2014-10-01 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2014-10-01 12:00:00 +00:00
parent 7a2ba8b5d5
commit 326323fb91

View file

@ -480,6 +480,8 @@ Als de vreemdeling uitsluitend een adres in het buitenland heeft, stuurt de IND
### 3. Beoordelen van de asielaanvraag
#### 3.1. Volgorde van toetsing
De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de volgende toetsingsvolgorde:
1. De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan artikel 30 Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30 Vw afwijst, toetst de IND de aanvraag niet verder;
@ -492,6 +494,8 @@ De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunnin
Deze toetsingsvolgorde is ook van toepassing op vreemdelingen die behoren tot een door de IND in het landgebonden asielbeleid aangewezen risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep.
#### 3.2. Verstrekken onjuiste gegevens/fraude
De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd mede de omstandigheid dat de vreemdeling bij zijn aanvraag onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten heeft verstrekt dan wel de juiste gegevens heeft achtergehouden. Er is in ieder geval sprake van dergelijke omstandigheden als:
• de vreemdeling onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute;
@ -499,12 +503,16 @@ De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning a
• de vreemdeling zich heeft ontdaan van zijn al dan niet vervalste identiteits- en/of reisdocumenten;
• er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie.
#### 3.3. De geloofwaardigheid
De IND beoordeelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over:
a. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde feiten en omstandigheden;
b. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gebeurtenissen; en
c. zijn voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante veronderstellingen.
*Ad a.*
Feiten en omstandigheden zijn in ieder geval:
• de identiteit van de vreemdeling;
@ -513,22 +521,26 @@ c. zijn voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een ver
• (indien relevant) de seksuele geaardheid van de vreemdeling; en
• (indien relevant) de geloofsovertuiging van de vreemdeling.
*Ad c.*
Onder veronderstellingen verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.
De beoordeling van de geloofwaardigheid
##### 3.3.1. De beoordeling van de geloofwaardigheid
Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten, omstandigheden en veronderstellingen betrekt de IND:
• alle documenten die de vreemdeling heeft ingediend;
• of sprake is van één of meer van de omstandigheden als genoemd in artikel 31 lid 2, aanhef en onder a tot en met f, Vw;
• of sprake is van één of meer van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw;
• de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling; en
• of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst van de vreemdeling.
Documenten zijn alle gegevensdragers die een vreemdeling ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft ingediend.
De vreemdeling kan op grond van verklaringen die de IND niet als geloofwaardig beoordeelt, geen aanspraak maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29 lid 1, Vw.
De vreemdeling kan op grond van verklaringen die de IND niet als geloofwaardig beoordeelt, geen aanspraak maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, Vw.
Als sprake is van één of meerdere van de omstandigheden genoemd in artikel 31 lid 2, aanhef onder a tot en met f Vw, acht de IND de verklaringen van de vreemdeling uitsluitend geloofwaardig als van deze verklaringen een positieve overtuigingskracht uitgaat.
##### 3.3.2. Bewijslast voor de geloofwaardigheid
Als sprake is van één of meerdere van de omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef onder a tot en met f Vw, acht de IND de verklaringen van de vreemdeling uitsluitend geloofwaardig als van deze verklaringen een positieve overtuigingskracht uitgaat.
Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst.
@ -549,9 +561,11 @@ De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel
• een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of
• een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.
#### 3.4. De zwaarwegendheid
De IND beoordeelt of de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren als hij terugkeert naar zijn land van herkomst, aannemelijk zijn.
Naast de aspecten bedoeld in artikel 3.35 lid 2 VV, betrekt de IND bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens van de vreemdeling de volgende aspecten:
Naast de aspecten bedoeld in artikel 3.35, tweede lid, VV, betrekt de IND bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens van de vreemdeling de volgende aspecten:
• het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen die voor de vreemdeling aanleiding vormden om zijn land van herkomst te verlaten en het moment van vertrek uit zijn land van herkomst; en
• de vraag of degenen van wie de vreemdeling vervolging of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing vreest op de hoogte zijn of kunnen raken van de omstandigheden waarop de vreemdeling zich beroept en op grond waarvan hij vreest te worden vervolgd of onmenselijk of vernederend te worden behandeld of bestraft.
@ -560,13 +574,19 @@ Als de IND oordeelt dat deze vermoedens aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of d
De IND betrekt BMA niet bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de verklaringen van de vreemdeling.
#### 3.5. Leeftijdsonderzoek
Het leeftijdsonderzoek kan een van de volgende resultaten opleveren:
a. meerderjarigheid kan niet worden aangetoond; of
b. de vreemdeling is ten minste 20 jaar oud.
*Ad a.*
Als meerderjarigheid niet kan worden aangetoond, houdt de IND de door de vreemdeling opgegeven geboortedatum aan. De IND kan tussen 12 en 24 maanden na de datum waarop het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden opnieuw een leeftijdsonderzoek laten verrichten. In het kader van een herhaald leeftijdsonderzoek laat de IND onderzoeken of aangetoond kan worden dat de vreemdeling op de datum van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meerder- of minderjarig was.
*Ad b.*
Als uit het leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling minstens 20 jaar oud is, kent de IND de vreemdeling op basis van het onderzoeksresultaat een geboortedatum toe als:
• deze leeftijd niet overeen komt met de door de vreemdeling gestelde leeftijd; of
@ -576,6 +596,8 @@ De IND stelt het toe te kennen geboortejaar vast op het jaar waarin het leeftijd
Het Protocol Identificatie en Labeling (PIL) is van toepassing.
#### 3.6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van:
• een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;
@ -593,19 +615,23 @@ Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document
De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw.
#### 3.7. Ambtshalve toets
Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeelt de IND conform artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb.
De IND behandelt een tweede of opvolgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als een eerste aanvraag in de zin van artikel 3.6a Vb, indien de vorige aanvraag is afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, Vw en die afwijzingsgrond niet (meer) van toepassing is.
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje *Ambtshalve verlening in de asielprocedure *toe.
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje *Ambtshalve verlening in de asielprocedure* toe.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder c, Vb juncto artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb ambtshalve wanneer de Minister hier op grond van zijn discretionaire bevoegdheid toe heeft besloten.
De IND beoordeelt bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Paragrafen A3/7 en A3/7.3 Vc in het bijzonder, zijn van overeenkomstige toepassing.
De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb en 6.1e Vb achterwege, wanneer de IND aan de vreemdeling gelijk met de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een zwaar inreisverbod (artikel 66a, lid 7, Vw) oplegt.
De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb en 6.1e Vb achterwege, wanneer de IND aan de vreemdeling met de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een zwaar inreisverbod (artikel 66a, lid 7, Vw) of een ongewenstverklaring oplegt.
#### 3.8. Beoordeling van opvolgende aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Als de vreemdeling in het kader van zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd feiten en omstandigheden inbrengt die dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking, beoordeelt de IND of de vreemdeling deze feiten en omstandigheden in het kader van een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had kunnen inbrengen. De IND hanteert daarbij als uitgangspunt dat de vreemdeling alle bij hem bekende informatie en documenten in het kader van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de IND moet overleggen. Als de vreemdeling in het kader van zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd feiten en omstandigheden inbrengt die dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking, moet de vreemdeling aannemelijk maken dat hij deze feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet eerder had kunnen inbrengen.
@ -630,9 +656,9 @@ Bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden
Als een vreemdeling tijdens een tweede of opvolgende asielaanvraag aangeeft dat hij homoseksueel is, en deze informatie acht de IND geloofwaardig, werpt de IND de vreemdeling niet tegen dat hij niet tijdens een voorgaande procedure gewag heeft gemaakt van zijn homoseksuele geaardheid.
De IND beschouwt een verzoek om heroverweging als een onvolledige aanvraag als bedoeld in artikel 4:5
De IND beschouwt een verzoek om heroverweging als een onvolledige aanvraag als bedoeld in artikel 4:5 Awb.
Awb.
#### 3.9. Hervestigingscriteria
Bij de toetsing of een vreemdeling voor hervestiging in aanmerking komt maakt de IND een beoordeling op grond van een weging van de volgende factoren:
@ -1307,7 +1333,7 @@ Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat de documenten onder dwang aan de reisag
De IND wijst een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, Vw respectievelijk artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw als de vreemdeling afkomstig is uit of heeft verbleven in een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet nakomt.
Bij de beantwoording van de vraag of het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar de vreemdeling heeft verbleven ten aanzien van de vreemdeling zijn verdragsverplichting niet nakomt, geldt een tussen de IND en de vreemdeling een gedeelde bewijslast:
Bij de beantwoording van de vraag of het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar de vreemdeling heeft verbleven ten aanzien van de vreemdeling zijn verdragsverplichting niet nakomt, geldt een tussen de IND en de vreemdeling gedeelde bewijslast, namelijk:
• de vreemdeling moet onderbouwen dat het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar hij heeft verbleven de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt;
• de IND onderzoekt of het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar de vreemdeling heeft verbleven in de praktijk de verdragsverplichtingen nakomt.
@ -1318,6 +1344,8 @@ De IND neemt in ieder geval in de volgende situaties aan dat een land van herkom
• landen waarop een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is;
• landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden.
De IND wijst een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw als niet vaststaat dat de vreemdeling daadwerkelijk wordt toegelaten tot het veilige derde land en daar zal zijn gevrijwaard van refoulement.
De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen af op grond van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw als de vreemdeling heeft verbleven in een veilig derde land. Deze regel is niet van toepassing als de vreemdeling het veilige derde land is doorgereisd zonder daar te verblijven. Er is sprake van verblijf van de vreemdeling in een veilig derde land als uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen.
De IND neemt in ieder geval aan dat een vreemdeling geen intentie had om naar Nederland te reizen, als de vreemdeling gedurende twee weken of langer in een veilig derde land heeft verbleven.
@ -1326,26 +1354,25 @@ Deze regel gaat niet op als uit objectieve feiten of omstandigheden (bijvoorbeel
##### 6.2.5. Land van eerder verblijf
Nadat de IND heeft vastgesteld dat artikel 31, tweede lid, onder h Vw niet van toepassing is, onderzoekt de IND of er een land van eerder verblijf is, welk derde land de vreemdeling toe laat totdat hij in een ander land duurzame bescherming heeft gevonden. De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i Vw afwijzen, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
Nadat de IND heeft vastgesteld dat artikel 31, tweede lid, onder h Vw niet van toepassing is, onderzoekt de IND of er een land van eerder verblijf is, welk derde land de vreemdeling toe laat totdat hij in een ander land duurzame bescherming heeft gevonden. De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i Vw, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
• de vreemdeling is vanuit zijn land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland gekomen en had voor zijn komst bescherming tegen refoulement in een derde land of had daar bescherming kunnen hebben;
• de vreemdeling verbleef of had kunnen verblijven in het derde land onder lokaal als normaal aan te merken omstandigheden.
• de IND heeft vastgesteld dat het derde land de vreemdeling toelaat totdat hij in een ander land duurzame bescherming heeft gevonden. De wedertoelating moet blijken uit een schriftelijke verklaring van het land van eerder verblijf, of uit andere bronnen.
De IND stelt vast dat er een land van eerder verblijf is, als uit objectieve feiten of omstandigheden blijkt dat de vreemdeling voordat deze in Nederland aankwam in een derde land heeft verbleven en daar niet de intentie had om naar Nederland te reizen.
De IND concludeert dat de vreemdeling geen intentie had tot doorreis naar Nederland indien er sprake is van een van de situaties zoals beschreven in paragraaf C2/6.2.4 Vc onder doorreis en verblijf.
De IND stelt vast dat de vreemdeling door het derde land duurzaam wordt beschermd tegen refoulement in in ieder geval de volgende situatie:
De IND stelt vast dat de vreemdeling in ieder geval door het derde land duurzaam wordt beschermd tegen refoulement wanneer het land van eerder verblijf partij is bij het Vluchtelingenverdrag en dit verdrag naleeft.
• het land van eerder verblijf is partij bij het Vluchtelingenverdrag en leeft dit verdrag na. Daarnaast moet blijken dat het land van eerder verblijf aan de vreemdeling toegang zal verschaffen. Dit laatste blijkt uit een schriftelijke verklaring van het land van eerder verblijf, of uit andere bronnen.
Indien het land van eerder verblijf geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag of dit verdrag niet te goeder trouw naleeft, dan is in ieder geval sprake van duurzame bescherming indien:
Indien het land van eerder verblijf geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag of dit verdrag niet te goeder trouw naleeft, dan is sprake van duurzame bescherming indien sprake is van één van de volgende situaties:
• de vreemdeling in het land van eerder verblijf beschikt over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending;
• de IND aantoont dat de vreemdeling een verblijfstitel kan verkrijgen;
• de vreemdeling langdurig verbleven heeft in het derde land, zonder dat hij een geldige verblijfstitel heeft gehad.
Indien sprake is van duurzame bescherming in het land van eerder verblijf wijst de IND de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling af, ook indien op zichzelf bezien één van inwilligingsgronden artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw van toepassing is.
De IND stelt bij het tegenwerpen van land van eerder verblijf altijd vast dat de vreemdeling toegang zal krijgen tot het grondgebied van het betreffende land.
De IND werpt het land van eerder verblijf niet aan de vreemdeling tegen in ieder geval de volgende situaties:
@ -1356,44 +1383,7 @@ Het vereiste dat er geen beroep meer open mag staan tegen het afwijzende besluit
##### 6.2.6. Verblijfsalternatief
De IND past artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw uitsluitend toe bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw. Alvorens artikel 31, tweed lid, aanhef en onder j, VW toe te passen, moet de IND aantonen dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
• de vreemdeling heeft verbleven in een derde land;
• de vreemdeling heeft bescherming of had bescherming kunnen hebben in een derde land;
• het is aannemelijk dat de vreemdeling kan terugkeren naar het derde land.
De IND weegt de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten het land van herkomst mee.
De IND past artikel 31, tweede lid, onder j, Vw niet toe in gevallen waarin de asielzoeker in Nederland al eerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen en het verblijf in het derde land ten tijde van het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bekend was bij de IND.
De IND neemt eerder verblijf aan indien de vreemdeling fysiek aanwezig is geweest op het grondgebied van een derde land voorafgaand aan de komst naar Nederland. De IND hanteert geen minimum duur.
De IND stelt vast dat er voldoende bescherming voor de vreemdeling is in een derde land, indien er aan alle volgende criteria wordt voldaan:
• het derde land is geen land ten aanzien waarvan een beleid van categoriale bescherming geldt;
• in het derde land heeft de vreemdeling niet vrezen voor een behandeling als bedoeld in paragraaf C2/3.1 Vc of paragraaf C2/3.2Vc;
• de vreemdeling heeft in het derde land niet verbleven onder bijzondere schrijnende persoonlijke omstandigheden;
• het derde land zet vreemdelingen die in aanmerking komen voor categoriale bescherming niet zonder bepaling van het risico dat zij daarbij lopen uit naar het land van herkomst.
In het geval er openbare informatie uit objectieve bron voorhanden is waaruit blijkt dat de categorie vreemdelingen waartoe de vreemdeling behoort geen bescherming krijgt of had kunnen krijgen in het derde land, weegt de IND deze informatie af tegen de verklaringen van de vreemdeling. Indien uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij wel bescherming genoot of had kunnen genieten, kan de IND het verblijf in het derde land aan de vreemdeling tegenwerpen.
Om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw toe te kunnen passen moet de IND aannemelijk maken dat het derde land de vreemdeling toegang zal geven.
De IND beoordeelt de mogelijkheid van toelating van de vreemdeling tot het derde land als aannemelijk indien de vreemdeling al eerder ongehinderd het derde land is ingereisd. Naarmate de vreemdeling langer in het derde land heeft verbleven, worden zijn terugkeermogelijkheden geacht toe te nemen.
De IND kan in ieder geval door middel van de volgende informatie aannemelijk maken dat een vreemdeling kan terugkeren naar het derde land:
• de wijze waarop andere vreemdelingen vrijwillig naar het derde land terugkeren;
• de wijze waarop andere vreemdelingen naar het derde lande verwijderd worden;
• de wijze waarop het derde land doorgaans omgaat met het verlenen van reisdocumenten aan vreemdelingen uit landen waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt;
• een schriftelijk bericht van het derde land dat de vreemdeling zal worden toegelaten.
De IND beoordeelt de mogelijkheid tot terugkeer naar het derde lande in ieder geval aan de hand van:
• openbare informatie uit objectieve bron, voor zover deze informatie voor handen is;
• de verklaringen van de vreemdeling over zijn mogelijkheden tot terugkeer.
De IND past artikel 31 tweede lid, aanhef en onder i, Vw ook, indien de IND vaststelt dat de vreemdeling door eigen toedoen niet kan terugkeren naar het derde land.
20142747830-09-201424-09-2014WBV2014/3020142747830-09-201424-09-2014WBV2014/3001-10-2014
##### 6.2.7. Openbare orde of nationale veiligheid
@ -1460,7 +1450,9 @@ Na verjaring van het misdrijf stuurt de IND stuurt de vreemdeling een brief met
Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht.
##### 6.2.8. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
##### 6.2.8. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag
###### 6.2.8.1. Artikel 1F aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag
De IND mag misdrijven tegen de vrede in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land.
@ -1469,6 +1461,8 @@ De ernst van een misdrijf wordt bepaald door:
• de aard van de handeling, en;
• de omvang van de gevolgen van de handeling.
###### 6.2.8.2. Artikel 1F aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, indien aan alle volgende voorwaarde is voldaan:
• er is een direct verband tussen het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en de door hem aangehaalde politieke doelstelling;
@ -1495,10 +1489,12 @@ De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worde
• slavernij en slavenhandel;
• misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap.
Bij absolute politieke misdrijven kan artikel 1F (b) niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn strafbare feiten met een politiek karakter en waarbij uit de omschrijving van het strafbare feit blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven:
Bij absolute politieke misdrijven kan artikel 1F (b) niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een politiek karakter en waarbij uit de omschrijving van het misdrijf blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven:
• hoogverraad en het verstoren van verkiezingen;
• strafbare feiten weergegeven in het een der Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht.
• misdrijven weergegeven in het een der Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht.
###### 6.2.8.3. Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag
Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945.
@ -1512,23 +1508,25 @@ Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen o
• of de functionele of feitelijke verantwoordelijkheid van de vreemdeling op een dusdanig niveau ligt dat deze geacht mag worden zich van de plaats van de staat binnen de internationale gemeenschap bewust te zijn, of:
• of uit de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling blijkt dat hij kennis heeft of had moeten hebben van de doelstellingen of beginselen van de VN.
Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ernstige redenen zijn dat de vreemdeling één van de strafbare feiten genoemd in dit artikel gepleegd heeft. Indien de IND ernstige redenen heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.
###### 6.2.8.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid
Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk is voor strafbare feiten, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag verantwoordelijk moet worden gehouden, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende strafbare feit (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).
Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Indien de IND ernstige redenen heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.
Er is sprake van knowing participation bij de vreemdeling in in ieder geval één van de volgende situaties:
Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).
a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;
Er is in ieder geval sprake van knowing participation bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:
a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;
b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is;
c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het strafbare feiten betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
In het geval van situatie b. of c. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft moeten hebben van het plegen van de strafbare feiten. De IND spreekt dan van een significante uitzondering.
In het geval van situatie a. of b. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft moeten hebben van het plegen van de misdrijven. De IND spreekt dan van een significante uitzondering.
Er wordt door de IND geen knowing participation aangenomen voor strafbare feiten als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, indien de vreemdeling ten tijde van het plegen van de strafbare feiten nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt.
Er wordt door de IND geen knowing participation aangenomen voor misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, indien de vreemdeling ten tijde van het plegen van de misdrijven nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt.
Indien de vreemdeling bij het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de strafbare feiten.
Indien de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de misdrijven.
In het geval de vreemdeling als minderjarige tussen de vijftien en achttien jaren oud, als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen:
Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was en als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen:
• de leeftijd van de vreemdeling op het moment van de indiensttreding;
• of de vreemdeling vrijwillig of gedwongen in dienst is getreden;
@ -1536,59 +1534,69 @@ In het geval de vreemdeling als minderjarige tussen de vijftien en achttien jare
• of er ten tijde van de indiensttreding van de vreemdeling gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die de mogelijkheid om tot een afgewogen keuze te komen hebben aangetast;
• de lengte van de periode dat de vreemdeling als minderjarige, jonger dan vijftien jaren werkzaam is geweest binnen het leger;
• de aanwezigheid van mogelijkheden voor de vreemdeling om eerder te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken;
• of de vreemdeling de strafbare feiten gepleegd heeft onder invloed van drugs en/of medicatie waartoe hij gedwongen was tot inname; en
• of de vreemdeling de misdrijven gepleegd heeft onder invloed van drugs en/of medicatie waartoe hij gedwongen was tot inname; en
• of er binnen het leger waar de vreemdeling in dienst was bevorderingen plaatsvonden op grond van goede prestaties.
Er is sprake van personal participation bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:
a. de vreemdeling heeft een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;
b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;
c. de vreemdeling heeft een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd;
a. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;
b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;
c. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd;
d. de vreemdeling behoort tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt.
De vreemdeling heeft een strafbaar feit gefaciliteerd, indien zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het strafbare feit. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
*Ad c.*
De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, indien zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
• de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf, en;
• het strafbare feit had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.
• het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.
Voor de beoordeling wanneer sprake is van een significante uitzondering wordt verwezen naar de subparagraaf bewijslast en verantwoordelijkheid(knowing participation).
*Ad d.*
De IND toetst of er sprake is van een significante uitzondering zoals beschreven in de subparagraaf bewijslast en verantwoordelijkheid(knowing participation).
###### 6.2.8.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, indien hij heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere.
Indien de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van strafbare feiten, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:
Indien de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:
• er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang;
• er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf;
• de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad;
• de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf.
Indien de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging strafbare feiten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet ontslagen van verantwoordelijkheid indien er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:
Wanneer de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:
• indien er geen geloof gehecht wordt aan de door de vreemdeling gestelde bedreiging;
• indien de bedreiging waartegen de vreemdeling zich stelt te hebben verdedigt niet opweegt tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf;
• indien het voor de vreemdeling duidelijk moet zijn geweest dat het door hem begane misdrijf de dreiging niet had kunnen afwenden; of
• indien de vreemdeling niet slechts één misdrijf heeft gepleegd, maar gedurende een langere periode meerdere misdrijven heeft gepleegd.
• er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde bedreiging;
• de bedreiging waartegen de vreemdeling zich stelt te hebben verdedigt weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf;
• het moet voor de vreemdeling duidelijk zijn geweest dat het door hem begane misdrijf de dreiging niet had kunnen afwenden; of
• de vreemdeling heeft niet slechts één misdrijf gepleegd, maar heeft gedurende een langere periode meerdere misdrijven gepleegd.
###### 6.2.8.6. Duurzaamheid en proportionaliteit
Indien aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:
a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,
b. of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te handhaven.
*Ad a.*
De term duurzaam houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:
• de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;
• er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM;
• vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk.
*Ad b.*
De IND neemt disproportionaliteit aan indien de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.
Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond, en de vreemdeling niet in aanmerking komt van een verblijfsvergunning, nodigt de IND de vreemdeling uit een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. De IND willigt deze aanvraag in op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, vierde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht.
De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
###### 6.2.8.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND mag een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verlenen op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 3.77 Vb en 3.107 Vb, als de gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan de vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 3.77 Vb en 3.107 Vb, als gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, tenzij deze gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw.
De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, indien de gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan indien blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid.
@ -1598,6 +1606,8 @@ a. het gezinslid verblijft tenminste tien jaren in Nederland gerekend vanaf de d
b. het verblijf van het gezinslid in Nederland is ononderbroken;
c. het gezinslid heeft zijn vertrek naar het land van herkomst niet tegengewerkt.
*Ad a.*
Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee.
##### 6.2.9. Europese lijst van veilige landen van herkomst
@ -1657,7 +1667,7 @@ In C2/6.2.7 Vc is uitgewerkt wanneer sprake is van een ernstig misdrijf zoals be
De vreemdeling van wie de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, is ingetrokken of geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet is verlengd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt Nederland niet uitgezet, indien de vreemdeling in zijn land nog steeds een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.
Artikel 3.86 Vb en paragraaf B1/4.4 Vc zijn van toepassing.
Artikel 3.86 Vb is van toepassing.
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid Vw niet in op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw als:
@ -1740,9 +1750,9 @@ Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van
De IND staat de vreemdeling toe de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting, in Nederland af te wachten. Voor de gevallen waarin een verzoek om voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht wordt verwezen naar paragraaf B1/7.3 Vc.
De IND staat de vreemdeling toe de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting, in Nederland af te wachten als deze binnen 24 uur na de bekendmaking van het besluit is ingediend. Voor de gevallen waarin een verzoek om voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht wordt verwezen naar paragraaf B1/7.3 Vc.
Een interim measure van het EHRM, een zogenoemde Rule 39, wordt gelijk gesteld met een toegewezen voorlopige voorziening.
Een interim measure van het EHRM, een zogenoemde *Rule 39*, wordt gelijk gesteld met een toegewezen voorlopige voorziening.
De internationale instanties waar een met uitzetting bedreigde vreemdeling zich tot kan wenden zijn:
@ -1763,7 +1773,7 @@ Als uitzondering op de regel dat de DT&V geeft gehoor aan een verzoek van het Co
De DT&V moet nagaan of er omstandigheden zijn die aanleiding vormen het verzoek te honoreren.
Als het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de Nederlandse staat op grond van Rule 39 verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland op te schorten, mag de DT&V de vreemdeling niet uitzetten.
Als het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de Nederlandse staat op grond van *Rule 39* verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland op te schorten, mag de DT&V de vreemdeling niet uitzetten.
De DT&V betrekt bij de beoordeling van het verzoek van een toezichthoudend orgaan de omstandigheid dat: