2005-01-01 | BWBR0002515 | Wet op de dividendbelasting 1965
This commit is contained in:
parent
0bff4a6a10
commit
37186cb916
1 changed files with 15 additions and 2 deletions
|
|
@ -47,7 +47,9 @@ h. het bedrag dat als storting wordt toegerekend aan elk van de bewijzen van dee
|
|||
|
||||
**2.** Niet in geld genoten opbrengst wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
|
||||
|
||||
**3.** Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of een verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is een tijdelijke belegging. Ingeval deze aandelen drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting nog tot de bezittingen van de vennootschap behoren, worden zij op dat tijdstip geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat tijdstip. Voor de toepassing van dit lid wordt onder een optieverplichting verstaan een verplichting die de tegenhanger is van een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven, of van een recht dat daarmee gelijk te stellen is.
|
||||
**3.** Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of een verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is een tijdelijke belegging. Ingeval deze aandelen drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting nog tot de bezittingen van de vennootschap behoren, worden zij op dat tijdstip geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat tijdstip. Voor de toepassing van dit lid wordt onder een optieverplichting verstaan een verplichting die de tegenhanger is van een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven, of van een recht dat daarmee gelijk te stellen is.
|
||||
|
||||
**4.** Inkoop van aandelen in een kalenderjaar door een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen wordt aangemerkt als een tijdelijke belegging, tenzij de beleggingsinstelling de inkoop terstond aanmerkt als een inkoop in de zin van het eerste lid, onderdeel a. Ingeval aan het einde van het kalenderjaar meer aandelen als tijdelijke belegging zijn ingekocht dan in dat jaar door de beleggingsinstelling in het economische verkeer zijn gebracht, worden de meer ingekochte aandelen geacht een inkoop van aandelen te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, tegen de gemiddelde waarde in het economische verkeer van de in de loop van het kalenderjaar als tijdelijke belegging ingekochte aandelen. Voor de toepassing van dit lid blijven aandelen die zijn ingekocht met het oog op de nakoming van een optieverplichting als bedoeld in het derde lid, en aandelen die in het economische verkeer zijn gebracht in het kader van een zodanige optieverplichting of ter voldoening van de in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde uitdelingsverplichting, buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a
|
||||
|
||||
|
|
@ -153,6 +155,17 @@ b. met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde inflatiebijstelling.
|
|||
|
||||
**5.** De inhoudingsplichtige die zekerheid wil hebben op de vraag in hoeverre de inhouding van de belasting op de voet van dit artikel achterwege mag blijven, kan daartoe een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Het verzoek wordt gedaan ten minste zes weken voor de voorgenomen inkoop.
|
||||
|
||||
### Artikel 4d
|
||||
|
||||
**1.** Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. agioreserve: het in de beleggingsinstelling gestorte kapitaal voorzover dit uitgaat boven de nominale waarde van de in het economische verkeer zijnde aandelen in de beleggingsinstelling;
|
||||
b. herbeleggingsreserve: de herbeleggingsreserve die door de beleggingsinstelling is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
|
@ -187,7 +200,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** De inhoudingsplichtige, degene bij wie de opbrengst is betaalbaar gesteld, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders, of degene tot wiens beroep het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort, is, zodra de opbrengst is uitbetaald, tegoedgeschreven, verrekend of uitgereikt, gehouden ten behoeve van de rechthebbende een gedagtekende nota uit te reiken volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van artikel 24 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (*Stb.* 1959, 301) wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nota is gedagtekend.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nota is gedagtekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue