1998-01-15 | BWBR0009092 | Lozingenbesluit bodembescherming
This commit is contained in:
parent
20ff6a26ee
commit
2aceb19f29
1 changed files with 33 additions and 29 deletions
|
|
@ -18,7 +18,10 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
### Artikel 1a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Dit besluit is mede van toepassing op een lozing in de bodem:
|
||||
|
||||
a. binnen bij een mijn behorende ondergronds gelegen werken of inrichtingen, waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is;
|
||||
b. binnen werken of inrichtingen, waarop de Mijnwet continentaal plat van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -26,7 +29,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op een lozing in de bodem:
|
||||
|
||||
a. van water onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
|
||||
a. van oppervlaktewater, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
|
||||
b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
|
||||
c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als waar het werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
|
||||
d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater betreft met het oog op:
|
||||
|
|
@ -35,42 +38,43 @@ d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater
|
|||
2. het schoonmaken van gewassen op het veld;
|
||||
3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen;
|
||||
e. via een vloeiveld, bezinkveld, biezenveld of rietveld;
|
||||
f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
|
||||
f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het toepassen van bestrijdingsmiddelen;
|
||||
g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding van ziekten en plagen;
|
||||
h. voor zover sprake is van artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie;
|
||||
i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog op het bouwrijp maken daarvan;
|
||||
j. vervallen;
|
||||
j. ten behoeve van het realiseren van een boorgat binnen een werk of inrichting als bedoeld in de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73);
|
||||
k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoffen met het oog op de gewasproduktie.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de bodem:
|
||||
|
||||
a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel 8.40 ter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden;
|
||||
b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden die krachtens artikel 7 van de wet zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib;
|
||||
c. vanuit een particulier huishouden;
|
||||
d. waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing is.
|
||||
a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel 8.40 of 8.44 van de Wet milieubeheer ter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden;
|
||||
b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden die krachtens artikel 7 van de wet zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Behoudens het bepaalde in het tweede tot en met zesde lid zijn voor de toepassing van dit besluit burgemeester en wethouders van de gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt, het bevoegd gezag.
|
||||
**1.** Behoudens het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid zijn voor de toepassing van dit besluit burgemeester en wethouders van de gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt, het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Gedeputeerde staten van de provincie waar een lozing in de bodem plaatsvindt, zijn het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft:
|
||||
|
||||
a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 2.4, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag zijn;
|
||||
b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet;
|
||||
a. binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid, van die wet, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag zijn;
|
||||
b. van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet;
|
||||
c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld en ten aanzien waarvan niet ingevolge het vierde lid Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is.
|
||||
**3.** Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid, van die wet, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag indien dit besluit bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 van de Mijnbouwwet geheel of gedeeltelijk van toepassing wordt verklaard op mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet, die krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen zijn, waarvoor op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is voor de verlening van een omgevingsvergunning, dan wel waarvoor een vergunning krachtens artikel 40 van de Mijnbouwwet is vereist.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag, indien:
|
||||
|
||||
a. het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, derde lid, van die wet, Onze Minister van Economische Zaken voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is;
|
||||
b. het een lozing in de bodem betreft als bedoeld in artikel 1a.
|
||||
|
||||
**5.** Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet deel uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is aangewezen krachtens artikel 21.5 van de Wet milieubeheer, het bevoegd gezag en worden de door dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
|
||||
|
||||
**6.** Het bestuur van het waterschap in wiens beheergebied een lozing in de bodem plaatsvindt, is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een door dat bestuur verleende vergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -96,7 +100,7 @@ d. 1 lozingseenheid per 50 m^3 water dat jaarlijks wordt gebruikt in de overige
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
|
||||
Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
|
||||
|
||||
a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is, en
|
||||
b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
|
||||
|
|
@ -105,7 +109,7 @@ b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.
|
|||
|
||||
### Artikel 5a
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 5, vierde lid, en de artikelen 6 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -169,7 +173,7 @@ Indien een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief w
|
|||
|
||||
### Artikel 11a
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 11, vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 11, vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 11, derde lid, is op het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -199,7 +203,7 @@ Indien een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem de
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod indien:
|
||||
Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod indien:
|
||||
|
||||
a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste bedraagt:
|
||||
|
||||
|
|
@ -215,7 +219,7 @@ d. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van het huisho
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in artikel 15 , en van de infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
|
||||
Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in artikel 15 , en van de infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:
|
||||
|
||||
a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid, onder a, vereist is, en
|
||||
b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de artikelen 15 tot en met 19.
|
||||
|
|
@ -224,7 +228,7 @@ b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de artikelen 15 tot en
|
|||
|
||||
### Artikel 14a
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 14, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d, dan wel in gevallen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a en b.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 14, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d, dan wel in gevallen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a en b.
|
||||
|
||||
**2.** Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, tweede lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, zijn artikel 14, derde en vijfde lid, alsmede de artikelen 15 tot en met 19 van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, vierde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, is artikel 14, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -303,7 +307,7 @@ b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b, c en d.
|
|||
|
||||
### Artikel 21a
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 21, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 21, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 21, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 21, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 15 tot en met 20 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -323,11 +327,11 @@ Ter zake van het definitief beëindigen van een lozing in de bodem als bedoeld i
|
|||
|
||||
**1.** Het is verboden een lozing van koelwater in de bodem uit te voeren.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.
|
||||
|
||||
### Artikel 24a
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -337,16 +341,16 @@ Ter zake van het definitief beëindigen van een lozing in de bodem als bedoeld i
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:
|
||||
Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:
|
||||
|
||||
a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en
|
||||
b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.
|
||||
|
||||
**3.** Indien Onze Minister van Economische Zaken op grond van artikel 3, vierde lid, dient te beslissen over een besluit inzake een ontheffing, stelt hij de directeur-generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid ter zake advies uit te brengen. De directeur-generaal Milieubeheer brengt een advies uit binnen vier weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
|
||||
**3.** Een besluit inzake een ontheffing waaromtrent ingevolge artikel 3, vierde lid, Onze Minister van Economische Zaken dient te beslissen, wordt niet genomen dan in overeenstemming met Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 25a
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 25, derde lid, en artikel 26 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -386,13 +390,13 @@ d. de vermelding van de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het
|
|||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot verlening van vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet, wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om ontheffing krachtens de artikelen 14, 24, en 25, en omtrent het voorlopige voornemen tot het geven van een beschikking krachtens artikel 66 van de wet, anders dan op verzoek van de houder van de ontheffing, alsmede omtrent een beslissing tot afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens de artikelen 14a, 24a, en 25a.
|
||||
**1.** Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot verlening van vergunning krachtens artikel 3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om ontheffing krachtens de artikelen 14, 24, en 25, en omtrent het voorlopige voornemen tot het geven van een beschikking krachtens artikel 66 van de wet, anders dan op verzoek van de houder van de ontheffing, alsmede omtrent een beslissing tot afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens de artikelen 14a, 24a, en 25a.
|
||||
|
||||
**2.** Indien burgemeester en wethouders van een gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt of zal plaatsvinden, ingevolge artikel 3 niet het bevoegd gezag zijn worden zij in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent de onderwerpen bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
In gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk 14a, 24a of 25a wordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, wordt desgevraagd met de betrokken lidstaat overleg gevoerd alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt toegestaan.
|
||||
Als betrokken bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer wordt, voor de gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk 14a, 24a of 25a wordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lid-staat van de Europese Gemeenschappen, tevens die andere lid-staat aangewezen. Met de betrokken lid-staat wordt, desgevraagd, alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt toegestaan, overleg gevoerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue