2017-02-23 | BWBR0014483 | Besluit fiscale eenheid 2003
This commit is contained in:
parent
780c129c40
commit
3276752df7
1 changed files with 51 additions and 58 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit fiscale eenheid 2003
|
|||
bwb_id: BWBR0014483
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2011-12-22'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2017-02-23'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0014483
|
||||
citeertitel: Besluit fiscale eenheid 2003
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -21,43 +21,46 @@ citeertitel: Besluit fiscale eenheid 2003
|
|||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. de wet: de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
|
||||
b. fiscale eenheid: fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet;
|
||||
c. moedermaatschappij of dochtermaatschappij: moedermaatschappij of dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet;
|
||||
d. maatschappij, voegingstijdstip of ontvoegingstijdstip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 15aa, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat een buitenlandse belastingplichtige slechts als maatschappij wordt aangemerkt voorzover deze op grond van artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de wet deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
|
||||
b. fiscale eenheid: fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, van de wet;
|
||||
c. moedermaatschappij of dochtermaatschappij: moedermaatschappij of dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, van de wet;
|
||||
d. tussenmaatschappij: tussenmaatschappij als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de wet;
|
||||
e. topmaatschappij: topmaatschappij als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de wet;
|
||||
f. maatschappij, voegingstijdstip of ontvoegingstijdstip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 15aa, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat een buitenlandse belastingplichtige slechts als maatschappij wordt aangemerkt voor zover deze op grond van artikel 15, achtste lid, van de wet deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling of de aandelen waarvan de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom bezit gezamenlijk in alle gevallen recht geven op ten minste 95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van de dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet wordt, indien er één bijzonder aandeel is, waarvan de moedermaatschappij niet de juridische of economische eigendom bezit, met een symbolische nominale waarde en een recht op de winst van minder dan 10% van die waarde, deze gerechtigdheid tot de winst buiten beschouwing gelaten.
|
||||
Voor de beoordeling of de aandelen waarvan de moedermaatschappij of de topmaatschappij de gehele juridische en economische eigendom bezit gezamenlijk in alle gevallen recht geven op ten minste 95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van een andere maatschappij als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, van de wet wordt, indien er één bijzonder aandeel is, waarvan de moedermaatschappij of de topmaatschappij niet de gehele juridische of economische eigendom bezit, met een symbolische nominale waarde en een recht op de winst van minder dan 10% van die waarde, deze gerechtigdheid tot de winst buiten beschouwing gelaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 15, derde lid, onderdeel d en e, en vierde lid, derde volzin, van de wet wordt een niet naar Nederlands recht opgericht lichaam als naar aard en inrichting vergelijkbaar met een naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid beschouwd, indien:
|
||||
Voor de toepassing van artikel 15, vierde lid, onderdelen d en e, vijfde lid, aanhef, en zesde lid, van de wet wordt een niet naar Nederlands recht opgericht lichaam als naar aard en inrichting vergelijkbaar met een naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid beschouwd, indien:
|
||||
|
||||
a. het lichaam is aan te merken als een lichaam met een geheel, in gelijke of evenredige delen, in aandelen verdeeld kapitaal;
|
||||
b. het lichaam in het land van oprichting als subject onderworpen is aan een belasting naar de winst;
|
||||
c. de kapitaalverschaffers niet verder aansprakelijk zijn dan tot het bedrag dat op hun aandelen in het lichaam is gestort, en
|
||||
d. alle kapitaalverschaffers in beginsel stemrecht hebben overeenkomstig hun aandeel in het kapitaal van het lichaam.
|
||||
b. de kapitaalverschaffers niet verder aansprakelijk zijn dan tot het bedrag dat op hun aandelen in het lichaam is gestort, en
|
||||
c. alle kapitaalverschaffers in beginsel stemrecht hebben overeenkomstig hun aandeel in het kapitaal van het lichaam.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven of een niet naar Nederlands recht opgericht lichaam naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.** Indien het tijdstip van de verkrijging van de economische eigendom van aandelen in een lichaam is gelegen voor dat van de levering van de juridische eigendom en tussen die tijdstippen niet meer dan vijf werkdagen zijn gelegen, wordt de verkrijging van de juridische eigendom geacht tot stand te zijn gekomen gelijktijdig met die van de economische eigendom, tenzij aannemelijk is dat door partijen niet is beoogd om de juridische levering onverwijld te doen geschieden na de overgang van de economische eigendom. Indien door omstandigheden die zijn gelegen buiten de invloedsfeer van partijen de in de eerste volzin bedoelde termijn van vijf werkdagen niet haalbaar is, wordt op verzoek deze termijn verlengd, doch ten hoogste tot drie maanden.
|
||||
**1.** Indien het tijdstip van de verkrijging van de gehele economische eigendom van aandelen in een lichaam is gelegen voor dat van de levering van de gehele juridische eigendom en tussen die tijdstippen niet meer dan vijf werkdagen zijn gelegen, wordt de verkrijging van de gehele juridische eigendom geacht tot stand te zijn gekomen gelijktijdig met die van de gehele economische eigendom, tenzij aannemelijk is dat door partijen niet is beoogd om de juridische levering onverwijld te doen geschieden na de overgang van de gehele economische eigendom. Indien door omstandigheden die zijn gelegen buiten de invloedssfeer van partijen de in de eerste volzin bedoelde termijn van vijf werkdagen niet haalbaar is, wordt op verzoek deze termijn verlengd, doch ten hoogste tot drie maanden.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de overeenkomst tot overdracht van de economische eigendom van aandelen in een lichaam dat deel uitmaakt van een fiscale eenheid wordt gesloten op de eerste werkdag na de aanvang van het boekjaar van dat lichaam en op die datum ook de economische eigendom overgaat, wordt de economische eigendom geacht reeds te zijn overgegaan bij de aanvang van dat boekjaar.
|
||||
**2.** Indien de overeenkomst tot overdracht van de gehele economische eigendom van aandelen in een lichaam dat deel uitmaakt van een fiscale eenheid wordt gesloten op de eerste werkdag na de aanvang van het boekjaar van dat lichaam en op die datum ook de gehele economische eigendom overgaat, wordt de gehele economische eigendom geacht reeds te zijn overgegaan bij de aanvang van dat boekjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Indien het boekjaar van een met ingang van haar oprichting als moedermaatschappij te voegen lichaam, met uitzondering van het eerste boekjaar, statutair samenvalt met dat van de te voegen dochtermaatschappij, wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van artikel 15, derde lid, onderdeel a, van de wet, mits het eerste boekjaar van de moedermaatschappij statutair eindigt en zij dit boekjaar afsluit op hetzelfde tijdstip als waarop de te voegen dochtermaatschappij het op het voegingstijdstip lopende boekjaar afsluit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien het voegingstijdstip van de dochtermaatschappij niet samenvalt met de oprichtingsdatum van de moedermaatschappij, maar nog wel valt in het eerste boekjaar van de moedermaatschappij.
|
||||
**1.** Indien het boekjaar van een met ingang van haar oprichting als moedermaatschappij te voegen lichaam, met uitzondering van het eerste boekjaar, statutair samenvalt met dat van de te voegen dochtermaatschappij, wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van de wet, mits het eerste boekjaar van de moedermaatschappij statutair eindigt en zij dit boekjaar afsluit op hetzelfde tijdstip als waarop de te voegen dochtermaatschappij het op het voegingstijdstip lopende boekjaar afsluit. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien het voegingstijdstip van de dochtermaatschappij niet samenvalt met de oprichtingsdatum van de moedermaatschappij, maar nog wel valt in het eerste boekjaar van de moedermaatschappij.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder dochtermaatschappij ook verstaan een bestaande fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het boekjaar van een met ingang van een tijdstip in het boekjaar van haar oprichting als dochtermaatschappij te voegen lichaam, met uitzondering van het eerste boekjaar, statutair samenvalt met dat van de moedermaatschappij, wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van artikel 15, derde lid, onderdeel a, van de wet, mits die dochtermaatschappij haar eerste boekjaar afsluit op hetzelfde tijdstip als waarop de moedermaatschappij het op het voegingstijdstip lopende boekjaar afsluit.
|
||||
**3.** Indien het boekjaar van een met ingang van een tijdstip in het boekjaar van haar oprichting als dochtermaatschappij te voegen lichaam, met uitzondering van het eerste boekjaar, statutair samenvalt met dat van de moedermaatschappij, wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van de wet, mits die dochtermaatschappij haar eerste boekjaar afsluit op hetzelfde tijdstip als waarop de moedermaatschappij het op het voegingstijdstip lopende boekjaar afsluit.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van artikel 15ae, eerste lid, van de wet wordt de aan een met ingang van haar oprichting gevoegde dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid aangemerkt als winst van de maatschappijen die deze dochter hebben opgericht, naar rato van hun kapitaalinbreng.
|
||||
|
||||
**5.** Indien op het voegingstijdstip het boekjaar van een bestaande dochtermaatschappij statutair nog niet, maar feitelijk al wel samenvalt met dat van de moedermaatschappij, wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van de wet, mits vóór het voegingstijdstip door het daartoe bevoegde orgaan van de dochtermaatschappij het besluit is genomen tot een zodanige wijziging van het boekjaar dat dit boekjaar samenvalt met dat van de moedermaatschappij en de daarvoor benodigde statutenwijziging binnen twee weken na het voegingstijdstip heeft plaatsgevonden. Indien de termijn van twee weken, bedoeld in de eerste volzin, door omstandigheden die zijn gelegen buiten de invloedssfeer van partijen wordt overschreden en aannemelijk is dat getracht is de statutenwijziging zo spoedig mogelijk na het voegingstijdstip te doen plaatsvinden, blijft afwijzing van het verzoek achterwege.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. Generieke bepalingen bij een fiscale eenheid
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. De totstandkoming van de fiscale eenheid
|
||||
|
|
@ -68,7 +71,7 @@ d. alle kapitaalverschaffers in beginsel stemrecht hebben overeenkomstig hun aan
|
|||
|
||||
**2.** In geval van voeging bij het begin van een boekjaar, wordt ter bepaling van het vermogen van de fiscale eenheid op het voegingstijdstip bij de aangifte over dat boekjaar een vermogensopstelling van de fiscale eenheid gevoegd. In die vermogensopstelling worden de activa en passiva van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij gewaardeerd naar de tot dat tijdstip door elk van deze maatschappijen gevolgde gedragslijn.
|
||||
|
||||
**3.** In geval van voeging in de loop van een boekjaar van de dochtermaatschappij, sluit de dochtermaatschappij haar boekjaar af op het onmiddellijk aan het voegingstijdstip voorafgaande tijdstip en wordt bij de aangifte van de fiscale eenheid over het jaar waarin het voegingstijdstip valt een vermogensopstelling van de dochtermaatschappij op het voegingstijdstip gevoegd. De moedermaatschappij voegt bij deze aangifte tevens een vermogensopstelling op het voegingstijdstip betreffende de verhoudingen met de dochtermaatschappij.
|
||||
**3.** In geval van voeging in de loop van een boekjaar van de dochtermaatschappij, sluit de dochtermaatschappij haar boekjaar af op het onmiddellijk aan het voegingstijdstip voorafgaande tijdstip en wordt bij de aangifte van de fiscale eenheid over het jaar waarin het voegingstijdstip valt een vermogensopstelling van de dochtermaatschappij op het voegingstijdstip gevoegd. De moedermaatschappij die bij voeging haar boekjaar niet hoeft af te sluiten, voegt bij deze aangifte tevens een vermogensopstelling op het voegingstijdstip betreffende de verhoudingen met de dochtermaatschappij.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een dochtermaatschappij vanaf haar oprichting deel uitmaakt van een fiscale eenheid en bij haar oprichting vermogensbestanddelen van maatschappijen die deel uitmaken van de fiscale eenheid als storting op aandelen zijn ingebracht, wordt die inbreng geacht te hebben plaatsgevonden onmiddellijk na het voegingstijdstip.
|
||||
|
||||
|
|
@ -78,11 +81,13 @@ Een bij een maatschappij op het voegingstijdstip nog niet uitgewerkte aanspraak
|
|||
|
||||
### Artikel 7a
|
||||
|
||||
Een bij een maatschappij op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het voegingstijdstip aanwezig saldo als bedoeld in artikel 12b, zesde lid, van de wet gaat over op de fiscale eenheid.
|
||||
In geval van voeging van een maatschappij treedt de fiscale eenheid voor de toepassing van afdeling 2.3 van de wet in de plaats van die maatschappij.
|
||||
|
||||
### Artikel 7b
|
||||
|
||||
Indien bij voeging van een maatschappij met activiteiten in een andere staat aannemelijk is dat op of voor het voegingstijdstip is besloten de activiteiten in die andere staat te staken, komt het bij de fiscale eenheid in aanmerking te nemen stakingsverlies, bedoeld in de artikelen 15i en 15j van de wet, slechts in aftrek tot het bedrag van de aan die maatschappij, zonder rekening te houden met het stakingsverlies, toe te rekenen positieve winst. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Indien bij voeging van een maatschappij met activiteiten in een andere staat aannemelijk is dat op of voor het voegingstijdstip is besloten de activiteiten in die andere staat te staken, komt het bij de fiscale eenheid in aanmerking te nemen stakingsverlies, bedoeld in de artikelen 15i en 15j van de wet, slechts in aftrek tot het bedrag van de aan die maatschappij, zonder rekening te houden met het stakingsverlies, toe te rekenen positieve winst. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een stakingsverlies ingevolge het eerste lid niet in aanmerking is genomen, is artikel 15ab, derde, vierde en vijfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Bepalingen tijdens de fiscale eenheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -102,7 +107,7 @@ De door een lichaam gekozen gedragslijn met betrekking tot de waardering van act
|
|||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** Dividenden betaalbaar gesteld op aandelen in een dochtermaatschappij aan aandeelhouders die geen deel uitmaken van de fiscale eenheid worden aangemerkt als uitdelingen van winst van de fiscale eenheid.
|
||||
**1.** Uitdelingen van winst door een dochtermaatschappij aan lichamen die, voor zover het het belang in die dochtermaatschappij betreft, geen deel uitmaken van de fiscale eenheid worden aangemerkt als uitdelingen van winst van de fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
**2.** Kosten voor of in verband met de verwerving van aandelen in een dochtermaatschappij die nog niet in het bezit zijn van de fiscale eenheid, komen bij het bepalen van de winst niet in aftrek voor zover deze bij afwezigheid van de fiscale eenheid ook niet in aftrek zouden komen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -137,7 +142,7 @@ b. indien de berekening van het resultaat van de fiscale eenheid over een jaar p
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Indien aandelen in een dochtermaatschappij worden vervreemd en in samenhang daarmee de fiscale eenheid ten aanzien van die dochtermaatmaatschappij op dat tijdstip eindigt, wordt die vervreemding geacht plaats te vinden na de ontvoeging van die dochtermaatschappij.
|
||||
**1.** Indien aandelen in een dochtermaatschappij worden vervreemd en in samenhang daarmee de fiscale eenheid ten aanzien van die dochtermaatschappij op dat tijdstip eindigt, wordt die vervreemding geacht plaats te vinden na de ontvoeging van die dochtermaatschappij.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een maatschappij als aangeduid in het vierde lid is betrokken bij een bedrijfsfusie, fusie of splitsing en in samenhang daarmee de fiscale eenheid ten aanzien van die maatschappij eindigt op hetzelfde tijdstip als waarop de overdracht of overgang van de vermogensbestanddelen plaatsvindt, wordt die overdracht of overgang geacht plaats te vinden na de ontvoeging van die maatschappij.
|
||||
|
||||
|
|
@ -159,7 +164,7 @@ c. de maatschappij als verdwijnende of verkrijgende rechtspersoon is betrokken b
|
|||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
Indien direct voorafgaande aan de ontvoeging van een dochtermaatschappij de aandelen in die dochtermaatschappij in het bezit zijn van meer dan één maatschappij, wordt bij de ontvoeging het voor die dochtermaatschappij opgeofferde bedrag, bedoeld in artikel 13d, achtste lid, van de wet toegerekend aan elk van deze maatschappijen naar rato van het aandelenbezit, rekening houdend met eventueel aan dat aandelenbezit verbonden bijzondere rechten.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -167,13 +172,13 @@ Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een deelneming beh
|
|||
|
||||
### Artikel 16a
|
||||
|
||||
Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een immaterieel activum behoort waarop artikel 12b van de wet is toegepast, gaat een direct voorafgaand aan de ontvoeging bij de fiscale eenheid aanwezig saldo als bedoeld in artikel 12b, zesde lid, van de wet, voor zover dat saldo betrekking heeft op dat activum, over op die dochtermaatschappij.
|
||||
Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een immaterieel activum behoort of gaat behoren, treedt die dochtermaatschappij voor de toepassing van afdeling 2.3 van de wet met betrekking tot dat activum in de plaats van de fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Specifieke bepalingen bij een juridische splitsing of juridische fusie binnen fiscale eenheid
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** Indien bij een splitsing als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de wet van een tot een fiscale eenheid behorende dochtermaatschappij die dochtermaatschappij ophoudt te bestaan en de verkrijgende rechtspersonen deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid, wordt op verzoek van de moedermaatschappij de fiscale eenheid ten aanzien van de splitsende dochtermaatschappij geacht niet te zijn verbroken en vinden vanaf het tijdstip van splitsing de hierna weergegeven bijzondere regelingen toepassing.
|
||||
**1.** Indien bij een splitsing als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de wet van een tot een fiscale eenheid behorende dochtermaatschappij die dochtermaatschappij ophoudt te bestaan, de verkrijgende rechtspersonen deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid en al hetgeen in het kader van de splitsing is verkregen tot het vermogen van die fiscale eenheid gaat behoren, wordt op verzoek van de moedermaatschappij de fiscale eenheid ten aanzien van de splitsende dochtermaatschappij geacht niet te zijn verbroken en vinden vanaf het tijdstip van splitsing de hierna weergegeven bijzondere regelingen toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De verrekening als bedoeld in artikel 15ae van de wet van voorvoegingsverliezen van de splitsende dochtermaatschappij met de belastbare winst van de fiscale eenheid en de verrekening van een verlies van de fiscale eenheid met de voor het voegingstijdstip van de splitsende dochtermaatschappij genoten belastbare winst van die dochtermaatschappij, vindt plaats alsof er geen splitsing heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -185,7 +190,7 @@ Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een immaterieel ac
|
|||
|
||||
**6.** De overbrenging van deelnemingsverrekening of verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten van de gesplitste dochtermaatschappij van voor het tijdstip van splitsing, vindt plaats alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**7.** Aftrekbeperkingen uit hoofde van de artikelen 15ab, tweede lid, of 15ad van de wet blijven doorlopen alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
**7.** Aftrekbeperkingen uit hoofde van de artikelen 15ab, tweede lid, of 15ad van de wet of artikel 7b blijven doorlopen alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**8.** Het verzoek bedoeld in het eerste lid wordt gedaan uiterlijk bij de aangifte over het boekjaar waarin de splitsing heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -193,7 +198,7 @@ Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een immaterieel ac
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Indien bij een fusie als bedoeld in artikel 14b, eerste lid, van de wet een tot een fiscale eenheid behorende dochtermaatschappij ophoudt te bestaan en de verkrijgende rechtspersoon deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid, wordt op verzoek van de moedermaatschappij de fiscale eenheid ten aanzien van de verdwijnende dochtermaatschappij geacht niet te zijn verbroken en vinden vanaf het tijdstip van fusie de hierna weergegeven bijzondere regelingen toepassing.
|
||||
**1.** Indien bij een fusie als bedoeld in artikel 14b, eerste lid, van de wet een tot een fiscale eenheid behorende dochtermaatschappij ophoudt te bestaan, de verkrijgende rechtspersoon deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid en al hetgeen in het kader van de fusie is verkregen tot het vermogen van die fiscale eenheid gaat behoren, wordt op verzoek van de moedermaatschappij de fiscale eenheid ten aanzien van de verdwijnende dochtermaatschappij geacht niet te zijn verbroken en vinden vanaf het tijdstip van fusie de hierna weergegeven bijzondere regelingen toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De verrekening als bedoeld in artikel 15ae van de wet van voorvoegingsverliezen van de verdwijnende dochtermaatschappij met de belastbare winst van de fiscale eenheid en de verrekening van een verlies van de fiscale eenheid met de voor het voegingstijdstip van de verdwijnende dochtermaatschappij genoten belastbare winst van die dochtermaatschappij, vindt plaats alsof er geen fusie heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -205,7 +210,7 @@ Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een immaterieel ac
|
|||
|
||||
**6.** De overbrenging van deelnemingsverrekening of verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten van de verdwenen dochtermaatschappij van voor het tijdstip van fusie, vindt plaats alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**7.** Aftrekbeperkingen uit hoofde van de artikelen 15ab, tweede lid, of 15ad van de wet blijven doorlopen alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
**7.** Aftrekbeperkingen uit hoofde van de artikelen 15ab, tweede lid, of 15ad van de wet of artikel 7b blijven doorlopen alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**8.** Het verzoek bedoeld in het eerste lid wordt gedaan uiterlijk bij de aangifte over het boekjaar waarin de fusie heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -215,14 +220,14 @@ Indien tot het vermogen van een ontvoegde dochtermaatschappij een immaterieel ac
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien binnen drie maanden na het verlijden van de akte van fusie of splitsing wordt verzocht om een fiscale eenheid met ingang van de aanvang van het boekjaar waarin de fusie of splitsing heeft plaatsgevonden, wordt het verzoek voor de toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de wet geacht te zijn gedaan binnen drie maanden na de aanvang van dat boekjaar, mits van de fiscale eenheid de volgende maatschappijen deel uitmaken:
|
||||
Indien binnen drie maanden na het verlijden van de akte van fusie of splitsing wordt verzocht om een fiscale eenheid met ingang van de aanvang van het boekjaar waarin de fusie of splitsing heeft plaatsgevonden, wordt het verzoek voor de toepassing van artikel 15, negende lid, van de wet geacht te zijn gedaan binnen drie maanden na de aanvang van dat boekjaar, mits van de fiscale eenheid de volgende maatschappijen deel uitmaken:
|
||||
|
||||
a. twee of meer belastingplichtigen waarin de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon een onmiddellijk of middellijk aandelenbezit heeft dat bij de fusie onderscheidenlijk splitsing is overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk één van de verkrijgende rechtspersonen, of
|
||||
b. de verkrijgende rechtspersoon en een belastingplichtige waarin de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon een onmiddellijk of middellijk aandelenbezit heeft dat bij de fusie onderscheidenlijk splitsing is overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is slechts van toepassing indien de verdwijnende of splitsende rechtspersoon en de belastingplichtigen, bedoeld in onderdeel a van dat lid, of de belastingplichtige, bedoeld in onderdeel b van dat lid, bij de aanvang van het boekjaar, bedoeld in dat lid, deel uitmaakten van dezelfde fiscale eenheid en het ontvoegingstijdstip met betrekking tot die fiscale eenheid met toepassing van artikel 14, derde lid, wordt gesteld op de aanvang van dat boekjaar.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van artikel 15, eerste en tweede lid, van de wet wordt vanaf de aanvang van het boekjaar waarin een juridische fusie of splitsing plaatsvindt een onmiddellijk of middellijk bezit van de verdwijnende onderscheidenlijk splitsende rechtspersoon van aandelen in een andere belastingplichtige, aangemerkt als bezit van de verkrijgende rechtspersoon die door de juridische fusie of splitsing het onmiddellijke of middellijke bezit van de desbetreffende aandelen heeft verkregen.
|
||||
**3.** Voor de toepassing van artikel 15, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt vanaf de aanvang van het boekjaar waarin een juridische fusie of splitsing plaatsvindt een onmiddellijk of middellijk bezit van de verdwijnende, onderscheidenlijk splitsende, rechtspersoon van aandelen in een andere belastingplichtige aangemerkt als bezit van de verkrijgende rechtspersoon die door de juridische fusie, onderscheidenlijk splitsing, het onmiddellijke of middellijke bezit van de desbetreffende aandelen heeft verkregen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -367,7 +372,7 @@ b. indien de ontvoeging plaatsvindt in de loop van een boekjaar, het verlies van
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op winst voorzover deze betrekking heeft op fiscaal toelaatbare reserves met betrekking tot activiteiten van een dochtermaatschappij en die reserves op het voegingstijdstip met die dochtermaatschappij bij deze maatschappij reeds aanwezig waren.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VII. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid met een buitenlandse belastingplichtige
|
||||
## Hoofdstuk VII. Specifieke bepalingen bij een fiscale eenheid met een buitenlandse belastingplichtige, een tussenmaatschappij of een topmaatschappij
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -377,25 +382,25 @@ b. indien de ontvoeging plaatsvindt in de loop van een boekjaar, het verlies van
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. buitenlands belastingplichtige maatschappij: een buitenlandse belastingplichtige voorzover die op grond van artikel 15, vierde lid, derde volzin, van de wet deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
|
||||
a. buitenlands belastingplichtige maatschappij: een buitenlandse belastingplichtige voor zover die op grond van artikel 15, achtste lid, van de wet deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
|
||||
b. buitenlands belastingplichtige moedermaatschappij: een buitenlands belastingplichtige maatschappij die als moedermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
|
||||
c. buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij: een buitenlands belastingplichtige maatschappij die als dochtermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
|
||||
d. binnenlands belastingplichtige maatschappij: een binnenlandse belastingplichtige die deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
|
||||
e. binnenlands belastingplichtige moedermaatschappij: een binnenlandse belastingplichtige die als moedermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
|
||||
f. binnenlands belastingplichtige dochtermaatschappij: een binnenlandse belastingplichtige die als dochtermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid;
|
||||
g. hoofdhuis: een buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de wet, voorzover die op grond van die volzin geen deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
|
||||
g. hoofdhuis: een buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 15, achtste lid, van de wet, voor zover die op grond van dat lid geen deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een belastingplichtige die op grond van artikel 2, vierde lid, eerste volzin, van de wet in Nederland, maar op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet in Nederland is gevestigd, maar wel een onderneming drijft met behulp van een in Nederland aanwezige vaste inrichting, aangemerkt als een buitenlandse belastingplichtige.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een belastingplichtige die op grond van artikel 2, vierde lid, eerste of derde volzin, van de wet in Nederland, maar op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet in Nederland is gevestigd, maar wel een onderneming drijft met behulp van een in Nederland aanwezige vaste inrichting, aangemerkt als een buitenlandse belastingplichtige.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.** Bij de toepassing van artikel 15, tweede lid, van de wet blijven aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een belastingplichtige die behoren tot het vermogen van een hoofdhuis buiten beschouwing.
|
||||
**1.** Bij de toepassing van artikel 15, derde lid, van de wet blijven aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een belastingplichtige die behoren tot het vermogen van een hoofdhuis buiten beschouwing. De eerste volzin is niet van toepassing indien het hoofdhuis is gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van artikel 15, derde lid, onderdeel a, van de wet op een buitenlandse belastingplichtige wordt voor «de tijdvakken waarover de belasting wordt geheven» gelezen: de boekjaren.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van de wet op een buitenlandse belastingplichtige wordt voor «de tijdvakken waarover de belasting wordt geheven» gelezen: de boekjaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van de artikelen 15aa, 15ab, tweede tot en met zesde lid, 15ac en 15ae tot en met 15aj van de wet, wordt een buitenlandse belastingplichtige slechts als maatschappij aangemerkt voorzover deze belastingplichtige op grond van artikel 15, vierde lid, derde volzin, van de wet deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
|
||||
**1.** Voor de toepassing van de artikelen 15aa, 15ab, tweede tot en met zevende lid, 15ac en 15ae tot en met 15aj van de wet, wordt een buitenlandse belastingplichtige slechts als maatschappij aangemerkt voor zover deze belastingplichtige op grond van artikel 15, achtste lid, van de wet deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot een buitenlands belastingplichtige maatschappij wordt in artikel 15ae, eerste lid, onderdeel b, artikel 15af, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 15ag, eerste lid, van de wet voor «belastbare winst» gelezen: Nederlands inkomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -425,29 +430,25 @@ Rechtsverhoudingen tussen een dochtermaatschappij van een fiscale eenheid en het
|
|||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot de deelneming van een maatschappij in een buitenlandse belastingplichtige die als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid met die maatschappij, blijft voor het gehele belang sprake van een deelneming waarop de regelingen inzake de deelnemingsvrijstelling, uitsluitingen van de deelnemingsvrijstelling en alle regelingen die daarmee verband houden onverminderd van toepassing zijn als ware er geen fiscale eenheid.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 13, achttiende lid, van de wet is artikel 15 van de wet onverkort van toepassing met betrekking tot schuldverhoudingen tussen een buitenlands belastingplichtige maatschappij en een andere maatschappij die deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid is artikel 15 van de wet onverkort van toepassing met betrekking tot schuldverhoudingen tussen een buitenlands belastingplichtige maatschappij en een andere maatschappij die deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid.
|
||||
**2.** Artikel 13d, achtste lid, van de wet, is niet van toepassing bij de ontvoeging van een deelneming van een maatschappij in een buitenlandse belastingplichtige die als dochtermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid met die maatschappij.
|
||||
|
||||
**3.** Het opgeofferde bedrag voor een deelneming als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts in aanmerking genomen voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat dit bedrag in absolute zin uitgaat boven de aan de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij sinds de voeging toe te rekenen winst van de fiscale eenheid, indien die per saldo uitkomt op een negatief bedrag.
|
||||
**3.** Voor de toepassing van artikel 13d van de wet met betrekking tot een deelneming als bedoeld in het tweede lid of een deelneming die voorheen kwalificeerde als een deelneming als bedoeld in het tweede lid, wordt de in de jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de wet aan de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid geacht mede als positief voordeel uit hoofde van de deelneming te zijn genoten, indien deze winst per saldo uitkomt op een positief bedrag. De vorige volzin is niet van toepassing voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij deze winst niet feitelijk op enigerlei wijze direct of indirect als positief voordeel uit hoofde van de deelneming heeft genoten in de jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de wet. Bij de toepassing van de eerste volzin is artikel 15ah van de wet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 13d, achtste lid, van de wet, is niet van toepassing bij de ontvoeging van een deelneming als bedoeld in het eerste lid. Een beperking van het in aanmerking nemen van het opgeofferde bedrag op de voet van het derde lid blijft onverminderd van toepassing na de ontvoeging van die deelneming.
|
||||
**4.** Indien bij de toepassing van artikel 13d van de wet met betrekking tot een deelneming als bedoeld in het tweede lid of een deelneming die voorheen kwalificeerde als een deelneming als bedoeld in het tweede lid, tot het vermogen van het lichaam waarin die deelneming wordt gehouden onmiddellijk of middellijk een deelneming behoort of heeft behoord, wordt voor de toepassing van artikel 13d, vierde lid, van de wet geen rekening gehouden met de waardeveranderingen van laatstgenoemde deelneming voor zover deze waardeverandering het gevolg is van verliezen die leiden tot een op de voet van artikel 13d, negende lid, van de wet in aanmerking te nemen beperking van het voor de deelneming in het ontbonden lichaam opgeofferde bedrag.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van artikel 13d van de wet met betrekking tot een deelneming als bedoeld in het eerste lid of een deelneming die voorheen kwalificeerde als een deelneming als bedoeld in het eerste lid, wordt de in de jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de wet aan de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid geacht mede als positief voordeel uit hoofde van de deelneming te zijn genoten, indien deze winst per saldo uitkomt op een positief bedrag. De vorige volzin is niet van toepassing voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij deze winst niet feitelijk op enigerlei wijze direct of indirect als positief voordeel uit hoofde van de deelneming heeft genoten in de jaren, bedoeld in artikel 13d, derde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**6.** Bij de toepassing van het derde en vijfde lid is artikel 15ah van de wet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de vaststelling van het opgeofferde bedrag en de positieve voordelen met betrekking tot een deelneming als bedoeld in het eerste lid indien meer dan één maatschappij een belang in die buitenlandse belastingplichtige heeft of indien het belang van een maatschappij in die buitenlandse belastingplichtige gedurende het bestaan van de fiscale eenheid is overgegaan op een andere maatschappij.
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de vaststelling van het opgeofferde bedrag en de positieve voordelen met betrekking tot een deelneming als bedoeld in het tweede lid indien meer dan één maatschappij een belang in die buitenlandse belastingplichtige heeft of indien het belang van een maatschappij in die buitenlandse belastingplichtige gedurende het bestaan van de fiscale eenheid is overgegaan op een andere maatschappij.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
**1.** Indien een buitenlandse belastingplichtige als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en het belang in die dochtermaatschappij een laagbelaste beleggingsdeelneming betreft, stelt de buitenlandse belastingplichtige op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid ten aanzien van haar tot stand komt haar activa en passiva te boek op de waarde in het economische verkeer en voegt zij de door haar gevormde fiscale reserves toe aan de winst. Artikel 35, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Indien een buitenlandse belastingplichtige als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en het belang in die dochtermaatschappij een beleggingsdeelneming niet zijnde een kwalificerende beleggingsdeelneming betreft, stelt de buitenlandse belastingplichtige op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid ten aanzien van haar tot stand komt haar activa en passiva te boek op de waarde in het economische verkeer en voegt zij de door haar gevormde fiscale reserves toe aan de winst. Artikel 35, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Op gezamenlijk verzoek van de moedermaatschappij en de buitenlandse belastingplichtige blijft het eerste lid buiten aanmerking.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet worden positieve voordelen uit hoofde van het belang, bedoeld in het eerste lid, bij de bepaling van de winst van de fiscale eenheid niet in aanmerking genomen, voorzover aannemelijk is dat deze samenhangen met of voortvloeien uit aan de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid. Indien ten aanzien van de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, blijft de eerste volzin buiten toepassing tot het bedrag dat ingevolge dat verzoek niet in de heffing is betrokken.
|
||||
**3.** Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet worden positieve voordelen uit hoofde van het belang, bedoeld in het eerste lid, bij de bepaling van de winst van de fiscale eenheid niet in aanmerking genomen, voor zover aannemelijk is dat deze samenhangen met of voortvloeien uit aan de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid. Indien ten aanzien van de buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, blijft de eerste volzin buiten toepassing tot het bedrag dat ingevolge dat verzoek niet in de heffing is betrokken.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet, worden negatieve voordelen uit hoofde van het belang, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van het zesde lid van dat artikel, bij de bepaling van de winst van de fiscale eenheid slechts in aanmerking genomen voorzover aannemelijk is dat deze samenhangen met of voortvloeien uit werkzaamheden of vermogen van het hoofdhuis.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van artikel 13aa van de wet worden negatieve voordelen uit hoofde van het belang, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van het zesde lid van dat artikel, bij de bepaling van de winst van de fiscale eenheid slechts in aanmerking genomen voor zover aannemelijk is dat deze samenhangen met of voortvloeien uit werkzaamheden of vermogen van het hoofdhuis.
|
||||
|
||||
**5.** Indien op het ontvoegingstijdstip de waarde in het economische verkeer van een belang, bedoeld in het eerste lid, lager is dan de boekwaarde van dat belang, wordt dat belang op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip teboekgesteld op de waarde in het economische verkeer.
|
||||
|
||||
|
|
@ -459,10 +460,6 @@ Rechtsverhoudingen tussen een dochtermaatschappij van een fiscale eenheid en het
|
|||
|
||||
**2.** Bij ontvoeging van een buitenlands belastingplichtige dochtermaatschappij is artikel 15aj, zesde lid, van de wet niet van toepassing op het belang in die buitenlandse belastingplichtige.
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 3a. Fiscale eenheid met een belang in een tussenmaatschappij
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
|
@ -489,17 +486,17 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
**1.** Indien de fiscale eenheid met een buitenlandse belastingplichtige eindigt omdat die belastingplichtige de plaats van werkelijke leiding verplaatst naar Nederland en direct aansluitend aan het ontvoegingstijdstip een nieuwe fiscale eenheid tot stand komt, wordt er voor de toepassing van de artikelen 15ae, 15af, 15ag, 15ai en 15aj, eerste lid, van de wet geacht geen ontvoeging te hebben plaatsgevonden.
|
||||
**1.** Indien de fiscale eenheid met een buitenlandse belastingplichtige eindigt omdat die belastingplichtige de plaats van werkelijke leiding verplaatst naar Nederland en direct aansluitend aan het ontvoegingstijdstip een nieuwe fiscale eenheid tot stand komt, wordt er voor de toepassing van de artikelen 15ab, 15ae, 15af, 15ag, 15ai en 15aj van de wet en artikel 7b geacht geen ontvoeging te hebben plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**2.** De aansluitende fiscale eenheid treedt voor de toepassing van de artikelen 15ad, 15ai en 20, tweede lid, van de wet in de plaats van de voorafgaande fiscale eenheid.
|
||||
**2.** De aansluitende fiscale eenheid treedt voor de toepassing van de artikelen 15ab, tweede lid, 15ad, 15ai, 15aj, zevende lid, en 20, tweede lid, van de wet en artikel 7b in de plaats van de voorafgaande fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.** Indien de fiscale eenheid met een binnenlandse belastingplichtige eindigt omdat die belastingplichtige de plaats van werkelijke leiding verplaatst naar het buitenland met achterlating in Nederland van een vaste inrichting en direct aansluitend aan het ontvoegingstijdstip een nieuwe fiscale eenheid tot stand komt, wordt er voor de toepassing van de artikelen 15ae, 15af en 15ag van de wet geacht geen ontvoeging te hebben plaatsgevonden. Voorts blijft artikel 15ai van de wet buiten toepassing, behoudens voorzover het vermogensbestanddelen betreft die zijn overgedragen door een onderdeel van de belastingplichtige dat als gevolg van de verplaatsing van de plaats van de werkelijke leiding geen deel meer uitmaakt van de fiscale eenheid.
|
||||
**1.** Indien de fiscale eenheid met een binnenlandse belastingplichtige eindigt omdat die belastingplichtige de plaats van werkelijke leiding verplaatst naar het buitenland met achterlating in Nederland van een vaste inrichting en direct aansluitend aan het ontvoegingstijdstip een nieuwe fiscale eenheid tot stand komt, wordt er voor de toepassing van de artikelen 15ab, 15ae, 15af en 15ag van de wet en artikel 7b geacht geen ontvoeging te hebben plaatsgevonden. Voorts blijft artikel 15ai van de wet buiten toepassing, behoudens voorzover het vermogensbestanddelen betreft die zijn overgedragen door een onderdeel van de belastingplichtige dat als gevolg van de verplaatsing van de plaats van de werkelijke leiding geen deel meer uitmaakt van de fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een voortzetting van de fiscale eenheid op de voet van het eerste lid, wordt er voor de toepassing van artikel 15aj, eerste lid, van de wet geacht geen ontvoeging te hebben plaatsgevonden, behoudens voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd door onderscheidenlijk het voornemen tot herinvestering uitsluitend bestond bij een onderdeel van de belastingplichtige dat als gevolg van de verplaatsing van de plaats van werkelijke leiding geen deel meer uitmaakt van de fiscale eenheid.
|
||||
**2.** Bij een voortzetting van de fiscale eenheid op de voet van het eerste lid, wordt er voor de toepassing van artikel 15aj, eerste, tweede of zevende lid, van de wet geacht geen ontvoeging te hebben plaatsgevonden, behoudens voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd door, onderscheidenlijk het voornemen tot herinvestering uitsluitend bestond bij, onderscheidenlijk de schuldvordering of de deelneming werd gehouden door, een onderdeel van de belastingplichtige dat als gevolg van de verplaatsing van de plaats van werkelijke leiding geen deel meer uitmaakt van de fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
**3.** De aansluitende fiscale eenheid treedt voor de toepassing van de artikelen 15ad, 15ai en 20, tweede lid, van de wet in de plaats van de voorafgaande fiscale eenheid. Bij de toepassing van artikel 15ai van de wet geldt de in de plaats treding niet voorzover afrekening op grond van het eerste lid of artikel 15c van de wet heeft plaatsgevonden.
|
||||
**3.** De aansluitende fiscale eenheid treedt voor de toepassing van de artikelen 15ab, tweede lid, 15ad, 15ai, 15aj, zevende lid, en 20, tweede lid, van de wet en artikel 7b in de plaats van de voorafgaande fiscale eenheid. Bij de toepassing van artikel 15ai van de wet geldt het in de plaats treden niet voorzover afrekening op grond van het eerste lid of artikel 15c van de wet heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
### Afdeling 6. Voortzetting fiscale eenheid in andere situaties dan zetelverplaatsing
|
||||
|
||||
|
|
@ -522,10 +519,6 @@ b. de voorgaande fiscale eenheid ten aanzien van die maatschappij niet zou zijn
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk VIII. Voorkoming dubbele belasting
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toedeling van de winst van een fiscale eenheid en te verrekenen buitenlandse belasting in het kader van het verlenen van verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting in situaties waarin dit hoofdstuk van toepassing is.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue