2003-08-22 | BWBR0005672 | Bekostigingsbesluit W.V.O.
This commit is contained in:
parent
2c80787e3a
commit
30c9f91969
1 changed files with 38 additions and 45 deletions
|
|
@ -20,14 +20,14 @@ In dit besluit wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
a. wet: Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
b. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor zover het betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
|
||||
c. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 113 of artikel 114 van de wet;
|
||||
d. school: een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs, of een scholengemeenschap voor zover het betreft een of meer van deze scholen, tenzij het tegendeel blijkt;
|
||||
c. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
|
||||
d. school: een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, de aan de school verbonden afdelingen en het aan de school verzorgde leerwegondersteunend onderwijs daaronder begrepen, een school voor praktijkonderwijs die niet is aangewezen op grond van artikel 9 van het Besluit RVC's, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging, de aan de school verbonden afdelingen en het aan de school verzorgde leerwegondersteunend onderwijs daaronder begrepen, een school voor praktijkonderwijs die niet is aangewezen op grond van artikel 9 van het Besluit RVC's, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging, of een scholengemeenschap voor zover het betreft een of meer van deze scholen, tenzij het tegendeel blijkt;
|
||||
e. inrichting voor voortgezet onderwijs: een inrichting als bedoeld in artikel 5, onderdeel e, van de wet;
|
||||
f. openbare school:
|
||||
|
||||
1°. een school in stand gehouden door een gemeente, dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
|
||||
2°. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a van de wet in stand gehouden school;
|
||||
3°. een door een stichting als bedoeld in artikel 42b van de wet in stand gehouden school;
|
||||
3°. een door een stichting als bedoeld in artikel 42b van de wet of artikel 53c in stand gehouden school;
|
||||
g. bijzondere school: een door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;
|
||||
h. openbare rechtspersoon: een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 42a van de wet;
|
||||
i. bevoegd gezag: voor wat betreft:
|
||||
|
|
@ -37,7 +37,7 @@ i. bevoegd gezag: voor wat betreft:
|
|||
a. het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regelen;
|
||||
b. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
|
||||
c. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 42a van de wet, dan wel
|
||||
d. de stichting, bedoeld in artikel 42b van de wet ;
|
||||
d. de stichting, bedoeld in artikel 42b van de wet of artikel 53c ;
|
||||
2°. een bijzondere school: het schoolbestuur;
|
||||
j. ouders: ouders, voogden of verzorgers;
|
||||
k. teldatum: de datum van 1 oktober, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
|
||||
|
|
@ -45,9 +45,10 @@ l. leerling: een leerling of cursist die op grond van artikelen 10g en 27 van de
|
|||
m. eerste schooldag: a. bij opening van de school aan het begin van het schooljaar: 1 augustus; b. bij opening van de school tijdens het schooljaar: de dag waarop het onderwijs aan de school is aangevangen;
|
||||
n. leerlingenadministratie: leerlingen- of cursistenadministratie;
|
||||
o. schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;
|
||||
p. aanvullende vergoeding: een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 85a of artikel 89 van de wet;
|
||||
p. aanvullende bekostiging: een aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 85a of artikel 89 van de wet;
|
||||
q. accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
|
||||
r. leerlinggebonden budget: het budget, dat beschikbaar is op grond van artikel 77a van de wet.
|
||||
r. leerlinggebonden budget: het budget, dat beschikbaar is op grond van artikel 77a van de wet;
|
||||
s. IB-Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -59,7 +60,7 @@ Het bevoegd gezag doet binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de sch
|
|||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** De directeur, rector of centrale directie van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school beschikbaar is, alsmede van de gegevens van de leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de vergoeding.
|
||||
**1.** De directeur, rector of centrale directie van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school beschikbaar is, alsmede van de gegevens van de leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -99,7 +100,7 @@ De gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven daarvan in
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de wet worden, onverminderd artikel 5, artikel 7a en artikel 14, vierde lid, de leerlingen op een school meegeteld die op de teldatum op die school als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven, tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.
|
||||
**1.** Voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de wet worden, onverminderd artikel 5, artikel 7a en artikel 15b, vierde lid, de leerlingen op een school meegeteld die op de teldatum op die school als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven, tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van de leerplichtige leerling als geldige reden aangemerkt een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet 1969. Ten aanzien van de niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden aangemerkt dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de vorige volzin.
|
||||
|
||||
|
|
@ -113,7 +114,7 @@ De gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven daarvan in
|
|||
|
||||
Onverminderd artikel 7 wordt een leerling in het op grond van artikel 75c van de wet bekostigde leerwegondersteunend onderwijs in een schooljaar meegeteld
|
||||
|
||||
a. als leerling in dat onderwijs indien de regionale verwijzingscommissie voor het einde van de in artikel 14, derde lid, bedoelde termijn bepaalt dat betrokkene is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs;
|
||||
a. als leerling in dat onderwijs indien de regionale verwijzingscommissie voor het einde van de in artikel 15b, derde lid, bedoelde termijn bepaalt dat betrokkene is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs;
|
||||
b. als leerling van de school waaraan dat onderwijs is verbonden, in andere gevallen dan bedoeld onder a.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 7 wordt een leerling slechts meegeteld als leerling van een school voor praktijkonderwijs indien de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat betrokkene toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. In afwijking van de eerste volzin wordt een leerling voor wie de regionale verwijzingscommissie na 1 oktober een afwijzende beschikking heeft afgegeven onverminderd artikel 7 in het jaar van de toelating meegeteld als leerling van een school voor praktijkonderwijs indien is voldaan aan het bepaalde in artikel 10g, tweede en derde lid, van de wet en de leerling gedurende dat jaar onderwijs blijft volgen aan de school voor praktijkonderwijs of een andere school.
|
||||
|
|
@ -122,10 +123,10 @@ b. als leerling van de school waaraan dat onderwijs is verbonden, in andere geva
|
|||
|
||||
Onverminderd artikel 7 wordt een leerling van een afdeling voor praktijkonderwijs in een schooljaar meegeteld
|
||||
|
||||
a. als leerling van die afdeling indien is voldaan aan het bepaalde in artikel 10g, tweede en derde lid, van de wet, en de regionale verwijzingscommissie voor het einde van de in artikel 14, derde lid, bedoelde termijn bepaalt dat betrokkene toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs en
|
||||
a. als leerling van die afdeling indien is voldaan aan het bepaalde in artikel 10g, tweede en derde lid, van de wet, en de regionale verwijzingscommissie voor het einde van de in artikel 15b, derde lid, bedoelde termijn bepaalt dat betrokkene toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs en
|
||||
b. als leerling van de school waaraan die afdeling is verbonden in andere gevallen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Vergoeding van de personeels- en exploitatiekosten
|
||||
## Hoofdstuk 2. Bekostiging van de personeels- en exploitatiekosten
|
||||
|
||||
### Titel 1. Vaststelling van de bedragen voor personeels- en exploitatiekosten
|
||||
|
||||
|
|
@ -167,7 +168,7 @@ Voor elke leerling met een leerlinggebonden budget die op de school is ingeschre
|
|||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
Het Rijk vergoedt de exploitatiekosten met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van afdeling I van titel III van de wet een aanvang neemt. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de exploitatiekosten gedurende een periode van ten hoogste vier maanden voor de eerste schooldag voor vergoeding in aanmerking brengen.
|
||||
Het Rijk bekostigt de exploitatiekosten met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van afdeling I van titel III van de wet een aanvang neemt. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de exploitatiekosten gedurende een periode van ten hoogste vier maanden voor de eerste schooldag voor bekostiging in aanmerking brengen.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
|
|
@ -181,41 +182,33 @@ Het Rijk vergoedt de exploitatiekosten met ingang van de eerste schooldag van ee
|
|||
|
||||
**5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de wet.
|
||||
|
||||
### Titel 2. Vergoeding van uitgaven voor nascholing
|
||||
### Titel 2. Bekostiging van uitgaven voor nascholing
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
Het Rijk vergoedt de uitgaven voor nascholing van het personeel, bedoeld in artikel 96d.2 van de wet, met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van afdeling I van titel III van de wet een aanvang neemt.
|
||||
Het Rijk bekostigt de uitgaven voor nascholing van het personeel, bedoeld in artikel 96d.2 van de wet, met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van afdeling I van titel III van de wet een aanvang neemt.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
Onze Minister stelt tegelijk met het bedrag, bedoeld in artikel 96d, eerste lid, van de wet, het bedrag vast, bedoeld in artikel 96d.2 van de wet. Het laatstbedoelde bedrag heeft betrekking op een schooljaar en wordt in dat schooljaar betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Wijze van vaststelling en wijziging van de vergoeding
|
||||
### Titel 3. Wijze van vaststelling en wijziging van de bekostiging
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** In aanvulling op de voor de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in artikel 8 en artikel 13, noodzakelijke gegevens, bedoeld in het Besluit informatievoorziening WVO, doet het bevoegd gezag van een school Onze Minister jaarlijks voor 22 november mededeling van de in artikel 85, vierde lid, tweede volzin, van de wet bedoelde gewogen gemiddelde leeftijd van de personeelscategorie van de leraren van die school op 1 oktober van dat jaar.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een school doet jaarlijks voor 22 november aan Onze Minister mededeling van de in artikel 85, vierde lid, tweede volzin, van de wet bedoelde gewogen gemiddelde leeftijd van de personeelscategorie van de leraren van die school op 1 oktober daaraan voorafgaand.
|
||||
|
||||
**2.** Met het oog op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in artikel 8 en artikel 13, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks overzichten toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de vergoeding voor het daarop volgende schooljaar in aanmerking moet worden genomen. Toezending van de overzichten aan het bevoegd gezag vindt plaats voor 15 november volgend op het tijdstip waarop het bevoegd gezag ingevolge het Besluit informatievoorziening WVO de gegevens over dat aantal leerlingen aan Onze Minister meldt.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de gegevens, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, kan het bevoegd gezag bij Onze Minister binnen 10 dagen na verzending van de in dat lid bedoelde overzichten de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens indienen.
|
||||
|
||||
**4.** Indien als gevolg van de wijzigingen op grond van artikel 5 een wijziging optreedt in de opgave van het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, doet het bevoegd gezag van de school waarvan de leerling is of waarvan leerlingen zijn uitgeschreven, binnen zes weken na de uitschrijving daarvan mededeling aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid. Bij deze regeling wordt in elk geval een model vastgesteld voor correctie als bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister voor het daaropvolgende schooljaar in:
|
||||
|
||||
a. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de in het eerste en tweede lid bedoelde aan Onze Minister gemelde gegevens,
|
||||
b. indien de onder a bedoelde aan Onze Minister gemelde gegevens naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens, alsmede
|
||||
c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.
|
||||
a. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de in het eerste lid bedoelde opgave, of
|
||||
b. indien de onder a bedoelde opgave naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist is, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde opgave, alsmede
|
||||
c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de opgave, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.
|
||||
|
||||
**7.** Bij ministeriële regeling kan een model voor de in het zesde lid, onder a en c, bedoelde verklaringen worden vastgesteld. Onze Minister kan een leidraad vaststellen ten behoeve van de controle door de accountant, bedoeld in het zesde lid, onder c.
|
||||
|
||||
**8.** Indien voor 1 juli in enig jaar aanvullende vergoedingen zijn vastgesteld, dient het bevoegd gezag voor die datum bij Onze Minister een verklaring in omtrent de juistheid van de in voorkomende gevallen met het oog op de vaststelling van de aanvullende vergoeding aan Onze Minister gemelde gegevens. Het zesde lid, onder b en c, en het zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kan een model voor de in het derde lid, onder a en c, bedoelde verklaringen worden vastgesteld. Onze Minister kan een leidraad vaststellen voor de controle door de accountant, bedoeld in het derde lid, onder c.
|
||||
|
||||
### Artikel 14a
|
||||
|
||||
|
|
@ -246,9 +239,9 @@ d. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de onder a tot en
|
|||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt de in artikel 8 en artikel 13 bedoelde vergoedingen vast zo mogelijk voor 1 maart doch uiterlijk op 15 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop zij betrekking hebben. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onder c, daartoe aanleiding geeft, wijzigt Onze Minister de vergoeding of aanvullende vergoeding.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt de in artikel 8 en artikel 13 bedoelde bekostiging vast zo mogelijk voor 1 maart doch uiterlijk op 15 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop zij betrekking hebben. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in de artikelen 14, derde lid, onder c, 14a, tweede lid, onder c, en 15b, zesde lid, onder c, daartoe aanleiding geeft, wijzigt Onze Minister de bekostiging of aanvullende bekostiging.
|
||||
|
||||
**2.** De in artikel 8 bedoelde vergoedingen kunnen door Onze Minister worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
**2.** De in artikel 8 bedoelde bekostiging kunnen door Onze Minister worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
|
|
@ -314,7 +307,7 @@ Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt voor het bevoegd gezag
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt jaarlijks tijdig voor het komende begrotingsjaar een begroting vast voor de school.
|
||||
|
||||
**2.** De begroting behelst een raming van de baten en lasten van de school en is sluitend. De in de begroting voorziene baten uit de van het Rijk te ontvangen vergoeding komen overeen met de voor het desbetreffende jaar door Onze Minister vastgestelde vergoeding.
|
||||
**2.** De begroting behelst een raming van de baten en lasten van de school en is sluitend. De in de begroting voorziene baten uit de van het Rijk te ontvangen bekostiging komen overeen met de voor het desbetreffende jaar door Onze Minister vastgestelde bekostiging.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.
|
||||
|
||||
|
|
@ -330,7 +323,7 @@ Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt voor het bevoegd gezag
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt jaarlijks ten behoeve van de school een jaarrekening vast over het afgelopen jaar.
|
||||
|
||||
**2.** In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financieel beheer. Uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksvergoeding. De jaarrekening omvat mede de gegevens die van belang zijn voor de verantwoording met betrekking tot de besteding van op grond van artikel 85b van de wet toegekende nascholingsgelden en van toegekende aanvullende vergoedingen.
|
||||
**2.** In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financieel beheer. Uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksbekostiging. De jaarrekening omvat mede de gegevens die van belang zijn voor de verantwoording met betrekking tot de besteding van op grond van artikel 85b van de wet toegekende nascholingsgelden en van toegekende aanvullende bekostiging.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag dient de vastgestelde jaarrekening voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar in bij Onze Minister. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat aan Onze Minister op diens verzoek inzage wordt geboden in de controlerapporten en de controledossiers van de accountant.
|
||||
|
||||
|
|
@ -342,9 +335,9 @@ Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt voor het bevoegd gezag
|
|||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
**1.** De accountant die door Onze Minister is belast met het onderzoek van de jaarrekening en met het onderzoek van de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 14, zesde en achtste lid, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke school. Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
|
||||
**1.** De accountant die door Onze Minister is belast met het onderzoek van de jaarrekening en met het onderzoek van de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 14, derde lid, artikel 14a, tweede en vierde lid, en artikel 15b, zesde en achtste lid, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke school. Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in artikel 14, zesde en achtste lid, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school. Het bevoegd gezag verstrekt aan degene die door Onze Minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden.
|
||||
**2.** Onze Minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in artikel 14, derde lid, artikel 14a, tweede en vierde lid, en artikel 15b, zesde en achtste lid, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school. Het bevoegd gezag verstrekt aan degene die door Onze Minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
|
|
@ -352,32 +345,32 @@ Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt voor het bevoegd gezag
|
|||
|
||||
Het bevoegd gezag van een school verstrekt Onze Minister jaarlijks in de jaarrekening in verband met de terugstorting van niet bestede gelden voor nascholing, bedoeld in artikel 99, vierde lid, van de wet:
|
||||
|
||||
a. een opgave van de in de laatste drie jaren ontvangen vergoedingen voor nascholing,
|
||||
a. een opgave van de in de laatste drie jaren ontvangen bekostiging voor nascholing,
|
||||
b. een opgave van het bedrag dat het fonds, bedoeld in artikel 99, vierde lid, van de wet, omvat,
|
||||
c. indien het bedrag, bedoeld in onderdeel b, groter is dan het bedrag, bedoeld in onderdeel a, een opgave van het verschil, en
|
||||
d. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid en volledigheid van de opgaven, bedoeld in de onderdelen a, b en c.
|
||||
|
||||
**2.** Indien aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende vergoeding is verstrekt onder de voorwaarde dat deze vergoeding voor het bij de verstrekking aangegeven doel wordt besteed, blijkt uit de jaarrekening van de school in hoeverre deze vergoeding voor dat doel is besteed.
|
||||
**2.** Indien aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende bekostiging is verstrekt onder de voorwaarde dat deze bekostiging voor het bij de verstrekking aangegeven doel wordt besteed, blijkt uit de jaarrekening van de school in hoeverre deze bekostiging voor dat doel is besteed.
|
||||
|
||||
**3.** Indien bij de verstrekking van een aanvullende vergoeding is bepaald dat verrekening met een bij de toekenning aangegeven vergoeding zal plaatsvinden van het positieve verschil tussen het toegekende en het daadwerkelijk bestede bedrag, maakt het bevoegd gezag in de desbetreffende jaarrekening melding van het daadwerkelijk bestede bedrag.
|
||||
**3.** Indien bij de verstrekking van aanvullende bekostiging is bepaald dat verrekening met bij de vaststelling aangegeven bekostiging zal plaatsvinden van het positieve verschil tussen het vastgestelde en het daadwerkelijk bestede bedrag, maakt het bevoegd gezag in de desbetreffende jaarrekening melding van het daadwerkelijk bestede bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** Indien uit een op grond van artikel 19, eerste of tweede lid, ingesteld onderzoek blijkt dat de omvang van de vergoeding of aanvullende vergoeding voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister tot uiterlijk één jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek correcties aanbrengen op de desbetreffende vergoeding of aanvullende vergoeding. Onze Minister deelt het bevoegd gezag uiterlijk één jaar na ontvangst van deze bevindingen schriftelijk mede of en zo ja welke correcties hij aanbrengt.
|
||||
**1.** Indien uit een op grond van artikel 19, eerste of tweede lid, ingesteld onderzoek blijkt dat de omvang van de bekostiging of aanvullende bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister tot uiterlijk één jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek correcties aanbrengen op de desbetreffende bekostiging of aanvullende bekostiging. Onze Minister deelt het bevoegd gezag uiterlijk één jaar na ontvangst van deze bevindingen schriftelijk mede of en zo ja welke correcties hij aanbrengt.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit de jaarrekening, uit de in artikel 18, derde lid, bedoelde verklaring van de accountant of uit op grond van artikel 19 ingesteld onderzoek blijkt dat de vergoeding of aanvullende vergoeding voor een school waarop de jaarrekening betrekking heeft, onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de vergoeding of aanvullende vergoeding niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de vergoeding respectievelijk aanvullende vergoeding. Onze Minister doet hiervan binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening, respectievelijk binnen een jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek, schriftelijk mededeling aan het bevoegd gezag.
|
||||
**2.** Indien uit de jaarrekening, uit de in artikel 18, derde lid, bedoelde verklaring van de accountant of uit op grond van artikel 19 ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging of aanvullende bekostiging voor een school waarop de jaarrekening betrekking heeft, onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging of aanvullende bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging respectievelijk aanvullende bekostiging. Onze Minister doet hiervan binnen een jaar na de ontvangst van de jaarrekening, respectievelijk binnen een jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek, schriftelijk mededeling aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**3.** Indien daarvoor naar zijn oordeel aanleiding is, kan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde termijn waarbinnen correcties kunnen worden aangebracht, alsmede de in het tweede lid bedoelde termijn, met ten hoogste een jaar verlengen.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
Een in artikel 21, eerste lid, bedoelde correctie wordt verrekend met de vergoeding of aanvullende vergoeding waarop het bevoegd gezag aanspraak heeft of wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de vergoeding respectievelijk aanvullende vergoeding, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 21, eerste lid, door Onze Minister betaald.
|
||||
Een in artikel 21, eerste lid, bedoelde correctie wordt verrekend met de bekostiging of aanvullende bekostiging waarop het bevoegd gezag aanspraak heeft of wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging respectievelijk aanvullende bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 21, eerste lid, door Onze Minister betaald.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Voorschriften betreffende inrichtingen voor voortgezet onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de bepaling van de omvang en inzake de wijze van vaststelling en uitkering van een vergoeding voor exploitatiekosten, personeelskosten, huisvestingskosten en inventariskosten ten behoeve van inrichtingen voor voortgezet onderwijs.
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de bepaling van de omvang en inzake de wijze van vaststelling en uitkering van bekostiging voor exploitatiekosten, personeelskosten, huisvestingskosten en inventariskosten ten behoeve van inrichtingen voor voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Voorschriften betreffende verrekening van overschotten bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van scholen
|
||||
|
||||
|
|
@ -389,11 +382,11 @@ Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking to
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder exploitatie-overschot verstaan:
|
||||
|
||||
a. het bedrag van de vergoedingen, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt,
|
||||
a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt,
|
||||
b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten, en
|
||||
c. voor zover het een bijzondere school betreft, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het exploitatie-overschot van een bijzondere school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, geldt als maatstaf voor de verdeling van dat deel van het exploitatie-overschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan vergoedingen van het Rijk en het ontvangen bedrag aan overschrijdingsuitkeringen van de gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
|
||||
**3.** Indien het exploitatie-overschot van een bijzondere school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, geldt als maatstaf voor de verdeling van dat deel van het exploitatie-overschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan overschrijdingsuitkeringen van de gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue