2006-07-21 | BWBR0006338 | Bekostigingsbesluit WHW
This commit is contained in:
parent
9eb31e0efe
commit
2c39a6576f
1 changed files with 49 additions and 163 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Bekostigingsbesluit WHW
|
|||
bwb_id: BWBR0006338
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1997-01-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2006-06-30'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0006338
|
||||
citeertitel: Bekostigingsbesluit WHW
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -274,13 +274,31 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
De landelijke component onderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van deze component per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar.
|
||||
De landelijke component onderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit:
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
**1.** Uit de landelijke component toponderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, verdeelt Onze minister na advies van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek bedragen over universiteiten ten behoeve van toponderzoekscholen. Bij haar advies betrekt de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek in ieder geval de kwaliteit van het onderzoek.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in een begrotingsjaar niet de gehele component toponderzoekscholen volgens het eerste lid wordt verdeeld over de universiteiten, wordt het resterende bedrag over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van de component onderzoekscholen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wordt een bedrag verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit:
|
||||
|
||||
| a. | de openbare universiteit te Leiden: | 7,492%, |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| b. | de openbare universiteit te Utrecht: | 19,408%, |
|
||||
| c. | de openbare universiteit te Groningen: | 22,104%, |
|
||||
| d. | de openbare universiteit te Rotterdam: | 2,908%, |
|
||||
| e. | de openbare universiteit te Maastricht: | 0,000%, |
|
||||
| f. | de openbare universiteit te Amsterdam: | 12,397%, |
|
||||
| g. | de openbare universiteit te Delft: | 5,078%, |
|
||||
| h. | de openbare universiteit te Enschede: | 0,000%, |
|
||||
| i. | de openbare universiteit te Eindhoven: | 22,780%, |
|
||||
| j. | de bijzondere universiteit te Amsterdam: | 6,066%, |
|
||||
| k. | de bijzondere universiteit te Tilburg: | 0,000%, |
|
||||
| l. | de bijzondere universiteit te Nijmegen: | 1,767%. |
|
||||
|
||||
**3.** Indien in een begrotingsjaar het totaal van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan de landelijke component toponderzoekscholen, wordt het resterende bedrag over de universiteiten verdeeld volgens de in artikel 2.12 genoemde percentages.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13a
|
||||
|
||||
|
|
@ -332,6 +350,10 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Onze minister besluit op welk niveau een wetenschapsgebied als bedoeld in artikel 2.10 zal worden bekostigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Deel leraartraject
|
||||
|
||||
### Artikel 2.17
|
||||
|
|
@ -563,19 +585,15 @@ De onderwijsvraagfactor wordt berekend met de volgende formule:
|
|||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
BNF: de dempings- of ophogingsfactor ten aanzien van de onderwijsvraag;
|
||||
|
||||
A: het aantal personen aan wie blijkens het Centraal register inschrijving een getuigschrift is uitgereikt voorzover deze personen aan die hogeschool een inschrijving hebben gehad als bedoeld in het eerste lid, gedurende meer dan de helft van de NBA die op de opleiding waarvoor het getuigschrift is uitgereikt van toepassing is;
|
||||
|
||||
U: het aantal studenten op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar geen student is aan die hogeschool en aan wie in die periode blijkens het Centraal register inschrijving door die hogeschool geen getuigschrift is uitgereikt, tenzij het een student betreft die in deze periode is overleden;
|
||||
|
||||
NBA: per opleiding of groep van opleidingen de factor afgestudeerden gerelateerd aan de studielast;
|
||||
|
||||
NBU: per opleiding of groep van opleidingen de factor uitschrijvingen zonder getuigschrift gerelateerd aan de studielast;
|
||||
S: de factor studielast, waarbij S gelijk is aan het quotiënt van de studielast van de opleiding en 240.
|
||||
|
||||
Ja:
|
||||
|
||||
a. voor de onder A bedoelde personen die op de peildatum direct voorafgaande aan de uitreiking van het getuigschrift niet als student aan de betreffende hogeschool waren ingeschreven: per persoon 4,5 voor degene aan wie in de periode tussen 1 augustus 1991 en de peildatum van het studiejaar waarin het getuigschrift is uitgereikt door die hogeschool een getuigschrift is uitgereikt en 1,35 in de overige gevallen,
|
||||
a. voor de onder A bedoelde personen die op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar niet als student aan de betreffende hogeschool waren ingeschreven: per persoon 4,5 voor degene aan wie in de periode tussen 1 augustus 1991 en 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar door die hogeschool een getuigschrift is uitgereikt en 1,35 in de overige gevallen,
|
||||
b. voor de onder A bedoelde personen bij wie sprake is van herinstroom: het aantal peildata waarop zij vanaf het moment van herinstroom zonder onderbreking aan de betreffende hogeschool zijn ingeschreven geweest, per persoon vermeerderd met 4,5 voor degene aan wie in de periode tussen 1 augustus 1991 en het moment van herinstroom door die hogeschool een getuigschrift is uitgereikt en met 1,35 in de overige gevallen, en
|
||||
c. voor de overige onder A bedoelde personen het aantal peildata waarop de onder A bedoelde personen aan de betreffende hogeschool als student zijn ingeschreven geweest.
|
||||
|
||||
|
|
@ -597,8 +615,6 @@ b. 1 oktober voor de studiejaren vanaf het studiejaar 1993/1994.
|
|||
|
||||
**6.** Indien de in het tweede lid onder A en U bedoelde gegevens ten aanzien van een groep van opleidingen die door de desbetreffende hogeschool wordt aangeboden, in een tijdvak als bedoeld in het tweede en vijfde lid, beide gelijk zijn aan nul, is ten aanzien van die groep artikel 3.5 van overeenkomstige toepassing in het tweede op bedoeld tijdvak volgende kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**7.** Bij ministeriële regeling worden BNF, NBA en NBU vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3a
|
||||
|
||||
**1.** In dit artikel wordt onder opleiding verstaan: een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst, dan wel een groep van die opleidingen. Bij ministeriële regeling wordt de indeling van de groepen van opleidingen vastgesteld.
|
||||
|
|
@ -643,32 +659,14 @@ Voor de bepaling van de onderwijsvraag van een opleiding waarvan de registratie
|
|||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
**1.** Het exploitatiedeel van een hogeschool is de som van de exploitatiedelen van de door de desbetreffende hogeschool aangeboden opleidingen. Het exploitatiedeel van een hogeschool met opleidingen op het gebied van de kunst, lerarenopleidingen op het gebied van de kunst of opleidingen op het gebied van de gezondheidszorg kan worden verhoogd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
|
||||
**1.** Uit het landelijk beschikbare exploitatiedeel kan aan hogescholen met opleidingen op het gebied van de kunst, lerarenopleidingen op het gebied van de kunst of opleidingen op het gebied van de gezondheidszorg een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag worden toegekend. Het resterende landelijk beschikbare exploitatiedeel wordt evenredig met de in het tweede lid bedoelde gewogen onderwijsvraag verdeeld over de hogescholen.
|
||||
|
||||
**2.** Het exploitatiedeel van een opleiding wordt berekend door de uit de artikelen 3.3 tot en met 3.6 voor de desbetreffende opleiding voortvloeiende onderwijsvraag te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag. Daarbij worden twee niveaus onderscheiden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de som van de exploitatiedelen van de hogescholen afwijkt van het landelijk beschikbare exploitatiedeel, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, worden door Onze minister voor het desbetreffende begrotingsjaar de exploitatiedelen van de afzonderlijke hogescholen vermenigvuldigd met een factor, zodanig dat de som van de exploitatiedelen van de hogescholen en het landelijk beschikbare exploitatiedeel aan elkaar gelijk zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Onze minister doet gelijktijdig met de in artikel 2.7, tweede lid, van de wet bedoelde bekendmaking van de vastgestelde rijksbijdrage aan de hogescholen mededeling van de in het tweede lid bedoelde bedragen en de op grond van het derde lid toe te passen factor.
|
||||
**2.** De gewogen onderwijsvraag van een hogeschool is gelijk aan het totaal van de uit de artikelen 3.3 tot en met 3.6 voortvloeiende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogeschool aangeboden opleidingen, nadat deze voor bij ministeriële regeling aangewezen opleidingen is vermenigvuldigd met 1,28.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
||||
Onze minister maakt jaarlijks voor 1 juli aan de desbetreffende hogeschool bekend op welk niveau een opleiding die in dat kalenderjaar voor het eerst in het Centraal register opleidingen wordt opgenomen, zal worden bekostigd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2a
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
|
@ -734,10 +732,8 @@ d. een deel uitkeringen na ontslag.
|
|||
|
||||
Onze minister stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende kalenderjaar voor de Open Universiteit de omvang vast van:
|
||||
|
||||
a. de beschikbare basisvoorziening, waaronder is begrepen de voorziening voor de door de Open Universiteit in stand gehouden regionale studiecentra,
|
||||
b. het prestatiegebonden deel,
|
||||
c. het investeringsdeel, en
|
||||
d. het deel uitkeringen na ontslag.
|
||||
a. de beschikbare basisvoorziening, en
|
||||
b. het prestatiegebonden deel.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister stelt voor ten hoogste 4 jaren de voor de Open Universiteit beoogde ontwikkeling van de rijksbijdrage vast, waarbij de in artikel 4.3 bedoelde factoren de grondslag vormen voor de vaststelling van de beoogde ontwikkeling van het prestatiegebonden deel. Onze minister stelt de beoogde ontwikkeling van de rijksbijdrage vast voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het tijdvak waarop die beoogde ontwikkeling betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -764,7 +760,7 @@ c. de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en de organisatie en inrich
|
|||
|
||||
### Artikel 4.4
|
||||
|
||||
Indien uit het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.9 van de wet, blijkt dat een regionaal studiecentrum wordt opgeheven, wordt de rijksbijdrage verminderd met ten hoogste 2% van de basisvoorziening per opgeheven studiecentrum, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a, tenzij Onze minister van oordeel is dat tegen die vermindering zwaarwegende bezwaren bestaan.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -790,7 +786,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
In afwijking van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 wordt het landelijk beschikbare deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen voor het begrotingsjaar 2001, vastgesteld op grond van artikel 2.4, als volgt over de universiteiten verdeeld:
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -822,37 +818,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5.9
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 2.2, eerste lid onder a, wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bij de bepaling van de aantallen te bekostigen eerstejaars uitgegaan van de gegevens die de desbetreffende universiteit vergezeld van een verklaring van een accountant verstrekt aan Onze minister uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk genomen op 31 december 2001.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6, achtste lid, worden in verband met de invoering van een afzonderlijk bedrag voor numerus fixus geneeskunde als een apart onderdeel van de rijksbijdrage en in verband met de verhoging van dit afzonderlijke bedrag aan de bedragen voor numerus fixus geneeskunde in het begrotingsjaar 2002 de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Leiden | 3,2, | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Utrecht | 2,8, | |
|
||||
| c. de openbare universiteit te Groningen | 2,1, | |
|
||||
| d. de openbare universiteit te Rotterdam | 1,9, | |
|
||||
| e. de openbare universiteit te Maastricht | 2,1, | |
|
||||
| f. de openbare universiteit te Amsterdam | 1,0, | |
|
||||
| g. de bijzondere universiteit te Amsterdam | 1,7, | en |
|
||||
| h. de bijzondere universiteit te Nijmegen | 2,6. | |
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6, achtste lid, worden in verband met de verhoging van het op grond van artikel 2.3 vastgestelde bedrag voor de werkplaats tandheelkunde in het begrotingsjaar 2002 de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Groningen | 1,0, | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Amsterdam | 0,5, | |
|
||||
| c. de bijzondere universiteit te Amsterdam | 0,5, | en |
|
||||
| d. de bijzondere universiteit te Nijmegen | 0,4. | |
|
||||
|
||||
**3.** Na toepassing van artikel 2.6, achtste lid, wordt in verband met de verhoging van het op grond van artikel 2.3 vastgestelde bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde in het begrotingsjaar 2002 toegevoegd aan de openbare universiteit te Utrecht 1,9 miljoen euro.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -868,25 +838,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5.14
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In de begrotingsjaren 2002 en 2003 worden in verband met de gewijzigde verdeling van de landelijke component onderwijs en onderzoek van het deel academisch ziekenhuis op het deel academisch ziekenhuis per universiteit na toepassing van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro in mindering gebracht:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Leiden: | 0,54, |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Amsterdam: | 0,05, |
|
||||
| c. de openbare universiteit te Maastricht: | 0,36 en |
|
||||
| d. de bijzondere universiteit te Amsterdam: | 0,54. |
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De op grond van het eerste lid in mindering gebrachte bedragen worden als volgt verdeeld over de onderstaande universiteiten uitgedrukt in miljoenen euro:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Utrecht: | 0,41, |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Groningen: | 0,41, |
|
||||
| c. de openbare universiteit te Rotterdam: | 0,23 en |
|
||||
| d. de bijzondere universiteit te Nijmegen: | 0,5. |
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Afwijkingen bekostiging universiteiten 2003
|
||||
|
||||
|
|
@ -914,101 +866,33 @@ In afwijking van artikel 2.14, vijfde lid, wordt in het begrotingsjaar 2003 het
|
|||
|
||||
### Artikel 5.22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In de begrotingsjaren 2004, 2005 en 2006 worden in verband met de gewijzigde verdeling van de landelijke component onderwijs en onderzoek van het deel academisch ziekenhuis op het deel academisch ziekenhuis per universiteit na toepassing van hoofdstuk 2 de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro in mindering gebracht:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Leiden: | 0,531, |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Amsterdam: | 0,064, |
|
||||
| c. de openbare universiteit te Maastricht: | 0,362, en |
|
||||
| d. de bijzondere universiteit te Amsterdam: | 0,558. |
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De op grond van het eerste lid in mindering gebrachte bedragen uitgedrukt in miljoenen euro worden als volgt verdeeld over de onderstaande universiteiten:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Utrecht: | 0,390, |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Groningen: | 0,419, |
|
||||
| c. de openbare universiteit te Rotterdam: | 0,218, en |
|
||||
| d. de bijzondere universiteit te Nijmegen: | 0,488. |
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.23
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 2.6c, vijfde lid, wordt in het begrotingsjaar 2004 de component basisvoorziening onderwijs plus over de universiteiten verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit:
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.24
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 2.14, vijfde lid, wordt in het begrotingsjaar 2004 de component strategische overwegingen plus over de universiteiten verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit:
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.25
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2004 aan het bedrag ten behoeve van de numerus fixus geneeskunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met h genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Leiden | 2,958, |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Utrecht | 1,832, |
|
||||
| c. de openbare universiteit te Groningen | 2,437, |
|
||||
| d. de openbare universiteit te Rotterdam | 2,946, |
|
||||
| e. de openbare universiteit te Maastricht | 4,192, |
|
||||
| f. de openbare universiteit te Amsterdam | 3,377, |
|
||||
| g. de bijzondere universiteit te Amsterdam | 2,429, en |
|
||||
| h. de bijzondere universiteit te Nijmegen | 3,078. |
|
||||
|
||||
**2.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2004 aan het bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht 0,950 miljoen euro toegevoegd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2004 aan het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met d genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
| a. de openbare universiteit te Groningen | 0,242, |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| b. de openbare universiteit te Amsterdam | 0,150, |
|
||||
| c. de bijzondere universiteit te Amsterdam | 0,150, en |
|
||||
| d. de bijzondere universiteit te Nijmegen | 0,300. |
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.26
|
||||
|
||||
**1.** Voor 1 januari 2005 nemen Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een besluit waarin het voor het begrotingsjaar 2004 toegestane bouwvolume wordt vastgesteld. Artikel 2.25a, zesde lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Afwijkingen bekostiging universiteiten vanaf 2005
|
||||
|
||||
### Artikel 5.27
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag ten behoeve van de numerus fixus van de rijksbijdrage van de onder a tot en met h genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
a. de openbare universiteit te Leiden 2,687,
|
||||
b. de openbare universiteit te Utrecht 2,651,
|
||||
c. de openbare universiteit te Groningen 4,680,
|
||||
d. de openbare universiteit te Rotterdam 4,394,
|
||||
e. de openbare universiteit te Maastricht 2,880,
|
||||
f. de openbare universiteit te Amsterdam 2,595,
|
||||
g. de bijzondere universiteit te Amsterdam 2,588, en
|
||||
h. de bijzondere universiteit te Nijmegen 2,974.
|
||||
|
||||
**2.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht 1,170 miljoen euro toegevoegd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met d genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
a. de openbare universiteit te Groningen 0,253,
|
||||
b. de openbare universiteit te Amsterdam 0,176,
|
||||
c. de bijzondere universiteit te Amsterdam 0,176, en
|
||||
d. de bijzondere universiteit te Nijmegen 0,352.
|
||||
|
||||
**4.** Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag voor de numerus fixus klinische technologie van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Enschede een bedrag van 1,935 miljoen euro toegevoegd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.28
|
||||
|
||||
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden in afwijking van artikel 2.6c de getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aangemerkt als getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, indien uit het Centraal register inschrijving blijkt
|
||||
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden in afwijking van de artikelen 2.6a en 2.9 de getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aangemerkt als getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, indien uit het Centraal register inschrijving blijkt
|
||||
|
||||
a. dat een student voor een ongedeelde opleiding was ingeschreven in een van de vijf studiejaren die voorafgaan aan het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, en
|
||||
b. dat aan die student in het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, en in de vijf daaraan voorafgaande studiejaren geen getuigschrift van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs of van een kandidaatsexamen in het wetenschappelijk onderwijs is uitgereikt.
|
||||
|
|
@ -1031,13 +915,11 @@ Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden de bedragen voor de un
|
|||
|
||||
### Artikel 5.32
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 2.25a, zesde lid, nemen Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 1 januari 2005 een besluit waarin het voor het begrotingsjaar 2005 toegestane bouwvolume wordt vastgesteld. Artikel 2.25a, zesde lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.33
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 2.14, vijfde lid, wordt in het begrotingsjaar 2005 het bedrag strategische overwegingen plus over de universiteiten verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit:
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6. Afwijking bekostiging universiteiten in 2006
|
||||
|
||||
|
|
@ -1109,3 +991,7 @@ AFS: afschrijvingen;
|
|||
gecum. AFS: gecumuleerde afschrijvingsbedrag.
|
||||
|
||||
## Bijlage 2. (gedeelte 1993 t/m 1996 van de component rente en afschrijvingen)
|
||||
|
||||
## Bijlage 3. bij
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue