diff --git a/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md b/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md index 4b16eb0197f..4e779256d33 100644 --- a/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md +++ b/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md @@ -17,7 +17,7 @@ citeertitel: Ontgrondingenwet In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; -b. planologisch medewerking verlenen: het nemen van een of meer besluiten krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening door de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het bestuur van een provincie waarin die gemeente is gelegen, waardoor een ontgronding kan plaatsvinden zonder strijd met het bepaalde bij of krachtens die wet; +b. planologisch medewerking verlenen: het nemen van een of meer besluiten krachtens de Wet ruimtelijke ordening door de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het bestuur van een provincie waarin die gemeente is gelegen, waardoor een ontgronding kan plaatsvinden zonder strijd met het bepaalde bij of krachtens die wet; c. zomerbed: 1°. oppervlakte tussen de denkbeeldige lijnen ter weerszijden van de stroomgeul bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed, die de as van de rivier volgen en de worteleinden van de kribben in de rivier met elkaar verbinden; @@ -160,23 +160,21 @@ Vervallen **1.** Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in artikel 8 zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing. -**2.** Het college van burgemeester en wethouders van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, deelt aan het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag binnen acht weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. +**2.** Het college van burgemeester en wethouders van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, deelt aan het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag binnen acht weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp hiervoor, een voorbereidingsbesluit ter zake of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. -**3.** Indien Onze Minister het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag is, delen gedeputeerde staten van de provincie op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, binnen zes weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het geldende streekplan of een ter inzage gelegd ontwerp van een streekplan, alsmede, zo zulks niet het geval is, of provinciale staten of gedeputeerde staten bereid zijn aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. +**3.** Indien Onze Minister het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag is, delen gedeputeerde staten van de provincie op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, binnen zes weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met een inpassingsplan, als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening, een ter inzage gelegd ontwerp hiervoor of de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van die wet, alsmede, zo zulks niet het geval is, of provinciale staten of gedeputeerde staten bereid zijn aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. **4.** Met betrekking tot ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, kan bij de regelingen, bedoeld in artikel 5, voor daarbij aan te wijzen gevallen worden afgeweken van het bepaalde bij de voorgaande leden. **5.** Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden genomen na afweging van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen. -**6.** Een vergunning wordt niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente heeft meegedeeld dat de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders planologische medewerking zal verlenen, dan wel gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ter zake toepassing hebben gegeven aan artikel 37, vierde of vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 37, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. - -**7.** Een vergunning wordt voorts door Onze Minister niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met het geldende streekplan, of een ter inzage gelegd ontwerp van een streekplan, tenzij gedeputeerde staten van de betrokken provincie hebben meegedeeld dat provinciale staten of gedeputeerde staten planologische medewerking zullen verlenen, dan wel Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer toepassing heeft gegeven aan artikel 6, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. +**6.** Een vergunning wordt niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd is met een ruimtelijk besluit, tenzij die strijd naar verwachting zal worden opgeheven. ### Artikel 10a -**1.** Het ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de voor de ontgronding benodigde besluiten wanneer de aanvrager daarom verzoekt. In dat geval is artikel 19ka van de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing. +**1.** Het ingevolge artikel 8 bevoegde bestuursorgaan bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de voor de ontgronding benodigde besluiten wanneer de aanvrager daarom verzoekt. -**2.** Indien een plaats die is bestemd voor de winning van vaste stoffen door middel van ontgronding is vastgesteld in een streekplan, onderscheidenlijk een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, heeft de coördinatie betrekking op alle verder voor de ontgronding benodigde besluiten. In de andere gevallen heeft de coördinatie geen betrekking op de in artikel 3 bedoelde vergunning, tenzij de aanvrager daarom verzoekt. +**2.** Indien een plaats die is bestemd voor de winning van vaste stoffen door middel van ontgronding is vastgesteld in een inpassings- of bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of in een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet, heeft de coördinatie betrekking op alle verder voor de ontgronding benodigde besluiten. In de andere gevallen heeft de coördinatie geen betrekking op de in artikel 3 bedoelde vergunning, tenzij de aanvrager daarom verzoekt. ### Artikel 10b