2022-01-01 | BWBR0014394 | Mijnbouwbesluit
This commit is contained in:
parent
9ded52e4ff
commit
30ad2c1e87
1 changed files with 357 additions and 91 deletions
|
|
@ -26,8 +26,8 @@ e. veiligheid: veiligheid van personen en bescherming van zaken, voor zover hier
|
|||
f. inspecteur-generaal der mijnen: inspecteur-generaal der mijnen als bedoeld in artikel 126, tweede lid, van de wet;
|
||||
g. veiligheids- en milieukritische elementen: onderdelen van een installatie, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of substantieel zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van een zwaar ongeval;
|
||||
g. brijn: water met een verhoogde mineralenconcentratie dat overblijft na de onttrekking van water aan gewonnen brak grondwater;
|
||||
h. Kustwacht Nederland: een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie opgerichte organisatie die door deze ministers als Kustwacht Nederland is aangeduid;
|
||||
i. Kustwachtcentrum: het voor de uitvoering van kustwachttaken opgerichte informatiecentrum van de Kustwacht Nederland;
|
||||
h. Kustwacht: een door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Defensie opgerichte organisatie die door deze ministers als Kustwacht is aangeduid;
|
||||
i. Kustwachtcentrum: het voor de uitvoering van kustwachttaken opgerichte coördinatiecentrum en maritiem informatieknooppunt ten behoeve van het doel van de Kustwacht;
|
||||
j. stimuleren: het bewerken van een voorkomen om de productiviteit of injectiviteit te verbeteren.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
|
@ -42,7 +42,7 @@ c. werken voor het opslaan van stoffen en het terughalen van opgeslagen stoffen
|
|||
|
||||
1°. water ten behoeve van het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste van 500 meter;
|
||||
2°. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
|
||||
3°. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter;
|
||||
3°. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter;
|
||||
d. werken voor het bewerken van gewonnen delfstoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
e. werken voor het bewerken van stoffen voorafgaande aan de opslag ervan dan wel voor het bewerken van opgeslagen en teruggehaalde stoffen voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
f. werken voor het meten en registreren van in de onderdelen d en e genoemde stoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
|
|
@ -63,7 +63,7 @@ h. werken voor het verblijf van bij mijnbouwactiviteiten betrokken personen die
|
|||
|
||||
**1.** De uitvoerder stelt een werkplan vast waarin alle in een vergunningsgebied uit te voeren mijnbouwactiviteiten staan vermeld.
|
||||
|
||||
**2.** Het werkplan is een jaarlijks voortschrijdend vijfjarenplan. De uitvoerder dient het plan in bij de inspecteur-generaal der mijnen binnen vier weken na verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de wet en vervolgens jaarlijks voor 1 november van het jaar, voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het plan betrekking heeft.
|
||||
**2.** Het werkplan is een jaarlijks voortschrijdend vijfjarenplan. De uitvoerder dient het plan in bij de inspecteur-generaal der mijnen binnen vier weken na verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de wet en vervolgens jaarlijks voor 1 november van het jaar, voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het plan betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Ingrijpende afwijkingen van de in het eerste kalenderjaar opgenomen mijnbouwactiviteiten waarop het desbetreffende werkplan betrekking heeft, worden tenminste vier weken voor de verrichting van de desbetreffende activiteit ter kennis gebracht van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -88,9 +88,9 @@ b. vervoer met een helikopter, met dien verstande dat ten hoogste aanspraak word
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing of vergunning bij of krachtens de wet geschiedt en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd.
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop een melding of een aanvraag om een vergunning, ontheffing of instemming bij of krachtens de wet geschiedt en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd.
|
||||
|
||||
**2.** Indien na het verlenen van een ontheffing of vergunning wijzigingen optreden in de gegevens en bescheiden die op grond van de in het eerste lid bedoelde regeling zijn overgelegd, stelt de houder van de ontheffing of vergunning degene aan wie de gegevens en bescheiden moesten worden overgelegd, in kennis van de wijzigingen.
|
||||
**2.** Als na een melding of het verlenen van een vergunning, ontheffing, of instemming wijzigingen optreden in de gegevens en bescheiden die zijn overgelegd, stelt degene die de melding heeft gedaan, respectievelijk de houder van de vergunning, ontheffing, of instemming, degene aan wie de gegevens of bescheiden zijn overgelegd, in kennis van de wijzigingen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -324,7 +324,7 @@ g. een risico-analyse omtrent bodembeweging als gevolg van de opslag.
|
|||
|
||||
**2.** Artikel 24, eerste lid, onderdelen d tot en met g, en onderdelen l, q, r en s, alsmede artikel 24, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel g, en de onderdelen q, r en s niet van toepassing zijn op voorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn die in de bijlage bij de wet is vastgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing indien § 3.5 van dit besluit van toepassing is.
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing indien § 3.5 van dit besluit van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
|
|
@ -349,7 +349,7 @@ c. stoffen die met de activiteiten, genoemd in onderdeel b, onder 1°, 2° en 3
|
|||
d. hemelwater dat is gevallen op het mijnbouwwerk en het terrein eromheen;
|
||||
e. water dat wordt gebruikt voor het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste 500 meter;
|
||||
f. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
|
||||
g. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter.
|
||||
g. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.4. Nadere regelen
|
||||
|
||||
|
|
@ -423,7 +423,7 @@ c. het milieu in de directe nabijheid van het opslagcomplex, en is in overeenste
|
|||
|
||||
**4.** De keuze van de monitoringstechnologie in het monitoringsplan wordt gebaseerd op de beste praktijken die bij het opstellen van de ontwerp-vergunning beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Voorts wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden het monitoringsplan drie maanden voor aanvang van de injectie van CO_2 te actualiseren en om de vijf jaar te actualiseren op basis van wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, wijzigingen in de beoordeelde risico’s voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijk kennis en verbeteringen inzake de beste beschikbare techniek. Het geactualiseerde monitoringsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister. De monitoring wordt uitgevoerd volgens het goedgekeurde monitoringsplan.
|
||||
**5.** Voorts wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden het monitoringsplan drie maanden voor aanvang van de injectie van CO_2 te actualiseren en om de vijf jaar te actualiseren op basis van wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, wijzigingen in de beoordeelde risico’s voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijk kennis en verbeteringen inzake de beste beschikbare techniek. Het geactualiseerde monitoringsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister. De monitoring wordt uitgevoerd volgens het goedgekeurde monitoringsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 29g
|
||||
|
||||
|
|
@ -441,7 +441,7 @@ e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop
|
|||
2°. voor zover het mijnbouwinstallaties betreft:
|
||||
|
||||
a. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van de boorgaten;
|
||||
b. de wijze waarop het verwijderen van de mijnbouwinstallatie en van schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet plaats zal vinden;
|
||||
b. de wijze waarop het verwijderen van de mijnbouwinstallatie en van schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, vierde lid, van de wet plaats zal vinden;
|
||||
c. de wijze waarop zal worden aangetoond dat de plaats waarop de mijnbouwinstallatie op de zeebodem stond vrij van schroot en ander materiaal is;
|
||||
d. de wijze waarop de mijnbouwinstallatie en het schroot en ander materiaal zal worden afgevoerd;
|
||||
e. de eindbestemming van de mijnbouwinstallatie, de onderdelen ervan en schroot en ander materiaal en
|
||||
|
|
@ -498,7 +498,7 @@ f. een raming van de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 31j, eerste lid, o
|
|||
|
||||
**3.** De vorm waarin de zekerheid wordt gesteld behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De vergunninghouder doet hiertoe ten minste zes maanden voordat de zekerheid gesteld zal worden een aanvraag. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister stemt in indien de zekerheid in zodanige vorm is gesteld dat naar het oordeel van Onze Minister vaststaat dat de Staat daarmee gedurende de gehele periode alle verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, zo nodig ook zelf kan nakomen ten laste van de vergunninghouder. Onder financiële zekerheid in dit artikel wordt eveneens verstaan een uit oogpunt van zekerheid voor de Staat gelijkwaardige voorziening.
|
||||
**4.** Onze Minister stemt in indien de zekerheid in zodanige vorm is gesteld dat naar het oordeel van Onze Minister vaststaat dat de Staat daarmee gedurende de gehele periode alle verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, zo nodig ook zelf kan nakomen ten laste van de vergunninghouder. Onder financiële zekerheid in dit artikel wordt eveneens verstaan een uit oogpunt van zekerheid voor de Staat gelijkwaardige voorziening.
|
||||
|
||||
**5.** Voor aanvang van injectie van CO_2 toont de vergunninghouder Onze Minister aan dat de zekerheid in overeenstemming met de wet en dit artikel is gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -547,7 +547,7 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking to
|
|||
|
||||
**5.** Onze Minister kan de instemming onder beperkingen geven en aan zijn instemming voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**6.** Het meetplan beslaat de termijn van de winning en de daarop volgende dertig jaren. De uitvoerder actualiseert het meetplan gedurende de periode van winning en de daarop volgende vijf jaren jaarlijks en verstrekt daarvan voor 1 november afschrift aan Onze Minister. Onze Minister kan de uitvoerder een aanwijzing geven omtrent de tijdstippen waarop en de plaatsen waar gemeten wordt.
|
||||
**6.** Het meetplan beslaat de termijn van de winning en de daarop volgende dertig jaren. De uitvoerder actualiseert het meetplan gedurende de periode van winning en de daarop volgende vijf jaren jaarlijks en verstrekt daarvan voor 1 november afschrift aan Onze Minister. Onze Minister kan de uitvoerder een aanwijzing geven omtrent de tijdstippen waarop en de plaatsen waar gemeten wordt.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -644,45 +644,164 @@ e. licht brandbare gewassen.
|
|||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde maatregelen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.1.4. Regels over het buiten gebruik stellen van mijnbouwwerken
|
||||
#### Paragraaf 5.1.4. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwwerken
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
**1.** Het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een uitsluitend voor winning bestemd mijnbouwwerk geschiedt volgens een door de uitvoerder bij Onze Minister in te dienen sluitingsplan. Het sluitingsplan wordt uiterlijk een jaar na het staken van het winnen ingediend.
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet is niet gehouden een melding als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet te doen in het geval het mijnbouwwerk voor een periode van maximaal een jaar buiten werking is, als gevolg van:
|
||||
|
||||
**2.** Het sluitingsplan behoeft de instemming van Onze Minister. De instemming kan worden verleend onder beperkingen of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister beslist over het sluitingsplan binnen dertien weken na de indiening ervan.
|
||||
|
||||
**4.** De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen de instemmingstermijn een beslissing heeft genomen. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**5.** Op een geheel of gedeeltelijk voor de opslag bestemd mijnbouwwerk met uitzondering van een mijnbouwwerk voor permanent opslaan van CO_2 is het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
a. het uitvoeren van reparatie, onderhoud of aanpassingen van de bovengrondse installaties;
|
||||
b. het uitvoeren van een werkprogramma als bedoeld in artikel 74, eerste lid;
|
||||
c. het doen van onderzoek na een ongeluk of incident;
|
||||
d. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden en effecten van de opsporing, winning of opslag;
|
||||
e. het niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden door een van buiten komende oorzaak, waaronder het tijdelijk niet beschikbaar zijn van ondersteunende installaties, pijpleidingen, kabels, personeel, materialen, grondstoffen, hulpstoffen, diensten van derden die noodzakelijk zijn voor het in werking houden van het mijnbouwwerk of het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde vergunningen of toestemmingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het sluitingsplan bevat ten minste:
|
||||
Een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met g, dat een gedeelte is van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is een geval als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet, voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de wet, tenzij:
|
||||
|
||||
a. een beschrijving van de wijze waarop bij het mijnbouwwerk behorend materiaal zal worden afgevoerd;
|
||||
b. een beschrijving van op het mijnbouwwerk aanwezige afvalstoffen en de bestemming ervan;
|
||||
c. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van schade;
|
||||
d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen;
|
||||
e. voor zover onderdeel d niet mogelijk is: een beschrijving van de toestand waarin het mijnbouwwerk wordt achtergelaten en, voor zover van toepassing, de bestemming ervan;
|
||||
f. het tijdstip waarop met de beschreven werkzaamheden wordt aangevangen en waarop deze worden beëindigd, en
|
||||
g. het beoogde tijdstip van de sluiting.
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een aanvraag om een wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de wet, of een verandering van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ontvangen;
|
||||
b. de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk:
|
||||
|
||||
**2.** Zodra de uitvoerder een mijnbouwwerk, geheel of gedeeltelijk, buiten gebruik heeft gesteld, doet hij hiervan melding aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
1°. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen;
|
||||
2°. een rapport over een essentiële wijziging of een ontmanteling als bedoeld in de artikelen 45e en 45i van de wet heeft ontvangen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het sluitingplan.
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over de ontvangst van een werkprogramma of een rapport als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°.
|
||||
|
||||
### Artikel 40a
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder doet binnen een termijn van een jaar nadat de opsporing is beëindigd, melding aan de inspecteur-generaal der mijnen van het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een voor opsporing bestemd mijnbouwwerk.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid begint de termijn, bedoeld in het eerste lid, indien een aanvraag om een winningsvergunning is ingediend, nadat op deze aanvraag onherroepelijk is beslist tot het niet verlenen van een winningsvergunning.
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet overlegt voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 40, eerste lid, een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet, tenzij:
|
||||
|
||||
**3.** Bij de melding overlegt de uitvoerder een beschrijving als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdelen a tot en met e, met betrekking tot de maatregelen die zijn uitgevoerd.
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, heeft verstrekt of
|
||||
b. naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk met een werkprogramma of een rapport als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°, in de verwijdering van het mijnbouwwerk is voorzien.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
### Artikel 40b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de melding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet vermeldt de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. de locatie van het mijnbouwwerk;
|
||||
b. de datum waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
c. de wijze waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
d. in het geval van een mijnbouwwerk voor zoutwinning welke maatregelen zijn genomen om de holruimte te monitoren vanuit een analyse in een systeembenadering van de risico’s van dat mijnbouwwerk;
|
||||
e. bij een mijnbouwwerk anders dan een mijnbouwwerk voor zoutwinning, welke maatregelen noodzakelijk zijn aan de hand van de specifieke risico’s van dat mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.** Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 40c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44a, eerste lid van de wet bevat ten minste een beschrijving van:
|
||||
|
||||
a. de aanduiding, locatie, aard en functie van het mijnbouwwerk ten tijde van de aanvraag om instemming met het verwijderingsplan;
|
||||
b. de activiteiten, bedoeld in artikel 74, eerste lid, die hebben geleid tot wijziging van de inrichting van het boorgat;
|
||||
c. de afspraken met de eigenaar van het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht en andere belanghebbenden;
|
||||
d. de methode en een schatting van de kosten van het buiten gebruik stellen van een boorgat en het verwijderen van de bovengrondse installaties;
|
||||
e. de staat waarin het ondergrondse deel van het mijnbouwwerk wordt achtergelaten;
|
||||
f. de datum van indiening van het werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat en de planning van de uitvoering;
|
||||
g. het schoon en veilig achterlaten of verwijderen van kabels en pijpleidingen;
|
||||
h. de wijze waarop de materialen die bij het mijnbouwwerk behoren, worden afgevoerd en de bestemming ervan;
|
||||
i. de op het mijnbouwwerk aanwezige afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en de bestemming ervan;
|
||||
j. de risico’s van een mijnbouwwerk dat is gebruikt voor de winning van zout na verwijdering van de bovengrondse installaties en het buiten gebruik stellen van het boorgat aan de hand van een analyse van deze risico’s in een systeembenadering en de bij dat mijnbouwwerk te nemen beheersmaatregelen, waaronder een beschrijving van een uit te voeren monitoring, indien:
|
||||
|
||||
1°. die beheersmaatregelen nodig zijn in het belang van de veiligheid of het milieu en
|
||||
2°. deze risico’s of beheersmaatregelen niet zijn beschreven in een winningsplan als bedoeld in artikel 34, eerste lid, een opslagplan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder b, van de wet, of een meetplan als bedoeld in artikel 30, derde lid;
|
||||
k. de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht en de bodem van het terrein zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen of in het geval het terrein of de bodem niet in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht, de toestand waarin het terrein na uitvoering van het verwijderingsplan wordt achtergelaten;
|
||||
l. het beoogde gebruik van het terrein; en
|
||||
m. in geval van een gedeeltelijke verwijdering van het mijnbouwwerk voor welk doel het mijnbouwwerk wordt hergebruikt en een beschrijving daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** Het verwijderingsplan vermeldt binnen welke perioden de beschreven werkzaamheden beginnen en eindigen en kan in een fasering van de verwijdering voorzien.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef, kan bij het overleggen van informatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met k, worden volstaan met een verwijzing naar informatie die is of wordt overgelegd bij een aanvraag om een vergunning, een melding of de naleving van een verplichting tot het overleggen van gegevens en bescheiden krachtens de wet, de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, respectievelijk de Wet bodembescherming, in het geval die informatie de relevante feiten bevat of zal bevatten die nodig zijn voor een besluit tot instemming met het verwijderingsplan, respectievelijk een besluit tot instemming met het verwijderingsplan onder het stellen van voorwaarden of voorschriften.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister beslist binnen dertien weken na het overleggen van een verwijderingsplan over de instemming.
|
||||
|
||||
**5.** Van de instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**6.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 40d
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een verwijderingsplan, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet weigeren, indien:
|
||||
|
||||
a. het verwijderingsplan onvoldoende voorziet in een beschrijving van werkzaamheden, methode en kosten van de verwijdering die nodig zijn gedurende de periode van uitvoering van het verwijderingsplan, waaronder monitoring;
|
||||
b. het verwachte resultaat van de uitvoering van het verwijderingsplan onvoldoende is beschreven;
|
||||
c. het mijnbouwwerk in aanmerking komt voor hergebruik;
|
||||
d. het mijnbouwwerk niet in aanmerking komt voor het in de aanvraag beschreven gedeeltelijk hergebruik als mijnbouwwerk;
|
||||
e. in het geval van hergebruik het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van de wet, voor zover het hergebruik betreft, geen verklaring van geen bedenkingen heeft gegeven;
|
||||
f. naar het oordeel van het bevoegde gezag krachtens de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Wet bodembescherming het voorstel tot onderzoeken of saneren van de bodem niet voldoet;
|
||||
g. de bestemming van de af te voeren materialen en afvalstoffen onduidelijk is;
|
||||
h. de planning van de uitvoering van de verwijdering niet duidelijk is of voorziet in een onredelijk lange termijn;
|
||||
i. de verwijdering van een mijnbouwwerk voor de winning van zout leidt tot:
|
||||
|
||||
1°. meer bodembeweging, dan blijkt uit een beschrijving als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder f, van de wet; of
|
||||
2°. een andere wijze van het buiten gebruik stellen van een holruimte dan blijkt uit een beschrijving als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder f.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een instemming ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien:
|
||||
|
||||
a. het bevoegde gezag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, tot een afwijzend oordeel komt over het geheel of gedeeltelijk hergebruik van het mijnbouwwerk;
|
||||
b. het bevoegde gezag krachtens de wet geen vergunning verstrekt voor het opsporen, winnen, of opslaan van delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk stoffen;
|
||||
c. de houder van een vergunning de instemming voor het geheel of een gedeelte van het verwijderingsplan niet langer nodig heeft; of
|
||||
d. de houder van een vergunning niet overeenkomstig de instemming handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 40e
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de wet verlenen, indien het mijnbouwwerk:
|
||||
|
||||
a. nodig is voor het gebruik van een ander mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
|
||||
b. doelmatiger kan worden verwijderd of hergebruikt, indien de houder van een vergunning het mijnbouwwerk tezamen met een ander mijnbouwwerk verwijdert of hergebruikt;
|
||||
c. in aanmerking komt voor geheel of gedeeltelijk hergebruik als onderzoek is of wordt verricht naar de geschiktheid voor opsporing of winning van delfstoffen of aardwarmte of de opslag van stoffen;
|
||||
d. redelijkerwijs rendabel opnieuw in gebruik genomen kan worden na:
|
||||
|
||||
1°. verbetering van de omstandigheden op de markt voor koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen;
|
||||
2°. een technische innovatie voor de winning van koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen; of
|
||||
e. in aanmerking komt voor een ander hergebruik dan het exploiteren van een mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister vraagt advies over een aanvraag om ontheffing van de verplichting tot verwijderen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet voor het opnieuw in gebruik nemen:
|
||||
|
||||
a. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voor de winning van koolwaterstoffen, aardwarmte en de opslag van CO_2 aan de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de wet en
|
||||
b. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, tevens aan de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de ontheffing voor hergebruik van het mijnbouwwerk voor een periode van maximaal vijf jaar verlenen.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan de ontheffing telkens voor een periode van maximaal vijf jaar verlengen.
|
||||
|
||||
**5.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag om een ontheffing.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan, onverminderd artikel 7, derde lid, een ontheffing ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien de houder van een vergunning:
|
||||
|
||||
a. de ontheffing niet langer nodig heeft om in een hergebruik van het mijnbouwwerk te kunnen voorzien;
|
||||
b. niet overeenkomstig de ontheffing handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 40f
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een rapport over de verwijdering, bedoeld in artikel 44c, derde lid, van de wet weigeren als het rapport:
|
||||
|
||||
a. onvoldoende informatie bevat;
|
||||
b. het mijnbouwwerk niet is verwijderd overeenkomstig het verwijderingsplan waarmee is ingestemd; of
|
||||
c. niet is verwijderd overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot instemming met het rapport over de verwijdering.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties
|
||||
|
||||
|
|
@ -889,7 +1008,7 @@ e. bij een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie: een verklarin
|
|||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in de onderdelen d en e bedoelde verklaring.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.3. Het buiten gebruik stellen en verwijderen van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken
|
||||
#### Paragraaf 5.2.3. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
|
|
@ -897,45 +1016,154 @@ Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven het oppervlakt
|
|||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
Bij het buiten gebruik stellen en het verwijderen van een mijnbouwinstallatie neemt de uitvoerder maatregelen ter voorkoming van schade.
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet is niet gehouden een melding als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet te doen in het geval de mijnbouwinstallatie voor een periode van maximaal een jaar buiten werking is, als gevolg van:
|
||||
|
||||
a. het uitvoeren van reparatie, onderhoud of aanpassingen van het gedeelte van de mijnbouwinstallatie boven de waterbodem;
|
||||
b. het uitvoeren van een werkprogramma als bedoeld in artikel 74, eerste lid;
|
||||
c. het doen van onderzoek na een ongeluk of een incident;
|
||||
d. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden en effecten van de opsporing, winning of opslag in een gemeentelijk ingedeeld gebied;
|
||||
e. het niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden door een van buiten komende oorzaak, waaronder het tijdelijk niet beschikbaar zijn van ondersteunende installaties, pijpleidingen, kabels, personeel, materialen, grondstoffen, hulpstoffen, of diensten van derden die noodzakelijk zijn voor het in werking houden van het mijnbouwwerk of het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde vergunningen of toestemmingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
Wanneer een uitvoerder voornemens is een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie, schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet te verwijderen, doet hij daarvan mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen tenminste vierentwintig uren voor het tijdstip van verwijdering. De uitvoerder doet onmiddellijk mededeling van iedere wijziging van dit tijdstip.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met g, dat verbonden is aan of onderdeel is van een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de wet is een geval als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet, voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de wet, tenzij:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een aanvraag om een wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de wet, of een verandering van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ontvangen;
|
||||
b. de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk:
|
||||
|
||||
1°. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen;
|
||||
2°. een rapport over een essentiële wijziging of een ontmanteling als bedoeld in de artikelen 45e en 45i van de wet heeft ontvangen.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over de ontvangst van een werkprogramma of een rapport als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°.
|
||||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
**1.** Het buiten gebruik stellen en verwijderen van een uitsluitend voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie geschiedt overeenkomstig een door de uitvoerder opgesteld verwijderingsplan.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder zendt het verwijderingsplan, vergezeld van een verklaring van een onafhankelijke deskundige waarin het plan wordt beoordeeld, uiterlijk acht weken voor de verwijdering ter instemming aan Onze Minister.
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet overlegt voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 59, eerste lid, een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet, tenzij:
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde verwijderingsplan slechts weigeren in verband met het risico op schade.
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, heeft verstrekt of
|
||||
b. naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk met een werkprogramma of een rapport als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°, in de verwijdering van het mijnbouwwerk is voorzien.
|
||||
|
||||
**4.** De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen de instemmingtermijn van acht weken of voor de afloop van de verlengingstermijn een beslissing heeft genomen. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**5.** Op een geheel of gedeeltelijk voor de opslag bestemde mijnbouwinstallatie met uitzondering van een mijnbouwinstallatie voor permanent opslaan van CO_2 is het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het verwijderingsplan bevat ten minste een beschrijving van:
|
||||
Bij de melding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet vermeldt de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop het verwijderen van de mijnbouwinstallatie en van schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet plaats zal vinden;
|
||||
b. de wijze waarop zal worden aangetoond dat de plaats waarop de mijnbouwinstallatie op de zeebodem stond vrij van schroot en ander materiaal is;
|
||||
c. de wijze waarop de mijnbouwinstallatie en het schroot en ander materiaal zal worden afgevoerd;
|
||||
d. de eindbestemming van de mijnbouwinstallatie, de onderdelen ervan en schroot en ander materiaal, en
|
||||
e. de op de mijnbouwinstallatie aanwezige afvalstoffen en andere stoffen en de eindbestemming daarvan.
|
||||
a. de locatie van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
b. de datum waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
c. de wijze waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
d. op welke wijze derden waarvan apparatuur als bedoeld in artikel 52, derde lid, op de mijnbouwinstallatie aanwezig is, zijn geïnformeerd.
|
||||
|
||||
**2.** Voorts omvat het verwijderingsplan gegevens omtrent de tijdstippen waarop de in de onderdelen a tot en met e bedoelde onderdelen van het plan worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verwijderingsplan.
|
||||
**2.** Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister openbaar kennis gegeven in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
Nadat een voor de opsporing, winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie, schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet zijn verwijderd, doet de uitvoerder daarvan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen en overlegt daarbij gegevens waaruit dit blijkt.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.4. Het ontwerpen, plaatsen en buiten gebruik stellen alsmede verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen
|
||||
De aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet bevat ten minste een beschrijving van:
|
||||
|
||||
a. de aanduiding, locatie, aard en functie van de mijnbouwinstallatie, waaronder apparatuur van derden, ten tijde van de aanvraag om instemming met het verwijderingsplan;
|
||||
b. de activiteiten, bedoeld in artikel 74, eerste lid, die hebben geleid tot wijziging van de inrichting van het boorgat;
|
||||
c. de afspraken met de eigenaar van de waterbodem en andere belanghebbenden;
|
||||
d. de methode en een schatting van de kosten van het buiten gebruik stellen van een boorgat en het verwijderen van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
e. de staat waarin het ondergrondse deel van het mijnbouwwerk wordt achtergelaten;
|
||||
f. de datum van indiening van het werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat en de planning van de uitvoering;
|
||||
g. het schoon en veilig achterlaten of verwijderen van kabels en pijpleidingen;
|
||||
h. de wijze waarop de materialen die bij het mijnbouwwerk behoren, worden afgevoerd en de bestemming ervan;
|
||||
i. de op de mijnbouwinstallatie aanwezige afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en de bestemming ervan;
|
||||
j. de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van waterverontreiniging;
|
||||
k. de maatregelen die worden genomen om de waterbodem waarop de mijnbouwinstallatie is opgericht zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen of in het geval de waterbodem niet in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht, de toestand waarin de waterbodem na uitvoering van het verwijderingsplan wordt achtergelaten;
|
||||
l. het beoogde gebruik van de waterbodem; en
|
||||
m. in geval van een gedeeltelijke verwijdering van het mijnbouwwerk voor welk doel het mijnbouwwerk wordt hergebruikt en een beschrijving daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** Het verwijderingsplan vermeldt binnen welke perioden de beschreven werkzaamheden beginnen en eindigen en kan in een fasering van de verwijdering voorzien.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef, kan bij het overleggen van informatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met k, worden volstaan met een verwijzing naar informatie die is of wordt overgelegd bij een aanvraag om een vergunning, een melding of de naleving van een verplichting tot het overleggen van gegevens en bescheiden krachtens de wet, de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, respectievelijk de Wet bodembescherming, in het geval die informatie de relevante feiten bevat of zal bevatten die nodig zijn voor een besluit tot instemming met het verwijderingsplan, respectievelijk een besluit tot instemming met het verwijderingsplan onder het stellen van voorwaarden of voorschriften.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister beslist binnen dertien weken na het overleggen van een verwijderingsplan over de instemming.
|
||||
|
||||
**5.** Van de instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**6.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de instemming met een verwijderingsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 62a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een verwijderingsplan, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet weigeren, indien:
|
||||
|
||||
a. het verwijderingsplan onvoldoende voorziet in een beschrijving van de werkzaamheden, methode en kosten van de verwijdering die nodig zijn gedurende de periode van uitvoering van het verwijderingsplan, waaronder monitoring;
|
||||
b. het verwachte resultaat van de uitvoering van het verwijderingsplan onvoldoende is beschreven;
|
||||
c. het mijnbouwwerk in aanmerking komt voor hergebruik;
|
||||
d. het mijnbouwwerk niet in aanmerking komt voor een gedeeltelijk hergebruik als mijnbouwwerk;
|
||||
e. in het geval van hergebruik het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van de wet, niet heeft verklaard dat het bevoegde gezag daartegen, voor zover het hergebruik betreft, geen bedenkingen heeft;
|
||||
f. naar het oordeel van het bevoegd gezag krachtens de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Wet bodembescherming het voorstel tot onderzoeken of saneren van de bodem niet voldoet;
|
||||
g. de bestemming van de af te voeren materialen en afvalstoffen onduidelijk is; of
|
||||
h. de planning van de uitvoering van de verwijdering niet duidelijk is of voorziet in een onredelijk lange termijn.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een instemming ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien:
|
||||
|
||||
a. het bevoegde gezag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, krachtens wetten als bedoeld in die onderdelen tot een afwijzend oordeel komt over het geheel of gedeeltelijk hergebruik van het mijnbouwwerk;
|
||||
b. het bevoegde gezag krachtens de wet geen vergunning verstrekt voor het opsporen, winnen, of opslaan van delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk stoffen;
|
||||
c. de houder van een vergunning de instemming voor het geheel of een gedeelte van het verwijderingsplan niet langer nodig heeft; of
|
||||
d. de houder van een vergunning niet overeenkomstig de instemming handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 62b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de wet, verlenen, indien de mijnbouwinstallatie of het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 59, eerste lid:
|
||||
|
||||
a. nodig is voor het gebruik van een ander mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
|
||||
b. doelmatiger kan worden verwijderd of hergebruikt, indien de houder van een vergunning het mijnbouwwerk tezamen met een ander mijnbouwwerk verwijdert of hergebruikt;
|
||||
c. in aanmerking komt voor geheel of gedeeltelijk hergebruik als onderzoek is of wordt verricht naar de geschiktheid voor opsporing of winning van delfstoffen of aardwarmte of de opslag van stoffen;
|
||||
d. redelijkerwijs rendabel opnieuw in gebruik genomen kan worden na:
|
||||
|
||||
1°. verbetering van de omstandigheden op de markt voor koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen;
|
||||
2°. een technische innovatie voor de winning van koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen; of
|
||||
e. in aanmerking komt voor een ander hergebruik dan het exploiteren van een mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister vraagt advies over een aanvraag om ontheffing van de verplichting tot verwijderen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet voor het opnieuw in gebruik nemen:
|
||||
|
||||
a. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voor de winning van koolwaterstoffen, aardwarmte en de opslag van CO_2 aan de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de wet en
|
||||
b. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, tevens aan de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de ontheffing voor hergebruik van de mijnbouwinstallatie voor een periode van maximaal vijf jaar verlenen.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan de ontheffing telkens voor een periode van maximaal vijf jaar verlengen.
|
||||
|
||||
**5.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de ontheffing.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan, onverminderd artikel 7, derde lid, een ontheffing ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien de houder van een vergunning:
|
||||
|
||||
a. de ontheffing niet langer nodig heeft om in een hergebruik van het mijnbouwwerk te kunnen voorzien;
|
||||
b. niet overeenkomstig de ontheffing handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 62c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een rapport over de verwijdering, bedoeld in artikel 44c, derde lid, van de wet weigeren als het rapport:
|
||||
|
||||
a. onvoldoende informatie bevat;
|
||||
b. de mijnbouwinstallatie niet is verwijderd overeenkomstig het verwijderingsplan waarmee is ingestemd; of
|
||||
c. niet is verwijderd overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op het besluit tot instemming met het rapport over de verwijdering.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.4. Regels over het ontwerpen, plaatsen, buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
|
|
@ -949,7 +1177,9 @@ Nadat een voor de opsporing, winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie, sch
|
|||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
De artikelen 44 tot en met 49 en 58 zijn van overeenkomstige toepassing op een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid.
|
||||
**1.** De artikelen 44 tot en met 49 en paragraaf 5.2.3 zijn van overeenkomstige toepassing op een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Als de inspecteur-generaal der mijnen voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen, is artikel 44, eerste, tweede en derde lid, van de wet niet van toepassing, indien het boorgat naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen in overeenstemming met het werkprogramma buiten gebruik is gesteld. De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
|
|
@ -957,11 +1187,7 @@ De uitvoerder doet acht weken voor plaatsing van een mijnbouwinstallatie als bed
|
|||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
**1.** Een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid, wordt na beëindiging van de activiteiten ervan buiten gebruik gesteld en verwijderd, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder informeert de inspecteur-generaal der mijnen tenminste vierentwintig uren voor het tijdstip van verwijdering van de mijnbouwinstallatie.
|
||||
|
||||
**3.** Nadat de mijnbouwinstallatie is verwijderd, doet de uitvoerder daarvan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen en overlegt daarbij gegevens waaruit dit blijkt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.3. Boorgaten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1008,13 +1234,21 @@ b. de delfstofhoudende lagen en de delfstofafzettingen, voor zover daaraan door
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op het buiten gebruik stellen van een boorgat dat is gebruikt voor het permanent opslaan van CO_2.
|
||||
|
||||
### Artikel 72a
|
||||
|
||||
Het buiten gebruik stellen van een boorgat heeft tot doel om het boorgat permanent af te sluiten door zones met stromingspotentieel te isoleren.
|
||||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
|
||||
|
||||
a. de in artikel 70 bedoelde beveiligingen en oefeningen in het gebruik van de beveiligingen;
|
||||
b. de in artikel 71 bedoelde inrichting van een boorgat en de beveiligingen ervan, en
|
||||
c. het in artikel 72 bedoelde buiten werking stellen.
|
||||
a. beveiligingen en oefeningen in het gebruik van beveiligingen, bedoeld in artikel 70;
|
||||
b. de inrichting van een boorgat en de beveiliging ervan, bedoeld in artikel 71;
|
||||
c. het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 72a.
|
||||
|
||||
### Artikel 73a
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het buiten werking stellen van een boorgat, bedoeld in artikel 72.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1068,7 +1302,7 @@ f. sanitair afval:
|
|||
|
||||
1°. spoelwater en ander afval, afkomstig van toiletten en wasruimtes;
|
||||
2°. spoelwater, afkomstig uit verblijven voor de voorlopige verzorging van gewonden en zieken;
|
||||
3°. ander afvalwater, indien vermengd met spoelwater als bedoeld onder 1° of 2°;
|
||||
3°. ander afvalwater, indien vermengd met spoelwater als bedoeld onder 1° of 2°;
|
||||
g. vuilnis: etensresten, alle soorten huishoudelijke afvalstoffen en vast afval, voortvloeiende uit de bedrijfsvoering.
|
||||
|
||||
### Artikel 80
|
||||
|
|
@ -1384,7 +1618,7 @@ e. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 94.
|
|||
|
||||
### Artikel 94
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een pijpleiding in de territoriale zee of op het continentaal plat aan te leggen. Indien de pijpleiding zal worden aangelegd in een gebied als bedoeld in artikel 44 of 45 wordt de vergunning verleend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie respectievelijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een pijpleiding in de territoriale zee of op het continentaal plat aan te leggen. Indien de pijpleiding zal worden aangelegd in een gebied als bedoeld in artikel 44 of 45 wordt de vergunning verleend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie respectievelijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
|
||||
**2.** De vergunning wordt geweigerd indien de pijpleiding niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 93 gestelde eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1403,7 +1637,7 @@ Artikel 94 is van overeenkomstige toepassing op een pijpleiding waarvan het aanl
|
|||
|
||||
### Artikel 96
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister beslist over de aanvraag om een vergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag en, in geval artikel 94, vierde lid, of 95 van toepassing is, binnen de in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn.
|
||||
**1.** Onze Minister beslist over de aanvraag om een vergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag en, in geval artikel 94, vierde lid, of 95 van toepassing is, binnen de in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn.
|
||||
|
||||
**2.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 94, eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1479,15 +1713,47 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tijdelijk bu
|
|||
|
||||
### Artikel 103
|
||||
|
||||
Een buiten gebruik gestelde pijpleiding die is aangelegd in of op het continentaal plat wordt schoon en veilig achtergelaten, tenzij Onze Minister op grond van artikel 45 van de wet de verwijdering ervan voorschrijft.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister maakt bij een besluit als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet een afweging van belangen aan de hand van de volgende criteria:
|
||||
|
||||
a. de doelmatigheid van het gebruik van de ruimte;
|
||||
b. de gevolgen voor het milieu;
|
||||
c. de veiligheid op zee en land en
|
||||
d. de doelmatigheid van de kosten.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan bij het overwegen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet, over een pijpleiding op land het criterium, bedoeld in het eerste lid, onder a, achterwege laten, indien het besluit een pijpleiding betreft die is aangelegd vóór de inwerkingtreding van dit artikel.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toepassing van de criteria.
|
||||
|
||||
### Artikel 103a
|
||||
|
||||
Als een in gemeentelijk ingedeeld gebied gelegen pijpleiding op land of in oppervlaktewater buiten werking is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet is paragraaf 5.1.4, respectievelijk paragraaf 5.2.3, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beheerder:
|
||||
|
||||
a. bij een melding overeenkomstig artikel 40b, respectievelijk artikel 61, de volgende informatie overlegt:
|
||||
|
||||
1°. de periode, waarin de pijpleiding is aangelegd;
|
||||
2°. de overeenkomst met de grondeigenaar;
|
||||
3°. de relevante feiten voor een afweging van belangen als bedoeld in artikel 103;
|
||||
b. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 40c, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 40c, eerste lid, onder a, c, d, g, h, i, k, l en m;
|
||||
c. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 62, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a, c, d, g tot en met m.
|
||||
|
||||
### Artikel 103b
|
||||
|
||||
Als een in niet gemeentelijk ingedeeld gebied gelegen pijpleiding buiten werking is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet is paragraaf 5.2.3 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beheerder:
|
||||
|
||||
a. bij een melding overeenkomstig artikel 61 de volgende informatie overlegt:
|
||||
|
||||
1°. de periode, waarin de pijpleiding is aangelegd;
|
||||
2°. de overeenkomst met de grondeigenaar;
|
||||
3°. de relevante feiten voor een afweging van belangen als bedoeld in artikel 103;
|
||||
b. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 62, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a, c, d, g, tot en met m.
|
||||
|
||||
### Artikel 104
|
||||
|
||||
**1.** De beheerder doet onmiddellijk mededeling aan Onze Minister van het voornemen tot het buiten gebruik stellen van een pijpleiding die is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat en de wijze waarop deze zal worden achtergelaten.
|
||||
**1.** Onze Minister kan de beheerder aanwijzingen geven met betrekking tot de staat waarin de pijpleiding wordt achtergelaten.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan de beheerder aanwijzingen geven met betrekking tot de staat waarin de pijpleiding wordt achtergelaten.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de beheerder verplichten de ligging van de achtergelaten pijpleiding periodiek te controleren en kan zo nodig herstelmaatregelen voorschrijven.
|
||||
**2.** Onze Minister kan de beheerder verplichten de ligging van de achtergelaten pijpleiding periodiek te controleren en kan zo nodig herstelmaatregelen voorschrijven.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.5. Kabels
|
||||
|
||||
|
|
@ -1505,7 +1771,7 @@ De artikelen 94 tot en met 104 zijn van overeenkomstige toepassing op een kabel,
|
|||
|
||||
### Artikel 107
|
||||
|
||||
Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 6.1 tot en met 6.4, respectievelijk paragraaf 6.5 van toepassing.
|
||||
Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 5.1.4, 5.2.3 en 6.1 tot en met 6.5 voor pijpleidingen, respectievelijk kabels, op land, respectievelijk in oppervlaktewater van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens
|
||||
|
||||
|
|
@ -1578,7 +1844,7 @@ d. per mijnbouwwerk: de hoeveelheden en soorten stoffen die zijn teruggehaald en
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per voorkomen, waarin koolwaterstoffen zijn aangetroffen, jaarlijks voor 1 maart de volgende gegevens:
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per voorkomen, waarin koolwaterstoffen zijn aangetroffen, jaarlijks voor 1 maart de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. de door de uitvoerder voor het voorkomen gebezigde naam;
|
||||
b. de opsporings- of winningsvergunning of opsporings- of winningsvergunningen waaronder het voorkomen is gelegen;
|
||||
|
|
@ -1607,7 +1873,7 @@ j. de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdelen b, c en k, voor zo
|
|||
|
||||
De in artikel 123, tweede lid, van de wet bedoelde instellingen beheren de op grond van
|
||||
|
||||
paragraaf 7.1. verstrekte gegevens zorgvuldig. De instellingen zijn verplicht de gegevens in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren.
|
||||
paragraaf 7.1. verstrekte gegevens zorgvuldig. De instellingen zijn verplicht de gegevens in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen omtrent het eerste lid nadere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1670,7 +1936,7 @@ g. voorschot: voorschot als bedoeld in artikel 140 van de wet.
|
|||
|
||||
### Artikel 121
|
||||
|
||||
**1.** Het vermogen van het fonds bedraagt per 1 januari van elk kalenderjaar ten minste € 250 000.
|
||||
**1.** Het vermogen van het fonds bedraagt per 1 januari van elk kalenderjaar ten minste € 250 000.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1678,10 +1944,10 @@ De sectoren, genoemd in onderstaande tabel, dragen overeenkomstig de in die tabe
|
|||
|
||||
| *Sector* | *Aandeel* |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Olie- en gaswinning | € 125 000 |
|
||||
| Zoutwinning | € 75 000 |
|
||||
| Opslag van stoffen | € 50 000 |
|
||||
| Verkenningsonderzoek | € 0 |
|
||||
| Olie- en gaswinning | € 125 000 |
|
||||
| Zoutwinning | € 75 000 |
|
||||
| Opslag van stoffen | € 50 000 |
|
||||
| Verkenningsonderzoek | € 0 |
|
||||
|
||||
**3.** Indien op 1 januari van enig kalenderjaar het vermogen waarover het fonds beschikt minder bedraagt dan het vermogen waarover het fonds op grond van het eerste lid dient te beschikken, wordt het tekort, voor zover niet veroorzaakt door de op een mijnbouwondernemer verhaalbare voorschotten, door de in het tweede lid genoemde sectoren aangevuld. Het aandeel van iedere sector wordt bepaald naar evenredigheid van de schadevergoedingen die in het voorafgaande kalenderjaar ten laste van het fonds zijn betaald in verband met de mijnbouwactiviteiten van de tot die sectoren behorende mijnbouwondernemers.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1858,9 +2124,9 @@ b. indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, be
|
|||
|
||||
### Artikel 142
|
||||
|
||||
**1.** Met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen vervangen met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treden, de te splitsen vergunning. De te splitsen vergunning vervalt op het tijdstip waarop de met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen onherroepelijk worden.
|
||||
**1.** Met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen vervangen met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treden, de te splitsen vergunning. De te splitsen vergunning vervalt op het tijdstip waarop de met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen onherroepelijk worden.
|
||||
|
||||
**2.** De met toepassing van paragraaf 9.3 verleende vergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de samen te voegen vergunningen. De samen te voegen vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van paragraaf 9.3 verleende vergunning onherroepelijk wordt.
|
||||
**2.** De met toepassing van paragraaf 9.3 verleende vergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de samen te voegen vergunningen. De samen te voegen vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van paragraaf 9.3 verleende vergunning onherroepelijk wordt.
|
||||
|
||||
### Artikel 143
|
||||
|
||||
|
|
@ -2018,12 +2284,12 @@ Indien een groeve tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld, is artikel 160, eerste
|
|||
|
||||
De bedragen, bedoeld in artikel 133, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden in rekening gebracht voor het op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van:
|
||||
|
||||
a. een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Mijnbouwwet;
|
||||
b. een instemming met een winningsplan als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Mijnbouwwet;
|
||||
a. een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet;
|
||||
b. een instemming met een winningsplan, een verwijderingsplan, of een rapport dan wel een beoordeling van een melding als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, 44, eerste lid, 44a, eerste lid, 44c, derde lid, respectievelijk artikel 44, eerste lid, van de wet en een ontheffing als bedoeld artikel 44b, eerste lid, van de wet;
|
||||
c. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet met betrekking tot een inrichting of mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, van het Besluit omgevingsrecht;
|
||||
d. een vergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, respectievelijk, artikel 43, vierde lid, van de Mijnbouwwet;
|
||||
e. een vergunning als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit;
|
||||
f. een instemming als bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, en 55, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit;
|
||||
d. een vergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 40, tweede lid, eerste volzin, respectievelijk, artikel 43, vierde lid, van de wet;
|
||||
e. een vergunning als bedoeld in artikel 94, eerste lid;
|
||||
f. een instemming als bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, en 55, eerste lid;
|
||||
g. een ontheffing krachtens dit besluit of een krachtens dit besluit vastgestelde ministeriële regeling, die betrekking heeft op een productie-installatie, een niet-productie-installatie, een pijpleiding of een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet;
|
||||
h. een instemming als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw;
|
||||
i. een melding als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw;
|
||||
|
|
@ -2160,7 +2426,7 @@ b. zijn niet van toepassing de artikelen 94, 95 en 97.
|
|||
|
||||
### Artikel 171
|
||||
|
||||
Een werkplan als bedoeld in artikel 20 van het Mijnreglement 1964 of 28 van het Mijnreglement continentaal plat dat is opgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet geldt gedurende het eerste kalenderjaar waarin die wet in werking is getreden als een werkplan als bedoeld in artikel 4.
|
||||
Een werkplan als bedoeld in artikel 20 van het Mijnreglement 1964 of 28 van het Mijnreglement continentaal plat dat is opgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet geldt gedurende het eerste kalenderjaar waarin die wet in werking is getreden als een werkplan als bedoeld in artikel 4.
|
||||
|
||||
### Artikel 172
|
||||
|
||||
|
|
@ -2178,13 +2444,13 @@ Een werkplan als bedoeld in artikel 20 van het Mijnreglement 1964 of 28 van het
|
|||
|
||||
**1.** Een ontheffing als bedoeld in artikel 40, vierde lid, van het Mijnreglement continentaal plat geldt als een in artikel 51, vijfde lid, bedoelde ontheffing.
|
||||
|
||||
**2.** Een verklaring als bedoeld in 36ja, eerste lid, van het Mijnreglement 1964 of 40, derde lid, van het Mijnreglement continentaal plat blijft geldig tot het tijdstip waarop de geldigheid van de verklaring verloopt.
|
||||
**2.** Een verklaring als bedoeld in 36ja, eerste lid, van het Mijnreglement 1964 of 40, derde lid, van het Mijnreglement continentaal plat blijft geldig tot het tijdstip waarop de geldigheid van de verklaring verloopt.
|
||||
|
||||
**3.** Een ontheffing als bedoeld in de artikelen 36k, vijfde lid, en 36l, zesde lid, van het Mijnreglement 1964 of 41, vierde lid, en 42, vijfde lid, van het Mijnreglement continentaal plat geldt als een in artikel 52, zesde lid, bedoelde ontheffing.
|
||||
**3.** Een ontheffing als bedoeld in de artikelen 36k, vijfde lid, en 36l, zesde lid, van het Mijnreglement 1964 of 41, vierde lid, en 42, vijfde lid, van het Mijnreglement continentaal plat geldt als een in artikel 52, zesde lid, bedoelde ontheffing.
|
||||
|
||||
### Artikel 175
|
||||
|
||||
**1.** Een boorprogramma als bedoeld in de artikelen 27, eerste lid, van het Mijnreglement 1964 of 59, eerste lid, van het Mijnreglement continentaal plat en een werkprogramma als bedoeld in de artikelen 32b, tweede lid, van het Mijnreglement 1964 of 63b, tweede lid, van het Mijnreglement continentaal plat gelden als een werkprogramma als bedoeld in artikel 74.
|
||||
**1.** Een boorprogramma als bedoeld in de artikelen 27, eerste lid, van het Mijnreglement 1964 of 59, eerste lid, van het Mijnreglement continentaal plat en een werkprogramma als bedoeld in de artikelen 32b, tweede lid, van het Mijnreglement 1964 of 63b, tweede lid, van het Mijnreglement continentaal plat gelden als een werkprogramma als bedoeld in artikel 74.
|
||||
|
||||
**2.** Een boorregister en een boorprofiel als bedoeld in artikel 25 respectievelijk 34, tweede lid, van het Mijnreglement 1964 of in artikel 64 van het Mijnreglement continentaal plat gelden als een boorregister en een boorprofiel als bedoeld in artikel 75, eerste lid, respectievelijk 109, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue