2008-01-04 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
This commit is contained in:
parent
ce6d2fc752
commit
2d8594e889
1 changed files with 35 additions and 85 deletions
|
|
@ -646,7 +646,7 @@ Op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 blijft iedere staat bev
|
|||
|
||||
###### 2.3.6.2. Concrete aanwijzingen van verdragsschending
|
||||
|
||||
Ten principale wordt er van uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt (zie nummers 2 en 15 van de preambule van Verordening 343/2003). Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003.
|
||||
Ten principale wordt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt (zie nummers 2 en 15 van de preambule van Verordening 343/2003). Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Hierbij niet van belang of het om een terugname- of een overnameverzoek zou gaan.
|
||||
|
||||
###### 2.3.6.3. Artikel 15
|
||||
|
||||
|
|
@ -1221,7 +1221,7 @@ Nederland dient geen vluchthaven te zijn voor personen ten aanzien van wie er er
|
|||
|
||||
###### 3.11.3.2. Gronden artikel 1F
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
|
||||
Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
|
||||
|
||||
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
|
||||
b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; of
|
||||
|
|
@ -1229,87 +1229,61 @@ c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de d
|
|||
|
||||
Misdrijven tegen de vrede worden gedefinieerd in artikel 6 (a) van het Neurenberg-Handvest van 1945. Bij de interpretatie van misdrijven tegen de vrede speelt verder de definitie van agressie, zoals die is aangenomen in resolutie 3314 XXIX van de Algemene Vergadering van de VN van 14 december 1974, een belangrijke rol. Misdrijven tegen de vrede kunnen niet begaan zijn gedurende interne gewapende conflicten.
|
||||
|
||||
Hierbij dient aangetekend te worden dat de kring van personen die misdrijven tegen de vrede kunnen begaan een zeer beperkte is en in het bijzonder betrekking heeft op machthebbers, regeringsleden en wellicht generaals.
|
||||
|
||||
Oorlogsmisdrijven worden gedefinieerd in artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Daarnaast zijn er nog andere – oudere – internationale instrumenten waarin oorlogsmisdrijven worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (b)).
|
||||
|
||||
Voorbeelden van oorlogsmisdrijven zijn de handelingen zoals onder meer weergegeven in Neurenberg-Handvest van 1945 (artikel 6 (b)), het Genocide Verdrag van 1948 (artikel 1 tot en met 4), de vier Rode Kruisverdragen van Genève van 1949, de Aanvullende Protocollen I en II bij deze Verdragen van 1977, het Cultuurgoederenverdrag van Den Haag van 1954 (artikel 18 en 19), het Bupo (artikel 6 (recht op leven), 7 (verbod van foltering) en 8 (verbod van slavernij), het Antifolterverdrag, verschillende wapenverdragen zoals het Verdrag van Parijs inzake chemische wapens van 1993, en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 1998 (artikel 8).
|
||||
|
||||
Schendingen van internationaal humanitair recht gedurende een gewapend conflict constitueren oorlogsmisdrijven, ongeacht of het gewapend conflict een internationaal of een intern karakter draagt. Voorts is van belang dat schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de verdragen van Genève van 1949, begaan gedurende een intern gewapend conflict, alsmede andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden ingeval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van internationaal recht, krachtens artikel 8, tweede lid, onder c en e, van het Statuut van Rome, oorlogsmisdrijven constitueren.
|
||||
|
||||
Misdrijven tegen de menselijkheid worden gedefinieerd in artikel 7 Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Het gaat om handelingen die zijn gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval. Deze handelingen kunnen ook in vredestijd gepleegd worden. Daarnaast zijn er nog andere – oudere – internationale instrumenten waarin misdrijven tegen de menselijkheid worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (c)).
|
||||
|
||||
Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Uitgangspunt bij het bepalen of er sprake is van een ernstig misdrijf is dat de internationale bescherming als vluchteling slechts dient te worden onthouden aan personen die deze bescherming evident onwaardig zijn op grond van de door hen gepleegde misdrijven.
|
||||
|
||||
Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt het politieke element van het misdrijf afgewogen tegen het commuun element ervan en wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit (pre-dominantietest). Het misdrijf wordt geacht een politiek misdrijf te zijn indien:
|
||||
|
||||
– er een direct verband bestaat tussen het door betrokkene gepleegde misdrijf en het door hem aangehaalde doel; én
|
||||
– het door betrokkene gepleegde misdrijf een effectief middel vormde om de door hem aangehaalde politieke doelstelling te realiseren; én
|
||||
– betrokkene niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking stond; én
|
||||
– het door betrokkene gepleegde misdrijf in een redelijke verhouding staat tot het door hem nagestreefde doel.
|
||||
|
||||
Het betreft hier dus cumulatieve voorwaarden.
|
||||
|
||||
De volgende misdrijven moeten op grond hiervan in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b), ook indien de pleger zich beroept op de politieke aard van het delict:
|
||||
De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b), ook indien de pleger zich beroept op de politieke aard van het delict:
|
||||
|
||||
– moord, doodslag of terroristische activiteiten zoals omschreven in het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977. Het betreft hier onder meer vliegtuigkaping, aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven. Volgens het Verdrag ter bestrijding van terrorisme kan er binnen haar bereik geen sprake zijn van een politiek misdrijf;
|
||||
– het deelnemen aan en/of ondersteunen van terroristische activiteiten zoals omschreven in de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en 28 september 2001 inzake terrorisme. In resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en 28 september 2001 inzake terrorisme is bepaald dat deelnemers aan en/of ondersteuners van terroristische activiteiten overeenkomstig (inter)nationaal recht moeten worden uitgesloten van de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag;
|
||||
– oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, verkrachting, foltering (inclusief het besnijden van vrouwen, zie ook C2/3), genocide, slavernij en slavenhandel;
|
||||
– misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap.
|
||||
|
||||
Bovengenoemde misdrijven worden aangemerkt als ernstige niet-politieke misdrijven, waarbij de predominantietest achterwege kan blijven.
|
||||
|
||||
Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een puur politiek karakter en waarbij uit de delictsomschrijving blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. Bij absolute politieke misdrijven kan de predominantietest achterwege blijven en kan artikel 1F (b) niet worden toegepast. Voorbeelden van absolute politieke misdrijven zijn:
|
||||
|
||||
– hoogverraad en het verstoren van verkiezingen;
|
||||
– misdrijven weergegeven in het WvSr, Tweede Boek, Titels I tot en met IV.
|
||||
|
||||
Indien absolute politieke misdrijven in de hiervoor bedoelde zin echter vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap, kan met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 1F (b) niet worden gesproken van een politiek misdrijf. In dat geval is er sprake van een absoluut niet-politiek misdrijf. Voorbeelden van dergelijke instrumenten zijn:
|
||||
|
||||
– het Genocide Verdrag;
|
||||
– het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme; en
|
||||
– de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en september 2001 inzake terrorisme.
|
||||
|
||||
De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest.
|
||||
|
||||
Artikel 1F (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten. Teneinde te kunnen bepalen of artikel 1F (c) kan worden tegengeworpen, moet worden bezien of er in de persoon gelegen factoren zijn op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij kennis heeft of had moeten hebben van de doelstellingen en/of beginselen van de VN. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met aangenomen resoluties en overeenkomsten van de VN. De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1F (c):
|
||||
|
||||
– handelingen die expliciet zijn genoemd door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN; hieronder valt onder meer internationaal terrorisme, zoals bijvoorbeeld is verklaard in resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001; en
|
||||
– misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het internationaal recht en waarvoor universele jurisdictie geldt, zoals oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en misdrijven tegen de vrede; dergelijke misdrijven zijn evident in strijd met één of meerdere doelstellingen en/of beginselen van de VN.
|
||||
|
||||
###### 3.11.3.3. Bewijslast en verantwoordelijkheid
|
||||
|
||||
De bewijslast voor het aantonen van artikel 1F is een bijzondere. De Minister moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1F valt. De veronderstelling dat artikel 1F van toepassing is hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd.
|
||||
|
||||
Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich aan een in artikel 1F bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt, dient betrokkene, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1F van toepassing zal worden verklaard, één en ander gemotiveerd te weerleggen.
|
||||
|
||||
Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1F-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan aan betrokkene artikel 1F worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de ‘personal and knowing participation test’ (artikel 25 en 27 tot en met 33 Statuut van Rome).
|
||||
|
||||
Er is sprake van *‘knowing participation’* wanneer:
|
||||
|
||||
– een overheidsfunctionaris, of een daaraan gelijk te stellen persoon, werkzaam is geweest voor een orgaan of organisatie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1F heeft gepleegd in de periode dat hij daar werkzaam was, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering;
|
||||
– een overheidsfunctionaris, of een daaraan gelijk te stellen persoon, werkzaam is geweest voor een organisatie waarvan de toenmalige Staatssecretaris, of de Minister, heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot bepaalde categorieën van deze organisatie bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering;
|
||||
– een persoon heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier om misdrijven bedoelt in artikel 1F, zonder dat hij deel uitmaakte van een orgaan of organisatie als hierboven bedoeld.
|
||||
a. de vreemdeling werkzaam is geweest voor een orgaan of organisatie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1F heeft gepleegd in de periode dat hij daar werkzaam was, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering;
|
||||
b. de vreemdeling werkzaam is geweest voor een organisatie waarvan de Minister heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot bepaalde categorieën van deze organisatie bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering;
|
||||
c. een vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier ging om misdrijven als bedoeld in artikel 1F, zonder dat hij deel uitmaakte van een orgaan of organisatie als hierboven bedoeld.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van kindsoldaten is bijzondere aandacht geboden bij de beoordeling of er sprake is van ‘knowing participation’. Uitgangspunt is dat in verhoogde mate rekening dient te worden gehouden met hun leeftijd. Kindsoldaten jonger dan vijftien jaar worden niet verantwoordelijk gehouden voor handelingen als bedoeld in artikel 1F. Voor hen geldt dat artikel 1F niet wordt toegepast. Dit uitgangspunt geldt voor alle handelingen van kindsoldaten onder vijftien jaar, ongeacht of deze handelingen zijn verricht in of buiten diensttijd. Voor kindsoldaten in de leeftijd van vijftien tot achttien jaar dienen alle feiten en omstandigheden van het individuele geval in aanmerking te worden genomen. Tot deze feiten en omstandigheden behoren onder meer:
|
||||
Ten aanzien van *kindsoldaten* is bijzondere aandacht geboden bij de beoordeling of er sprake is van ‘knowing participation’. Uitgangspunt is dat in verhoogde mate rekening dient te worden gehouden met hun leeftijd. Kindsoldaten jonger dan vijftien jaar worden niet verantwoordelijk gehouden voor handelingen als bedoeld in artikel 1F. Voor hen geldt dat artikel 1F niet wordt toegepast. Dit uitgangspunt geldt voor alle handelingen van kindsoldaten onder vijftien jaar, ongeacht of deze handelingen zijn verricht in of buiten diensttijd. Voor kindsoldaten in de leeftijd van vijftien tot achttien jaar dienen alle feiten en omstandigheden van het individuele geval in aanmerking te worden genomen. Tot deze feiten en omstandigheden behoren onder meer:
|
||||
|
||||
– de leeftijd op het moment van indiensttreding;
|
||||
– het al dan niet vrijwillige karakter van indiensttreding;
|
||||
– de consequenties bij weigering van indiensttreding. In dit verband dient het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt te worden gehanteerd. Bekeken moet worden of van de minderjarige redelijkerwijs verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te treden;
|
||||
– wilsverlammende gebeurtenissen bij indiensttreding. Hierbij moet worden gedacht aan ernstige gewelddadigheden waarmee de indiensttreding gepaard gaat, in het bijzonder wanneer het traumatische gebeurtenissen betreft;
|
||||
– de duur van het kindsoldaatschap;
|
||||
– de aanwezigheid van mogelijkheden (eerder) te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken;
|
||||
– het gedwongen gebruik van drugs en/of medicatie; en
|
||||
– bevorderingen wegens ‘goede prestaties’.
|
||||
a. de leeftijd op het moment van indiensttreding;
|
||||
b. het al dan niet vrijwillige karakter van indiensttreding;
|
||||
c. de consequenties bij weigering van indiensttreding;
|
||||
d. wilsverlammende gebeurtenissen bij indiensttreding;
|
||||
e. de duur van het kindsoldaatschap;
|
||||
f. de aanwezigheid van mogelijkheden (eerder) te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken;
|
||||
g. het gedwongen gebruik van drugs en/of medicatie; en
|
||||
h. bevorderingen wegens ‘goede prestaties’.
|
||||
|
||||
In dit verband dient het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt te worden gehanteerd. Bekeken moet worden of van de minderjarige redelijkerwijs verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te treden.
|
||||
|
||||
Hierbij moet worden gedacht aan ernstige gewelddadigheden waarmee de indiensttreding gepaard gaat, in het bijzonder wanneer het traumatische gebeurtenissen betreft.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling of artikel 1F dient te worden tegengeworpen aan kindsoldaten in de leeftijd van vijftien tot achttien jaar, wordt rekening gehouden met het feit dat artikel 1F niet wordt tegengeworpen aan kindsoldaten jonger dan vijftien jaar. Dit betekent dat voor de categorie vijftien tot achttien jaar in het individuele geval een zwaarder gewicht kan worden toegekend aan de indicatoren ‘leeftijd op het moment van indiensttreding’ en ‘het al dan niet vrijwillige karakter van indiensttreding’. Bijvoorbeeld, indien indiensttreding heeft plaatsgevonden op het moment dat de kindsoldaat jonger was dan vijftien jaar, kan het aannemen van de verantwoordelijkheid en dus tegenwerping van handelingen als bedoeld in artikel 1F minder snel voor de hand liggen.
|
||||
|
||||
Er is sprake van ‘personal participation’ wanneer:
|
||||
|
||||
– blijkt dat betrokkene een misdrijf als bedoeld in artikel 1F persoonlijk heeft gepleegd;
|
||||
– een misdrijf als bedoeld in artikel 1F in opdracht, of verantwoordelijkheid, van betrokkene is gepleegd;
|
||||
– betrokkene een misdrijf als bedoeld in artikel 1F heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen;
|
||||
– een overheidsfunctionaris, of een daaraan gelijk te stellen persoon, heeft behoord tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de toenmalige Staatssecretaris, of de Minister, heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.
|
||||
a. blijkt dat de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1F persoonlijk heeft gepleegd;
|
||||
b. een misdrijf als bedoeld in artikel 1F in opdracht, of onder verantwoordelijkheid, van de vreemdeling is gepleegd;
|
||||
c. de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1F heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf;
|
||||
d. een vreemdeling heeft behoord tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de Minister heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.
|
||||
|
||||
Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.
|
||||
|
||||
Hieronder komen verweren aan bod die betrokkene kan inbrengen en wordt weergegeven in hoeverre betrokkene daarmee (niet) gevrijwaard is van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1328,12 +1302,12 @@ Indien aan één van de volgende situaties is voldaan leidt handelen onder dwang
|
|||
– indien betrokkene reeds geruime tijd in dienst was alvorens de dwang voorzienbaar optrad; of
|
||||
– indien de mate van dwang niet opweegt tegen de ernst van het door betrokkene begane misdrijf.
|
||||
|
||||
Indien aan één van de volgende situaties is voldaan, leidt handelen uit zelfverdediging er in ieder geval niet toe dat betrokkene daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn daden:
|
||||
Indien aan één van de volgende situaties is voldaan leidt handelen uit zelfverdediging er in ieder geval niet toe dat betrokkene daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn daden:
|
||||
|
||||
– indien geen geloof gehecht kan worden aan het bestaan van de door betrokkene gestelde dwang;
|
||||
– indien voor betrokkene de mogelijkheid bestond zich te onttrekken aan het begane misdrijf;
|
||||
– indien betrokkene reeds geruime tijd in dienst was alvorens de dwang voorzienbaar optrad; of
|
||||
– indien de mate van dwang niet opweegt tegen de ernst van het door betrokkene begane misdrijf.
|
||||
– indien geen geloof gehecht kan worden aan het bestaan van de door betrokkene gestelde bedreiging;
|
||||
– indien de bedreiging waartegen betrokkene zich te weer zegt te hebben gesteld niet opweegt tegen de ernst van het door betrokkene begane misdrijf;
|
||||
– indien ook voor betrokkene duidelijk moet zijn geweest dat het door betrokkene begane misdrijf de ontstane dreiging niet had kunnen afwenden; of
|
||||
– indien betrokkene niet slechts één misdrijf heeft gepleegd, maar gedurende een langere periode meerdere misdrijven heeft gepleegd.
|
||||
|
||||
#### 3.12. Europese lijst van veilige landen van herkomst
|
||||
|
||||
|
|
@ -1931,7 +1905,7 @@ Indien de vreemdeling zich wil laten bijstaan door een advocaat, wordt deze aang
|
|||
|
||||
#### 3.4. Tewerkstelling asielzoekers
|
||||
|
||||
Op basis van het Besluit uitvoering Wav is het aan asielzoekers toegestaan om, op beperkte schaal, tijdens de asielprocedure arbeid te verrichten. Bij en krachtens dit Besluit worden regels gegeven omtrent de vraag aan wie het is toegestaan arbeid te verrichten, de hoeveelheid arbeid die mag worden verricht en hoe een TWV dient te worden aangevraagd.
|
||||
Op basis van het Besluit uitvoering Wav is het aan asielzoekers toegestaan om, op beperkte schaal, tijdens de asielprocedure arbeid te verrichten of te worden tewerkgesteld als stagiair. Bij en krachtens dit Besluit worden regels gegeven omtrent de vraag aan wie het is toegestaan arbeid te verrichten, de hoeveelheid arbeid die mag worden verricht en of, en zo ja, hoe een TWV dient te worden aangevraagd.
|
||||
|
||||
#### 3.5. Intrekken van de aanvraag
|
||||
|
||||
|
|
@ -2031,7 +2005,7 @@ b. de asielzoeker maakt deel uit van een grotere groep asielzoekers die op hetze
|
|||
c. er is sprake van ‘misbruik van de asielprocedure’, bijvoorbeeld doordat de asielzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn reis of identiteit of zich van zijn al dan niet vervalste reisdocument heeft ontdaan of zijn retourticket heeft verscheurd;
|
||||
d. ten aanzien van de asielzoeker zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten is nader onderzoek of analyse noodzakelijk, teneinde te bepalen of het asielverzoek dient te worden afgewezen;
|
||||
e. de toegang is geweigerd op grond van artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, onder d of e, SGC;
|
||||
f. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Verordening 343/2003;
|
||||
f. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Verordening 343/2003, de Overnameovereenkomst Benelux-Zwitserland of een vergelijkbare overnameovereenkomst;
|
||||
g. ten aanzien van de asielzoeker is een claim gelegd bij de aanvoerende maatschappij;
|
||||
h. er is sprake van een geval waarin vermoedelijk artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2039,12 +2013,8 @@ Hier wordt met name gedoeld op alle gevallen waarin de asielzoeker zijn identite
|
|||
|
||||
Voorts zal oplegging of voortzetting van de maatregel plaatsvinden wanneer verder onderzoek naar het asielrelaas is geïndiceerd en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Ook hierbij kan onder meer gedacht worden aan onderzoek van documenten. Tevens kan dit aan de orde zijn wanneer de asielzoeker tijdelijk niet gehoord kan worden.
|
||||
|
||||
Indien het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond, zal steeds een belangenafweging gemaakt worden omtrent de voortzetting van de maatregel. De maatregel zal in beginsel worden opgeheven, tenzij redenen, gelegen in de persoon van de asielzoeker of zijn gedragingen, dat indiceren. Met name moet daarbij worden gedacht aan de situatie dat de asielzoeker niet meewerkt aan de spoedige voortgang van het onderzoek.
|
||||
|
||||
Gedoeld wordt op die gevallen waarin tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag plaatsvindt op basis van verklaringen van de betrokken asielzoeker in combinatie met beleidsconclusies die zijn gebaseerd op algemene ambtsberichten over schenders van mensenrechten. Daarnaast wordt gedoeld op gevallen waarbij een asielzoeker tijdens de AC-procedure op Schiphol mededelingen doet van door hem begane ernstige mensenrechtenschendingen waaruit blijkt dat er sprake is van het vermoeden dat aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.
|
||||
|
||||
Bovenstaande lijst is niet uitputtend. Indien niet (langer) aan één van de bovenstaande criteria wordt voldaan kan onder bijzondere omstandigheden de maatregel toch worden opgelegd dan wel voortgezet.
|
||||
|
||||
##### 2.2.2. Procedure
|
||||
|
||||
Indien sprake is van één of meer van de criteria in C12/2.2.1 zal de plaatsingsbeslissing inhouden dat de asielzoeker in het AC blijft voor de behandeling van zijn aanvraag, dan wel in de grenslogies wordt geplaatst voor de behandeling van zijn aanvraag of in afwachting van het vrijkomen van voldoende behandelcapaciteit, dan wel in afwachting van de resultaten van een onderzoek of analyse.
|
||||
|
|
@ -2889,19 +2859,7 @@ Het is op grond van artikel 43a Vw mogelijk dat er een samenloop ontstaat van de
|
|||
|
||||
De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 44, tweede lid, Vw verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3.105 Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in beginsel verleend voor de duur van vijf jaar.
|
||||
|
||||
Aan de verblijfsvergunning zijn geen voorschriften verbonden.
|
||||
|
||||
De verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft op grond van artikel 44, eerste lid, Vw van rechtswege tot gevolg dat de verstrekking van voorzieningen bij of krachtens de Wet COA of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, wordt beëindigd. In de Rva zijn hierover nadere regels gesteld (zie C23/3.3.2).
|
||||
|
||||
Aan de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, wordt op grond van artikel 9 Vw een document verstrekt waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Het verblijfsdocument is een document als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder c, VV. Dit document wordt door de vreemdelingenpolitie aan de asielzoeker verstrekt. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
|
||||
|
||||
Het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de duur van vijf jaar geldt voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op en na de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging (1 september 2004). Voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke zijn ingediend vóór 1 september 2004 geldt op grond van artikel 3.103 Vb het oude recht, volgens hetwelk de verblijfsvergunning wordt verleend voor drie jaren. In die gevallen dient, waar vijf jaren staat, steeds drie jaren te worden gelezen.
|
||||
|
||||
Voor wat betreft de ingangsdatum geldt voor asielaanvragen die zijn ingediend vóór 1 september 2004 het volgende.
|
||||
|
||||
Tot 1 september 2004 bepaalde artikel 43, derde lid, Vw, dat in gevallen waarin een besluitmoratorium (artikel 43 Vw, zie C19) was toegepast de verblijfsvergunning werd verleend met ingang van de datum waarop de asielaanvraag was ingewilligd, met dien verstande dat de verblijfsvergunning uiterlijk inging één jaar na de datum waarop de aanvraag is ontvangen (artikel 44, derde lid, Vw). Deze bepaling wordt in de hier bedoelde zaken nog toegepast. Een eventuele samenloop met artikel 42, vierde lid, Vw (verlenging van de beslistermijn op individuele gronden) heeft hierop dus geen invloed.
|
||||
Het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de duur van vijf jaar geldt voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op en na de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging (1 september 2004). Voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd welke zijn ingediend vóór 1 september 2004 blijft het oude recht gelden, volgens hetwelk de verblijfsvergunning wordt verleend voor drie jaren. In die gevallen dient, waar vijf jaren staat, steeds drie jaren te worden gelezen.
|
||||
|
||||
#### 1.2. De vergunning op grond van
|
||||
|
||||
|
|
@ -5211,6 +5169,8 @@ De situatie van Palestijnen in Irak verslechtert in toenemende mate. Er is met g
|
|||
|
||||
Homoseksuelen ondervinden in toenemende mate problemen. De VN in Irak hebben aangegeven aanwijzingen te hebben voor toenemende bedreigingen, ontvoering en moord op homoseksuelen in Irak. Er kan van uit worden gegaan dat overheidsinstanties noch derden bescherming bieden aan homoseksuelen die slachtoffer van eerwraak of ander geweld zouden zijn geworden of dreigen te worden.
|
||||
|
||||
Homoseksuelen die aannemelijk maken dat zij op grond van hun homoseksualiteit gegronde reden hebben voor vervolging, ofwel door de overheid, ofwel door derden in de vorm van eerwraak of ander geweld, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het enkele feit van homoseksueel zijn is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
#### 4. Traumatabeleid
|
||||
|
||||
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Irak geen bijzonderheden.
|
||||
|
|
@ -5237,16 +5197,6 @@ Irak wordt niet beschouwd als veilig derde land.
|
|||
|
||||
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
|
||||
|
||||
Bijzondere aandacht dient geschonken te worden aan personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Hierbij moet in eerste instantie gedacht worden aan:
|
||||
|
||||
– leden van de Iraakse inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
|
||||
– hogergeplaatste personen in het Iraakse militaire apparaat (waaronder de gewone strijdkrachten, de Republikeinse Garde en de Fedayeen Saddam);
|
||||
– leden van de Koerdische veiligheidsdiensten (de Rekkhistini Taybeti van de Kurdistan Democratic Party en de Dezgay Zanyari van de Patriotic Union of Kurdistan);
|
||||
– leden van het Koerdische militaire apparaat (de Asayish);
|
||||
– leden van de ‘National Defense Batallions’ (Jahafel Al-Difa’ Al-Watani), Koerdische milities die destijds gelieerd waren aan Saddam Hussein en die ook wel Lichte Brigade, Fursan of Jash werden genoemd.
|
||||
|
||||
Tevens dient aandacht te worden besteed aan personen die hebben gewerkt in of voor de militaire industrie ten tijde van het voormalige regime en daarbij (in)direct betrokken zijn geweest bij mensenrechtenschendingen (in het bijzonder indien zij in verband kunnen worden gebracht met de productie of het gebruik van nucleaire, biologische of chemische wapens). Daarnaast kan ook gedacht worden aan militairen (peshmerga’s), voormalige Baath-functionarissen en hogere Baath-leden, leden van verboden Iraanse bewegingen (Mujaheddin-e Khalq, de Komala en de Koerdische Democratische Partij van Iran) en personen die in het kader van de sjiitische opstand van 1991 mensenrechtenschendingen hebben gepleegd. Ook in het geval van lijfwachten en politiefunctionarissen waarbij in het dossier aanknopingspunten te vinden zijn (verantwoordelijkheid) voor misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag dient extra aandacht te worden besteed aan 1F-aspecten.
|
||||
|
||||
##### 6.5. Onderscheid Noord-Irak en Centraal-Irak
|
||||
|
||||
Voor de bepaling welke gebieden behoren tot Centraal-Irak wordt aangesloten bij het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa. Centraal-Irak is het deel dat niet valt onder de omschrijving van Noord-Irak.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue