2013-01-01 | BWBR0014623 | Wet op het LSOP en het politieonderwijs
This commit is contained in:
parent
4a58f715c8
commit
2bd59ca803
1 changed files with 45 additions and 45 deletions
|
|
@ -17,12 +17,12 @@ citeertitel: Wet op het LSOP en het politieonderwijs
|
|||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum;
|
||||
b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
|
||||
c. initiële opleidingen: de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie aangewezen opleidingen voor ambtenaren van politie, gericht op de voorbereiding van de uitoefening van algemene politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;
|
||||
d. postinitiële opleidingen: de door Onze Minister, en voor zover het vervolgopleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van justitie de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, aangewezen opleidingen voor ambtenaren van politie of andere door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën van personen, gericht op de voorbereiding van de uitoefening van specialistische en leidinggevende politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;
|
||||
b. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
|
||||
c. initiële opleidingen: de door Onze Minister aangewezen opleidingen voor ambtenaren van politie, gericht op de voorbereiding van de uitoefening van algemene politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;
|
||||
d. postinitiële opleidingen: de door Onze Minister aangewezen opleidingen voor ambtenaren van politie of andere door Onze Minister aan te wijzen categorieën van personen, gericht op de voorbereiding van de uitoefening van specialistische en leidinggevende politietaken, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;
|
||||
e. college van bestuur: het college van bestuur, bedoeld in artikel 5;
|
||||
f. raad van toezicht: de raad van toezicht, bedoeld in artikel 7;
|
||||
g. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de studenten de politietaak bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke politiediensten uitoefenen in het kader van de initiële en postinitiële opleidingen;
|
||||
g. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de studenten de politietaak bij de politie uitoefenen in het kader van de initiële en postinitiële opleidingen;
|
||||
h. politieonderwijsraad: het advies- en afstemmingsorgaan, bedoeld in artikel 19;
|
||||
i. competentiegerichte eindtermen: als zodanig omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding en ervaring waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het maatschappelijk en beroepsmatig functioneren dient te beschikken, en die in voorkomende gevallen betekenis hebben voor de doorstroming naar vervolgonderwijs;
|
||||
j. deelkwalificatie: een combinatie van competentiegerichte eindtermen, vastgesteld voor een initiële of postinitiële opleiding, die in het licht van de uitoefening van de politietaak waarop de opleiding is gericht een zelfstandige betekenis heeft.
|
||||
|
|
@ -46,7 +46,7 @@ b. het ontwikkelen en het verzorgen van de initiële opleidingen;
|
|||
c. het ontwikkelen en het verzorgen van de postinitiële opleidingen;
|
||||
d. het examineren van de studenten die de initiële en postinitiële opleidingen hebben gevolgd;
|
||||
e. het overdragen van kennis aan de Nederlandse politie en het bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de politietaak waarop het onderwijs is gericht, onder meer door het verrichten van onderzoek, en
|
||||
f. het ontwikkelen of het verzorgen van andere dan de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde opleidingen van een door Onze Minister of Onze Minister van Justitie na overleg met Onze andere Minister aan te wijzen categorie van personen.
|
||||
f. het ontwikkelen of het verzorgen van andere dan de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde opleidingen van een door Onze Minister aan te wijzen categorie van personen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -56,7 +56,7 @@ a. samenhangen met de in het eerste lid bedoelde taken;
|
|||
b. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten, en
|
||||
c. tegen ten minste kostendekkende prijzen worden verricht.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels over de uit te voeren andere werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, gesteld.
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels over de uit te voeren andere werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, gesteld.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. De organen van het LSOP
|
||||
|
||||
|
|
@ -89,9 +89,9 @@ d. de wijze waarop de leden van het college van bestuur en van de raad van toezi
|
|||
|
||||
**1.** Het college van bestuur bestaat uit drie leden, onder wie de voorzitter.
|
||||
|
||||
**2.** De leden worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie. Een voordracht wordt niet gedaan dan nadat de raad van toezicht in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.
|
||||
**2.** De leden worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit. Een voordracht wordt niet gedaan dan nadat de raad van toezicht in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt ervoor zorg gedragen dat ten minste één lid ambtenaar is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, en dat onderwijskundige expertise wordt gewaarborgd.
|
||||
**3.** Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt ervoor zorg gedragen dat ten minste één lid ambtenaar is als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, en dat onderwijskundige expertise wordt gewaarborgd.
|
||||
|
||||
**4.** De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -121,7 +121,7 @@ b. besluiten inzake het aankopen, bezwaren of vervreemden van onroerende zaken.
|
|||
|
||||
**2.** De functie van lid van de raad van toezicht is niet verenigbaar met de functie van lid van het college van bestuur.
|
||||
|
||||
**3.** In de raad van toezicht worden geen ambtenaren benoemd voor wie Onze Minister of Onze Minister van Justitie het bevoegd gezag is.
|
||||
**3.** In de raad van toezicht worden geen ambtenaren benoemd voor wie Onze Minister het bevoegd gezag is.
|
||||
|
||||
**4.** De raad van toezicht stelt regels vast omtrent zijn werkwijze. Deze regels behoeven de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
|
|
@ -131,7 +131,7 @@ b. besluiten inzake het aankopen, bezwaren of vervreemden van onroerende zaken.
|
|||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** De leden van de raad van toezicht worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
|
||||
**1.** De leden van de raad van toezicht worden benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.
|
||||
|
||||
**2.** De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -151,15 +151,15 @@ c. de bij het LSOP anders dan met het oog op het ontvangen van onderwijs gedetac
|
|||
|
||||
**2.** Het personeel van het LSOP, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het college van bestuur, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister kunnen ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden aangewezen, die worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden aangewezen, die worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.
|
||||
|
||||
**4.** Ambtenaren van politie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden door de korpsbeheerder van het regionale politiekorps of van het Korps landelijke politiediensten op verzoek van het college van bestuur bij het LSOP gedetacheerd. Bijzondere ambtenaren van politie worden door Onze Minister van Justitie op verzoek van het college van bestuur bij het LSOP gedetacheerd.
|
||||
**4.** Ambtenaren van politie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden door de korpschef op verzoek van het college van bestuur bij het LSOP gedetacheerd.
|
||||
|
||||
**5.** Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, zijn de bij of krachtens artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993 gestelde regels van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen op voordracht van Onze Minister nadere regels worden gegeven, indien dit in verband met enige andere bepaling uit deze wet is vereist. De Wet veiligheidsonderzoeken is van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.
|
||||
**5.** Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, zijn de bij of krachtens artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 gestelde regels van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven, indien dit in verband met enige andere bepaling uit deze wet is vereist. De Wet veiligheidsonderzoeken is van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.
|
||||
|
||||
**6.** Artikel 50, derde lid, van de Politiewet 1993 is van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.
|
||||
**6.** Artikel 47, derde lid, van de Politiewet 2012 is van overeenkomstige toepassing op het personeel van het LSOP.
|
||||
|
||||
**7.** Artikel 50, vierde lid, van de Politiewet 1993 is van overeenkomstige toepassing op het LSOP.
|
||||
**7.** Artikel 47, vierde lid, van de Politiewet 2012 is van overeenkomstige toepassing op het LSOP.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Onderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -173,7 +173,7 @@ Het politieonderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten met aandach
|
|||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** Het LSOP biedt in samenwerking met de politiekorpsen, met de regionale opleidingencentra, bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en met de instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs aan in de vorm van initiële en postinitiële opleidingen.
|
||||
**1.** Het LSOP biedt in samenwerking met de politie, met de regionale opleidingencentra, bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en met de instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs aan in de vorm van initiële en postinitiële opleidingen.
|
||||
|
||||
**2.** De niveaus waarop de initiële opleidingen, genoemd in de onderdelen a tot en met c van het derde lid, zich richten, komen overeen met de opeenvolgende niveaus van beroepsuitoefening, als bedoeld in artikel 7.2.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs. De niveaus waarop de initiële opleidingen, genoemd in de onderdelen d en e van het derde lid, zich richten, komen overeen met de niveaus van de opleidingen die op grond van artikel 7:21 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek recht geven op het voeren van de titels bachelor respectievelijk master.
|
||||
|
||||
|
|
@ -207,19 +207,19 @@ Van de studielast kan overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, worden afgeweken.
|
|||
|
||||
**8.** Het praktische opleidingsdeel bedraagt voor de initiële opleidingen ten minste 40 % van de studielast, bedoeld in het zesde lid.
|
||||
|
||||
**9.** Het praktische opleidingsdeel wordt verzorgd op grondslag van een standaard onderwijsovereenkomst, gesloten door het college van bestuur en de korpsbeheerder van het regionale politiekorps waarbij de student is aangesteld, of door het college van bestuur en de korpsbeheerder van het Korps landelijke politiediensten. De afspraken in de onderwijsovereenkomst betreffen: de precieze omvang van de periode van het praktische opleidingsdeel, de begeleiding van de student, dat deel van de competentiegerichte eindtermen dat de student tijdens het praktische opleidingsdeel dient te realiseren, en de beoordeling van de student tijdens het praktische opleidingsdeel.
|
||||
**9.** Het praktische opleidingsdeel wordt verzorgd op grondslag van een standaard onderwijsovereenkomst, gesloten door het college van bestuur en de korpschef. De afspraken in de onderwijsovereenkomst betreffen: de precieze omvang van de periode van het praktische opleidingsdeel, de begeleiding van de student, dat deel van de competentiegerichte eindtermen dat de student tijdens het praktische opleidingsdeel dient te realiseren, en de beoordeling van de student tijdens het praktische opleidingsdeel.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, wijst de initiële en postinitiële opleidingen aan die voor bekostiging ingevolge artikel 27 in aanmerking komen, en draagt met het oog op de totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van competentiegerichte eindtermen, indien mogelijk onderverdeeld in deelkwalificaties, voor de initiële en postinitiële opleidingen.
|
||||
**1.** Onze Minister wijst de initiële en postinitiële opleidingen aan die voor bekostiging ingevolge artikel 27 in aanmerking komen, en draagt met het oog op de totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van competentiegerichte eindtermen, indien mogelijk onderverdeeld in deelkwalificaties, voor de initiële en postinitiële opleidingen.
|
||||
|
||||
**2.** Op voorstel van de politieonderwijsraad, worden daartoe, indien noodzakelijk, jaarlijks voor 1 september bij ministeriële regeling per aangewezen opleiding de beroepsprofielen, de competentiegerichte eindtermen en indien mogelijk de indeling daarvan in deelkwalificaties alsmede de examenverplichting vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Uit het voorstel dient te blijken dat de politieonderwijsraad voldoende acht heeft geslagen op de aansluiting van door het LSOP verzorgde opleidingen bij de opleidingen voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, de beroepsopleidingen, de opleidingen voor hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Indien ten aanzien van bepaalde uitvoerende functies of taken bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld met betrekking tot de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding, ervaring of persoonlijke eigenschappen waarover degenen die die functie of taak gaan vervullen, moeten beschikken, neemt Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, deze vereisten in acht bij de vaststelling van de competentiegerichte eindtermen.
|
||||
**4.** Indien ten aanzien van bepaalde uitvoerende functies of taken bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld met betrekking tot de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houding, ervaring of persoonlijke eigenschappen waarover degenen die die functie of taak gaan vervullen, moeten beschikken, neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de competentiegerichte eindtermen.
|
||||
|
||||
**5.** Op voorstel van de politieonderwijsraad stelt Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, met inachtneming van artikel 13, zesde lid, per opleiding de studieduur en de studielast vast. De studieduur of de studielast kan verschillen voor onderscheiden studenten of groepen van studenten, zo nodig in afwijking van de in artikel 13, zesde lid, genoemde studieduur of studielast.
|
||||
**5.** Op voorstel van de politieonderwijsraad stelt Onze Minister met inachtneming van artikel 13, zesde lid, per opleiding de studieduur en de studielast vast. De studieduur of de studielast kan verschillen voor onderscheiden studenten of groepen van studenten, zo nodig in afwijking van de in artikel 13, zesde lid, genoemde studieduur of studielast.
|
||||
|
||||
**6.** Het college van bestuur draagt er zorg voor dat de opleidingen zodanig zijn ingericht dat de studenten de competentiegerichte eindtermen binnen de vastgestelde studielast kunnen bereiken. Het college van bestuur draagt zorg voor de aanleg, het beheer en de bekendmaking van een centraal register politieopleidingen waarin de competentiegerichte eindtermen van de onderscheiden opleidingen zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -227,7 +227,7 @@ Van de studielast kan overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, worden afgeweken.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het college van bestuur stelt tijdig, ten behoeve van de studenten, voor elke door Onze Minister respectievelijk Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie aangewezen opleiding een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling omvat ten minste:
|
||||
Het college van bestuur stelt tijdig, ten behoeve van de studenten, voor elke door Onze Minister aangewezen opleiding een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling omvat ten minste:
|
||||
|
||||
a. de competentiegerichte eindtermen,
|
||||
b. de uitwerking van de competentiegerichte eindtermen in de inhoud en inrichting van de opleiding, met inbegrip van de inhoud en inrichting van het praktische opleidingsdeel,
|
||||
|
|
@ -265,7 +265,7 @@ Elke opleiding wordt afgesloten met een examen dat door het LSOP wordt afgenomen
|
|||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van het beroepschrift zes dagen. In afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de commissie binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken tenzij zij deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken.
|
||||
|
||||
**5.** De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de student in de gelegenheid zal worden gesteld het examen of het examenonderdeel alsnog of opnieuw af te leggen. De beslissing van de commissie wordt bekendgemaakt aan de student, de leiding van de desbetreffende instelling van het LSOP alsmede aan de korpsbeheerder in wiens regio door de student het praktische opleidingsdeel wordt gevolgd.
|
||||
**5.** De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de student in de gelegenheid zal worden gesteld het examen of het examenonderdeel alsnog of opnieuw af te leggen. De beslissing van de commissie wordt bekendgemaakt aan de student, de leiding van de desbetreffende instelling van het LSOP alsmede aan de korpschef.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. In afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht, is de commissie niet bevoegd in de plaats van het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit een nieuw besluit te nemen. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het examenonderdeel of het examen opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. Het college van bestuur of degene die het examenonderdeel of het examen heeft samengesteld of afgenomen, van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -281,7 +281,7 @@ Elke opleiding wordt afgesloten met een examen dat door het LSOP wordt afgenomen
|
|||
|
||||
**3.** De leden van de politieonderwijsraad wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
|
||||
|
||||
**4.** De leden van de politieonderwijsraad worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen.
|
||||
**4.** De leden van de politieonderwijsraad worden bij koninklijk besluit benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen.
|
||||
|
||||
**5.** De leden van de politieonderwijsraad worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -289,8 +289,8 @@ Elke opleiding wordt afgesloten met een examen dat door het LSOP wordt afgenomen
|
|||
|
||||
In de politieonderwijsraad hebben, naast de voorzitter, als lid zitting:
|
||||
|
||||
a. een korpsbeheerder,
|
||||
b. drie hoofdcommissarissen,
|
||||
a. een burgemeester,
|
||||
b. drie strategisch leidinggevenden van het politiekorps,
|
||||
c. een lid van het openbaar ministerie,
|
||||
d. twee vertegenwoordigers vanuit de politievakorganisaties,
|
||||
e. een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs,
|
||||
|
|
@ -298,19 +298,19 @@ f. een vertegenwoordiger van het hoger onderwijs,
|
|||
g. twee leden vanuit het LSOP, en
|
||||
h. een onafhankelijk lid dat deskundig is op het terrein van het beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**7.** Tevens kunnen zoveel adviserende leden of waarnemers worden benoemd als Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie dienstig oordeelt.
|
||||
**7.** Tevens kunnen zoveel adviserende leden of waarnemers worden benoemd als Onze Minister dienstig oordeelt.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** De politieonderwijsraad draagt bij aan het ontwikkelen en onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting en afstemming tussen het aanbod van politieonderwijs en de behoefte daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, en mede gelet op van belang zijnde ontwikkelingen in internationaal verband.
|
||||
|
||||
**2.** De politieonderwijsraad draagt zorg voor het ontwikkelen van voorstellen welke opleidingen voor bekostiging door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in aanmerking komen mede in het licht van een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen.
|
||||
**2.** De politieonderwijsraad draagt zorg voor het ontwikkelen van voorstellen welke opleidingen voor bekostiging door het Ministerie van Veiligheid en Justitie in aanmerking komen mede in het licht van een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen.
|
||||
|
||||
**3.** De politieonderwijsraad adviseert Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister en Onze Minister van Justitie, omtrent de eisen die moeten worden gesteld aan de plaatsen waar het praktische opleidingsdeel wordt uitgevoerd, en omtrent het aantal plaatsen in de regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten waar het praktische opleidingsdeel wordt uitgevoerd.
|
||||
**3.** De politieonderwijsraad adviseert Onze Minister omtrent de eisen die moeten worden gesteld aan de plaatsen waar het praktische opleidingsdeel wordt uitgevoerd, en omtrent het aantal plaatsen in de regionale en landelijke eenheden van de politie waar het praktische opleidingsdeel wordt uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**4.** De politieonderwijsraad heeft tot taak toe te zien op de aansluiting van het politieonderwijs op de kwalificatiestructuur van het beroepsonderwijs zoals neergelegd in de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
|
||||
|
||||
**5.** De politieonderwijsraad geeft Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister en Onze Minister van Justitie, desgevraagd of uit eigen beweging zijn zienswijze.
|
||||
**5.** De politieonderwijsraad geeft Onze Minister desgevraagd of uit eigen beweging zijn zienswijze.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
|
|
@ -330,15 +330,15 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omt
|
|||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, worden criteria vastgesteld aan de hand waarvan het college van bestuur na overleg met de politiekorpsen de studenten verdeelt over de instellingen en de vestigingen van het LSOP.
|
||||
Bij ministeriële regeling worden criteria vastgesteld aan de hand waarvan het college van bestuur na overleg met de politiekorpsen de studenten verdeelt over de instellingen en de vestigingen van het LSOP.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
In het beleidsplan, bedoeld in artikel 43a van de Politiewet 1993, worden door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie tevens de hoofdzaken van het beleid op rijksniveau met betrekking tot de werving, selectie en opleiding van ambtenaren van politie en van andere door Onze Minister of door Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën van personen aangegeven.
|
||||
In het beleidsplan, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Politiewet 2012, worden door Onze Minister tevens de hoofdzaken van het beleid op rijksniveau met betrekking tot de werving, selectie en opleiding van ambtenaren van politie en van andere door Onze Minister aan te wijzen categorieën van personen aangegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
Onze Minister en Onze Minister van Justitie voeren jaarlijks overleg met het college van bestuur over de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
|
||||
Onze Minister voert jaarlijks overleg met het college van bestuur over de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
@ -348,21 +348,21 @@ Onze Minister en Onze Minister van Justitie voeren jaarlijks overleg met het col
|
|||
|
||||
**3.** De door het college van bestuur vastgestelde stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeven de instemming van de raad van toezicht. Indien de raad van toezicht zijn instemming aan een of meer van deze stukken onthoudt, legt het college van bestuur deze stukken en een document waaruit de zienswijze van de raad van toezicht hierover blijkt, voor aan Onze Minister die alsdan een besluit neemt.
|
||||
|
||||
**4.** De stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden na de vaststelling ervan door het college van bestuur vóór 15 november aan Onze Minister en in afschrift aan Onze Minister van Justitie gezonden. De stukken worden algemeen verkrijgbaar gesteld.
|
||||
**4.** De stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden na de vaststelling ervan door het college van bestuur vóór 15 november aan Onze Minister gezonden. De stukken worden algemeen verkrijgbaar gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks ten laste van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het LSOP bijdragen ter beschikking.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks ten laste van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan het LSOP bijdragen ter beschikking.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, kan het LSOP geldmiddelen verwerven door het aanvaarden van geldmiddelen van derden in de vorm van schenkingen en legaten, door het aangaan van geldleningen, door inkomsten uit eigen beheer, en uit andere hoofde.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen regels stellen omtrent de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP aan de politiekorpsen waarbij de studenten die de initiële opleidingen of de aangewezen postinitiële opleidingen volgen, zijn aangesteld.
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP aan de politie.
|
||||
|
||||
**4.** Het LSOP gebruikt de geldmiddelen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, uitsluitend ter vervulling van de taken, voortvloeiend uit artikel 3.
|
||||
|
||||
**5.** Indien blijkt dat de geldmiddelen voor het LSOP aanmerkelijk tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, kan door Onze Minister aan het LSOP een aanvullende bijdrage beschikbaar worden gesteld.
|
||||
|
||||
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister worden regels gegeven betreffende de omvang en de bestemming van het vermogen van het LSOP. Indien het LSOP niet voldoet aan deze regels kan Onze Minister besluiten tot aanpassing van de hoogte van de bijdragen die aan het LSOP beschikbaar worden gesteld.
|
||||
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven betreffende de omvang en de bestemming van het vermogen van het LSOP. Indien het LSOP niet voldoet aan deze regels kan Onze Minister besluiten tot aanpassing van de hoogte van de bijdragen die aan het LSOP beschikbaar worden gesteld.
|
||||
|
||||
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gegeven over de wijze waarop dit artikel wordt uitgevoerd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -374,7 +374,7 @@ Onze Minister en Onze Minister van Justitie voeren jaarlijks overleg met het col
|
|||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, stelt jaarlijks, nadat de korpsbeheerders, de korpschefs en de hoofdofficieren van justitie in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, en gelet op het advies terzake van de politieonderwijsraad, de voor de taakuitvoering van het LSOP benodigde bijdragen, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, vast.
|
||||
Onze Minister stelt jaarlijks, nadat de regioburgemeesters, de korpschef en de hoofdofficieren van justitie in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, en gelet op het advies terzake van de politieonderwijsraad, de voor de taakuitvoering van het LSOP benodigde bijdragen, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
|
|
@ -382,7 +382,7 @@ Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, stelt jaarlijk
|
|||
|
||||
**2.** De jaarrekening behoeft de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** De stukken, bedoeld in het eerste lid, worden, vergezeld van een document waaruit de zienswijze van de raad van toezicht over de stukken blijkt, na de vaststelling ervan door het college van bestuur vóór 1 april aan Onze Minister en in afschrift aan Onze Minister van Justitie gezonden. De stukken worden algemeen verkrijgbaar gesteld.
|
||||
**3.** De stukken, bedoeld in het eerste lid, worden, vergezeld van een document waaruit de zienswijze van de raad van toezicht over de stukken blijkt, na de vaststelling ervan door het college van bestuur vóór 1 april aan Onze Minister gezonden. De stukken worden algemeen verkrijgbaar gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Onverminderd het eerste lid, zijn de artikelen 361 tot en met 391 en 405 tot en met 414 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het in aandelen verdeeld zijn van het kapitaal van een vennootschap.
|
||||
|
||||
|
|
@ -402,23 +402,23 @@ Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, stelt jaarlijk
|
|||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
Onze Minister heeft de bevoegdheid tot het toetsen van de wijze waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP. Onze Minister kan aan het college van bestuur aanwijzingen van algemene aard geven met het oog op de goede uitoefening van zijn taak. De werkzaamheden die in het kader van het toetsen bedoeld in de eerste volzin worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister, en voor zover het werkzaamheden betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, vastgesteld.
|
||||
Onze Minister heeft de bevoegdheid tot het toetsen van de wijze waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP. Onze Minister kan aan het college van bestuur aanwijzingen van algemene aard geven met het oog op de goede uitoefening van zijn taak. De werkzaamheden die in het kader van het toetsen bedoeld in de eerste volzin worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
**1.** Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen, met uitzondering van de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie, alsmede op de examinering, is opgedragen aan Onze Minister.
|
||||
**1.** Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen en de examinering is opgedragen aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie alsmede op de examinering, is opgedragen aan Onze Minister die het toezicht uitoefent in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
|
||||
|
||||
**3.** De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste en het tweede lid worden uitgevoerd.
|
||||
**2.** De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste lid worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
|
||||
De artikelen 53a tot en met 53c van de Politiewet 1993 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** De artikelen 65, 66 en 67 van de Politiewet 2012 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het college van bestuur zorg draagt voor de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP, alsmede over verstrekking van informatie hierover aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
Het college van bestuur verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan Onze Minister of aan Onze Minister van Justitie de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze in de eerste volzin bedoelde Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
|
||||
Het college van bestuur verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan Onze Minister de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue