2009-12-16 | BWBR0020667 | Inkomstenbelasting, herinvesteringsreserve

This commit is contained in:
Coornhert 2009-12-16 12:00:00 +00:00
parent bc86d97dc3
commit 3677040990

View file

@ -301,60 +301,31 @@ In de situatie van verhuurd vastgoed daarentegen wordt de mate van vervanging ge
### 5.1. Wanneer is sprake van overheidsingrijpen
De in artikel 3.64 omschreven vormen van overheidsingrijpen wijken af van het voor de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldende besluit van 25 augustus 1992, nr. DB 92/3157 (BNB 1992/313). In dat besluit luidde de omschrijving overheidsingrijpen dat uiteindelijk tot beëindiging van de uitoefening van de onderneming op de oorspronkelijke plaats leidt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 september 2004, BNB 2004/411, beslist dat onder overheids-ingrijpen in de zin van voormeld besluit ook moet worden begrepen een overheidsingrijpen dat belet aanpassingen in de bedrijfsvoering door te voeren zonder welke op termijn de hiervoor bedoelde beëindiging onafwendbaar is.
Een dergelijke uitbreiding van het begrip overheidsingrijpen, ook wel aangeduid als indirect overheidsingrijpen, stond de wetgever niet voor ogen toen tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 werd toegelicht dat het nieuwe artikel 3.64, vierde lid, tot doel heeft het bestaande uitvoeringsbeleid te codificeren. Vandaar dat een dergelijke uitbreiding van het begrip niet kwalificeert onder de Wet IB 2001, waarin in dit verband de bedoeling van de wetgever is geëxpliciteerd in de wettelijke omschrijving van het begrip onteigening en wat daaronder kan worden begrepen, namelijk minnelijke onteigening en aankoop ter voorkoming van onteigening.
Bij de behandeling van het Belastingplan 2007 is van de zijde van de regering als reactie op de nadien aangenomen motie (nummer 29) van Tweede-Kamerlid Slob meegedeeld dat de wettelijke formulering die in de Wet IB 2001 tot stand is gekomen, niet de ruimte biedt daaronder ook het door de heer Slob bedoelde indirecte overheidsingrijpen te begrijpen. De enige manier om dit te realiseren zou een wetswijziging zijn, waarbij ook andere aspecten, zoals budgettaire en staatssteunaspecten, in ogenschouw moeten worden genomen (Tweede Kamer, 20062007, 30804, nr. 34, blz. 8/9). Bedoelde wetswijziging gaat het kader van dit uitvoeringsbesluit te buiten.
Overigens is het bestaande uitvoeringsbeleid op een ander vlak dan het hiervoor in de eerste alinea vermelde welbewust niet geheel gecodificeerd. Het daar genoemde besluit van 25 augustus 1992 was namelijk te ruim op het punt van aanwending van een HIR voor niet-afschrijfbare bedrijfsmiddelen. In artikel 3.54, tiende lid, is nu geregeld dat ook in gevallen waarin sprake is van een kwalificerende vorm van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.64, vierde lid, bij herinvesteringen in niet-afschrijfbare bedrijfsmiddelen afboeking slechts plaatsvindt voorzover de HIR is gevormd ter zake van een bedrijfsmiddel waarop eveneens niet wordt afgeschreven. Dit vloeit voort uit het in artikel 3.54, tiende lid, gebruikte woord zodanige.
Hiermee wordt voorkomen dat de (door de vorming van een HIR) uitgestelde belastingclaim op de stille reserve in een afschrijfbaar bedrijfsmiddel welke na afboeking van de HIR op een nieuw afschrijfbaar bedrijfsmiddel wordt ingehaald door lagere afschrijvingen als gevolg van doorschuiving naar een niet-afschrijfbaar bedrijfsmiddel niet meer zou worden ingehaald. (Tweede Kamer, 20002001, 27209, nr. 6, blz. 17).
De thans kwalificerende vormen van overheidsingrijpen zijn omschreven in artikel 3.64, vierde lid, Wet IB 2001:
a. onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en aankoop ter voorkoming van onteigening.
Blijkens de parlementaire geschiedenis inzake de totstandkoming van deze bepaling gaat het hierbij om situaties waarin belanghebbende door maatregelen van de overheid in een dwangpositie is komen te verkeren, en wel in die zin dat hij weet of redelijkerwijs kan verwachten dat hij, indien hij niet verkoopt, uiteindelijk zal worden onteigend. Niet vereist is dat de verkoop ook aan de overheid plaatsvindt.
b. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen communautaire (europese) of nationale regelgeving die leidt tot een herstructurering van een bedrijfstak
Hierbij is dus van belang of de aan de orde zijnde regeling ter herstructurering van een bedrijfstak ook bij algemene maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen.
20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M16-12-2009De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
### 5.2. Overheidsingrijpen en niet gehele staking
In geval van overheidsingrijpen kan artikel 3.64 alleen dan worden toegepast indien de gehele onderneming wordt gestaakt. Artikel 3.64 is ingevoerd omdat de regeling van de HIR zich niet over de ondernemingsgrens uitstrekt. Indien in een geval van overheidsingrijpen als omschreven in artikel 3.64, vierde lid, niet de gehele onderneming wordt gestaakt, is de regeling van artikel 3.54 van toepassing; in het bijzonder het negende en het tiende lid van dit artikel.
Het negende lid van artikel 3.54 maakt het mogelijk dat bij overheidsingrijpen een vervreemdingswinst ter zake van een afschrijfbaar bedrijfsmiddel ongeacht de economische functie met inachtneming van de boekwaarde-eis van het tweede lid altijd kan worden afgeboekt op een lang-afschrijfbaar bedrijfsmiddel.
Het tiende lid van artikel 3.54 maakt het mogelijk dat een vervreemdingswinst terzake van een niet-afschrijfbaar bedrijfsmiddel zoals (normaliter) grond altijd kan worden aangewend voor de aanschaf van niet-afschrijfbare bedrijfsmiddelen, dus ook voor uitbreidingsinvesteringen.
Voor de vennootschapsbelasting geldt hetzelfde, omdat ingevolge artikel 8 van de Wet Vpb. alleen de faciliteit van artikel 3.54 van toepassing is voor de vennootschapsbelasting. (Dat voor deze belasting artikel 3.64 niet van toepassing is, laat zich verklaren uit het feit dat lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, letters a, b en c, Wet Vpb. niet staken, omdat zij op grond van het vijfde lid van dat artikel geacht worden hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen.)
20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M16-12-2009De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
### 5.3. Gevolgen van kwalificatie overheidsingrijpen voor pachtrecht
Een pachtrecht voor de verkrijging waarvan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 71 van de Pachtwet niets is betaald en ook overigens niets is opgeofferd, kan gelet op het specifieke karakter van dat pachtrecht worden aangemerkt als een bedrijfsmiddel waarop niet pleegt te worden afgeschreven. Alsdan is dat pachtrecht een zodanig bedrijfsmiddel als bedoeld in voormeld artikel 3.54, tiende lid. Dit betekent dat in een geval van overheidsingrijpen de vergoeding ter zake van de ontbinding van de overeenkomst waarbij het pachtrecht om niet is verkregen, voor zover deze vergoeding is aan te merken als een vergoeding wegens vermogensschade, kan worden afgeboekt op de aanschaffingskosten van de elders in eigendom verworven grond. Ik merk hierbij op dat deze situatie moet worden onderscheiden van pachtrechten voor de verkrijging waarvan wel een bedrag is opgeofferd en waarop wel pleegt te worden afgeschreven, zoals bijvoorbeeld in de casus die geleid heeft tot het arrest van de Hoge Raad van 6 december 1989, gepubliceerd in BNB 1990/90*.
20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M16-12-2009De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
### 5.4. Verkoop verhuurd melkquotum
Per 1 januari 2004 is het verhuren van melkquotum aan banden gelegd. Met ingang van die datum moet het grootste deel van het melkquotum door de eigenaar zelf worden gebruikt, anders vervalt het quotum.
Verkoop van een verhuurd melkquotum in het zicht van bedoelde maatregel is niet een gevolg van een vorm van overheidsingrijpen als omschreven in artikel 3.64, vierde lid.
20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M16-12-2009De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
### 5.5. Overheidsingrijpen bij herstructurering glastuinbouw
Zolang de regelgeving die leidt tot de herstructurering van de glastuinbouw niet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen (artikel 3.64, vierde lid, onderdeel b), kan alleen sprake zijn van overheidsingrijpen in geval van onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en aankoop ter voorkoming van onteigening als bedoeld in artikel 3.64, vierde lid, onderdeel a. Dat laatste geldt ook met betrekking tot aankopen in het belang van de ecologische hoofdstructuur, zolang ter zake geen Ministeriële regeling in werking is getreden (artikel 3.64, vierde lid, onderdeel c, dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip).
Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een aankoop ter voorkoming van onteigening is beslissend of de belastingplichtige weet of redelijkerwijs kan verwachten dat te zijner tijd tegen hem een onteigeningsprocedure zal worden aangespannen, indien hij niet tot medewerking bereid is.
Meestal zullen de door de (rijks)overheid voor de verplaatsing van glastuinbouw aangewezen gronden volgens het geldende bestemmingsplan voor andere (agrarische) doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld veeteelt. In die situatie moet worden aangenomen dat bij weigerachtigheid van belastingplichtige om het gebruik van het grasland af te staan de overheid de bestemming van de grond te zijner tijd zodanig zal wijzigen dat een andere aanwending van de grond dan voor glastuinbouw zal worden uitgesloten. Onder deze omstandigheid komt de belastingplichtige in een dwangpositie en is naar mijn oordeel dan ook sprake van een redelijke verwachting als hiervoor bedoeld en daarmee van een vorm van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.64, vierde lid, onderdeel a.
20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M16-12-2009De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
### 5.6. Volgorde vervreemding en onteigening(sdreiging)
Het komt voor dat de ondernemer een onroerende zaak verkoopt en vervolgens door hem of de koper om een bestemmingswijziging wordt gevraagd. Van overheidsingrijpen in de zin van artikel 3.54, juncto 3.64, is mede gelet op doel en strekking van de regeling geen sprake als de bestemmingswijziging niet door de overheid, maar door of door toedoen van de belastingplichtige is geïnitieerd. Onder deze omstandigheden is geen sprake van vervreemding als gevolg van dreigende onteigening, maar in feite van onteigening als gevolg van verkoop.
20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M16-12-2009De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
### 5.7. Vroegtijdige herinvestering als gevolg van overheidsingrijpen
In artikel 3.54, elfde lid, is met betrekking tot niet- en lang-afschrijfbare bedrijfsmiddelen geregeld dat de HIR-regeling overeenkomstige toepassing vindt bij herinvestering voorafgaand aan de vervreemding. Deze regeling kan ook worden toegepast bij doorschuiving via te conserveren inkomen naar een andere onderneming bij staking als gevolg van overheidsingrijpen als omschreven in artikel 3.64, vierde lid.
20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M20092048124-12-200916-12-2009CPP2009/83M16-12-2009De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
## 6. Overige onderwerpen