2016-07-01 | BWBR0037866 | Besluit Erfgoedwet archeologie

This commit is contained in:
Coornhert 2016-07-01 12:00:00 +00:00
parent 4efb36f215
commit 35af1bc237

View file

@ -40,8 +40,8 @@ De vrijstelling is niet van toepassing op:
a. een rijksmonument;
b. een monument of archeologisch monument waarvoor de toezending van het ontwerpbesluit tot aanwijzing als rijksmonument op grond van artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden, vanaf de dag van die toezending tot het moment van inschrijving in het rijksmonumentenregister of het moment waarop vaststaat dat het monument of archeologisch monument niet wordt ingeschreven in dat register;
c. een provinciaal monument of een voorbeschermd provinciaal monument als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
d. een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; en
c. een krachtens een provinciale verordening aangewezen monument of archeologisch monument, dan wel een monument of archeologisch monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is;
d. gemeentelijke monumenten; en
e. terreinen waar een opgraving door een certificaathouder of een opgraving op grond van artikel 2.1 wordt verricht.
**3.** Artikel 5.10 van de wet is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde opgravingen.
@ -52,13 +52,13 @@ e. terreinen waar een opgraving door een certificaathouder of een opgraving op g
### Artikel 2.3
**1.** Het opgravingsverbod in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op een opgraving in gemeentelijk ingedeeld gebied die wordt verricht door een vereniging die het behouden en beoefenen van archeologie als statutair doel heeft.
**1.** Het opgravingsverbod in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op een opgraving die wordt verricht door een vereniging die het behouden en beoefenen van archeologie als statutair doel heeft.
**2.**
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid is slechts van toepassing indien:
a. het terreinen betreft waarvan het college van burgemeester en wethouders heeft vastgesteld dat nader archeologisch onderzoek niet is vereist, en
a. het terreinen betreft waarvan het college van burgemeester en wethouders of, indien het een gebied betreft dat niet tot het grondgebied van een gemeente behoort, het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, heeft vastgesteld dat nader archeologisch onderzoek niet is vereist, en
b. de vereniging niet in opdracht van een derde handelt.
**3.**
@ -67,7 +67,7 @@ Het eerste lid is niet van toepassing op een:
a. rijksmonument;
b. monument of archeologisch monument waarvoor de toezending van het ontwerpbesluit tot aanwijzing als rijksmonument op grond van artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden, vanaf de dag van die toezending tot het moment van inschrijving in het rijksmonumentenregister of het moment waarop vaststaat dat het monument of archeologisch monument niet wordt ingeschreven in dat register; en
c. een provinciaal monument of een voorbeschermd provinciaal monument als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
c. krachtens een provinciale verordening aangewezen monument of archeologisch monument, dan wel een monument of archeologisch monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is.
**4.** De artikelen 5.4, eerste lid, en 5.6 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde opgravingen.
@ -79,60 +79,6 @@ c. een provinciaal monument of een voorbeschermd provinciaal monument als bedoel
**3.** De artikelen 5.4, eerste en tweede lid, en 5.6, van de wet, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde opgravingen.
### Artikel 2.5
**1.** Onze Minister kan aan een vereniging die het behouden en beoefenen van archeologie als statutair doel heeft, op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, voor zover het betreft cultureel erfgoed onder water voor een periode van maximaal één jaar.
**2.** Artikel 5.4, eerste lid, en artikel 5.6 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.**
De ontheffing ziet slechts op de volgende handelingen:
a. het meenemen van een archeologische vondst die acuut wordt bedreigd door natuurlijke processen;
b. het meenemen van een archeologische vondst die dient ter identificatie van het archeologisch monument; of
c. het verrichten van kleinschalige onderzoekshandelingen met zeer beperkte gevolgen voor de archeologische waarde van het archeologisch monument.
**4.**
De ontheffing is niet van toepassing op:
a. de gevallen, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onder a tot en met e;
b. een wrak van een militair vliegtuig;
c. een wrak van een oorlogsschip, tenzij
1°. de vlaggenstaat hiervoor toestemming heeft verleend; of
2°. de vlaggenstaat onbekend is; en
d. gevallen waarin de vereniging in opdracht van een derde handelt.
**5.** Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
**6.** Onze Minister kan de ontheffing intrekken.
**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de aanvraag, wijziging, weigering en intrekking van een ontheffing alsmede ten aanzien van de voorschriften bedoeld in het vijfde lid.
### Artikel 2.6
**1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op een opgraving die wordt verricht in het kader van het verkrijgen van een certificaat, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet.
**2.** Artikel 5.4, eerste en tweede lid, en artikel 5.6 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 2.7
**1.**
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op een opgraving die door de Minister van Defensie wordt verricht met betrekking tot:
a. militaire vliegtuigwrakken;
b. slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog; of
c. niet-gesprongen explosieven.
**2.** Artikel 5.6, eerste en vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing op een opgraving bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a.
**3.** De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing indien een archeologische waardering heeft plaatsgevonden.
**4.** Onze Minister en Onze Ministers van Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stellen een protocol vast over de werkwijze met betrekking tot de archeologische waardering.
## Hoofdstuk 3. Nadere regels rond certificering
### Artikel 3.1
@ -280,7 +226,7 @@ Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.
### Artikel 5.1
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.
### Artikel 5.2