2017-01-01 | BWBR0012022 | Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
This commit is contained in:
parent
ef1dbf75c3
commit
3327c1a6ed
1 changed files with 66 additions and 29 deletions
|
|
@ -19,11 +19,11 @@ citeertitel: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
|
|||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
|
||||
b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit algemene rechtspositie politie, die als gevolg van ontslag verleend op grond van de artikelen 89, eerste tot en met derde lid, 90, eerste, tweede en achtste lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid, onderdelen e, f of g, van het Besluit algemene rechtspositie politie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
|
||||
b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit algemene rechtspositie politie, die als gevolg van ontslag verleend op grond van de artikelen 89, eerste tot en met derde lid, 90, eerste, tweede en achtste lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid, onderdelen e, f of g, van het Besluit algemene rechtspositie politie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
|
||||
c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering bedoeld in hoofdstuk 2;
|
||||
d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering bedoeld in hoofdstuk 3;
|
||||
e. bovenwettelijke uitkering: de aanvullende en aansluitende uitkering gezamenlijk;
|
||||
f. dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, met uitzondering van het bedrag, bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij, in het geval sprake is van partieel uittreden of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 13a respectievelijk 41 van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen onmiddellijk voorafgaand aan het uittreden respectievelijk het verlof;
|
||||
f. dagloon: het dagloon als bedoeld in artikel 1b van de Werkloosheidswet, voor zover het betreft het loon dat betrokkene verdiende in de betrekking bij de politie waaruit hij werkloos is geworden, met uitzondering van het bedrag, bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij, in het geval sprake is van partieel uittreden of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 13a respectievelijk 41 van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen onmiddellijk voorafgaand aan het uittreden respectievelijk het verlof;
|
||||
g. diensttijd:
|
||||
|
||||
voor zover gelegen voor 1 januari 1996:
|
||||
|
|
@ -47,7 +47,8 @@ l. privaatrechtelijke organisatie: de privaatrechtelijke organisatie die de werk
|
|||
m. privatiseringsontslag: het ontslag uit een overheidsbetrekking in het kader van een privatiseringsoperatie;
|
||||
n. WW-uitkering: een uitkering krachtens de Werkloosheidswet;
|
||||
o. ZW-uitkering: een uitkering krachtens de Ziektewet;
|
||||
p. AOW-gerechtigde leeftijd: de leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat.
|
||||
p. AOW-gerechtigde leeftijd: de leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat;
|
||||
q. maandloon: het dagloon, vermenigvuldigd met 21,75.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de bepaling van diensttijd in een aangehouden betrekking wordt in voorkomend geval de diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals dat luidde op 31 december 1995, mede in aanmerking genomen. Het verzoek, bedoeld in artikel D2 van genoemde wet, wordt daarbij geacht te zijn gedaan. Indien voor diensttijd die bij de berekening van de bovenwettelijke uitkering in aanmerking is genomen recht op een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP bestaat, worden de duur en het bedrag van de bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -63,9 +64,24 @@ a. de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt: met een duur gelijk aan 18% v
|
|||
b. 21 jaar of ouder is: met een duur van 19,5% van de diensttijd en vervolgens per leeftijdsjaar vermeerderd met 1,5%;
|
||||
c. 60 jaar of ouder is: met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien uitgaande van het moment van ontslag de maximale duur van de uitkering, berekend op grond van het tweede lid, langer is dan de duur van de WW-uitkering, wordt het verschil in duur tot een maximum van twee jaar in mindering gebracht op de maximale duur. Vervolgens wordt voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan achttien jaar de duur verminderd met een maand tot een maximum van 22 maanden.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
**4.** De duur van de uitkering van de betrokkene die ten tijde van het ontslag maximaal 7,5 jaar jonger is dan de op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn die op basis van het tweede en derde lid is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
|
||||
Indien uitgaande van het moment van ontslag de maximale uitkeringsduur, berekend op grond van het tweede lid, langer is dan de duur van de WW-uitkering, wordt het verschil in duur tot een maximum van twee jaar in mindering gebracht op de maximale uitkeringsduur. Vervolgens wordt:
|
||||
|
||||
a. voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan tien jaar de duur verminderd met een halve maand, tot een maximum van 14 maanden, en
|
||||
b. voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan achttien jaar de duur verminderd met een maand tot een maximum van 22 maanden.
|
||||
|
||||
Bij het berekenen van de vermindering van de maximale uitkeringsduur worden de maanden en de halve maanden bij elkaar opgeteld en wanneer die berekening niet leidt tot een aantal gehele maanden, telt een halve maand voor 15 kalenderdagen.
|
||||
|
||||
**4.** De vermindering van de maximale duur van de uitkering, berekend op grond van het derde lid, kan er niet toe leiden dat de duur van de uitkering korter wordt dan de duur van de WW-uitkering.
|
||||
|
||||
**5.** De duur van de uitkering van de betrokkene die ten tijde van het ontslag maximaal 7,5 jaar jonger is dan de op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn die op basis van het tweede en derde lid is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 2a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 april 2019 wordt de op grond van artikel 2, derde lid, berekende vermindering vermenigvuldigd met een factor A/14, waarbij A staat voor het aantal kalenderkwartalen met ingang van 1 januari 2016 met inbegrip van het kalenderkwartaal waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 april 2019.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -81,7 +97,7 @@ c. 60 jaar of ouder is: met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.
|
|||
|
||||
**1.** Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, ten minste gelijk is aan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de WW-uitkering gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% van het voor de betrokkene geldende dagloon aangevuld.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, korter is dan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daarop volgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld.
|
||||
**2.** Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, korter is dan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daarop volgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de WW-uitkering steeds geacht door de betrokkene onverminderd te zijn genoten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -119,11 +135,11 @@ Indien ten aanzien van de WW-uitkering of de ZW-uitkering een verplichting of ee
|
|||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** De aansluitende uitkering bedraagt tot uiterlijk twee maanden na de dag waarop het ontslag ingaat 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% en vervolgens 70% van het voor betrokkene geldende dagloon. Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, derde lid, is de uitkering gelijk aan 70% van het dagloon.
|
||||
**1.** De aansluitende uitkering bedraagt tot uiterlijk twee maanden na de dag waarop het ontslag ingaat 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% en vervolgens 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
|
||||
|
||||
**2.** Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, derde lid, is de uitkering gelijk aan 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
|
||||
**2.** Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, is de uitkering gelijk aan 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is de uitkering van de betrokkene, bedoeld in artikel 2, vierde lid, gelijk aan 50% van het voor betrokkene geldende dagloon vanaf het moment dat hij de leeftijd van 63 jaar en twee maanden heeft bereikt. De uitkering is in ieder geval gelijk aan het minimumloon in evenredigheid met de betrekkingsomvang van betrokkene op het moment van het ontslag.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is de uitkering van de betrokkene, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, gelijk aan 50% van het voor betrokkene geldende dagloon vanaf het moment dat hij de leeftijd van 63 jaar en twee maanden heeft bereikt. De uitkering is in ieder geval gelijk aan het minimumloon in evenredigheid met de betrekkingsomvang van betrokkene op het moment van het ontslag.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de termijn waarin de betrokkene reeds recht heeft gehad op aanvullende uitkering.
|
||||
|
||||
|
|
@ -159,7 +175,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking en de betrokkene wederom werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn aanvraag het recht op een bovenwettelijke uitkering voor zover een nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan.
|
||||
**1.** Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel is geëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking en de betrokkene wederom werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn aanvraag het recht op een bovenwettelijke uitkering voor zover een nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die onmiddellijk aansluitend aan zijn ontslag een nieuwe dienstbetrekking heeft aanvaard en die werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, heeft op zijn aanvraag recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit voor zover een recht op een WW-uitkering zou zijn ontstaan op het moment van ontslagverlening en voor zover een recht op WW-uitkering bestaat op het moment van werkloos worden, met ingang van de eerste dag waarop recht op WW-uitkering is ontstaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -171,23 +187,47 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene van wie het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is beëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking, ontvangt op zijn aanvraag gedurende de op basis van artikel 2 voor hem vastgestelde uitkeringsduur voor zover deze nog niet is verstreken, een loonaanvulling, indien het dagloon in de nieuwe betrekking minder bedraagt dan het dagloon uit de betrekking waaruit hij werkloos is geworden.
|
||||
**1.** De betrokkene die een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt, kan op zijn aanvraag gedurende de op basis van artikel 2 voor hem vastgestelde uitkeringsduur een loonaanvulling krijgen, indien de door hem ontvangen WW-uitkering, bovenwettelijke uitkering en het inkomen uit de nieuwe dienstbetrekking per maand tezamen minder bedragen dan het maandloon.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het maximum bedrag tot waaraan loonaanvulling plaatsvindt, wordt als volgt berekend:
|
||||
|
||||
a. (B/C) x (D x E) = F
|
||||
b. (G/C) x E – H = I
|
||||
c. F + H + I = J
|
||||
|
||||
Hierbij staat voor:
|
||||
|
||||
B het aantal uren werkloosheid dat zou resteren, indien het recht zou zijn beëindigd op basis van het aantal uren van de nieuwe dienstbetrekking;
|
||||
|
||||
C het aantal arbeidsuren dat betrokkene gemiddeld per week in de politiedienstbetrekking werkzaam was in de 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan de kalenderweek waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen;
|
||||
|
||||
D het voor betrokkene geldende uitkeringspercentage van de bovenwettelijke uitkering;
|
||||
|
||||
E het maandloon;
|
||||
|
||||
F het bedrag van de uitkering waarop bij urenverrekening aanspraak had bestaan;
|
||||
|
||||
G het aantal uren van de nieuwe dienstbetrekking, waarbij geldt dat indien G groter is dan C, G wordt gemaximeerd op C;
|
||||
|
||||
H het inkomen per maand uit de nieuwe dienstbetrekking;
|
||||
|
||||
I de loonsuppletie waarop bij urenverrekening aanspraak had bestaan;
|
||||
|
||||
J het maximum bedrag tot waaraan per maand loonaanvulling plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De loonaanvulling eindigt:
|
||||
|
||||
a. zodra de betrokkene opnieuw volledig werkloos wordt;
|
||||
b. zodra het dagloon in de nieuwe betrekking gelijk is aan dan wel hoger is dan het dagloon uit de betrekking op grond waarvan het recht op uitkering bestond; of
|
||||
c. zodra de voor betrokkene geldende uitkeringsduur is verstreken.
|
||||
a. zodra de nieuwe dienstbetrekking eindigt;
|
||||
b. zodra het totaal aan WW-uitkering, bovenwettelijke uitkering en inkomen uit de nieuwe dienstbetrekking per maand gelijk aan of hoger is dan het maandloon; of
|
||||
c. zodra de voor betrokkene op basis van artikel 2 vastgestelde uitkeringsduur is verstreken.
|
||||
|
||||
**3.** De hoogte van de loonaanvulling is gelijk aan het verschil tussen het dagloon in zijn nieuwe betrekking en het dagloon van de betrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden.
|
||||
**4.** Betrokkene dient een aanvraag om loonaanvulling in binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe dienstbetrekking door middel van een daarvoor bestemd formulier. Bij overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
**4.** De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de omvang van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe betrekking groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling het feitelijke verschil in dagloon tussen de oude en de nieuwe betrekking.
|
||||
|
||||
**5.** Betrokkene dient een aanvraag om loonaanvulling in binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking door middel van een daarvoor bestemd formulier. Bij overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
**6.** De loonaanvulling telt niet mee voor de berekening van het pensioen.
|
||||
**5.** De loonaanvulling telt niet mee voor de berekening van het pensioen.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
|
|
@ -249,27 +289,24 @@ Indien de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januar
|
|||
|
||||
### Artikel 26b
|
||||
|
||||
De artikelen 2 en 8 van dit besluit zoals deze luidden op 31 december 2004 blijven van toepassing op de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2005.
|
||||
De artikelen 2 en 8 van dit besluit zoals deze luidden op 31 december 2004 blijven van toepassing op de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2005.
|
||||
|
||||
### Artikel 26c
|
||||
|
||||
De artikelen 2, 4 en 9 van dit besluit zoals deze luidden op 31 december 2010, blijven van toepassing op de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2011.
|
||||
|
||||
### Artikel 26cb
|
||||
|
||||
De artikelen 2, vierde lid, en 8, vierde lid, zoals die luidden op 30 juni 2016, blijven van toepassing ingeval de betrokkene:
|
||||
|
||||
a. op 1 juli 2016 gebruik maakt van de regelingen vervat in die artikelonderdelen, of
|
||||
b. in de periode op of na 1 januari 2013 tot uiterlijk 1 juli 2016 gebruik heeft gemaakt van die regelingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 26ca
|
||||
|
||||
Voor de ambtenaar die voor 1 januari 2006 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, blijft het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie gelden, zoals dat luidde op 28 december 2005.
|
||||
Het artikel 2 van dit besluit, zoals dat luidde op de dag direct voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van onderhavig artikel, blijft van toepassing op de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor die datum. In dat geval is artikel 2a niet op betrokkene van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 26d
|
||||
|
||||
Dit besluit berust op de artikelen 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 en artikel 10, vijfde lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 26da
|
||||
|
||||
Voor de ambtenaar die voor 1 januari 2006 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, blijft het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie gelden, zoals dat luidde op 28 december 2005.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue