2016-01-01 | BWBR0003628 | Binnenvaartpolitiereglement
This commit is contained in:
parent
a1a33e7469
commit
2c398f410e
1 changed files with 121 additions and 97 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Binnenvaartpolitiereglement
|
|||
bwb_id: BWBR0003628
|
||||
type: KB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2004-11-17'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2015-10-14'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0003628
|
||||
citeertitel: Binnenvaartpolitiereglement
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -25,7 +25,7 @@ In dit reglement wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
a. een schip dat een groot schip sleept, assisteert, duwt of langszijde vastgemaakt meevoert;
|
||||
b. een passagiersschip;
|
||||
c. een veerpont die vaart op een vaarweg van de klasse II of hoger, zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des Ministres de Transport en opgenomen in het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 februari 2006, nr. RWS/SDG/2006/21059 inhoudende de Richtlijnen vaarwegen 2005 (Stcrt. 2006, 32);
|
||||
c. een veerpont die vaart op een vaarweg van klasse II of hoger, zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des Ministres de Transport en opgenomen in de Richtlijnen vaarwegen zoals periodiek vast te stellen door de Minister van Infrastructuur en Milieu;
|
||||
d. een vissersschip;
|
||||
e. een duwbak;
|
||||
5°. *snel schip*: groot motorschip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen;
|
||||
|
|
@ -76,7 +76,8 @@ b. *lange stoot*: geluidssein durende ongeveer 4 seconden; de tijdruimte tussen
|
|||
10°. *richtlijn nr. 2002/59/EG*: richtlijn nr. 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208);
|
||||
11°. *inland AIS apparaat:* een apparaat dat op een binnenschip is ingebouwd en periodiek scheeps- of reisgegevens met betrekking tot dat schip uitzendt;
|
||||
12°. *uitluisteren:* het via de marifoon luisteren naar gevoerde gesprekken, het beantwoorden van oproepen en voor zover nodig het deelnemen aan de communicatie tussen de verkeersdeelnemers en de verkeersposten, dan wel tussen de verkeersdeelnemers onderling;
|
||||
13°. *ankeren:* het stilliggen door middel van gebruik van ankers of spudpalen.
|
||||
13°. *ankeren:* het stilliggen door middel van gebruik van ankers of spudpalen;
|
||||
14°. *CEMT-klasse:* door de Conférence Européenne des Ministres de Transport vastgestelde klassering van vaarwegen opgenomen in de Richtlijnen vaarwegen zoals periodiek vast te stellen door de Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.01a
|
||||
|
||||
|
|
@ -153,7 +154,16 @@ c. schepen met een breedte van 11 m of meer, indien de containers in meer dan dr
|
|||
|
||||
### Artikel 1.08
|
||||
|
||||
(niet overgenomen).
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De bemanningsleden en de andere personen aan boord van een schip bestemd voor bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet, moeten reddingsvesten dragen overeenkomstig artikel 10.05, tweede lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, zoals opgenomen in bijlage 1.1 van de Binnenvaartregeling
|
||||
|
||||
a. bij het van of aan boord gaan, voor zover er gevaar voor in het water vallen bestaat,
|
||||
b. bij het verblijven in de bijboot,
|
||||
c. bij werkzaamheden buiten boord, dan wel
|
||||
d. bij verblijf en werkzaamheden aan dekken in het gangboord, indien verschansingen van ten minste 90 cm hoogte niet aanwezig zijn of relingen niet doorlopend zijn geplaatst.
|
||||
|
||||
**2.** Werkzaamheden buiten boord mogen uitsluitend bij stilliggende schepen worden uitgevoerd en uitsluitend indien van de overige scheepvaart geen gevaar te verwachten valt.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.09
|
||||
|
||||
|
|
@ -210,6 +220,8 @@ Indien de duwbak over een officieel scheepsnummer beschikt, moet dat begrip en h
|
|||
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde bescheiden moeten op eerste vordering van de bevoegde autoriteit aan deze worden overgelegd ter controle van het bepaalde bij of krachtens dit reglement.
|
||||
|
||||
**5.** Het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart, bedoeld in het eerste lid, onder e, dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden, is eveneens toegestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.11
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van een schip moet een bijgewerkt exemplaar van het geldige Binnenvaartpolitiereglement aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden is eveneens toegestaan.
|
||||
|
|
@ -609,7 +621,7 @@ Een klein zeilschip moet des nachts voeren:
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken voeren:
|
||||
Een schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken voeren:
|
||||
|
||||
a. ’s nachts: een blauw licht;
|
||||
b. overdag: een blauwe kegel met de punt naar beneden.
|
||||
|
|
@ -620,7 +632,7 @@ In plaats van het dagteken kan ook telkens één blauwe kegel op het voor- en é
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
|
||||
Een schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
|
||||
|
||||
a. ’s nachts: twee blauwe lichten;
|
||||
b. overdag: twee blauwe kegels met de punt naar beneden.
|
||||
|
|
@ -629,7 +641,7 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
|
||||
Een schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
|
||||
|
||||
a. ’s nachts: drie blauwe lichten;
|
||||
b. overdag: drie blauwe kegels met de punt naar beneden.
|
||||
|
|
@ -642,7 +654,7 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer
|
|||
|
||||
**6.** Een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet uitsluitend de tekens voeren voor de gevaarlijke stof die volgens de voorgaande leden het grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
|
||||
|
||||
**7.** Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, als bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig met een schip, dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, wil worden geschut, bij het naderen van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
**7.** Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, als bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig met een schip, dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, wil worden geschut, bij het naderen van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
|
||||
**8.** De sterkte van de blauwe lichten voorgeschreven in één der voorgaande leden dient tenminste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1118,7 +1130,67 @@ b. zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een radarpatent als bedo
|
|||
|
||||
### Artikel 4.07
|
||||
|
||||
Een binnenschip mag gebruik maken van een Inland AIS apparaat dat in overeenstemming is met de standaard opgenomen in Besluit 2006-I-21 van 31 mei 2006 van de Centrale Rijnvaartcommissie: Volgen en opsporen van schepen in de binnenvaart. Het Inland AIS apparaat wordt gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze standaard.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip dat vaart op een vaarweg van CEMT-klasse I of hoger, moet zijn uitgerust met een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995. Het Inland AIS-apparaat moet goed functioneren.
|
||||
|
||||
De eerste volzin is niet van toepassing op de volgende schepen:
|
||||
|
||||
a. schepen van duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van het schip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt;
|
||||
b. kleine schepen, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
1° schepen van de politie die met een radarapparaat zijn uitgerust, en
|
||||
2° schepen die van een certificaat overeenkomstig het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 of een krachtens dat reglement gelijkwaardig erkend certificaat zijn voorzien;
|
||||
c. duwbakken en drijvende werktuigen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het Inland AIS-apparaat moet permanent ingeschakeld zijn en de ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.
|
||||
|
||||
De eerste volzin geldt niet,
|
||||
|
||||
a. indien de bevoegde autoriteit een uitzondering voor wateren die bouwkundig van het vaarwater zijn gescheiden, heeft toegestaan;
|
||||
b. voor schepen van de politie, ingeval het verzenden van AIS-gegevens het uitvoeren van politieopdrachten in gevaar kan brengen;
|
||||
c. voor schepen die stilliggen langs een vaarweg van CEMT-klasse II of lager,
|
||||
|
||||
Schepen bedoeld in het eerste lid, derde volzin, onderdeel a, moeten aan boord aanwezige Inland AIS-apparatuur uitschakelen, zolang deze schepen deel van het samenstel zijn.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Er moeten minstens de volgende gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van de bijlage van Verordening (EG) nr. 415/2007 van de Commissie van 13 maart 2007 inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PbEU L 105) worden gezonden:
|
||||
|
||||
a. User Identifier (Maritime Mobile Service Identity, MMSI, Radio Call Sign);
|
||||
b. naam van het schip;
|
||||
c. scheeps- of samensteltype;
|
||||
d. Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of, voor zeeschepen voor zover geen ENI werd toegekend, het IMO-nummer;
|
||||
e. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
|
||||
f. breedte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
|
||||
g. positie (WGS 84);
|
||||
h. snelheid over de grond;
|
||||
i. koers over de grond;
|
||||
j. tijd van de elektronische positiebepaling;
|
||||
k. vaarstatus overeenkomstig bijlage 4;
|
||||
l. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 4;
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De schipper moet de volgende gegevens bij wijzigingen onmiddellijk actualiseren:
|
||||
|
||||
a. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
|
||||
b. breedte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
|
||||
c. samensteltype;
|
||||
d. vaarstatus overeenkomstig bijlage 4;
|
||||
e. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met een nauwkeurigheid van 1 m 1999overeenkomstig bijlage 4.
|
||||
|
||||
**5.** Een klein schip dat AIS gebruikt, mag uitsluitend een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A of een AIS-apparaat van klasse B gebruiken. AIS-apparatuur van klasse B moet aan de dienovereenkomstige eisen van Aanbeveling ITU-R.M 1371, aan Richtlijn 1999/5/EG (R&TTE-richtlijn) en aan de internationale norm IEC 62287-1 of 2 (inclusief DSC kanaalmanagement) voldoen. Het AIS-apparaat moet goed functioneren en de in het AIS-apparaat ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.
|
||||
|
||||
**6.** Een klein schip waaraan geen uniek Europees scheepsidentificatienummer is toegekend, hoeft de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, niet over te dragen.
|
||||
|
||||
**7.** Een varend klein schip dat AIS gebruikt, moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip-schip verkeer die goed functioneert en voor ontvangst is ingeschakeld.
|
||||
|
||||
**8.** Op de in bijlage 4 aangewezen vaarwegen mag een schip zijn uitgerust met een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A. Het AIS-apparaat van klasse A moet ingeschakeld zijn wanneer een schip niet is uitgerust met een Inland AIS-apparaat.
|
||||
|
||||
**9.** Ingeval een zeegaand schip is uitgerust met een Inland AIS-apparaat, is dit permanent ingeschakeld en zijn de leden 1, 2, 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 4A. Marifoon en radar
|
||||
|
||||
|
|
@ -1164,7 +1236,7 @@ e. vertrekkend schip: schip dat gaat varen nadat het heeft stilgelegen of was va
|
|||
f. opvarend schip: schip dat vaart in de richting van de bronnen van de rivier;
|
||||
g. afvarend schip: schip dat vaart vanaf de richting van de bronnen van de rivier.
|
||||
|
||||
**2.** In dit hoofdstuk worden onder een klein schip mede begrepen een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel, uitsluitend uit kleine schepen bestaande, alsmede een amfibievoertuig.
|
||||
**2.** In dit hoofdstuk worden onder een klein schip mede begrepen een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel, uitsluitend uit kleine schepen bestaande, alsmede een amfibievoertuig ongeacht de afmetingen van dit voertuig en de wijze waarop dit voertuig wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.01a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1608,18 +1680,24 @@ het doorvaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden toegestaan;
|
|||
d. één groen vast licht (teken E.1; bijlage 7):
|
||||
|
||||
het doorvaren is toegestaan;
|
||||
e. twee groene vaste lichten boven elkaar (teken E.1; bijlage 7):
|
||||
e. twee groene vaste lichten boven elkaar (tekens E 1, G2; bijlage 7):
|
||||
|
||||
het doorvaren is toegestaan, de brug bevindt zich in geopende stand en wordt niet bediend;
|
||||
het doorvaren is in beide richtingen toegestaan, de brug bevindt zich in geopende stand;
|
||||
f. een rood vast licht en daaronder een groen flikkerlicht (teken A.11.1; bijlage 7):
|
||||
|
||||
het doorvaren is verboden, tenzij het schip de doorvaartopening zo dicht is genaderd, dat stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
|
||||
het doorvaren is verboden, tenzij het schip de doorvaartopening zo dicht is genaderd, dat stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is;
|
||||
g. de in de onderdelen a, b of c genoemde markering samen met een geel licht boven de doorvaartopening:
|
||||
|
||||
**5.** Het doorvaren van een beweegbare brug in gesloten stand is evenwel toegestaan, indien, behalve de in het vierde lid onder *a* en *b* bedoelde lichten, boven de doorvaartopening het teken D.1*a* of het teken D.1*b* (bijlage 7) wordt getoond; ingeval van het teken D.1*a* is de doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit beide richtingen, ingeval van het teken D.1*b* is de doorvaart uit tegenovergestelde richting verboden.
|
||||
doorvaart niet toegestaan, behalve voor schepen van beperkte hoogte; doorvaart in beide richtingen toegestaan (teken D.1a; bijlage 7);
|
||||
h. de in de onderdelen a, b of c genoemde markering samen met twee gele lichten boven de doorvaartopening:
|
||||
|
||||
**6.** De in het vierde lid onder *a*, *b*, *d* en *e* bedoelde rode en groene lichten kunnen worden vervangen onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het bord van teken E.1 (bijlage 7).
|
||||
doorvaart niet toegestaan, behalve voor schepen van beperkte hoogte; doorvaart in de andere richting niet toegestaan (teken D.1b; bijlage 7).
|
||||
|
||||
**7.** Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
|
||||
**5.** De in het vierde lid onder *a*, *b*, *d* en *e* bedoelde rode en groene lichten kunnen worden vervangen onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het bord van teken E.1 (bijlage 7).
|
||||
|
||||
**6.** Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
|
||||
|
||||
**7.** Door vernummering vervallen.
|
||||
|
||||
**8.** In dit artikel wordt onder een beweegbare brug mede verstaan het beweegbare gedeelte van een brug.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1784,7 +1862,7 @@ Voor een schip dat is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op r
|
|||
|
||||
Voor een niet-vrijvarende veerpont kan de bevoegde autoriteit van de verplichting van dit lid ontheffing verlenen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een op radar varend schip blijft artikel 1.09, derde lid, omtrent het hebben naar alle zijden van een voldoende vrij direct of indirect uitzicht buiten toepassing.
|
||||
**2.** Voor een op radar varend schip blijft artikel 1.09, vierde lid, omtrent het hebben naar alle zijden van een voldoende vrij direct of indirect uitzicht buiten toepassing.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1821,8 +1899,6 @@ d. Wanneer het schip andere schepen bemerkt waarmee geen marifooncontact tot sta
|
|||
|
||||
**3.** Een niet op radar varend klein schip is niet verplicht het in het eerste lid bedoelde mistsein te geven, doch het mag dit sein geven. Het sein mag worden herhaald.
|
||||
|
||||
**4.** Een niet op radar varende veerpont moet als mistsein één lange stoot gevolgd door vier korte stoten geven. Het sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.01
|
||||
|
|
@ -1863,12 +1939,14 @@ k. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.5.1
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet ankeren:
|
||||
Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, mogen niet ankeren:
|
||||
|
||||
a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken ankeren is verboden;
|
||||
b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
|
||||
a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling ankeren is verboden;
|
||||
b. in een vak aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg, waar ankeren is verboden, mag een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting evenwel ankeren in een vak of op een plaats, aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
|
||||
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden, mogen in afwijking daarvan een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel ankeren, in een vak aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
**3.** Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren ingevolge het eerste lid is verboden, mogen in afwijking daarvan een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel spudpalen gebruiken, in een vak aangeduid door het teken E.6.1. (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.04
|
||||
|
||||
|
|
@ -1891,9 +1969,11 @@ b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.7 (
|
|||
|
||||
**3.** Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.2 (bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen tussen de beide afstanden te rekenen vanaf het teken die daarop in meters zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.3 (bijlage 7), mogen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen, indien daarmede het aantal schepen en drijvende voorwerpen langszijde van elkaar aldaar niet meer bedraagt dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.
|
||||
**4.** Op een bijzondere ligplaats aangeduid door de tekens E.5.4 tot en met E.5.15 (bijlage 7) kan de bevoegde autoriteit onderscheid maken tussen categorieën van schepen naar gelang de wijze waarop deze de lading vervoeren.
|
||||
|
||||
**5.** De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
|
||||
**5.** Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.3 (bijlage 7), mogen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen, indien daarmede het aantal schepen en drijvende voorwerpen langszijde van elkaar aldaar niet meer bedraagt dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.
|
||||
|
||||
**6.** De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.06
|
||||
|
||||
|
|
@ -1950,7 +2030,7 @@ Een aan een aanlegplaats gemeerd schip, dat aldaar niet behoeft te worden gelade
|
|||
|
||||
### Artikel 8.01
|
||||
|
||||
**1.** Een snelle motorboot moet ten name van de eigenaar zijn geregistreerd bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen instelling. Deze instelling kent aan hem een registratieteken toe en geeft een bijbehorend registratiebewijs af volgens een door de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld model.
|
||||
**1.** Een snelle motorboot moet ten name van de eigenaar zijn geregistreerd bij een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen instelling. Deze instelling kent aan hem een registratieteken toe en geeft een bijbehorend registratiebewijs af volgens een door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld model.
|
||||
|
||||
**2.** Het registratiebewijs bedoeld in het eerste lid moet tijdens het varen met een snelle motorboot aan boord aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1997,7 +2077,7 @@ c. zich zodanig gedragen, dat geen hinder of gevaar voor andere gebruikers van h
|
|||
|
||||
### Artikel 8.06
|
||||
|
||||
**1.** Een snelle motorboot mag niet sneller varen dan 20 km per uur ten opzichte van het water. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod niet van toepassing is dan wel waarop een andere maximum snelheid van toepassing is. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen snel varen overdag of ’s nachts.
|
||||
**1.** Een snelle motorboot mag niet sneller varen dan 20 km per uur ten opzichte van het water. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod niet van toepassing is dan wel waarop een andere maximum snelheid van toepassing is, daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen snel varen overdag of ’s nachts, tussen bedrijfsmatige vaart en recreatieve vaart en veerdiensten.
|
||||
|
||||
**2.** Het is verboden te waterskiën of te doen waterskiën of op soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik te maken of gebruik te doen maken. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod overdag niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2037,7 +2117,7 @@ Dit hoofdstuk is van toepassing op de in artikel 2, eerste en derde lid, van het
|
|||
|
||||
### Artikel 9.02
|
||||
|
||||
**1.** Een schip of een samenstel moet zich voor wat betreft de in bijlage 13 vermelde vaarwegen en kunstwerken houden aan de daar aangegeven grootste lengte, breedte en diepgang.
|
||||
**1.** Een schip of samenstel houdt zich op de bij ministeriële regeling vastgestelde vaarwegen en kunstwerken aan de in die regeling aangegeven grootste lengte, breedte en diepgang.
|
||||
|
||||
**2.** Een schip of samenstel voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen, wanneer deze wordt aangemerkt als bijzonder transport in de zin van artikel 1.21, eerste lid, en daaraan een vergunning is verstrekt op grond van artikel 1.21, tweede lid, waarin de lengte, breedte en diepgang van de vaarwegen en kunstwerken op de door het schip of samenstel af te leggen route in aanmerking zijn genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2073,7 +2153,7 @@ Het ligplaats nemen wordt geacht niet te zijn beëindigd, indien het schip, het
|
|||
|
||||
**1.** Op de in bijlage 15, onder a, vermelde vaarwegen mag een klein schip slechts varen indien het is voorzien van een motor die voor onmiddellijk gebruik gereed is, en waarmee een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur ten opzichte van het water kan worden gehandhaafd.
|
||||
|
||||
**2.** Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de Geldersche IJssel, de Boven-Merwede, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, moet een klein schip zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen.
|
||||
**2.** Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de Waal, de Boven-Rijn, de Geldersche IJssel, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, moet een klein schip zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen.
|
||||
|
||||
**3.** Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen is het niet toegestaan het vaarwater op te kruisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2087,7 +2167,7 @@ Het ligplaats nemen wordt geacht niet te zijn beëindigd, indien het schip, het
|
|||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 9.04, eerste lid, is het op de voor de doorgaande vaart bestemde gedeelten van de in bijlage 16 opgenomen vaarwegen verboden te varen met een zeilplank.
|
||||
|
||||
**2.** Het is verboden te varen met een door een vlieger voortbewogen plank.
|
||||
**2.** Het is verboden te varen met een door een vlieger voortbewogen plank of klein schip.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop het verbod, bedoeld in het tweede lid, overdag niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2122,11 +2202,15 @@ c. het duwstel wordt geassisteerd.
|
|||
|
||||
**5.** Op de in bijlage 17, onder d, vermelde vaarwegen mag een duwstel dat is voorzien van een certificaat van onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Binnenvaartwet of van een document als bedoeld in artikel 7, onderdelen a en c, van het Binnenvaartbesluit en waarvan de lengte meer bedraagt dan 137 m doch niet meer dan 193 m varen, indien het is voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
|
||||
|
||||
**6.** Als kopbesturing van een duwstel wordt tevens beschouwd de boegschroef van de duwboot, indien deze zich op ten hoogste 45% van de lengte van het duwstel gerekend vanaf de kop daarvan bevindt.
|
||||
**6.** Op de in bijlage 17, onder e, vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip en een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 65 m varen, indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
|
||||
|
||||
**7.** De in dit artikel bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen mogen buiten de daarvoor aangewezen ligplaatsen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.
|
||||
**7.** Op de in bijlage 17, onder f, vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip en een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m varen, indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
|
||||
|
||||
**8.** De bevoegde autoriteit kan duwstellen en gekoppelde samenstellen met grotere afmetingen dan die welke volgens dit artikel zijn toegelaten, met andere wijzen van aandrijving en vermogen en bij andere waterstanden voor het te bevaren vaarweggedeelte toelaten.
|
||||
**8.** Als kopbesturing van een duwstel wordt tevens beschouwd de boegschroef van de duwboot, indien deze zich op ten hoogste 45% van de lengte van het duwstel gerekend vanaf de kop daarvan bevindt.
|
||||
|
||||
**9.** De in dit artikel bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen mogen buiten de daarvoor aangewezen ligplaatsen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.
|
||||
|
||||
**10.** De bevoegde autoriteit kan duwstellen en gekoppelde samenstellen met grotere afmetingen dan die welke volgens dit artikel zijn toegelaten, met andere wijzen van aandrijving en vermogen en bij andere waterstanden voor het te bevaren vaarweggedeelte toelaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.07
|
||||
|
||||
|
|
@ -2238,15 +2322,7 @@ In afwijking van artikel 4.05, eerste lid, mag een zeegaand groot schip zijn uit
|
|||
|
||||
### Artikel 11.01
|
||||
|
||||
**1.** Op de Maas moet een afvarend schip vóór het invaren van de boventoeleidingskanalen van de sluizen bij Roermond, Belfeld en Sambeek alsmede bij het bevaren van het boventoeleidingskanaal van de sluizen bij Roermond zo dicht mogelijk langs de linker oever houden. Een afvarend schip moet vóór het invaren van het boventoeleidingskanaal van de sluizen bij Grave en Limmel zo dicht mogelijk langs de rechter oever houden.
|
||||
|
||||
**2.** Een opvarend schip moet aan een afvarend schip als bedoeld in het eerste lid, de nodige ruimte laten.
|
||||
|
||||
**3.** Op gedeelten van de Maas en op de boventoeleidingskanalen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, moeten een afvarend en een opvarend schip, wanneer zij elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, de tekens tonen en de geluidsseinen geven, vermeld in artikel 6.05.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 6.30, tweede lid, is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Een afvarend schip en een opvarend schip zijn een schip als bedoeld in artikel 6.01, eerste lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de langs de Westerschelde gelegen havens
|
||||
|
||||
|
|
@ -2319,6 +2395,8 @@ Behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit is het verboden met andere sche
|
|||
|
||||
## Bijlage 3. Optische tekens van schepen
|
||||
|
||||
## Bijlage 4. Gebruik van het Inland AIS-apparaat als bedoeld in
|
||||
|
||||
## Bijlage 6. Geluidsseinen
|
||||
|
||||
De tijdruimte tussen twee opéénvolgende stoten bedraagt ongeveer 1 seconde.
|
||||
|
|
@ -2365,61 +2443,7 @@ De gevaarlijke stoffen in de zin van de IMDG-codeb1IMDG-code: International Mari
|
|||
|
||||
## Bijlage 13. Toegestane afmetingen van een schip of een samenstel op de vaarwegen, bedoeld in
|
||||
|
||||
^1 Op het pand Geldersche IJssel – Eefde (voorpand) evenveel minder dan 2,80 m als de buitenwaterstand sluis Eefde lager is dan NAP + 3,20 m.
|
||||
|
||||
^2 Schepen die gebruik maken van de hefopening in de spoor- en verkeersbrug Zutphen (km 928.150) moeten rekening houden met de volgende beperkingen: a. de bodem ligt op ca. NAP + 0,50 m, d.w.z. ongeveer 0,50 cm hoger dan overigens in dat riviervak; b. de bodembreedte op NAP +0,50 m is slechts 8,00 m; c. eerst op ca NAP + 2,50 m is een breedte van 12 m aanwezig; d. bij doorvaart hiervan is een sterke waterspiegeldaling mogelijk.
|
||||
|
||||
^3 Bij waterstand = NAP of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP.
|
||||
|
||||
^4 Bij waterstand = NAP of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP. De drempeldiepte van de Meppelerdiep-brug ligt op NAP – 3,50 m. De keersluis in Zwartsluis wordt gesloten bij een waterstand hoger dan NAP + 0,50 m en bij een waterstand lager dan NAP – 0,50 m.
|
||||
|
||||
^5 Bij een waterstand van NAP – 0,50 m of hoger of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP – 0,50 m.
|
||||
|
||||
^6 Bij een waterstand op de Waddenzee gelijk aan of boven NAP of op het IJsselmeer gelijk aan of boven NAP – 0,50 m dan wel evenveel minder dan de waterstand lager is dan NAP respectievelijk NAP – 0,50 m.
|
||||
|
||||
^7 Bij een waterstand van NAP – 0,40 m of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP – 0,40 m.
|
||||
|
||||
^8 Bij een waterstand van NAP – 0,40 m op het Amsterdam-Rijnkanaal of hoger of zoveel minder dan de waterstand lager is. Bij een waterstand van NAP +1,35 m of hoger of zoveel minder als de waterstand op de Lek bij de Koninginnesluis is.
|
||||
|
||||
^9 Bij een waterstand van NAP + 0,50 m of hoger of zoveel minder dan de waterstand is bij de Doorslagsluis te Nieuwegein.
|
||||
|
||||
^10 Bij een waterstand t.o.v. NAP, of zoveel hoger of zoveel minder dan de waterstand t.o.v. NAP.
|
||||
|
||||
^11 Bij een waterstand = NAP of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP.
|
||||
|
||||
^12 Schepen langer dan 65 m moeten zijn uitgerust met een actieve kopbesturing.
|
||||
|
||||
^13 Bij een waterstand van NAP + 0,50 m of hoger of zoveel minder dan de waterstand beneden NAP + 0,50 m.
|
||||
|
||||
^14 Bij een waterstand hoger dan of gelijk aan NAP – 0,75 m of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP – 0,75 m.
|
||||
|
||||
^15 Bij een waterstand hoger dan of gelijk aan NAP – 0,55 m of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP – 0,55 m met dien verstande dat deze diepgang slechts is toegestaan voor schepen die vanaf de Westerschelde komen met als directe bestemming loswal «Kaai 85» te Schore, alsmede voor schepen die vertrekken vanaf deze loswal met als directe bestemming Westerschelde.
|
||||
|
||||
^16 Bij een waterstand = NAP of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP.
|
||||
|
||||
^17 Bij waterstand Oosterschelde-zijde NAP – 1,50 m of hoger.
|
||||
|
||||
^18 Kielspeling 10% van de waterdiepte.
|
||||
|
||||
^19 Of zoveel minder dan de waterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 16,95 m.
|
||||
|
||||
^20 Of zoveel minder dan de waterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 14,20 m.
|
||||
|
||||
^21 Of zoveel minder dan de waterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 7,70 m.
|
||||
|
||||
^22 Bij een waterstand NAP + 1 m of zoveel minder dan de buitenwaterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 1 m.
|
||||
|
||||
^23 Bij een waterstand van NAP of zoveel minder dan de buitenwaterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP.
|
||||
|
||||
^24 Schepen of duwstellen langer dan 110 m moeten zijn uitgerust met een actieve kopbesturing.
|
||||
|
||||
^25 Bij een waterstand NAP + 7,70 m of zoveel minder dan de waterstand bij sluis Heumen aan de Maaszijde lager is dan NAP + 7,70 m.
|
||||
|
||||
^26 Of zoveel minder dan de buiten- of de binnenwaterstand lager is dan NAP + 7,20 m.
|
||||
|
||||
^27 Bij een waterstand NAP + 1 m of zoveel minder dan de waterstand bij sluis St. Andries v.w.b. de Maaszijde lager is dan NAP + 1 m dan wel v.w.b. de Waalzijde lager is dan NAP + 2 m.
|
||||
|
||||
^28 Schepen of duwstellen langer dan 110 m moeten zijn uitgerust met een actieve kopbesturing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Bijlage 14. Ligplaats nemen
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue