 zijn van overeenkomstige toepassing op gesloten distributiesystemen die vraagsturing leveren aan een netbeheerder.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -1882,7 +2106,7 @@ Indien en voor zover door de netbeheer in overleg met de aangeslotene voor een o
|
|||
|
||||
### Artikel 8.6
|
||||
|
||||
De netbeheerder handelt een verzoek van een aangeslotene tot verstrekking van EAN-codes, als bedoeld in artikel 5.9 of artikel 3.2, eerste lid, binnen tien werkdagen af. Indien afhandeling binnen deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een reactie kan worden verwacht.
|
||||
De netbeheerder handelt een verzoek van een aangeslotene tot verstrekking van EAN-codes, als bedoeld in artikel 5.9artikel 4.9, eerste lid, of artikel 3.2, eerste lid, binnen tien werkdagen af. Indien afhandeling binnen deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een reactie kan worden verwacht.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -3593,7 +3817,7 @@ i. de gegevens en modellen van elke opwekkingseenheid die deel uitmaakt van de e
|
|||
1°. de tijd voor een koude en een warme start;
|
||||
2°. het type opwekkingseenheid, te weten synchroon, asynchroon, omvormer-gekoppeld of, in geval van een windturbine, of sprake is van een dubbelgevoede inductiemachine of direct drive;
|
||||
3°. het nominale vermogen;
|
||||
4°. in geval van een zonnepark: in plaats van het in subonderdeel 3° genoemde nominale vermogen per opwekkingseenheid het totale vermogen van alle zonnepanelen van de elektriciteitsproductie-installatie en het totale vermogen van de omvormers van de elektriciteitsproductie-installatie;
|
||||
4°. in geval van een elektriciteitsproductie-eenheid bestaande uit meerdere zonnepanelen: in plaats van het in subonderdeel 3° genoemde nominale vermogen per opwekkingseenheid het totale vermogen van alle zonnepanelen van de elektriciteitsproductie-installatie en het totale vermogen van de omvormers van de elektriciteitsproductie-installatie;
|
||||
5°. de nominale spanning van de opwekkingseenheid;
|
||||
6°. de nominale arbeidsfactor;
|
||||
7°. de transiënte impedantie(s) en bijbehorende tijdconstante(n);
|
||||
|
|
@ -3647,7 +3871,8 @@ Een aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid aangeslot
|
|||
a. de datum van inbedrijfname;
|
||||
b. het spanningsniveau van het overdrachtspunt van de aansluiting, waarachter de elektriciteitsproductie-eenheid zich bevindt;
|
||||
c. de primaire energiebron;
|
||||
d. de maximumcapaciteit.
|
||||
d. de maximumcapaciteit;
|
||||
e. in geval van een elektriciteitsproductie-eenheid bestaande uit meerdere zonnepanelen: het totale vermogen van alle zonnepanelen van de elektriciteitsproductie-installatie en het totale vermogen van de omvormers van de elektriciteitsproductie-installatie.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3661,7 +3886,7 @@ e. de gegevens en modellen van elke opwekkingseenheid die deel uitmaakt van de e
|
|||
|
||||
1°. het type opwekkingseenheid, te weten: synchroon, asynchroon, omvormer-gekoppeld of, in geval van een windturbine, of sprake is van een dubbelgevoede inductiemachine of direct drive;
|
||||
2°. het nominale vermogen;
|
||||
3°. in geval van een zonnepark: in plaats van het in subonderdeel 2° genoemde nominale vermogen per opwekkingseenheid het totale vermogen van alle zonnepanelen van de elektriciteitsproductie-installatie en het totale vermogen van de omvormers van de elektriciteitsproductie-installatie;
|
||||
3°. in geval van een elektriciteitsproductie-eenheid bestaande uit meerdere zonnepanelen is subonderdeel 2° niet van toepassing;
|
||||
4°. de nominale spanning van de opwekkingseenheid;
|
||||
5°. de nominale arbeidsfactor;
|
||||
6°. de transiënte impedantie(s) en bijbehorende tijdconstante(n);
|
||||
|
|
@ -4634,13 +4859,13 @@ c. hij binnen twee weken na de hiervoor bedoelde uitnodiging nog geen testcertif
|
|||
|
||||
### Artikel 14.2
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14, eerste lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type A zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, en die zijn aangesloten op een laagspanningsnet, in aanvulling op paragraaf 3.4 aan het tweede lid.
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14.1, eerste lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type A zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, en die zijn aangesloten op een laagspanningsnet, in aanvulling op paragraaf 3.4 aan het tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het parallel schakelen van de elektriciteitsproductie-eenheid dient automatisch te verlopen.
|
||||
|
||||
### Artikel 14.3
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14, eerste lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type A zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, en die zijn aangesloten op een middenspanningsnet, in aanvulling op paragraaf 3.4 aan het tweede tot en met zevende lid.
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14.1, eerste lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type A zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, en die zijn aangesloten op een middenspanningsnet, in aanvulling op paragraaf 3.4 aan het tweede tot en met zevende lid.
|
||||
|
||||
**2.** Van de plicht tot het aanbieden van reservevermogen en blindvermogen zijn uitgezonderd elektriciteitsproductie-eenheden die uitsluitend afhankelijk zijn van één of meer niet-regelbare energiebronnen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4656,7 +4881,7 @@ c. hij binnen twee weken na de hiervoor bedoelde uitnodiging nog geen testcertif
|
|||
|
||||
### Artikel 14.4
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14, eerste lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type B of C zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, en die zijn aangesloten op een middenspanningsnet, in aanvulling op paragraaf 3.5 aan artikel 14.3 en het tweede tot en met achtste lid.
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14.1, tweede en derde lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type B of C zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, tweede en derde lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, en die zijn aangesloten op een middenspanningsnet, in aanvulling op paragraaf 3.5 aan artikel 14.3 en het tweede tot en met achtste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Elektriciteitsproductie-eenheden aangesloten op netten met een spanningsniveau van 50 kV en hoger kunnen bedrijf voeren met een arbeidsfactor tussen 1,0 en 0,8 (inductief) gemeten op de generatorklemmen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4691,7 +4916,7 @@ b. Voor elektriciteitsproductie-eenheden die zijn gekoppeld aan netten met een n
|
|||
|
||||
### Artikel 14.5
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14, vierde lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type D zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, in aanvulling op paragraaf 3.5 aan de artikelen 14.3 en 14.4 en aan het tweede tot en met dertiende lid.
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 14.1, vierde lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type D zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, in aanvulling op paragraaf 3.5 aan de artikelen 14.3 en 14.4 en aan het tweede tot en met dertiende lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4727,11 +4952,20 @@ c. na activering gedurende ten minste 15 minuten gehandhaafd te blijven.
|
|||
|
||||
**13.** De in het achtste tot en met twaalfde lid bedoelde beproevingen worden uitgevoerd door en op kosten van de aangeslotene.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 14.2. Bestaande verbruiksinstallaties
|
||||
**14.**
|
||||
|
||||
Tenzij sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), zijn de artikelen 3.19, 3.26 en 3.30, niet van toepassing op de elektriciteitsproductie-eenheden:
|
||||
|
||||
a. die voor 16 juli 2020 op het net zijn aangesloten, of
|
||||
b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie voor 1 juli 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de productie-installatie. De eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie stelt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet binnen een termijn van 6 maanden na het afsluiten van het contract uit de eerste volzin op hoogte van het afsluiten van dat contract.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 14.2. Bestaande verbruiksinstallaties en gesloten distributiesystemen
|
||||
|
||||
### Artikel 14.6
|
||||
|
||||
[gereserveerd]
|
||||
**1.** Op verbruiksinstallaties waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) deze NC DCC niet van toepassing is, is hoofdstuk 4 niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Op gesloten distributiesystemen waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) deze NC DCC niet van toepassing is, zijn artikel 5.1, tweede lid, en artikel 5.7, tweede lid, niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 14.3. Bestaande HVDC-systemen
|
||||
|
||||
|
|
@ -4745,22 +4979,28 @@ c. na activering gedurende ten minste 15 minuten gehandhaafd te blijven.
|
|||
|
||||
### Artikel 15.1
|
||||
|
||||
**1.** In gevallen waarin aan een of meer bepalingen van deze code op het tijdstip van inwerkingtreding ervan niet wordt voldaan, en de netbeheerder daardoor zijn wettelijke taken niet kan uitvoeren, treedt de netbeheerder met de betrokkene, of treden de gezamenlijke netbeheerders onderling, in overleg teneinde vast te stellen welke aanpassingen noodzakelijk zijn en binnen welke termijn deze dienen te zijn doorgevoerd.
|
||||
**1.** Als, door een wijziging van deze code aan een of meer bepalingen van deze code op het tijdstip van inwerkingtreding ervan redelijkerwijs niet wordt voldaan, en de netbeheerder daardoor zijn wettelijke taken niet kan uitvoeren, treedt de netbeheerder met de aangeslotene, of treden de gezamenlijke netbeheerders onderling, in overleg om vast te stellen welke aanpassingen noodzakelijk zijn en binnen welke termijn deze dienen te zijn doorgevoerd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De netbeheerder zal na overleg met de aangeslotene vaststellen in hoeverre zoveel als technisch en economisch mogelijk aan deze code kan worden voldaan bij renovaties en modificaties van bestaande:
|
||||
|
||||
a. aansluitingen;
|
||||
b. elektriciteitsproductie-eenheden die vallen onder artikel 4, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG);
|
||||
c. installaties.
|
||||
|
||||
**3.** Voor zover in deze code wordt verwezen naar technische normen geldt dat indien een nieuwe versie daarvan wordt vastgesteld die nieuwe norm geldt. Indien deze norm wordt neergelegd in een wettelijke regeling dan wordt deze toegepast zodra deze van kracht wordt.
|
||||
**2.** Voor zover in deze code wordt verwezen naar technische normen geldt dat indien een nieuwe versie daarvan wordt vastgesteld die nieuwe norm geldt. Indien deze norm wordt neergelegd in een wettelijke regeling dan wordt deze toegepast zodra deze van kracht wordt.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De netbeheerder stelt na overleg met de aangeslotene vast in hoeverre zoveel als technisch, economisch en binnen welke termijn aan deze code kan worden voldaan bij renovaties en modificaties van:
|
||||
|
||||
a. aansluitingen;
|
||||
b. elektriciteitsproductie-eenheden;
|
||||
c. verbruiksinstallaties;
|
||||
d. distributienetten en gesloten distributiesystemen;
|
||||
e. overige installaties.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing wanneer artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), of artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 2.12, hoeft in een overdrachtspunt van een aansluiting tussen het landelijk hoogspanningsnet en een regionaal net tot 1 januari 2030 geen comptabele meetinrichting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Meetcode elektriciteit aanwezig te zijn indien:
|
||||
|
||||
a. het desbetreffende overdrachtspunt op 1 januari 2008 reeds aanwezig was, maar de aansluiting waartoe dat overdrachtspunt behoort tot 1 januari 2008 geen aansluiting tussen het landelijk hoogspanningsnet en een regionaal net was, èn
|
||||
|
|
@ -4786,11 +5026,11 @@ e. op ten minste 75% van de overige overdrachtspunten van de desbetreffende aans
|
|||
|
||||
**7.** In een overdrachtspunt van een aansluiting tussen het landelijk hoogspanningsnet en een regionaal net, als bedoeld in het eerste lid, wordt het secundaire deel van de comptabele meetinrichting aangepast aan de eisen uit de artikelen 4.3.5 tot en met 4.3.7 van de Meetcode elektriciteit, zodra op alle overdrachtspunten van de desbetreffende aansluiting het primaire deel van de comptabele meetinrichting voldoet aan de eisen uit artikel 4.3.2 van de Meetcode elektriciteit, eventueel met inachtneming van artikel 2.2.2 van de Meetcode elektriciteit.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.3
|
||||
### Artikel 15.4
|
||||
|
||||
Aansluitingen, aangelegd voor 1 juli 2017 die niet beschikken over een meetinrichting, als bedoeld in artikel 2.12, en waarvoor niet wordt voldaan aan de artikelen 2.13 en 2.14, mogen onbemeten blijven tot op het moment dat er wijzigingen worden aangebracht aan de aansluiting, aan de achter het overdrachtspunt van de aansluiting aanwezige installatie of apparatuur of dat er op grond van artikel 2.30, vierde lid, een comptabele meetinrichting geplaatst dient te worden.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.4
|
||||
### Artikel 15.5
|
||||
|
||||
**1.** In deze regeling wordt onder gesloten distributiesysteem mede verstaan een net waarvoor een vrijstelling of ontheffing is verleend als bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet (implementatie van richtlijnen en verordeningen op het gebied van elektriciteit en gas), tot op het tijdstip waarop deze van rechtswege komt te vervallen ingevolge het vierde, vijfde of zesde lid van dat artikel.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue