2006-12-06 | BWBR0020584 | Inkomstenbelasting, aanmerkelijk belang, verzamelbesluit

This commit is contained in:
Coornhert 2006-12-06 12:00:00 +00:00
parent e59ea38ea4
commit 3674d18a92

View file

@ -38,7 +38,15 @@ De navolgende (onderdelen van) besluiten bevatten geen beleidsstandpunten en heb
## 2. Gebruikte begrippen en afkortingen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Wet IB 2001: Wet inkomstenbelasting 2001
Wet IB 1964: Wet op de inkomstenbelasting 1964
Wet VPB: Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AB: Aanmerkelijk belang
BW: Burgerlijk Wetboek
## 3. Het begrip aanmerkelijk belang
@ -88,7 +96,43 @@ Het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1998, nr. 30 936 (BNB 1998/256c*, V-N
### 6.1. Verkrijgingsprijs; aandelen in volle en blote eigendom
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
In het aanmerkelijkbelangregime wordt uitgegaan van de gemiddelde verkrijgingsprijs per soort aandeel. Voor de toepassing van de Wet IB 1964 gold deze benadering met ingang van 1 januari 1997. Het antwoord op de vraag op welke wijze de verkrijgingsprijs van aandelen moet worden bepaald ingeval de belastingplichtige van een gedeelte van de aandelen slechts de blote eigendom heeft en van een gedeelte van de aandelen de volle eigendom, kan aan de hand van de volgende twee voorbeelden worden gegeven:
X heeft 10 aandelen van € 1.000 nominaal. De verkrijgingsprijs bedraagt eveneens € 1.000 per aandeel. Op een zeker moment koopt hij de blote eigendom van 10 aandelen van een zelfde soort. De waarde van de volle eigendom van een aandeel bedraagt op dat moment € 2.000; de waarde van de blote eigendom € 600.
De blote eigendom van de aandelen wordt niet aangemerkt als een afzonderlijke soort aandelen. De verkrijgingsprijs van de aandelen kan daarom als volgt worden berekend:
De totale verkrijgingsprijs bedraagt: € 10.000 + € 6.000 = € 16.000.
Per aandeel waarvan X de volle eigendom bezit bedraagt de verkrijgingsprijs:
*[afbeelding]*
Per aandeel waarvan Y slechts de blote eigendom bezit bedraagt de verkrijgingsprijs:
600/2.000 × 1.231 = € 369
NB: De breuk 600/2.000 geeft de verhouding weer tussen de waarde van de blote eigendom en de waarde van de volle eigendom op het moment dat de blote eigendom wordt verkregen.
Y heeft 20 aandelen van € 1.000 nominaal. De verkrijgingsprijs bedraagt eveneens € 1.000 per aandeel. Hij verkoopt een recht van vruchtgebruik op 10 aandelen aan een derde voor € 70.000. Op dat moment zijn de aandelen in volle eigendom € 10.000 per stuk waard. Na de verkoop heeft hij nog 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 1.000 en de blote eigendom van 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 300. Voor het vaststellen van de verkrijgingsprijs van de aandelen waarvan Y nog slechts de blote eigendom heeft, maakt het niet uit of sprake is van een tijdelijk of niet-tijdelijk recht van vruchtgebruik (in de zin van de Wet IB 1964). Vanaf 1 januari 2001 wordt vestiging van een recht van vruchtgebruik altijd als een vervreemding aangemerkt.
Enkele jaren later koopt Y 10 aandelen erbij voor € 15.000 per stuk.
De verkrijgingsprijs kan dan als volgt worden berekend:
De totale verkrijgingsprijs bedraagt:
 10.000 + € 3.000 + € 150.000 = € 163.000
Per aandeel waarvan Y de volle eigendom bezit bedraagt de verkrijgingsprijs:
*[afbeelding]*
Per aandeel waarvan Y slechts de blote eigendom bezit bedraagt de verkrijgingsprijs:
300/1.000 × 7.087 = € 2.126
NB. De breuk geeft de verhouding weer tussen de waarde van de blote eigendom en de waarde van de volle eigendom op het moment dat het recht van vruchtgebruik wordt gevestigd. Deze breuk blijft voor de berekening van de verkrijgingsprijs ongewijzigd indien op een later moment een nieuwe verkrijgingsprijs moet worden berekend omdat aandelen van een zelfde soort worden bijgekocht.
### 6.2. Verkrijgingsprijs; fictief loon