2017-07-01 | BWBR0007625 | Wet educatie en beroepsonderwijs

This commit is contained in:
Coornhert 2017-07-01 12:00:00 +00:00
parent 960eaab390
commit 296c943cf2

View file

@ -211,7 +211,7 @@ Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval een beschrijving van de r
**1b.** Een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a van een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling bevat geen keuzedelen die niet zijn gekoppeld aan een kwalificatie, behorend bij een beroepsopleiding waarvoor de instelling een diploma-erkenning heeft op grond van lid 1 of lid 1a.
**2.** Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
**2.** Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister jaarlijks voor 1 maart een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op beroepsopleidingen.
@ -244,7 +244,7 @@ f. de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.3.
**4.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft uitsluitend betrekking op opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, alsmede op andere in dat lid bedoelde opleidingen, voor zover daarvoor bij ministeriële regeling eindtermen zijn vastgesteld.
**5.** Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Een begunstigende beschikking is voor het eerst van kracht ten aanzien van een opleiding educatie die aanvangt nadat die beschikking is bekend gemaakt.
**5.** Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Een begunstigende beschikking is voor het eerst van kracht ten aanzien van een opleiding educatie die aanvangt nadat die beschikking is bekend gemaakt.
**6.** Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 15 oktober een opgave van de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, die de instelling verzorgt in het lopende studiejaar, alsmede van de opleidingen educatie die de instelling heeft verzorgd in het daaraan voorafgaande studiejaar.
@ -307,7 +307,7 @@ a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, voorzover het betreft de examine
b. de examens, en
c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5.
**2.** Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
**2.** Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
### Titel 7. Contractactiviteiten
@ -989,7 +989,7 @@ Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 8.1.1, in gevallen als geregeld i
### Artikel 2.7
Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking van de in artikel 1.2.1 bedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking van de in artikel 1.2.1 bedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
### Titel 8. WAARBORGFONDS EN INVESTERINGEN IN GEBOUWEN EN TERREINEN
@ -1010,7 +1010,7 @@ d. dat de door de rechtspersoon te stellen voorwaarden in het kader van door hem
e. dat een batig saldo van het fonds kan worden uitgekeerd aan de bevoegde gezagsorganen van de instellingen, onder de voorwaarde dat een uitkering door het bevoegd gezag van een instelling uitsluitend wordt besteed ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend, en
f. een regeling omtrent de te volgen procedure en te treffen voorzieningen in geval van taakverwaarlozing door het bestuur van het fonds.
**4.** Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bedenkingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.
**4.** Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bedenkingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.
### Artikel 2.8.2
@ -1820,7 +1820,7 @@ f. bij ministeriële regeling aan te wijzen andere opleidingen.
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk der in het eerste lid genoemde diplomas noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur.
**3.** Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
**3.** Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
### Titel 4. Examens, onderwijsprogramma en deelnemersstatuut
@ -1867,6 +1867,10 @@ b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afge
**2.** Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie.
### Artikel 7.4.5a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 7.4.6
**1.** Ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgesloten, reikt de examencommissie een diploma uit.
@ -1875,6 +1879,10 @@ b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afge
**3.** Bij ministeriële regeling worden modellen en technische veiligheidseisen voor het diploma en de resultatenlijst van een beroepsopleiding vastgesteld.
### Artikel 7.4.6a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 7.4.7
**1.**
@ -1988,7 +1996,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op opleidingen voortgezet algemeen volwasseneno
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de examens van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als tweede taal I en II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a en c. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens voorschriften worden gegeven omtrent de examenprogrammas en de verdeling daarvan in onderdelen. De examens van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten een rekentoets. Bij de vaststelling van de opgaven van de rekentoets worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften omtrent deze toets vastgesteld.
**4.** Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een instelling kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het tweede en derde lid. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
**4.** Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een instelling kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het tweede en derde lid. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
**5.** Artikel 7.4.6, eerste en derde lid, is van toepassing, met dien verstande dat degene die een onderdeel van een examen van de opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I of II met goed gevolg heeft afgelegd een certificaat ontvangt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke voorwaarden het bezit van certificaten aanspraak geeft op een diploma.
@ -2115,7 +2123,7 @@ d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
**3.** Indien door de deelnemer of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot inschrijving aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de deelnemer, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.
**3.** Indien door de deelnemer of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na de beslissing tot inschrijving aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de deelnemer, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.
**4.** Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het burgerservicenummer van de deelnemer, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de deelnemer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de deelnemer toegekend persoonsgebonden nummer.
@ -2201,7 +2209,7 @@ b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen
**7.** Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokken deelnemer aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in het eerste lid, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of voor de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten van betrokkene op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, open staat.
**8.** Indien het bevoegd gezag van een bijzondere instelling aan Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde mededeling heeft gedaan, kan de deelnemer binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen die mededeling.
**8.** Indien het bevoegd gezag aan Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde mededeling heeft gedaan, kan de deelnemer binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen die mededeling.
**9.**
@ -2488,14 +2496,14 @@ c. de termijn waarbinnen tot instemming of onthouding van de instemming moet wor
De deelnemersraad heeft de volgende bijzondere bevoegdheden:
a. het verlenen van instemming aan een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het derde lid;
b. het uitbrengen van advies over een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het vierde lid.
a. het verlenen van instemming aan een door het bevoegd gezag voorgenomen beslissing als bedoeld in het derde lid;
b. het uitbrengen van advies over een door het bevoegd gezag voorgenomen beslissing als bedoeld in het vierde lid.
**2.** De bijzondere bevoegdheden zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de instelling reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift.
**3.**
De deelnemersraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:
De deelnemersraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van:
a. het medezeggenschapsstatuut;
b. het deelnemersstatuut en de huisregels voor deelnemers;
@ -2514,9 +2522,9 @@ n. het beleid met betrekking tot het beperkt en beheersbaar houden van de middel
**4.**
De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:
De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van:
a. besluiten van het bevoegd gezag over inkrimping, uitbreiding, fusie en overdracht van de instelling, beëindiging van opleidingen en samenwerking met andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen;
a. inkrimping, uitbreiding, fusie en overdracht van de instelling, beëindiging van opleidingen en samenwerking met andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen;
b. verandering van de grondslag van de instelling;
c. werkomstandigheden en voorzieningen voor deelnemers binnen de instelling;
d. het beleid met betrekking tot intake- en assessmentprocedures;
@ -2525,18 +2533,18 @@ f. de te verstrekken informatie aan aspirant-deelnemers van beroepsopleidingen,
**5.** In het reglement kunnen andere, nader te omschrijven onderwerpen worden opgenomen ten aanzien waarvan een van de bijzondere bevoegdheden aan de deelnemersraad wordt toegekend.
**6.** De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot een voorgenomen besluit van de raad van toezicht ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel 9.1.4, vijfde lid. De deelnemersraad heeft eveneens adviesbevoegdheid met betrekking tot benoeming of ontslag van de leden van het college van bestuur, bedoeld in artikel 9.1.4, derde lid, onderdeel a.
**6.** De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot een voorgenomen beslissing van de raad van toezicht ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel 9.1.4, vijfde lid. De deelnemersraad heeft eveneens adviesbevoegdheid met betrekking tot benoeming of ontslag van de leden van het college van bestuur, bedoeld in artikel 9.1.4, derde lid, onderdeel a.
**7.** Alvorens de raad van toezicht tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur overgaat, wordt de deelnemersraad vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**7.** Alvorens de raad van toezicht tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur overgaat, wordt de deelnemersraad vertrouwelijk gehoord over de voorgenomen beslissing tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
### Artikel 8a.2.2a
Indien een te nemen besluit op grond van artikel 8a.2.2 vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de deelnemersraad, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:
Indien een te nemen beslissing op grond van artikel 8a.2.2 vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de deelnemersraad, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:
a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,
b. de deelnemersraad in de gelegenheid wordt gesteld met het bevoegd gezag overleg te voeren voordat dit advies wordt uitgebracht,
c. de deelnemersraad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en
d. de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met het bevoegd gezag te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.
d. de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met het bevoegd gezag te voeren alvorens de beslissing definitief wordt genomen.
### Artikel 8a.2.3
@ -2581,13 +2589,13 @@ h. het toekennen van eventuele andere bevoegdheden aan de deelnemersraad.
De commissie neemt kennis van de volgende geschillen:
a. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag ten aanzien van een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, niet de vereiste instemming heeft verworven;
a. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag ten aanzien van een voorgenomen beslissing als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, niet de vereiste instemming heeft verworven;
b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag en de raad van mening verschillen over de interpretatie van hoofdstuk 8a dan wel het reglement;
c. op verzoek van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen waarover ingevolge artikel 8a.2.2, vierde lid, of artikel 8a.5.1 juncto artikel 8a.2.2 advies door de deelnemersraad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel heeft gevolgd en de deelnemersraad van oordeel is dat daardoor de belangen van de deelnemers, van de deelnemersraad of van de instelling ernstig worden geschaad.
c. op verzoek van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag een beslissing heeft genomen waarover ingevolge artikel 8a.2.2, vierde lid, of artikel 8a.5.1 juncto artikel 8a.2.2 advies door de deelnemersraad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel heeft gevolgd en de deelnemersraad van oordeel is dat daardoor de belangen van de deelnemers, van de deelnemersraad of van de instelling ernstig worden geschaad.
### Artikel 8a.4.3
**1.** Voor zover aan een voorgenomen besluit van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, de vereiste instemming is onthouden, deelt het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel de deelnemersraad aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel. Het voorstel vervalt eveneens, indien door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel door de deelnemersraad aan het bevoegd gezag is meegedeeld dat het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie en het voorstel niet binnen zes weken na het doen van deze mededeling daadwerkelijk wordt voorgelegd aan de commissie.
**1.** Voor zover aan een voorgenomen beslissing van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, de vereiste instemming is onthouden, deelt het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel de deelnemersraad aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel. Het voorstel vervalt eveneens, indien door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel door de deelnemersraad aan het bevoegd gezag is meegedeeld dat het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie en het voorstel niet binnen zes weken na het doen van deze mededeling daadwerkelijk wordt voorgelegd aan de commissie.
**2.** Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, geschiedt dit onder overlegging van de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd gezag aan de orde zijn, en stelt de commissie de deelnemersraad in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen. Indien de deelnemersraad een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.
@ -2597,11 +2605,11 @@ De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de dee
a. artikel 8a.4.2, onderdeel a: of de deelnemersraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen;
b. artikel 8a.4.2, onderdeel b: welke interpretatie aan dit hoofdstuk of het reglement moet worden gegeven;
c. artikel 8a.4.2, onderdeel c: of het bevoegd gezag bij afweging van betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en of het besluit al dan niet in stand kan blijven.
c. artikel 8a.4.2, onderdeel c: of het bevoegd gezag bij afweging van betrokken belangen in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen en of de beslissing al dan niet in stand kan blijven.
**4.** Voor zover de commissie van oordeel is dat het voorstel van het bevoegd gezag niet in redelijkheid tot stand is gekomen, geeft zij aan hoe het voorstel moet worden gewijzigd.
**5.** Onverminderd artikel 8a.4.4 is een vaststelling van de commissie als bedoeld in het derde lid, voor het bevoegd gezag en de deelnemersraad bindend. Zo nodig neemt het bevoegd gezag met inachtneming van de vaststelling van de commissie een nieuw besluit.
**5.** Onverminderd artikel 8a.4.4 is een vaststelling van de commissie als bedoeld in het derde lid, voor het bevoegd gezag en de deelnemersraad bindend. Zo nodig neemt het bevoegd gezag met inachtneming van de vaststelling van de commissie een nieuwe beslissing.
**6.** Indien de ondernemingsraad ten aanzien van een voorstel tot vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsstatuut zijn instemming heeft onthouden, zijn de artikelen 27, vierde tot en met zesde lid, en 36 van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bevoegdheden van de bedrijfscommissie, bedoeld in het genoemde artikel 36, worden uitgeoefend door de commissie.
@ -2711,7 +2719,7 @@ b. een bindende voordracht te doen voor één lid van de raad van toezicht.
Artikel 8a.4.3, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De tweede en derde volzin zijn niet van toepassing voor zover de ondernemingsraad schriftelijk aan de raad van toezicht te kennen heeft gegeven van de mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik te willen maken.
**7.** De statuten van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, voorzien in een regeling die waarborgt dat de raad van toezicht de ondernemingsraad vertrouwelijk hoort over een voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur, niet zijnde bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**7.** De statuten van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, voorzien in een regeling die waarborgt dat de raad van toezicht de ondernemingsraad vertrouwelijk hoort over een voorgenomen beslissing tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur, niet zijnde bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
**8.** De raad van toezicht pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de deelnemersraad en de ondernemingsraad van de instelling.
@ -2912,10 +2920,6 @@ De op 31 december 1995 geldende voorschriften vastgesteld bij of krachtens de ar
### Artikel 12.2.3
De vakinstelling die op grond van artikel 12.3.5, zoals dat luidde op 30 juni 2004, de rijksbijdrage ten aanzien van huisvesting voortgezet onderwijs ontving en nadien is blijven ontvangen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede voor de toepassing van artikel 76v.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangemerkt als scholengemeenschap in de zin van artikel 2.6.
### Artikel 12.2.3
Vervallen
### Artikel 12.2.4
@ -3178,6 +3182,8 @@ De deelnemer die in het studiejaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtre
Vervallen
### Titel 4b
### Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel
### Artikel 12.5.1