2024-04-22 | BWBR0047436 | Wet hersteloperatie toeslagen
This commit is contained in:
parent
3835f92c38
commit
31575f7687
1 changed files with 5 additions and 160 deletions
|
|
@ -152,71 +152,12 @@ b. een verlaging, vaststelling op nihil of naar rato vaststelling als bedoeld in
|
|||
|
||||
**1.** In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kan onder bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te stellen regels op een voor 1 januari 2024 aan de Dienst Toeslagen gedaan verzoek van de belanghebbende een bijzondere tegemoetkoming worden toegekend indien sprake is van een schrijnend geval waarin toepassing van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot ernstige onbillijkheden van overwegende aard, die zich hebben voorgedaan bij een beschikking tot vaststelling of tot terugvordering inzake de kinderopvangtoeslag, dan wel bij het niet toekennen van een persoonlijke betalingsregeling vanwege de onterechte kwalificatie opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering inzake de kinderopvangtoeslag, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van de belanghebbende te laten en waarvoor andere compensaties, herzieningen, hardheidstegemoetkomingen, O/GS-tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 2.6 of vergoedingen ter zake van die onbillijkheden niet voldoende zijn.
|
||||
|
||||
**2.** In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kan onder bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te stellen regels op een aan de Dienst Toeslagen gedaan verzoek van het kind, pleegkind en voormalig pleegkind of de ex-partner een bijzondere tegemoetkoming worden toegekend indien sprake is van een schrijnend geval waarin toepassing van deze wet leidt tot ernstige onbillijkheden van overwegende aard, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van dat kind, pleegkind of voormalig pleegkind, onderscheidenlijk die ex-partner, te laten en waarvoor de voorzieningen ter zake van die onbillijkheden niet voldoende zijn.
|
||||
**2.** In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kan onder bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te stellen regels op een aan de Dienst Toeslagen gedaan verzoek van het kind, pleegkind en voormalig pleegkind, de partner, het kind of de ouder van een overleden kind of de ex-partner een bijzondere tegemoetkoming worden toegekend indien sprake is van een schrijnend geval waarin toepassing van deze wet leidt tot ernstige onbillijkheden van overwegende aard, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van dat kind, pleegkind of voormalig pleegkind, die partner, dat kind of die ouder van het overleden kind onderscheidenlijk die ex-partner, te laten en waarvoor de voorzieningen ter zake van die onbillijkheden niet voldoende zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De voordracht voor een krachtens het eerste en tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld, wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.1a. Compensatie en tegemoetkomingen nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag
|
||||
|
||||
### Artikel 2.9a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aan degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag van overlijden wordt een of meer van de onderstaande voorzieningen toegekend:
|
||||
|
||||
a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen:
|
||||
|
||||
1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
|
||||
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
|
||||
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan een overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
|
||||
b. op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1 op de daar bedoelde geldschulden van een overleden aanvrager voor zover deze ten laste van de partner zijn gekomen, en op de daar bedoelde schulden van die partner;
|
||||
c. ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de artikelen 3.1 tot en met 3.12:
|
||||
|
||||
overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3 op de geldschulden, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.12, van een overleden aanvrager voor zover deze ten laste van de partner zijn gekomen, en de daar bedoelde schulden van die partner.
|
||||
|
||||
**2.** Aan degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag van overlijden wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag van overlijden, dit niet meer was op de eerste dag van de maand die volgt op de dag van overlijden van de aanvrager als gevolg van een omstandigheid anders dan het overlijden van de aanvrager.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.9b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien een overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden, indien degene die partner was van een overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a, of indien de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet, worden aan het kind van de overleden aanvrager een of meer van de onderstaande voorzieningen toegekend:
|
||||
|
||||
a. op aanvraag door de Dienst Toeslagen:
|
||||
|
||||
1°. compensatie die op grond van artikel 2.1, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
|
||||
2°. tegemoetkoming die op grond van artikel 2.6, eerste lid, aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
|
||||
3°. het forfaitaire bedrag dat op grond van artikel 2.7 aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden;
|
||||
b. op aanvraag door Onze Minister: overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1 op de daar bedoelde geldschulden van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen;
|
||||
c. ambtshalve door de publieke schuldeisers, genoemd in de artikelen 3.1 tot en met 3.12:
|
||||
|
||||
overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 3 op de geldschulden, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.12, van de overleden aanvrager voor zover deze ten laste van het kind zijn gekomen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Aan het kind van een overleden aanvrager wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, toegekend die aan de overleden aanvrager op aanvraag zou zijn toegekend indien deze niet was overleden, in het geval dat:
|
||||
|
||||
a. de overleden aanvrager geen partner had op de dag van overlijden;
|
||||
b. degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, is overleden voor de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a; of
|
||||
c. de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, zich voordoet.
|
||||
|
||||
**3.** Indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1b, eerste lid, een aanvraag indienen voor de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt het bedrag van de compensatie of tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verminderd naar evenredigheid van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die compensatie of tegemoetkoming.
|
||||
|
||||
**4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van het tweede lid, indien meerdere kinderen binnen de aanvraagtermijn die op grond van artikel 6.1b op hen van toepassing is, een aanvraag daartoe indienen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het eerste tot en met vierde lid alsmede hoofdstuk 4a, artikel 5.3 en hoofdstuk 6 voor zover die betrekking hebben op aanvragen als bedoeld in het eerste of tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kind van een overleden aanvrager:
|
||||
|
||||
a. indien degene die partner was van de overleden aanvrager op de dag waarop laatstgenoemde is overleden, overlijdt op of na de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9a;
|
||||
b. voor zover die partner is overleden voordat toekenning heeft plaatsgevonden van de voorzieningen, de aanvullende compensatie of de aanvullende O/GS-tegemoetkoming die aan die partner zouden zijn toegekend op grond van artikel 2.9a indien deze niet was overleden;
|
||||
c. met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
1°. voor de toepassing van artikel 6.1b, eerste lid, de aanvraagtermijn aanvangt op de dag van overlijden van de partner in plaats van op de dag van overlijden van de overleden aanvrager;
|
||||
2°. artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is als geen toekenning heeft plaatsgevonden aan de partner van de overleden aanvrager van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.2. Tegemoetkoming voor kind, pleegkind en voormalig pleegkind van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag of diens partner en voor kind, pleegkind en voormalig pleegkind van ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
|
||||
|
||||
### Artikel 2.10
|
||||
|
|
@ -443,28 +384,7 @@ b. de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.15b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland aanbieden:
|
||||
|
||||
a. op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een partner van een overleden aanvrager die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9a, ten behoeve van die partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner, indien:
|
||||
|
||||
1°. die partner van een overleden aanvrager op 31 december 2021 niet in Nederland woonde;
|
||||
2°. die partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont;
|
||||
b. op de vier leefgebieden financiën, werk, wonen en zorg aan een kind van een overleden aanvrager dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9b, indien dat kind op 7 juli 2020 niet in Nederland woonde en op het moment van ambtshalve toetsing door Onze Minister niet in Nederland woont.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover de brede ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van redelijke kosten die worden gemaakt in het kader van de brede ondersteuning.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In geval van een wens tot remigratie naar Nederland die binnen drie maanden na het ambtshalve aanbod, bedoeld in het eerste lid, kenbaar is gemaakt aan Onze Minister kan Onze Minister op verzoek van:
|
||||
|
||||
a. de partner van een overleden aanvrager, diens partner, diens kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12, en het thuiswonende kind of pleegkind van hemzelf of van diens partner eenmalig de redelijke reiskosten van remigratie van ieder van hen vergoeden of voor zijn rekening nemen, mits voornoemde gezinsleden voor de remigratie naar Nederland op hetzelfde adres buiten Nederland wonen als die partner van een overleden aanvrager en eenmalig de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen; of
|
||||
b. het kind van een overleden aanvrager eenmalig de redelijke reiskosten van remigratie vergoeden of voor zijn rekening nemen en eenmalig de redelijke kosten van de verhuizing naar Nederland voor zijn rekening nemen.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister verleent de ondersteuning, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, op basis van een plan van aanpak dat in overleg met de partner of het kind van een overleden aanvrager van een kinderopvangtoeslag is opgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister vergoedt of neemt voor zijn rekening de kosten, bedoeld in het derde lid, indien het plan van aanpak is vastgesteld binnen drie maanden nadat de wens tot remigratie kenbaar is gemaakt en indien de remigratie naar Nederland plaatsvindt uiterlijk een jaar nadat het plan van aanpak is vastgesteld.
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.5. Tegemoetkomingen gedupeerde aanvrager huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget
|
||||
|
||||
|
|
@ -885,48 +805,6 @@ Artikel 3.14 is van overeenkomstige toepassing bij de vaststelling van het bedr
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk 4A. Persoonlijke bijstand bij afhandeling herstel voor nabestaanden van een overleden aanvrager
|
||||
|
||||
### Artikel 4a.1
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *betrokkene:*
|
||||
|
||||
a. de partner van een overleden aanvrager die in aanmerking kan komen voor toekenning van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van artikel 2.9a;
|
||||
b. het kind van een overleden aanvrager dat in aanmerking kan komen voor toekenning van een voorziening, aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming op grond van artikel 2.9b;
|
||||
- *persoonlijke bijstand:* bijstand door de Dienst Toeslagen bij aanvragen en regelingen waar de betrokkene op grond van deze wet aanspraak kan maken.
|
||||
|
||||
### Artikel 4a.2
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene krijgt persoonlijke bijstand.
|
||||
|
||||
**2.** Tijdens de persoonlijke bijstand coördineert een persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers van de Dienst Toeslagen de procedure en fungeert voor de betrokkene tevens als aanspreekpunt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4a.3
|
||||
|
||||
**1.** In het kader van de persoonlijke bijstand vinden tussen de betrokkene en de Dienst Toeslagen een of meerdere persoonlijke gesprekken plaats, waarbij de persoonlijk zaakbehandelaar regeling nabestaanden overleden aanvragers eveneens aanwezig is.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een persoonlijk gesprek ziet desgewenst in ieder geval op:
|
||||
|
||||
a. uitleg over de regelingen waarop de persoonlijke bijstand betrekking heeft;
|
||||
b. uitleg over de mogelijkheden voor persoonlijke bijstand;
|
||||
c. informatie over het gebruik van de regelingen waar de betrokkene recht op heeft;
|
||||
d. het door de betrokkene overleggen van informatie met betrekking tot een aanvraag op grond van de artikelen 2.9a of 2.9b;
|
||||
e. het ondersteunen bij het doen van een aanvraag op grond van de artikelen 2.9a of 2.9b.
|
||||
|
||||
### Artikel 4a.4
|
||||
|
||||
De Dienst Toeslagen draagt zorg voor een goede afhandeling van de persoonlijke bijstand en zorgt dat hierover afstemming plaatsvindt met andere personen of organen, voor zover de verantwoordelijkheid voor de uitvoering hiervan bij die personen of organen ligt en voor zover afstemming het belang van de betrokkene dient.
|
||||
|
||||
### Artikel 4a.5
|
||||
|
||||
Onze Minister verleent mandaat aan de Dienst Toeslagen om een beschikking als bedoeld in artikelen 2.9a, tweede lid, of 2.9b, tweede lid, te nemen, indien de betrokkene een verzoek als bedoeld in artikel 4a.2, derde lid, heeft gedaan dat ook betrekking heeft op een dergelijke beschikking.
|
||||
|
||||
### Artikel 4a.6
|
||||
|
||||
Op verzoek van de betrokkene voegt de Dienst Toeslagen voor zover mogelijk alle beschikkingen op grond van deze wet die de betrokkene betreffen samen tot één beschikking, die bestaat uit één of meer besluitonderdelen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Commissies
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
|
@ -985,22 +863,7 @@ b. binnen zes maanden na de datum van overlijden van het overleden kind, bedoeld
|
|||
|
||||
### Artikel 6.1b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid, of 2.9b, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid, wordt ingediend:
|
||||
|
||||
a. binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, indien de overleden aanvrager is overleden voor of op de datum van inwerkingtreding van die artikelen; of
|
||||
b. bij overlijden na de inwerkingtreding van artikel 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, binnen zes maanden na de datum van overlijden van de overleden aanvrager.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien voorafgaand aan het overlijden van de overleden aanvrager aan die overleden aanvrager geen toekenning heeft plaatsgevonden van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, wordt een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.9a, tweede lid, of 2.9b, tweede lid, in afwijking van het eerste lid ingediend:
|
||||
|
||||
a. niet eerder dan na toekenning van een voorziening als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, of 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, aan de nabestaande; en
|
||||
b. uiterlijk zes maanden na de datum waarop:
|
||||
|
||||
1°. de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk vast komt te staan indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 2.9a, tweede lid; of
|
||||
2°. de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk is geworden voor alle kinderen van de overleden aanvrager die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvan hebben ingediend indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid.
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -1032,29 +895,11 @@ b. nog geen beschikking is gegeven op de aanvraag, bedoeld in onderdeel a, op:
|
|||
|
||||
### Artikel 6.2ter
|
||||
|
||||
**1.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**3.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel b, besluit Onze Minister binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de gedupeerdheid van de aanvrager kinderopvangtoeslag die is overleden, is vastgesteld indien die gedupeerdheid nog niet is vastgesteld voordat de aanvraag is ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**4.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, tweede lid, waarop de in artikel 6.1b, eerste lid, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid besluit de Dienst Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.9a, tweede lid, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**6.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, tweede lid, waarop artikel 6.1b, tweede lid, van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, onherroepelijk is geworden. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**7.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b geldende aanvraagtermijn. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**8.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel b, besluit Onze Minister binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b geldende aanvraagtermijn, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de gedupeerdheid van de aanvrager kinderopvangtoeslag die is overleden, is vastgesteld indien die gedupeerdheid nog niet is vastgesteld voordat de aanvraag is ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**9.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid, waarop de in artikel 6.1b, eerste lid, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b, eerste lid, geldende aanvraagtermijn. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
|
||||
**10.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid, waarop de in artikel 6.1b, tweede lid, bedoelde aanvraagtermijn van toepassing is, besluit de Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijkt dan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, onherroepelijk is geworden voor alle kinderen van de overleden aanvrager die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvan hebben ingediend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2a
|
||||
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue