2005-02-18 | BWBR0006746 | Voertuigreglement

This commit is contained in:
Coornhert 2005-02-18 12:00:00 +00:00
parent c9ac62b6fb
commit 3656862810

View file

@ -27,7 +27,7 @@ f1. ashefinrichting: een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de bela
g. asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;
g1: autogordel: een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;
g2. autonome aanhangwagen: aanhangwagen met minimaal twee assen, waarvan in ieder geval één gestuurd is, en die is uitgerust met een beweegbare trekinrichting die het trekkend voertuig verticaal met minder dan 100 kg belast; als autonome aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een gekoppelde dolly met een oplegger;
h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouwtrekker een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, en
h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouw- of bosbouwtrekker een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, en
1. ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of
2. ingericht voor het vervoer van goederen, of
@ -58,7 +58,7 @@ n2. contourmarkering: retroreflecterende belijning, aangebracht aan de zijkant o
n3. dagrijlicht: een licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken.
o. dimlicht: licht waarmee de weg vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers worden verblind of gehinderd;
p. dolly: aanhangwagen, bestemd voor het dragen van de voorzijde van een oplegger dan wel een deel van in de lengte ondeelbare lading;
q. driewielig motorrijtuig: motorrijtuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm^3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouwtrekker of een gehandicaptenvoertuig; onder driewielig motorrijtuig wordt mede verstaan een vierwielig motorrijtuig met een motor met een netto maximum vermogen van ten hoogste 15 kW, en met een ledige massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer, exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, niet zijnde een vierwielig motorrijtuig als bedoeld in onderdeel m;
q. driewielig motorrijtuig: motorrijtuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm^3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouw- of bosbouwtrekker of een gehandicaptenvoertuig; onder driewielig motorrijtuig wordt mede verstaan een vierwielig motorrijtuig met een motor met een netto maximum vermogen van ten hoogste 15 kW, en met een ledige massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer, exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, niet zijnde een vierwielig motorrijtuig als bedoeld in onderdeel m;
q1. EG-goedkeuringsmerk: goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 92/61/EEG of artikel 8 van richtlijn 2002/24/EG;
q2. fabrikant: persoon of organisatie die verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie;
q3. Geconditioneerd voertuig: voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn;
@ -82,10 +82,15 @@ z. kermis- en circusvoertuig: voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden,
z1: kinderbeveiligingssysteem: een geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker beperkt;
z2: klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt.
aa. lading: alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel daaronder niet begrepen;
ab. landbouwtrekker: motorrijtuig met twee of meer assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen, in beweging brengen of aandrijven van werktuigen, machines of aanhangwagens, die zijn bestemd voor gebruik in de landbouw;
ab. landbouw- of bosbouwtrekker: motorrijtuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders;
ab1. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T1: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 1000 mm;
ab2. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T2: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 600 mm, met dien verstande dat wanneer echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de landbouw- of bosbouwtrekker ten opzichte van het wegdek gemeten , gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, de door de constructie bepaalde maximumsnelheid beperkt is tot 30 km/h;
ab3. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T3: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
ab4. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T5: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h;
ac. lastdrager: constructie, met inbegrip van hulpmiddelen, die aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig is aangebracht en bestemd is voor het vervoer van goederen;
ad. ledige massa: massa van het voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd, met dien verstande dat in afwijking hiervan voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, die in gebruik zijn genomen na 16 juni 1999, de ledige massa wordt bepaald met een lege brandstoftank;
ad1. lijnmarkering: retroreflecterende belijning aangebracht aan de zijkant of aan de achterkant van een voertuig en bestemd om de totale lengte, dan wel totale breedte van het voertuig kenbaar te maken.
ad1. lege massa in rijklare toestand: massa van een rijklare landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van de kantelbeveiligingsinrichting, zonder facultatieve accessoires, maar met koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, outillage en bestuurder;
ad2. lijnmarkering: retroreflecterende belijning aangebracht aan de zijkant of aan de achterkant van een voertuig en bestemd om de totale lengte, dan wel totale breedte van het voertuig kenbaar te maken.
ae. loopvlak: deel van de band dat gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;
af. luchtband: band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische;
ag. markeringslicht: licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven;
@ -98,7 +103,7 @@ am. mistlicht aan de achterzijde: licht dat het voertuig bij dichte mist aan de
an. mistlicht aan de voorzijde: licht, bestemd voor een betere verlichting van de weg bij mist, sneeuwval, hevige regenval of stofwolken;
an1. mobiliteitshandicap: eigenschap welke het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
ao. motorfiets: motorrijtuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, alsmede een motorrijtuig op drie asymmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als motorfiets is aangeduid;
ap. motorrijtuig met beperkte snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan: motorrijtuig niet zijnde een landbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en
ap. motorrijtuig met beperkte snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan: motorrijtuig niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en
1. ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten de wegen;
2. ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen.
@ -108,7 +113,7 @@ aq1. onderdeel: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de e
aq2. oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel van het type waarvan het voertuig bij de typegoedkeuring of de uitbreiding daarvan is voorzien;
ar. oplegger: aanhangwagen die is bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld op zodanige wijze, dat een deel ervan op het motorrijtuig rust en dat een aanzienlijk deel van de massa van de oplegger en van zijn lading door het motorrijtuig wordt gedragen;
as. parkeerlicht: licht, bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;
at. personenauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een landbouwtrekker, een gehandicaptenvoertuig een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of een kampeerauto; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als personenauto is aangeduid;
at. personenauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, een gehandicaptenvoertuig een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of een kampeerauto; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als personenauto is aangeduid;
au. remlicht: licht, bestemd om weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient;
av. retroreflector: inrichting, bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt;
aw. richtingaanwijzer: licht, bestemd om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te veranderen;
@ -157,12 +162,19 @@ i. richtlijn 71/320/EEG: richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van de Europese Ge
j. richtlijn 72/245/EEG: richtlijn nr. 72/245/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1972 betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L 152);
k. richtlijn 74/60/EEG: richtlijn nr. 74/60/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (delen van het interieur met uitzondering van achteruitkijkspiegel(s), plaats van de bedieningsorganen, dak of rol- of schuifdak, rugleuning en achterzijde van de zitplaatsen) (PbEG L 38);
l. richtlijn 74/61/EEG: richtlijn nr. 74/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de inrichtingen ter beveiliging tegen het gebruik van motorvoertuigen door onbevoegden (PbEG L 38);
l1. richtlijn 74/151/EEG: richtlijn nr. 74/151/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
l2. richtlijn 74/152/EEG: richtlijn nr. 74/152/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
m. richtlijn 74/297/EEG: richtlijn nr. 74/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (gedrag van de stuurinrichting bij botsingen) (PbEG L 165);
m1. richtlijn 74/346/EEG: richtlijn nr. 74/346/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 191);
m2. richtlijn 74/347/EEG: richtlijn nr. 74/347/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 191);
n. richtlijn 74/408/EEG: richtlijn nr. 74/408/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1974 met betrekking tot de zitplaatsen en de bevestiging en hoofdsteunen daarvan in motorvoertuigen (PbEG L 221);
o. richtlijn 74/483/EEG: richtlijn nr. 74/483/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de naar buiten uitstekende delen van motorvoertuigen (PbEG L 266);
o1. richtlijn 75/321/EEG: richtlijn nr. 75/321/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147);
o2. richtlijn 75/322/EEG: richtlijn nr. 75/322/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de onderdrukking van radiostoringen veroorzaakt door motoren met elektrische ontstekingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147);
p. richtlijn 75/443/EEG: richtlijn nr. 75/443/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achteruitrijinrichtingen en de snelheidsmeter van motorvoertuigen (PbEG L 196);
q. richtlijn 76/114/EEG: richtlijn nr. 76/114/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de voorgeschreven platen en gegevens, en de plaats en wijze waarop zij op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan moeten worden aangebracht (PbEG 1976, L 24);
r. richtlijn 76/115/EEG: richtlijn nr. 76/115/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende bevestigingspunten voor veiligheidsgordels van motorvoertuigen (PbEG 1976, L 24);
r1. richtlijn 76/432/EEG: richtlijn nr. 76/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 122);
s. richtlijn 76/756/EEG: richtlijn nr. 76/756/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
t. richtlijn 76/757/EEG: richtlijn nr. 76/757/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende retroflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
u. richtlijn 76/758/EEG: richtlijn nr. 76/758/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 27 september 1976, L 262);
@ -170,7 +182,10 @@ v. richtlijn 76/759/EEG: richtlijn nr. 76/759/EEG van de Raad van de Europese Ge
w. richtlijn 76/760/EEG: richtlijn nr. 76/760/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achterkentekenplaatverlichting van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
x. richtlijn 76/761/EEG: richtlijn nr. 76/761/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische gloeilampen voor deze koplichten (PbEG L 262);
y. richtlijn 76/762/EEG: richtlijn nr. 76/762/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende mistlichten voor alsmede lampen daarvan, voor motorvoertuigen (PbEG L 262);
y1. richtlijn 76/763/EEG: richtlijn nr. 76/763/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 262);
y2. richtlijn 77/311/EEG: richtlijn nr. 77/311/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 maart 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 105);
z. richtlijn 77/389/EEG: richtlijn nr. 77/389/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake sleepinrichtingen voor motorvoertuigen (PbEG L 145);
z1. richtlijn 77/536/EEG: richtlijn nr. 77/536/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 220);
aa. richtlijn 77/538/EEG: richtlijn nr. 77/538/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de mistlichten achter van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 220);
ab. richtlijn 77/539/EEG: richtlijn nr. 77/539/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 220);
ac. richtlijn 77/540/EEG: richtlijn nr. 77/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende parkeerlichten van motorvoertuigen (PbEG L 220);
@ -181,11 +196,22 @@ ag. richtlijn 78/317/EEG: richtlijn nr. 78/317/EEG van de Raad van de Europese G
ah. richtlijn 78/318/EEG: richtlijn nr. 78/318/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende ruitewissers en ruitesproeiers van motorvoertuigen (PbEG 1978, L 81);
ai. richtlijn 78/548/EEG: richtlijn nr. 78/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de verwarming van het interieur van motorvoertuigen (PbEG L 168), naar de tekst zoals deze luidde op 8 mei 2004;
aj. richtlijn 78/549/EEG: richtlijn nr. 78/549/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de wielafschermingen van motorvoertuigen (PbEG L 168);
aj1. richtlijn 78/764/EEG: richtlijn nr. 78/764/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 255);
ak. richtlijn 78/932/EEG: richtlijn nr. 78/932/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van motorvoertuigen (PbEG L 325);
ak1. richtlijn 78/933/EEG: richtlijn nr. 78/933/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 325);
ak2. richtlijn 79/532/EEG: richtlijn nr. 79/532/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 145);
ak3. richtlijn 79/533/EEG: richtlijn nr. 79/533/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de sleepinrichting en de achteruitrijinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 145);
ak4. richtlijn 79/622/EEG: richtlijn nr. 79/622/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven; PbEG L 179);
ak5. richtlijn 80/720/EEG: richtlijn nr. 80/720/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de bedieningsruimte, de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 194);
al. richtlijn 80/780/EEG: richtlijn nr. 80/780/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende achteruitkijkspiegels van tweewielige motorvoertuigen, met of zonder zijspan, en de bevestiging ervan op deze voertuigen (PbEG L 229);
am. richtlijn 80/1268/EEG: richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de emissie van kooldioxide en het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375);
an. richtlijn 80/1269/EEG: richtlijn nr. 80/1269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het motorvermogen van motorvoertuigen (PbEG L 375);
an1. richtlijn 88/77/EEG: richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36);
an1. richtlijn 86/297/EEG: richtlijn nr. 86/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende aftakassen en de beveiliging daarvan bij landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 186);
an2. richtlijn 86/298/EEG: richtlijn nr. 86/298/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 1986 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of bosbouwsmalspoortrekkers (PbEG L 186);
an3. richtlijn 86/415/EEG: richtlijn nr. 86/415/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 240);
an4. richtlijn 87/402/EEG: richtlijn nr. 87/402/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigende kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (PbEG L 220);
an5. richtlijn 88/77/EEG: richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36);
an6. richtlijn 89/173/EEG: richtlijn nr. 89/173/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 67);
ao. richtlijn 89/297/EEG: richtlijn nr. 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zijdelingse afscherming (zijdelingse beschermingsinrichtingen) bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 124);
ap. richtlijn 92/6/EEG: richtlijn nr. 92/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PbEG L 57);
aq. richtlijn 92/21/EEG: richtlijn nr. 92/21/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen van categorie M1 (PbEG L 129);
@ -218,8 +244,9 @@ bq. richtlijn 2000/40/EG: richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en
br. richtlijn 2001/56/EG: richtlijn 2001/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 inzake de verwarming van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn 78/548/EEG van de Raad (PbEG L 292);
bs. richtlijn 2001/85/EG: richtlijn nr. 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad en van richtlijn 97/27/EG (PbEG L 42);
bt. richtlijn 2002/24/EG: richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG (PbEU L 124);
bu. richtlijn 2003/102/EG: richtlijn nr. 2003/102/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 betreffende de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers voor en bij een botsing met een motorvoertuig en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 321).
bw. richtlijn 2003/97/EG: richtlijn nr. 2003/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 (PbEG L 25) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de typegoedkeuring van inrichtingen voor indirect zicht en van voertuigen met deze inrichtingen, tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG en tot intrekking van Richtlijn 71/127/EEG.
bu. richtlijn 2003/37/EG: richtlijn nr. 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PbEU L 171);
bv. richtlijn 2003/97/EG: richtlijn nr. 2003/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 (PbEG L 25) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de typegoedkeuring van inrichtingen voor indirect zicht en van voertuigen met deze inrichtingen, tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG en tot intrekking van Richtlijn 71/127/EEG;
bw. richtlijn 2003/102/EG: richtlijn nr. 2003/102/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 betreffende de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers voor en bij een botsing met een motorvoertuig en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 321).
**2.** In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder ECE-reglement 104: VN/ECE-reglement nr. 104 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens, behorende bij de overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.
@ -234,7 +261,7 @@ b. breedte van een voertuig: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakke
c. hoogte van een voertuig: de verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een horizontaal wegdek in de rijstand;
d. lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten.
**2.** Onverminderd het eerste lid worden bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouwtrekkers of achter motorrijtuigen met beperkte snelheid, die krachtens dit besluit zijn voorgeschreven of toegestaan, de door Onze Minister bij ministeriële regeling aan te wijzen delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten.
**2.** Onverminderd het eerste lid worden bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers of achter motorrijtuigen met beperkte snelheid, die krachtens dit besluit zijn voorgeschreven of toegestaan, de door Onze Minister bij ministeriële regeling aan te wijzen delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten.
### Artikel 1.3
@ -397,6 +424,12 @@ b. die voldoen aan artikel 2, vierde lid van richtlijn nr. 2001/92/EG van de Eur
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bedrijfsautos met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 88/77/EEG.
### Artikel 1a.13
**1.** Met ingang van 1 juli 2009 is het verboden nieuwe landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2003/37/EG, en niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage III, van die richtlijn.
**2.** Met ingang van 1 juli 2009 is het verboden nieuwe systemen, onderdelen of technische eenheden bestemd voor landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 2003/37/EG.
## Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
### Paragraaf 1. Categorieën toelatingskeuring
@ -409,16 +442,17 @@ De in hoofdstuk 3 genoemde categorieën voertuigen, voertuigonderdelen, uitrusti
**1.**
Onze Minister kan bepalen dat voor:
Onze Minister kan bepalen dat goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen, voor:
a. voertuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG, dan wel artikel 15 van richtlijn 2002/24/EG,
b. voertuigen die zijn vervaardigd voor een speciaal gebruiksdoel,
c. voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EEG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in hoofdstuk 3 gestelde eisen wordt voldaan,
d. voertuigen waarvoor een goedkeuring als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet wordt gevraagd,
a. voertuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG, artikel 15 van richtlijn 2002/24/EG of artikel 9 van richtlijn 2003/37/EG worden vervaardigd;
b. voertuigen waarvoor een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet;
c. voertuigen die zijn vervaardigd voor een speciaal gebruiksdoel.
goedkeuring, dan wel in het geval bedoeld onder *c* tijdelijk goedkeuring, kan worden verleend waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen. Daarbij wordt met betrekking tot de in onderdeel *b* bedoelde voertuigen het bepaalde in artikel 4 van richtlijn 70/156/EEG in acht genomen.
**2.** Voor het verlenen van goedkeuring aan de voertuigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt artikel 4 van richtlijn 70/156/EEG in acht genomen.
**2.** Onze Minister kan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, nadere eisen stellen waaraan het voertuig moet voldoen.
**3.** Onze Minister kan bepalen dat voor voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in hoofdstuk 3 gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen.
**4.** Onze Minister kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, nadere eisen stellen waaraan het voertuig moet voldoen.
### Paragraaf 2. Restantvoorraden van voertuigen
@ -2256,7 +2290,7 @@ Indien een bromfiets is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoo
Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van een standaard die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/31/EEG.
### Afdeling 7. Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7. Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### Paragraaf 0. Algemeen
@ -2593,7 +2627,7 @@ a. achterlichten voor fietsen en aanhangwagens achter fietsen,
b. niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens,
c. witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen,
d. ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen, en
e. rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens, alsmede wagens,
e. rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens, alsmede wagens,
moeten voldoen.
@ -2671,12 +2705,182 @@ Een snelheidsbegrenzer of ingebouwd snelheidsbegrenzingssysteem als bedoeld in a
**3.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een spiegel, bestemd om als vervangingsonderdeel te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 71/127/EEG.
### Artikel 3.8.15
De systemen, onderdelen en technische eenheden, bedoeld in Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van richtlijn 2003/37/EG, waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen aan het bepaalde in de op grond van Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van richtlijn 2003/37/EG bij het desbetreffende systeem, het onderdeel of de technische eenheid behorende bijzondere richtlijn.
### Afdeling 9. Voertuigen bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg
### Artikel 3.9
Voertuigen van de categorieën N en O als omschreven in artikel 2 en Bijlage II van Richtlijn 70/156/EEG, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen, moeten, onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk, tevens voldoen aan de bepalingen van Richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangers daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van Richtlijn nr.70/156/EEG betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangers daarvan.
### Afdeling 10. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### Paragraaf 0. Algemeen
### Artikel 3.10.1
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2 en T3 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van richtlijn 2003/37/EG voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorie T5 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen.
**3.** Met een typegoedkeuring, bedoeld in het tweede lid, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
### Artikel 3.10.2
Landbouw- of bosbouwtrekkers zijn van deugdelijke bouw en inrichting.
### Artikel 3.10.3
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de voorgeschreven platen aan richtlijn 89/173/EEG.
#### Paragraaf 2. Afmetingen en massas
### Artikel 3.10.6
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de afmetingen aan richtlijn 89/173/EEG.
### Artikel 3.10.9
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de massa in volbelaste toestand aan richtlijn 74/151/EEG.
### Artikel 3.10.10
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de maximaal getrokken massa aan richtlijn 89/173/EEG.
#### Paragraaf 3. Motor
### Artikel 3.10.12
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft reservoirs voor vloeibare brandstof aan richtlijn 74/151/EEG.
### Artikel 3.10.14
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de elektromagnetische compatibiliteit aan richtlijn 75/322/EEG.
### Artikel 3.10.15
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de externe geluidsniveaus aan richtlijn 74/151/EEG.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de interne geluidsniveaus aan richtlijn 77/311/EEG.
### Artikel 3.10.16
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes aan het Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines.
#### Paragraaf 4. Krachtoverbrenging
### Artikel 3.10.17
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de achteruitrijinrichtingen aan richtlijn 79/533/EEG.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 die zijn voorzien van een snelheidsregulateur voldoen voor wat betreft deze snelheidsregulateur aan richtlijn 89/173/EEG.
### Artikel 3.10.18
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2 en T3 voldoen voor wat betreft de maximumsnelheid aan richtlijn 74/152/EEG.
#### Paragraaf 7. Stuurinrichting
### Artikel 3.10.25
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de stuurinrichting aan richtlijn 75/321/EEG.
#### Paragraaf 8. Reminrichting
### Artikel 3.10.26
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de reminrichting aan richtlijn 76/432/EEG.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de remverbinding met getrokken voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG.
#### Paragraaf 9. Carrosserie
### Artikel 3.10.27
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de bedieningsruimte en toegankelijkheid van de cabine aan richtlijn 80/720/EEG.
### Artikel 3.10.28
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft het zichtveld aan richtlijn 74/347/EEG.
### Artikel 3.10.29
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de ruiten aan richtlijn 89/173/EEG.
### Artikel 3.10.30
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de ruitenwissers aan richtlijn 74/347/EEG.
### Artikel 3.10.32
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2 en T5 voldoen voor wat betreft de achteruitkijkspiegels aan richtlijn 74/346/EEG.
### Artikel 3.10.33
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de installatie van bedieningsorganen aan richtlijn 86/415/EEG.
### Artikel 3.10.35
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de zitplaats van de bestuurder aan richtlijn 78/764/EEG.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T3 en T5 voldoen voor wat betreft zitplaatsen voor meerijders aan richtlijn 76/763/EEG.
**3.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiliging aan richtlijn 77/536/EEG en richtlijn 79/622/EEG.
**4.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde aan richtlijn 86/298/EEG.
**5.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiligingsinrichtingen aan de voorzijde aan richtlijn 87/402/EEG.
### Artikel 3.10.36
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de bevestigingspunten van de veiligheidsgordels aan richtlijn 76/115/EEG.
### Artikel 3.10.37
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de bescherming van de aandrijfelementen, uitstekende delen en wielen aan richtlijn 89/173/EEG.
### Artikel 3.10.39
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaat aan richtlijn 74/151/EEG.
#### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Artikel 3.10.40
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan richtlijn 79/532/EEG.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan de richtlijn 78/933/EEG.
#### Paragraaf 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Artikel 3.10.52
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de mechanische koppelingen tussen de landbouw- of bosbouwtrekkers en getrokken voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG.
#### Paragraaf 12. Diversen
### Artikel 3.10.54
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de geluidssignaalinrichting aan richtlijn 74/151/EEG.
### Artikel 3.10.56
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de sleepinrichtingen aan richtlijn 79/533/EEG.
### Artikel 3.10.59
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2 en T5 voldoen voor wat betreft extra gewichten aan richtlijn 74/151/EEG.
### Artikel 3.10.60
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de aftakassen aan richtlijn 86/297/EEG.
### Artikel 3.10.61
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft het laadplatform aan richtlijn 74/152/EEG.
## Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
### Afdeling 1. Uitzondering keuringsplicht
@ -2756,6 +2960,8 @@ Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorrijtuigen en aanhangwage
**3.** Indien een keuringsbewijs wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een eerder voor het betrokken voertuig afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het keuringsbewijs aan met ingang van dat tijdstip, mits vorenbedoeld eerder afgegeven keuringsbewijs voorafgaande aan de behandeling van de aanvraag wordt overgelegd.
#### Paragraaf 3. Afgifte keuringsbewijs
### Afdeling 3. Herkeuring en deskundigenonderzoek
#### Paragraaf 1. Herkeuring
@ -3701,6 +3907,8 @@ a. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsautos, niet zijn
b. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen;
c. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een maximum massa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen.
De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht.
**4.** De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening.
**5.**
@ -6415,19 +6623,19 @@ Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in artikel 30 van h
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig.
### Afdeling 8. Landbouwtrekkers
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### Paragraaf 0. Algemeen
### Artikel 5.8.1
Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is.
#### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Artikel 5.8.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouwtrekkers mogen:
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
@ -6436,7 +6644,7 @@ b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stij
### Artikel 5.8.6
Landbouwtrekkers mogen:
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 3,00 m;
@ -6444,15 +6652,15 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
### Artikel 5.8.7
**1.** De last onder enige as van landbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan 10 000 kg.
**1.** De last onder enige as van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan 10 000 kg.
**2.** De totale massa van landbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan 14 000 kg.
**2.** De totale massa van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan 14 000 kg.
#### Paragraaf 3. Motor
### Artikel 5.8.9
**1.** Alle onderdelen van het brandstofsysteem van landbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
**1.** Alle onderdelen van het brandstofsysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
@ -6460,7 +6668,7 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
### Artikel 5.8.11
**1.** Landbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn.
**2.** Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
@ -6468,19 +6676,19 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
### Artikel 5.8.12
**1.** De accu van landbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd.
**1.** De accu van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** De bedrading van landbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
**2.** De bedrading van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
#### Paragraaf 4. Krachtoverbrenging
### Artikel 5.8.14
De versnellingsbak van landbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitversnelling die vanaf de bestuurderszitplaats kan worden bediend.
De versnellingsbak van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitversnelling die vanaf de bestuurderszitplaats kan worden bediend.
### Artikel 5.8.16
**1.** De onderdelen van de aandrijving van landbouwtrekkers moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**1.** De onderdelen van de aandrijving van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
@ -6488,7 +6696,7 @@ De versnellingsbak van landbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitvers
### Artikel 5.8.18
**1.** De assen van landbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
**1.** De assen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
@ -6498,21 +6706,21 @@ De versnellingsbak van landbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitvers
### Artikel 5.8.24
**1.** De wielen onderscheidenlijk velgen van landbouwtrekkers mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
**1.** De wielen onderscheidenlijk velgen van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
**2.** De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
### Artikel 5.8.25
De wielnaven van landbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
De wielnaven van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
#### Paragraaf 6. Ophanging
### Artikel 5.8.27
**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
**2.** De luchtbanden van landbouwtrekkers mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
**2.** De luchtbanden van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
**3.** De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen.
@ -6522,9 +6730,9 @@ De wielnaven van landbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigings
### Artikel 5.8.29
**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
**2.** De bestuurde wielen van landbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
**2.** De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
**3.** De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging of van een uitsluitend pneumatische overbrenging.
@ -6538,7 +6746,7 @@ De wielnaven van landbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigings
**1.**
Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
@ -6563,31 +6771,31 @@ c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is
### Artikel 5.8.38
**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt.
**2.** Landbouwtrekkers met een maximum snelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
**3.** Landbouwtrekkers met een maximum snelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
**3.** Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
**4.** Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
### Artikel 5.8.39
Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 18,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,3 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 18,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,3 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
#### Paragraaf 9. Carrosserie
### Artikel 5.8.41
**1.** Gesloten cabines van landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak.
**1.** Gesloten cabines van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak.
**2.** De nooduitgang moet zodanige minimumafmetingen hebben dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m.
**3.** De deuren van landbouwtrekkers moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
**3.** De deuren van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
### Artikel 5.8.42
De ruiten van landbouwtrekkers mogen:
De ruiten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
@ -6596,11 +6804,11 @@ die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
### Artikel 5.8.43
Landbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven.
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven.
### Artikel 5.8.45
**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig onderscheidenlijk van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig onderscheidenlijk van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
**2.** De spiegel moet deugdelijk zijn bevestigd.
@ -6608,23 +6816,23 @@ Landbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende rui
### Artikel 5.8.46
De zitplaatsen van landbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
De zitplaatsen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
### Artikel 5.8.48
**1.** Landbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van landbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van landbouw- of bosbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
**3.** Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
**4.** Geen deel van de buitenzijde van de landbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
**4.** Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
#### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Artikel 5.8.51
Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van:
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van:
a. twee dimlichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de dimlichten afschermen, twee extra dimlichten;
b. twee stadslichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de stadslichten afschermen, twee extra stadslichten;
@ -6644,7 +6852,7 @@ g. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
### Artikel 5.8.54
**1.** De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek.
**1.** De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouw- of bosbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek.
**2.**
@ -6715,7 +6923,7 @@ b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het we
**1.**
Het dimlicht van landbouwtrekkers moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
@ -6732,7 +6940,7 @@ d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
**1.**
Landbouwtrekkers mogen zijn voorzien van:
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee extra dimlichten;
@ -6749,7 +6957,7 @@ l. een richtlicht;
m. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
n. werklichten.
**2.** Landbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
### Artikel 5.8.59
@ -6794,23 +7002,23 @@ Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van
### Artikel 5.8.63
Achteruitrijlichten van landbouwtrekkers mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
Achteruitrijlichten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
### Artikel 5.8.64
**1.** Landbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
**2.** Landbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
### Artikel 5.8.65
Landbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57 is voorgeschreven of toegestaan.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57 is voorgeschreven of toegestaan.
#### Paragraaf 11. Verbinding tussen landbouwtrekker en aanhangwagen
#### Paragraaf 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Artikel 5.8.66
**1.** De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan de landbouwtrekker zijn bevestigd.
**1.** De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan de landbouw- of bosbouwtrekker zijn bevestigd.
**2.** De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
@ -6820,15 +7028,15 @@ Landbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde
### Artikel 5.8.71
**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
**2.** Landbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
**3.** Landbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
**3.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
### Artikel 5.8.72
Landbouwtrekkers moeten aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig.
### Afdeling 9. Fietsen
@ -8401,7 +8609,7 @@ Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling,
a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren;
b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd.
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@ -9115,7 +9323,7 @@ Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieni
**4.** Met een motorfiets met zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de zijspanwagen is beremd.
**5.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid.
**5.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid.
### Artikel 5.18.2
@ -9361,17 +9569,17 @@ b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen
c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets;
d. de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
##### Paragraaf C. Landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Paragraaf C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
### Artikel 5.18.20
De lengte van samenstellen van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
De lengte van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
### Artikel 5.18.21
**1.**
De lengte van een landbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een samenstel van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
De lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
@ -9379,7 +9587,7 @@ c. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.
**2.**
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, met uitzondering van afzetbakken, wissellaadbakken en containers, de lengte van een landbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid, of een samenstel van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan waarbij:
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, met uitzondering van afzetbakken, wissellaadbakken en containers, de lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid, of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan waarbij:
1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
@ -9389,27 +9597,27 @@ In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading d
### Artikel 5.18.22
**1.** De breedte van landbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading niet meer dan 3,50 m bedragen.
**1.** De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading niet meer dan 3,50 m bedragen.
**2.** Op onverharde wegen mag de breedte van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen.
### Artikel 5.18.23
De hoogte van landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
### Artikel 5.18.24
**1.** De last onder de bestuurde as of assen van landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de ledige massa van het voertuig.
**1.** De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de ledige massa van het voertuig.
**2.** De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
**2.** De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouw- of bosbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
**3.** Op onverharde wegen en wegen die zijn voorzien van een klinkerverharding, mag de totale massa van walsen niet meer dan 8000 kg bedragen.
**4.** Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van landbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer dan 2400 kg bedragen.
**4.** Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer dan 2400 kg bedragen.
### Artikel 5.18.25
De totale massa van samenstellen van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50 000 kg.
De totale massa van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50 000 kg.
##### Paragraaf D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
@ -9503,7 +9711,7 @@ b. 750 kg.
**1.** De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
**2.** In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
**2.** In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
### Artikel 5.18.36
@ -9511,11 +9719,11 @@ De parkeerrem van het trekkend motorrijtuig van een samenstel van motorrijtuig e
#### Paragraaf 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Paragraaf A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouwtrekker en aanhangwagen
##### Paragraaf A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
##### Paragraaf B. Aanhangwagens