2003-01-01 | BWBR0009092 | Lozingenbesluit bodembescherming
This commit is contained in:
parent
203ae7cf29
commit
31255062a0
1 changed files with 4 additions and 12 deletions
|
|
@ -18,10 +18,7 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
### Artikel 1a
|
||||
|
||||
Dit besluit is mede van toepassing op een lozing in de bodem:
|
||||
|
||||
a. binnen bij een mijn behorende ondergronds gelegen werken of inrichtingen, waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is;
|
||||
b. binnen werken of inrichtingen, waarop de Mijnwet continentaal plat van toepassing is.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -42,7 +39,7 @@ f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen op landbou
|
|||
g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding van ziekten en plagen;
|
||||
h. voor zover sprake is van artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie;
|
||||
i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog op het bouwrijp maken daarvan;
|
||||
j. ten behoeve van het realiseren van een boorgat binnen een werk of inrichting als bedoeld in de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73);
|
||||
j. vervallen;
|
||||
k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoffen met het oog op de gewasproduktie.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
|
@ -66,12 +63,7 @@ c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld en t
|
|||
|
||||
**3.** Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, tweede lid, van die wet, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag, indien:
|
||||
|
||||
a. het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor krachtens artikel 8.2, derde lid, van die wet, Onze Minister van Economische Zaken voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is;
|
||||
b. het een lozing in de bodem betreft als bedoeld in artikel 1a.
|
||||
**4.** Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag indien dit besluit bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 van de Mijnbouwwet geheel of gedeeltelijk van toepassing wordt verklaard op mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet, die krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen zijn, waarvoor krachtens artikel 8.2, derde lid, van die wet Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is voor de verlening van een vergunning krachtens artikel 8.1 van die wet, dan wel waarvoor een vergunning krachtens artikel 40 van de Mijnbouwwet is vereist.
|
||||
|
||||
**5.** Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet deel uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is aangewezen krachtens artikel 21.5 van de Wet milieubeheer, het bevoegd gezag en worden de door dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
|
||||
|
||||
|
|
@ -346,7 +338,7 @@ Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inricht
|
|||
a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en
|
||||
b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.
|
||||
|
||||
**3.** Een besluit inzake een ontheffing waaromtrent ingevolge artikel 3, vierde lid, Onze Minister van Economische Zaken dient te beslissen, wordt niet genomen dan in overeenstemming met Onze Minister.
|
||||
**3.** Indien Onze Minister van Economische Zaken op grond van artikel 3, vierde lid, dient te beslissen over een besluit inzake een ontheffing, stelt hij de directeur-generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid ter zake advies uit te brengen. De directeur-generaal Milieubeheer brengt een advies uit binnen vier weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 25a
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue