2009-07-01 | BWBR0003296 | Sanctiewet 1977

This commit is contained in:
Coornhert 2009-07-01 12:00:00 +00:00
parent 52316b9090
commit 37cb596106

View file

@ -110,29 +110,23 @@ Onze Minister van Financiën kan de krachtens artikel 10, tweede lid, aangewezen
### Artikel 10c
**1.** Onze Minister van Financiën kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van regels, gesteld krachtens artikel 10b. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
**2.** Onze Minister van Financiën kan regels stellen inzake de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin.
Onze Minister van Financiën kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van regels, gesteld krachtens artikel 10b.
### Artikel 10d
**1.** Onze Minister van Financiën kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van regels, gesteld krachtens artikel 10b.
**2.** De bestuurlijke boete komt toe aan de staat.
**2.** Ten aanzien van de ondernemingen en instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, b, d, f, g en h, is artikel 1:85 van de Wet op het financieel toezicht van overeenkomstige toepassing.
**3.** Ten aanzien van de ondernemingen en instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, b, d, f, g en h, zijn de artikelen 1:82, 1:83, 1:84, 1:85, 1:87 en 1:88 van de Wet op het financieel toezicht van overeenkomstige toepassing.
**3.** Ten aanzien van de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder c, zijn de artikelen 26 en 27 en de categorie-indeling in artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 22, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren van overeenkomstige toepassing.
**4.** Ten aanzien van de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder c, zijn de artikelen 23, 24, 25, 26, 27, 29 en 30 en de categorie-indeling in artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 22, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren van overeenkomstige toepassing.
**5.** Ten aanzien van de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, zijn de artikelen 180 tot en met 184, 186, 187 van de Pensioenwet en de artikelen 175 tot en met 179, 181, 182 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de categorie-indeling op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 179 van de Pensioenwet en de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 174 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.
**4.** Ten aanzien van de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, zijn artikel 183 en 184 van de Pensioenwet en artikel 178 en 179 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en de categorie-indeling op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 179 van de Pensioenwet, en de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 174 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 10e
**1.** Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze, voorzien in het tweede lid, met dien verstande dat het bedrag van de boete ten hoogste € 200 000 bedraagt.
**1.** Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze, voorzien in het tweede lid, met dien verstande dat het bedrag van de bestuurlijke boete ten hoogste € 200 000 bedraagt.
**2.** Het bedrag van de boete wordt bepaald door vermenigvuldiging van het bedrag van € 5445 met de factor die van toepassing is op grond van de in artikel 10d, derde, vierde of vijfde lid, bedoelde categorie-indeling in artikel 2 van de bijlage.
**3.** Onze Minister van Financiën kan een lagere boete opleggen dan in het eerste lid is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
**2.** Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald door vermenigvuldiging van het bedrag van € 5 445 met de factor die van toepassing is op grond van de in artikel 10d, tweede, derde en vierde lid, bedoelde categorie-indeling.
### Artikel 10f