2020-10-15 | BWBR0043777 | Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving
This commit is contained in:
parent
0b41b3e39d
commit
2a401445a7
1 changed files with 16 additions and 14 deletions
|
|
@ -314,23 +314,19 @@ Een FI kan ervoor kiezen om te vertrouwen op de kwalificatie van de rekeninghoud
|
|||
|
||||
#### 1.22. Gebruik van SBI-codes
|
||||
|
||||
Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)
|
||||
Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in het kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)
|
||||
|
||||
*(Sectie V.D.2.a en VI.2.a van de CRS en onderdeel IV.D.4.b van Bijlage 1 NL IGA)*
|
||||
|
||||
#### 1.23. Identificatie passieve of actieve NFE (‘presumption rule’)
|
||||
|
||||
Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouden en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.
|
||||
Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouder en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.
|
||||
|
||||
*(Sectie V.D.2.a CRS en onderdeel IV.D.3.a, 4.b en c.1 NL IGA.)*
|
||||
|
||||
#### 1.24. Kwalificatie van non-profit organisatie (NPO) als actieve NFE
|
||||
#### 1.24. Kwalificatie van non-profit organisatie (NPO)
|
||||
|
||||
Een NPO die voldoet aan alle voorwaarden van CRS Sectie VIII.D.9.h. is een Actieve NFE en niet een FI ook al wordt haar vermogen door een FI beheerd.
|
||||
|
||||
Een Professionally Managed Investment Entity die niet aan deze voorwaarden voldoet is geen actieve NFE in de zin van Sectie VIII.D.9.h. CRS.
|
||||
|
||||
*(Zie Sectie VIII.D.9.h CRS)*
|
||||
Een Non Profit Organisatie (NPO) die voldoet aan alle voorwaarden van de definitie in Sectie VIII.D.9.h van de CRS en wier vermogen wordt beheerd door een FI, is niet een actieve NFE maar een ‘professionally managed investment entity’.
|
||||
|
||||
### VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten
|
||||
|
||||
|
|
@ -402,6 +398,8 @@ De situatie kan zich voordoen dat een entiteit inwoner is van een jurisdictie di
|
|||
|
||||
*(CRS-commentaar Sectie VIII.A.2, punten 4 en 5, FAQ 17 bij Secties II-VII en artikel 1, eerste lid, onderdeel l, NL IGA en de MoU bij de NL IGA)*
|
||||
|
||||
De jurisdictie waarin de financiële rekeningen aangehouden worden mag echter toestaan dat de regels van de jurisdictie waarvan de entiteit inwoner is, worden toegepast, op voorwaarde dat die laatstbedoelde jurisdictie de CRS heeft geïmplementeerd.
|
||||
|
||||
#### 1.30. Verzekeringsmaatschappij
|
||||
|
||||
Voor de nadere invulling van het begrip ‘verzekeringsmaatschappij’ wordt verwezen naar het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29. Dit commentaar geldt, naast de Final Regulations (§1.1471-1 (b)(65) en §1.1471- 5(e)(1)(iv)), ook voor de toepassing van de FATCA.
|
||||
|
|
@ -490,9 +488,9 @@ Aan de hand van enkele voorbeelden kan beoordeeld worden of sprake is van een en
|
|||
|
||||
#### 1.38. Aandeelhouders uit één familie
|
||||
|
||||
Entiteiten anders dan een trust waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan -, met een (zeer) beperkte groep van onmiddellijke en middellijke aandeelhouders of participanten die behoren tot één familie, die zich niet presenteren als beleggingsentiteit en die geen kapitaal uit de markt hebben aangetrokken noch (zullen) aantrekken, zijn geen beleggingsentiteit in de zin van Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA, ook niet als de activa gemanaged worden door een FI. Een dergelijke entiteit – of een holdingmaatschappij daarvan – wordt aangemerkt als passieve NFE, tenzij gekozen wordt om rapporterende FI te zijn met alle daarbij komende verplichtingen.
|
||||
Entiteiten, anders dan een trust, waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan -, zijn een beleggingsentiteit in de zin van Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA.
|
||||
|
||||
*(Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA)*
|
||||
Dit geldt ook voor deze entiteiten met een (zeer) beperkte groep van onmiddellijke en middellijke aandeelhouders of participanten die behoren tot één familie, die zich niet presenteren als beleggingsentiteit en die geen kapitaal uit de markt hebben aangetrokken noch (zullen) aantrekken.
|
||||
|
||||
#### 1.39. Beleggingsinstellingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -655,13 +653,17 @@ Voor de CRS worden in het commentaar op Sectie VIII.D.2, punt 113 dezelfde twee
|
|||
|
||||
#### 1.51. Stichting administratiekantoor (STAK)
|
||||
|
||||
Voor de NL IGA is in het MoU opgenomen dat een Stichting Administratiekantoor (STAK) gevestigd in Nederland wordt behandeld als een passieve NFE. Alleen als de certificaten van de STAK regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs is sprake van een actieve NFE. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de CRS.
|
||||
Voor de NL IGA is in het MoU opgenomen dat een Stichting Administratiekantoor (STAK) gevestigd in Nederland wordt behandeld als een passieve NFE. Alleen als de certificaten van de STAK regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs is sprake van een actieve NFE.
|
||||
|
||||
FI’s dienen ingeval gebruik gemaakt wordt van een STAK en de klant claimt dat er daardoor een wijziging in UBO’s optreedt, vast te stellen dat deze wijziging zich ook in materiële zin voordoet. Zo moet worden voorkomen dat – door het plaatsen van een STAK tussen BV/NV en aandeelhouders – de uiteindelijk belanghebbende niet als begunstigde wordt aangemerkt omdat hij als houder van bijvoorbeeld 50% van de certificaten niet 25% van de zeggenschap in de stichting heeft. De basis voor deze verplichting ligt in artikel 3, eerste lid, onder c, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. In deze bepaling is geregeld welke categorieën van natuurlijke personen in elk geval moeten worden aangemerkt als UBO. In het geval van een rechtspersoon zijn dat de natuurlijke personen die op basis van het bezitspercentage als UBO kwalificeren of zeggenschap hebben over de rechtspersoon (bijvoorbeeld via het direct of indirect houden van meer dan 25% van het eigendomsbelang in de rechtspersoon). In het UBO-register zijn zowel de ‘bezits-UBO’ (certificaathouders) als ‘zeggenschaps-UBO’s’ (de bestuurders van de STAK) opgenomen. Een certificaathouder met maar 10% van de certificaten, maar wel met meer dan 25% zeggenschap in het STAK-bestuur zal dus als zodanig in het UBO-register staan.
|
||||
|
||||
Een certificaathouder van een STAK is indirect aandeelhouder van de onderliggende entiteit(en) en dus mogelijk ook UBO van deze entiteit(en). Wanneer bijvoorbeeld een STAK alle aandelen houdt van een BV is een UBO van de STAK automatisch ook UBO van de onderliggende B.V.
|
||||
|
||||
*(Sectie VIII.D.8 CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)*
|
||||
Voor CRS kan een STAK onder omstandigheden een investment entity zijn de zin van Sectie VIII.A.6.a.iii van de CRS als de stichting financiële activa administreert ten behoeve van de certificaathouders. Daarvoor is dan wel vereist dat de stichting inkomen krijgt en het stemrecht uitoefent ten behoeve van de certificaathouders.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
FI’s dienen, ingeval gebruik gemaakt wordt van een STAK en de klant claimt dat er daardoor een wijziging in UBO’s optreedt, vast te stellen dat deze wijziging zich ook in materiële zin voordoet. Zo moet worden voorkomen dat – door het plaatsen van een STAK tussen BV/NV en aandeelhouders – de uiteindelijk belanghebbende niet als begunstigde wordt aangemerkt omdat hij als houder van bijvoorbeeld 50% van de certificaten niet 25% van de zeggenschap in de stichting heeft. De basis voor deze verplichting ligt in artikel 3, eerste lid, onder c, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. In deze bepaling is geregeld welke categorieën van natuurlijke personen in elk geval moeten worden aangemerkt als UBO. In het geval van een rechtspersoon zijn dat de natuurlijke personen die op basis van het bezitspercentage als UBO kwalificeren of zeggenschap hebben over de rechtspersoon (bijvoorbeeld via het direct of indirect houden van meer dan 25% van het eigendomsbelang in de rechtspersoon). In het UBO-register zijn zowel de ‘bezits-UBO’ (certificaathouders) als ‘zeggenschaps-UBO’s’ (de bestuurders van de STAK) opgenomen. Een certificaathouder met maar 10% van de certificaten, maar wel met meer dan 25% zeggenschap in het STAK-bestuur zal dus als zodanig in het UBO-register staan. Een certificaathouder van een STAK is indirect aandeelhouder van de onderliggende entiteit(en) en dus mogelijk ook UBO van deze entiteit(en). Wanneer bijvoorbeeld een STAK alle aandelen houdt van een BV is een UBO van de STAK automatisch ook UBO van de onderliggende B.V.
|
||||
|
||||
(Sectie VIII.A.6.iii CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)
|
||||
|
||||
#### 1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue