diff --git a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md index b61577f2e55..f8815bce49f 100644 --- a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md +++ b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md @@ -826,15 +826,15 @@ De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen v ### Artikel 3.33 -**1.** De aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen met een hoogwaardig technologisch karakter of als bedrijfsmiddelen bestemd om gebruikt te worden bij onderzoek en ontwikkeling (T&O-bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven. +**1.** De in een filmonderneming gemaakte voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als films in het belang van versterking van de filminfrastructuur in Nederland (filminvesteringen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven, mits van de totale voortbrengingskosten van de film meer dan de helft betrekking heeft op voortbrenging in Nederland. -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen T&O-bedrijfsmiddelen worden aangewezen door Onze Minister van Economische Zaken in overeenstemming met Onze Minister. +**2.** Bij ministeriële regeling kunnen filminvesteringen worden aangewezen door Onze Minister van Economische Zaken in overeenstemming met Onze Minister en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. -**3.** Op T&O-bedrijfsmiddelen kan alleen willekeurig worden afgeschreven indien op een door de belastingplichtige aan de investering voorafgaand gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat de voorgenomen investering betrekking heeft op aangewezen T&O-bedrijfsmiddelen alsmede welk bedrag ten hoogste in aanmerking wordt genomen bij de toepassing van de willekeurige afschrijving. Het verzoek om een verklaring dient te worden gedaan – voor een door Onze Minister vast te stellen tijdstip – in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de verplichtingen zullen worden aangegaan of voortbrengingskosten zullen worden gemaakt ter zake van zulke bedrijfsmiddelen. +**3.** Als filminvesteringen kunnen uitsluitend worden aangewezen investeringen in films die primair zijn bestemd voor vertoning in bioscopen, waarvan de voortbrengingskosten € 15 000 000 niet te boven gaan. -**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring, bedoeld in het derde lid. +**4.** Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.42b en artikel 3.47a wordt onder filmonderneming verstaan een onderneming waarvan de feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit het voortbrengen van films en het exploiteren van zelf voortgebrachte films. -**5.** Tegen de in het derde lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. +**5.** Dit artikel vindt slechts toepassing met betrekking tot voortbrengingskosten gemaakt voor 1 januari 2004. ### Artikel 3.34 @@ -845,8 +845,7 @@ De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen v Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van: a. de bevordering van de economische ontwikkeling of de economische structuur, daaronder begrepen de bevordering van het ondernemerschap; -b. de ontwikkeling van de culturele infrastuctuur; -c. de ontwikkeling van bij die regeling aangewezen gebieden met een zwakke economische structuur. +b. de ontwikkeling van bij die regeling aangewezen gebieden met een zwakke economische structuur. **3.** In de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving wordt beperkt tot aangewezen gebieden of tot aangewezen groepen van belastingplichtigen. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld. @@ -873,12 +872,12 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking to a. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. indien het arbo-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; -c. indien het T&O-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en +c. indien het filminvesteringen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en d. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. ### Artikel 3.37 -**1.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op arbo-bedrijfsmiddelen, T&O-bedrijfsmiddelen of andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze eerstgenoemde Minister is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring. +**1.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op arbo-bedrijfsmiddelen, filminvesteringen of andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze eerstgenoemde Minister is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring. **2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Onze eerstgenoemde Minister verstaan Onze Minister die als eerste is genoemd in het artikel dat de aanwijzingsbevoegdheid met betrekking tot de desbetreffende bedrijfsmiddelen bevat en bij de andere aangewezen bedrijfsmiddelen Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. @@ -894,7 +893,7 @@ Afschrijving op bedrijfsmiddelen vindt plaats volgens de regels voor het tijdvak ### Artikel 3.40 -Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtigenaast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek. +Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtigenaast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek, van milieu-investeringsaftrek en van filminvesteringsaftrek. ### Artikel 3.41 @@ -969,6 +968,29 @@ b. de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten z **6.** Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer nadere regels worden gesteld met betrekking tot het vijfde lid. +### Artikel 3.42b + +**1.** Indien in een kalenderjaar in een filmonderneming van een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, voortbrengingskosten worden gemaakt ter zake van een film met betrekking waartoe op een door of namens de medegerechtigde gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van een filminvestering als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, en dat toekenning van filminvesteringsaftrek terzake past binnen het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, en de medegerechtigde daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het tweede lid aangewezen percentage van de voortbrengingskosten ten laste gebracht van de winst over dat jaar (filminvesteringsaftrek), mits van de totale voortbrengingskosten van de film meer dan de helft betrekking heeft op voortbrenging in Nederland. + +**2.** Bij een bedrag aan filminvesteringen in een kalenderjaar van meer dan € 1900 bedraagt de filminvesteringsaftrek 47 percent. + +**3.** + +Als bedrag aan filminvesteringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen het laagste van: + +a. met betrekking tot de filmonderneming in totaal een bedrag gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, en +b. per kalenderjaar € 25 000. Indien de belastingplichtige medegerechtigde is in meer dan een filmonderneming, geldt het in de eerste volzin, onderdeel b, vermelde bedrag, voor al die ondernemingen tezamen. + +**4.** Tot de voortbrengingskosten worden niet gerekend uitgaven voor goederen ter zake waarvan door een derde reeds filminvesteringsaftrek in aanmerking kan worden genomen. + +**5.** Indien bij de aangifte wordt gekozen voor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek blijft toepassing van de filminvesteringsaftrek achterwege. + +**6.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring. + +**7.** Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. + +**8.** Dit artikel vindt slechts toepassing met betrekking tot voortbrengingskosten gemaakt voor 1 januari 2004. + ### Artikel 3.43 **1.** Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken. @@ -977,7 +999,7 @@ b. de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten z ### Artikel 3.44 -**1.** Indien bij het einde van het kalenderjaar het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen en de investeringsaftrek zou uitgaan boven wat bij het einde van dat kalenderjaar ter zake van de investering is betaald, wordt in afwijking in zoverre van de artikelen 3.41, 3.42 en 3.42a een bedrag gelijk aan de betaling in aanmerking genomen en wordt het meerdere in aanmerking genomen in de volgende kalenderjaren en wel voorzover betalingen plaatsvinden, maar niet later dan in het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen. +**1.** Indien bij het einde van het kalenderjaar het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen en de investeringsaftrek zou uitgaan boven wat bij het einde van dat kalenderjaar ter zake van de investering is betaald, wordt in afwijking in zoverre van de artikelen 3.41, 3.42, 3.42a en 3.42b een bedrag gelijk aan de betaling in aanmerking genomen en wordt het meerdere in aanmerking genomen in de volgende kalenderjaren en wel voorzover betalingen plaatsvinden, maar niet later dan in het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen. **2.** Bij het staken van de onderneming en bij de eindafrekening als bedoeld in artikel 3.61 wordt de investeringsaftrek voor het geheel in aanmerking genomen in het jaar van staking, respectievelijk eindafrekening. @@ -1050,6 +1072,30 @@ b. het niet in gebruik genomen zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaar na h **7.** Onze Minister kan bepalen dat het derde lid, onderdeel c, of het zesde lid niet van toepassing is. +### Artikel 3.47a + +**1.** In afwijking van artikel 3.47, eerste lid, wordt bij een filmonderneming van de overdrachtsprijzen van goederen terzake waarvan filminvesteringsaftrek is genoten, een in het tweede lid aangewezen percentage ten bate van de winst over het in dat lid bedoelde jaar gebracht. + +**2.** + +Bij een overdrachtsprijs in een kalenderjaar van: + +| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt het percentage | +| --- | --- | --- | +| – | 60% van het investeringsbedrag | 0 | +| 60% | 70% van het investeringsbedrag | 3 | +| 70% | 80% van het investeringsbedrag | 6 | +| 80% | 90% van het investeringsbedrag | 12 | +| 90% | 100% van het investeringsbedrag | 18 | +| 100% | 110% van het investeringsbedrag | 25 | +| 110% | 120% van het investeringsbedrag | 33 | +| 120% | 130% van het investeringsbedrag | 40 | +| 130% | – | 47 | + +**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als overdrachtsprijs aangemerkt de met de film behaalde omzet. + +**4.** Indien met betrekking tot dezelfde film eerder een overdrachtsprijs is genoten, wordt de actuele overdrachtsprijs verhoogd met de eerdere overdrachtsprijs, en wordt de op basis daarvan berekende desinvesteringsbijtelling verminderd met de eerdere desinvesteringsbijtelling. + ### Artikel 3.48 **1.** Indien in een kalenderjaar kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen bij een *ondernemer* in aftrek komen bij het bepalen van de winst over dat jaar, en de ondernemer hiervoor bij de aangifte kiest, wordt een volgens het tweede tot en met zesde lid bepaald bedrag aanvullend ten laste gebracht van de winst over dat jaar (scholingsaftrek). @@ -1105,9 +1151,9 @@ a. kan de willekeurige afschrijving in het algemeen of voor bepaalde aangewezen 1°. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Economische Zaken; 2°. indien het arbo-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; -3°. indien het T&O-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en +3°. indien het film-investeringen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en 4°. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken of met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; -b. kunnen de in artikel 3.41, tweede lid, artikel 3.42, derde lid, artikel 3.42a, derde lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek en de in artikel 3.48, tweede tot en met vijfde lid, en tiende lid, vermelde percentages voor de scholingsaftrek worden vervangen door andere; +b. kunnen de in artikel 3.41, tweede lid, artikel 3.42, derde lid, artikel 3.42a, derde lid, artikel 3.42b, tweede lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek, de in artikel 3.47a vermelde percentages voor de desinvesteringsbijtelling film en de in artikel 3.48, tweede tot en met vijfde lid, en tiende lid, vermelde percentages voor de scholingsaftrek worden vervangen door andere; c. kunnen aan de in artikel 3.45 vermelde uitgesloten bedrijfsmiddelen voor de investeringsaftrek, bedrijfsmiddelen worden toegevoegd. **2.** Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. @@ -1116,8 +1162,6 @@ c. kunnen aan de in artikel 3.45 vermelde uitgesloten bedrijfsmiddelen voor de i **4.** Het tweede lid is niet van toepassing op een beperking van de willekeurige afschrijving die plaatsvindt bij de aanwijzing van bedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31, artikel 3.32, artikel 3.33 of artikel 3.34. -**5.** Het tweede lid is voorts niet van toepassing op een op grond van het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, vastgestelde ministeriële regeling. - ### Artikel 3.53 **1.** @@ -4296,7 +4340,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps ### Artikel 10.1 -Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, vijfde lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.47, 3.48, 3.52a, 3.68, 3.76, 3.77, 3.86, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 3.141, 3.143, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.13, 8.14, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 8.21, derde lid, 9.2 en 9.4 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, wordt bij vervanging uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. +Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, vijfde lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.42b, tweede lid, 3.47, 3.48, 3.52a, 3.68, 3.76, 3.77, 3.86, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 3.141, 3.143, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.13, 8.14, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 8.21, derde lid, 9.2 en 9.4 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, wordt bij vervanging uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. ### Artikel 10.2 @@ -4385,7 +4429,7 @@ Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.21, eerste lid, onderd **1.** De artikelen 3.34, 3.36, 3.38 en 3.52, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op nieuwe gebouwen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba. -**2.** De artikelen 3.40 tot en met 3.47, artikel 3.51, eerste lid, en artikel 3.52, eerste lid, onderdelen b en c, zijn in afwijking van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, met dien verstande dat de tabel die is opgenomen in artikel 3.41, tweede lid, afzonderlijk wordt toegepast op deze investeringen. +**2.** De artikelen 3.40 tot en met 3.42a, 3.43 tot en met 3.47, artikel 3.51, eerste lid, en artikel 3.52, eerste lid, onderdelen b en c, zijn in afwijking van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, met dien verstande dat de tabel die is opgenomen in artikel 3.41, tweede lid, afzonderlijk wordt toegepast op deze investeringen. **3.** Als projecten als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, worden mede aangemerkt projecten of categorieën van projecten, die zijn gelegen op de Nederlandse Antillen of Aruba ter zake waarvan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, schriftelijk is verklaard onder door hem te stellen voorwaarden met betrekking tot de controle ter zake van de omstandigheid, dat die projecten of categorieën van projecten in het belang dienen te zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Een schriftelijke verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor een project dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van de krachtens artikel 5.14, derde lid, gestelde bepalingen of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt. Een verklaring kan worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de controle.