diff --git a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md index 76b9b29bfb5..4cd234825ad 100644 --- a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md +++ b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md @@ -110,7 +110,7 @@ b. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalender **thuiswonende student**: student die niet een uitwonende student is, -**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van artikel 3.17, voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar, +**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar, **uitwonende student**: student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, @@ -513,7 +513,7 @@ De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs **1.** Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar. -**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2023: € 19.652,25. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2023: € 24.898,37. +**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2024: € 20.414,76. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2024: € 25.864,43. **3.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar. @@ -534,8 +534,9 @@ b. € 363 voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voora Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat: -a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2023: € 17.613,07; en -b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2023: € 22.314,61. +a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2024: € 18.296,46; +b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2024: € 23.180,42; en +c. voor het bruto kortingsbedrag op jaarbasis, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, een percentage wordt gelezen van 13,6% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar. ### Artikel 3.10 @@ -650,53 +651,7 @@ In afwijking van de artikelen 3.16a, tweede lid, en 3.16d, eerste lid, kan een s ### Artikel 3.17 -**1.** Indien een mbo-student in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de mbo-student. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2023: € 16.121,60. - -**2.** Vervallen. - -**3.** - -Tot het meerinkomen worden niet gerekend: - -a. een uitkering op grond van de Participatiewet, de Toeslagenwet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, -b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen, en -c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in het kalenderjaar waarin de mbo-student zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een mbo-student hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt. - -**4.** Voor iedere maand dat een mbo-student een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2023: € 371,42 buiten beschouwing. - -**5.** - -Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de mbo-student aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen mbo-student was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen: - -a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of -b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar. - -**6.** - -Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de mbo-student herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12: - -a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wet inkomstenbelasting 2001, -b. de negatieve persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001, -c. de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel j, van de Wet inkomstenbelasting 2001, -d. het inkomen uit aanmerkelijk belang, bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en -e. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen. - -**7.** - -Indien een mbo-student in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die mbo-student aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die mbo-student toegekende bedragen aan: - -a. basisbeurs, -b. aanvullende beurs, -c. toeslag eenoudergezin, en -d. voor iedere maand waarin de mbo-student op enig moment beschikte over de reisvoorziening, een bedrag gelijk aan een twaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend. - -**8.** Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de artikelen 6.3, eerste lid, en 6.4, met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop Onze Minister een vordering wegens meerinkomen heeft vastgesteld. - -**9.** Indien een mbo-student voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze mbo-student niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald. - -**10.** De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de mbo-student toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet. - -**11.** Een aanvraag van de mbo-student aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar. +Vervallen ### Paragraaf 3.5. Normbedragen @@ -704,7 +659,7 @@ d. voor iedere maand waarin de mbo-student op enig moment beschikte over de reis De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2023 en voor overzicht 1, onderdeel B, en overzicht 2, onderdeel B, naar de maatstaf van 1 september 2023: -^1 Voor mbo-studenten die lesgeld verschuldigd zijn, wordt de maximale aanvullende beurs/lening ingevolge artikel 3.2, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 vanaf 1 januari 2023 verhoogd met € 103,25 en per 1 augustus 2023 met € 113,08 per maand. +^1 Voor mbo-studenten die lesgeld verschuldigd zijn, wordt de maximale aanvullende beurs/lening ingevolge artikel 3.2, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 vanaf 1 januari 2023 verhoogd met € 103,25 per 1 januari 2024: € 113,08 en per 1 augustus 2023 met € 113,08 per 1 januari 2024: € 118,25 per maand. ### Artikel 3.18a @@ -806,8 +761,8 @@ b. het reisproduct op grond van artikel 3.24, tweede of vierde lid, is vervangen Indien gebruik is gemaakt van het reisproduct na het moment, bedoeld in het eerste lid, aanhef, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019: -a. € 75,00 per 1 januari 2023: € 81,40 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en -b. € 150,00 per 1 januari 2023: € 162,82 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft. +a. € 75,00 per 1 januari 2024: € 89,54 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en +b. € 150,00 per 1 januari 2024: € 179,10 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft. **3.** De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van die maand. @@ -917,7 +872,7 @@ Onverminderd artikel 4.7, eerste en tweede lid, komt een mbo-student die jonger **2.** Indien een mbo-student een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt. -**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2023: € 1.028,33. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden. +**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2024: € 1.131,16. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden. **4.** Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18. @@ -989,7 +944,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschre **1.** Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift. -**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2023: € 1.028,33. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift. +**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2024: € 1.131,16. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift. **3.** Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18. @@ -1049,7 +1004,7 @@ b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, **3.** De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs. -**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2023: € 1.028,33. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. +**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2024: € 1.131,16. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. **5.** Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid. @@ -2047,10 +2002,10 @@ In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitw | | thuiswonende | uitwonende | | --- | --- | --- | -| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2023: € 728,19 | € 833,22 per 1 januari 2023: € 957,87 | -| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2023: € 115,26 | € 279,14 per 1 januari 2023: € 320,90 | -| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2023: € 283,26 | € 258,35 per 1 januari 2023: € 307,30 | -| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2023: € 329,67 | € 295,73 per 1 januari 2023: € 329,26 | +| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2024: € 872,60 | € 833,22 per 1 januari 2024: € 1.053,66 | +| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2024: € 121,33 | € 279,14 per 1 januari 2024: € 302,39 | +| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2024: € 457,60 | € 258,35 per 1 januari 2024: € 457,60 | +| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2024: € 293,67 | € 295,73 per 1 januari 2024: € 293,67 | **3.** Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen. @@ -2072,10 +2027,13 @@ a. in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studi b. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding heeft afgerond; en c. niet eerder het gehele vouchertegoed van een voucher als bedoeld in artikel 12.15, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs, heeft verzilverd. -3. De tegemoetkoming bedraagt voor een rechthebbende die de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde voucher niet heeft verzilverd € 1.835,94. Indien een rechthebbende de voucher reeds gedeeltelijk heeft verzilverd, bedraagt voor deze rechthebbende de tegemoetkoming de resterende waarde van de voucher, met een maximum van het bedrag genoemd in de eerste volzin. -4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval nadere regels gesteld over de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming. -5. De tegemoetkoming wordt toegekend vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. -6. Artikel 1.7 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: rechthebbende op een tegemoetkoming. +**3.** De tegemoetkoming bedraagt voor een rechthebbende die de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde voucher niet heeft verzilverd € 1.835,94 Per 1 januari 2024 € 2.019,53. Indien een rechthebbende de voucher reeds gedeeltelijk heeft verzilverd, bedraagt voor deze rechthebbende de tegemoetkoming de resterende waarde van de voucher, met een maximum van het bedrag genoemd in de eerste volzin. + +**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval nadere regels gesteld over de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming. + +**5.** De tegemoetkoming wordt toegekend vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. + +**6.** Artikel 1.7 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: rechthebbende op een tegemoetkoming. ### Artikel 12.16 @@ -2155,30 +2113,7 @@ Op de mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs ### Artikel 12.30 -**1.** In dit artikel wordt onder tegemoetkoming begrepen: een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin een ho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken op een basisbeurs. - -**2.** - -Voor een tegemoetkoming komt in aanmerking, degene die: - -a. in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2023 ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken op een basisbeurs; -b. gedurende de periode, bedoeld in onderdeel a, ten minste twaalf maanden aanspraak maakte op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, niet zijnde het collegegeldkrediet; en -c. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld in artikel 5.7 heeft afgerond. - -**3.** De tegemoetkoming bedraagt € 29,92 per 1 januari 2025: € 34,17 per maand voor iedere maand binnen de periode, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, dat de rechthebbende op een tegemoetkoming aanspraak maakte op studiefinanciering, niet zijnde het collegegeldkrediet, tot een maximum van de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, en indien van toepassing, vermeerderd met de periode, genoemd in artikel 5.2b, eerste of tweede lid. - -**4.** In afwijking van het derde lid wordt, indien van toepassing, voor de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, gelezen: de duur, genoemd in artikel 5.7, eerste of derde lid. - -**5.** - -Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval regels gesteld over: - -a. de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming; -b. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend. - -**6.** Onze Minister past het bedrag, genoemd in het derde lid, overeenkomstig artikel 11.1 aan. - -**7.** Artikel 1.7 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: de rechthebbende op een tegemoetkoming. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel 12.31