2002-01-01 | BWBR0009674 | Uitvoeringsbesluit WIK
This commit is contained in:
parent
e769d60807
commit
3023658935
1 changed files with 220 additions and 0 deletions
220
amvb/uitvoeringsbesluit-wik/BWBR0009674/README.md
Normal file
220
amvb/uitvoeringsbesluit-wik/BWBR0009674/README.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,220 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Uitvoeringsbesluit WIK
|
||||
bwb_id: BWBR0009674
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2000-10-11'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0009674
|
||||
citeertitel: Uitvoeringsbesluit WIK
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Uitvoeringsbesluit WIK
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Definities
|
||||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. WIK: Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
|
||||
b. uitkering: de uitkering op grond van de WIK;
|
||||
c. inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van de WIK;
|
||||
d. fraudebedrag: het brutobedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Inkomenseisen en beroepskosten
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bruto-inkomen of de bruto-omzet, bedoeld in de artikelen 4, onderdeel b, en 6, eerste lid, onderdeel b, van de WIK, bedraagt € 1 089, dat door de kunstenaar:
|
||||
|
||||
a. die uitkering aanvraagt, moet zijn verworven in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt aangevraagd;
|
||||
b. aan wie uitkering is verleend, telkens moet zijn verworven in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt ontvangen.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt naar evenredigheid verlaagd indien de kunstenaar gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, doch ten minste gedurende een aaneengesloten periode van 28 dagen, wegens ziekte of deelname aan beroepskwalificerende scholingsactiviteiten geen werkzaamheden als kunstenaar heeft verricht.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het vaststellen van de periode van ziekte, bedoeld in het tweede lid, worden perioden van ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt voor de kunstenaar, bedoeld in de artikelen 4, onderdeel c, en 47 van de WIK, het bedrag, bedoeld in het eerste lid, in het eerste kalenderjaar waarin uitkering is verleend op nihil gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De als beroepskosten in aanmerking te nemen normbedragen, bedoeld in artikel 10a van de WIK, worden gesteld op:
|
||||
|
||||
a. € 4 538 per jaar voor een scheppend kunstenaar;
|
||||
b. € 2 269 per jaar voor een andere dan een scheppend kunstenaar.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid genoemde berdragen worden naar evenredigheid verlaagd indien de kunstenaar slechts gedurende een gedeelte van een kalenderjaar recht op uitkering heeft.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Maatregelen
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WIK de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd artikel 16, tweede en derde lid, van de WIK.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
De gedragingen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de WIK, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
|
||||
|
||||
1. eerste categorie:
|
||||
|
||||
a. het zich niet als kunstenaar doen inschrijven bij de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;
|
||||
b. het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde termijn aan de inlichtingenverplichting voldoen;
|
||||
2. tweede categorie:
|
||||
|
||||
a. het niet voldoen aan een verplichting die door burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de WIK aan de uitkering verbonden is;
|
||||
b. het zich niet naar vermogen inspannen om met werkzaamheden als kunstenaar zelfstandig in het bestaan te voorzien.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De weigering, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WIK, wordt vastgesteld op:
|
||||
|
||||
a. vijf procent van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
|
||||
b. tien procent van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie.
|
||||
|
||||
**2.** De periode van weigering van de uitkering, genoemd in het eerste lid, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4a. Vaststelling vermogenswaarde bezittingen, met zowel een zakelijk als een privé karakter, noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 10a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de kunstenaar beschikt over een in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf die tevens voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, van de WIK, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 20% van de waarde in het economisch verkeer van de woning of het bijbehorend erf verminderd met de daarop drukkende schulden. Op de vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf is artikel 10b van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de kunstenaar beschikt over bezittingen anders dan de in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf, die tevens voor de uitoefening van het beroep worden gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid van de WIK, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 50% van de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen verminderd met de daarop drukkende schulden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4b. Krediethypotheekregeling WIK
|
||||
|
||||
### Artikel 10b
|
||||
|
||||
De vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WIK, vindt plaats door een taxateur die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de kunstenaar wordt aangewezen of door een gemeentelijk taxateur.
|
||||
|
||||
### Artikel 10c
|
||||
|
||||
**1.** Aan de geldlening onder verband van hypotheek, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de WIK, worden in elk geval de voorwaarden, genoemd in de artikelen 10d en 10e, verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
|
||||
|
||||
### Artikel 10d
|
||||
|
||||
**1.** De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vangt aan na de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de WIK, of zoveel eerder als de termijn van vier jaar, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WIK is verstreken.
|
||||
|
||||
**2.** De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
|
||||
|
||||
**3.** Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Bij een inkomen van de kunstenaar en zijn gezin als bedoeld in artikel 47 van de Algemene bijstandswet dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
|
||||
|
||||
**6.** Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de kunstenaar en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen van de kunstenaar.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de kunstenaar en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 10e
|
||||
|
||||
**1.** Indien door toepassing van artikel 10d, derde tot en met vijfde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
|
||||
|
||||
**2.** De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de kunstenaar naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de kunstenaar naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
|
||||
|
||||
**5.** Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 10f
|
||||
|
||||
**1.** Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 10e, vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.
|
||||
|
||||
**2.** Bij verkoop van de woning kunnen burgemeester en wethouders wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aarde van de kunstenaar dan wel wegens werkaanvaarding elders als kunstenaar, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
|
||||
|
||||
**3.** Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voorzover de opbrengst daartoe toereikend is, aan de kunstenaar in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 2a, eerste lid, onder b, van de WIK, bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
|
||||
|
||||
### Artikel 10g
|
||||
|
||||
Aan de kunstenaar wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 10h
|
||||
|
||||
Het bedrag, bedoeld in artikel 8, vierde lid, is gelijk aan twaalf maal het bedrag voor gehuwden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de WIK.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Gebiedsindeling
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Recht op uitkering op grond van de WIK bestaat, indien de belanghebbende woonplaats heeft in:
|
||||
|
||||
1. de gemeenten Bellingwedde, Menterwolde, Pekela, Reiderland, Scheemda, Stadskanaal, Veendam, Vlagtwedde, Winschoten: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam;
|
||||
2. de gemeenten Appingedam, Bedum, Delfzijl, De Marne, Eemsmond, Loppersum, Ten Boer, Winsum: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl;
|
||||
3. de gemeenten Groningen, Grootegast, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Marum, Slochteren, Zuidhorn: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen;
|
||||
4. de gemeenten Ameland, Boarnsterhim, Dantumadeel, Dongeradeel, Ferwerderadeel, Franekeradeel, Harlingen, Het Bildt, Kollumerland c.a., Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden;
|
||||
5. de gemeenten Bolsward, Gaasterlan-Sleat, Lemsterland, Littenseradiel, Nijefurd, Skarsterlan, Sneek, Wunseradiel, Wymbritseradiel: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek;
|
||||
6. de gemeenten Achtkarspelen, Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland, Tytsjerksteradiel, Weststellingwerf: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland;
|
||||
7. de gemeenten Aa en Hunze, Assen, Middenveld, Noordenveld, Zuidlaren: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Assen;
|
||||
8. de gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen;
|
||||
9. de gemeenten De Wolden, Hoogeveen, Meppel, Westerveld: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;
|
||||
10. de gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Hattem, Heerde, Kampen, Olst, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijk, Zwartwaterland, Zwolle: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle;
|
||||
11. de gemeenten Apeldoorn, Bathmen, Brummen, Deventer, Diepenveen, Epe, Gorssel, Lochem, Voorst, Vorden, Warnsveld, Zutphen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn;
|
||||
12. de gemeenten Almelo, Borne, Denekamp, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo (O), Hof van Twente, Losser, Neede, Oldenzaal, Rijssen, Tubbergen, Vriezenveen, Wierden: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;
|
||||
13. de gemeenten Aalten, Bergh, Borculo, Dinxperlo, Doetinchem, Eibergen, Gendringen, Groenlo, Hengelo (Gld), Hummelo en Keppel, Lichtenvoorde, Ruurlo, Steenderen, Wehl, Winterswijk, Wisch, Zelhem: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem;
|
||||
14. de gemeenten Angerlo, Arnhem, Bemmel, Beuningen, Didam, Doesburg, Duiven, Groesbeek, Heumen, Millingen aan de Rijn, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Ubbergen, Westervoort, Wijchen, Zevenaar: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem;
|
||||
15. de gemeenten Buren, Culemborg, Dodewaard, Druten, Echteld, Geldermalsen, Kesteren, Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, West Maas en Waal, Tiel, Zaltbommel: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel;
|
||||
16. de gemeenten Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Ede, Eemnes, Leusden, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Soest, Veenendaal, Wageningen, Woudenberg: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort;
|
||||
17. de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek, Putten: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk;
|
||||
18. de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk, Zeewolde: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Almere;
|
||||
19. de gemeenten Abcoude, Amerongen, Breukelen, Bunnik, De Bilt, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Houten, Leersum, Loenen, Lopik, Maarn, Maarssen, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, De Ronde Venen, Utrecht, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, IJsselstein, Zeist: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;
|
||||
20. de gemeenten Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Loosdrecht, Muiden, Naarden, Nederhorst den Berg, 's-Graveland, Weesp: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum;
|
||||
21. de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad, Zeevang: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;
|
||||
22. de gemeenten Andijk, Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Noorder-Koggenland, Obdam, Opmeer, Stede Broec, Venhuizen, Wervershoof, Wester-Koggenland, Wognum: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn;
|
||||
23. de gemeenten Anna Paulowna, Den Helder, Harenkarspel, Niedorp, Schagen, Texel, Wieringen, Wieringermeer, Zijpe: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder;
|
||||
24. de gemeenten Akersloot, Alkmaar, Bergen, Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk, Limmen, Schermer: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar;
|
||||
25. de gemeenten Bennebroek, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede c.a., Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Velsen, Zandvoort: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem;
|
||||
26. de gemeenten Alkemade, Hillegom, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnsburg, Sassenheim, Valkenburg, Voorhout, Voorschoten, Warmond, Zoeterwoude: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden;
|
||||
27. de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bergambacht, Bodegraven, Boskoop, Gouda, ISD De Rijnstreek, Zevenhuizen-Moerkapelle, Moordrecht, Nederlek, Nieuwerkerk aan den IJssel, Ouderkerk, Reeuwijk, Rijnwoude, Schoonhoven, Vlist, Waddinxveen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda;
|
||||
28. de gemeenten Delft, De Lier, 's-Gravenhage, 's-Gravenzande, Leidschendam, Maasland, Monster, Naaldwijk, Nootdorp, Pijnacker, Rijswijk, Schipluiden, Voorburg, Wassenaar, Wateringen, Zoetermeer: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage;
|
||||
29. de gemeenten Albranswaard, Barendrecht, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bernisse, Bleiswijk, Brielle, Capelle aan den Ijssel, Dirksland, Goedereede, Hellevoetsluis, Krimpen a/d IJssel, Maassluis, Middelharnis, Oostflakke, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen, Westvoorne: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;
|
||||
30. de gemeenten Alblasserdam, Binnenmaas, Cromstrijen, Dordrecht, 's-Gravendeel, Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Heerjansdam, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk, Leerdam, Liesveld, Nieuw-Lekkerland, Oud-Beijerland, Papendrecht, Sliedrecht, Strijen, Zederik, Zwijndrecht: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht;
|
||||
31. de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Goes;
|
||||
32. de gemeenten Middelburg, Veere, Vlissingen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg;
|
||||
33. de gemeenten Axel, Hontenisse, Hulst, Oostburg, Sas van Gent, Sluis-Aardenburg, Terneuzen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen;
|
||||
34. de gemeenten Aalburg, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Alphen-Chaam, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Made, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zevenbergen, Zundert: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Breda;
|
||||
35. de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg;
|
||||
36. de gemeenten Asten, Bergeyk, Best, Bladel, Cranendonk, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Mierlo, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven;
|
||||
37. de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, 's-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Ravenstein, Schijndel, Sint-Oedenrode, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Uden, Veghel, Vught: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch;
|
||||
38. de gemeenten Ambt Montfort, Arcen en Velden, Beesel, Bergen, Echt, Gennep, Haelen, Heel, Helden, Heythuizen, Horst aan de Maas, Hunsel, Kessel, Maasbracht, Maasbree, Meerlo-Wanssum, Meijel, Nederweert, Roerdalen, Roermond, Roggel en Neer, Sevenum, Swalmen, Thorn, Venlo, Venray, Weert: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;
|
||||
39. de gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Margraten, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Susteren, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WIK.
|
||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue