2018-12-01 | BWBR0006923 | Rijnvaartpolitiereglement 1995
This commit is contained in:
parent
7df0d8a03d
commit
3865c49004
1 changed files with 239 additions and 62 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Rijnvaartpolitiereglement 1995
|
|||
bwb_id: BWBR0006923
|
||||
type: KB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1995-01-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2018-12-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0006923
|
||||
citeertitel: Rijnvaartpolitiereglement 1995
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -52,6 +52,10 @@ z. *stroomopwaarts:* de richting naar de bronnen van de Rijn, met inbegrip van d
|
|||
aa. *ADN:* het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN);
|
||||
ab. *snel schip:* een motorschip, met uitzondering van een klein schip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen (bijvoorbeeld een draagvleugelboot, een luchtkussenvaartuig of een motorschip met meervoudige romp), terwijl dit in het certificaat van onderzoek is aangetekend;
|
||||
ac. *Inland AIS-apparaat:* een apparaat dat op een schip is ingebouwd en in de zin van de standaard «Tracing & Tracking in de Binnenvaart» (Besluit 2006-I-21) wordt gebruikt;
|
||||
ad. *LNG-installatie:* alle elementen van het schip die vloeibaar aardgas (LNG) of aardgas kunnen bevatten, zoals motoren, brandstoftanks, buffertanks en bunkerleidingen;
|
||||
ae. *bunkerzone:* de zone die in een omtrek van 20 m van de aansluiting voor het bunkeren ligt;
|
||||
af. *vloeibaar aardgas (LNG):* aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van – 161 °C;
|
||||
ag. *vaste tank:* een met het schip verbonden tank, waarbij de tankwanden kunnen worden gevormd ofwel door de scheepsromp zelf ofwel door wanden die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;
|
||||
ah. *ES-TRIN:* krachtens artikel 8 van de Binnenvaartwet als bijlage 1.1a van de Binnenvaartregeling opgenomen Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen. Voor de toepassing van ES-TRIN moet het begrip «lidstaat» worden opgevat als één van de Rijnoeverstaten of België.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.02
|
||||
|
|
@ -133,24 +137,39 @@ Onverminderd de artikelen 8.08, 9.02, tiende lid, 10.01, 10.02, 11.01 en 11.02 m
|
|||
|
||||
**1.** Een schip mag niet zodanig zijn beladen dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant der inzinkingsmerken.
|
||||
|
||||
**2.** Tijdens de vaart mag de lading het directe of indirecte uitzicht niet meer beperken dan tot 350 m vóór de boeg.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** De wijze van de belading mag de stabiliteit van het schip en de hechtheid van de romp niet in gevaar brengen.
|
||||
Het vrije uitzicht mag door de lading of de trim van het schip niet meer worden beperkt dan tot 350 meter vóór de boeg.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
Indien tijdens de vaart het directe uitzicht naar achteren wordt beperkt, mag dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmede over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld wordt verkregen.
|
||||
|
||||
Indien bij het doorvaren van een brug of een sluis als gevolg van de lading geen voldoende direct uitzicht naar voren mogelijk is, mag dit tijdens de doorvaart worden gecompenseerd door een periscoop met vlakke spiegels of een radarapparaat dan wel door het opstellen van een uitkijk die constant in hoor- en spreekcontact met de stuurhut staat.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van de eerste volzin van het tweede lid mag het vrije uitzicht bij het gelijktijdige gebruik van radar en camera-installaties tot 500 meter vóór de boeg worden beperkt, indien:
|
||||
|
||||
a. door bedoelde hulpmiddelen het uitzicht van 350 meter tot 500 meter vóór de boeg wordt gewaarborgd,
|
||||
b. aan de eisen van artikel 6.32, eerste lid, wordt voldaan,
|
||||
c. de radarantennes en de camera’s aan de boeg van het schip zijn geïnstalleerd,
|
||||
d. deze hulpmiddelen overeenkomstig artikel 7.02 van ES-TRIN als geschikt zijn erkend.
|
||||
|
||||
**4.** De wijze van de belading mag de stabiliteit van het schip en de hechtheid van de romp niet in gevaar brengen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De stabiliteit van schepen die containers vervoeren moet te allen tijde zijn gewaarborgd. De schipper moet aantonen dat vóór het begin van het laden en het lossen alsmede vóór vertrek een stabiliteitscontrole is uitgevoerd.
|
||||
|
||||
De stabiliteitscontrole kan handmatig of met behulp van een beladingscomputer worden verricht. Het resultaat van de stabiliteitscontrole en het actuele stuwplan moeten aan boord worden bewaard en te allen tijde geraadpleegd kunnen worden.
|
||||
|
||||
De schepen moeten bovendien de stabiliteitsbescheiden overeenkomstig artikel 22.01 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn aan boord bewaren.
|
||||
De schepen moeten bovendien de stabiliteitsbescheiden overeenkomstig artikel 27.01 van ES-TRIN aan boord bewaren.
|
||||
|
||||
Een stabiliteitscontrole is niet vereist bij schepen die containers vervoeren, indien het schip in de breedte:
|
||||
|
||||
a. ten hoogste drie rijen containers kan laden en vanaf de laadruimbodem in slechts één laag containers is geladen, of
|
||||
b. vier of meer rijen containers kan laden en uitsluitend met containers in ten hoogste twee lagen vanaf de laadruimbodem is geladen.
|
||||
|
||||
**5.** Een schip dat is bestemd voor het vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan door de bevoegde autoriteit is toegestaan. Onverminderd de eerste volzin mogen zich aan boord van een snel schip niet meer personen bevinden dan er zitplaatsen beschikbaar zijn.
|
||||
**6.** Een schip dat is bestemd voor het vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan door de bevoegde autoriteit is toegestaan. Onverminderd de eerste volzin mogen zich aan boord van een snel schip niet meer personen bevinden dan er zitplaatsen beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.08
|
||||
|
||||
|
|
@ -211,7 +230,9 @@ y. de verklaring voor de volgens artikel 13.02, derde lid, onderdeel a, van ES-T
|
|||
z. de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van het Inland AIS-apparaat;
|
||||
aa. de verklaringen die volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn voor het veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen zijn voorgeschreven;
|
||||
ab. de bunkerverklaring als bedoeld in Bijlage 2, Deel A, artikel 3.04, eerste lid, van het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI), met inbegrip van de kwitanties van de vergoedingstransacties van het SPE-CDNI over een periode van ten minste twaalf maanden. Indien de laatste afname van gasolie meer dan twaalf maanden geleden heeft plaatsgevonden, dient ten minste de laatste bunkerverklaring aan boord aanwezig te zijn;
|
||||
ac. de bij artikel 15.07, tweede lid, voorgeschreven losverklaring.
|
||||
ac. de bij artikel 15.08, tweede lid, voorgeschreven losverklaring;
|
||||
ad. voor schepen die het kenteken voeren, bedoeld in artikel 2.06, de gedetailleerde gebruiksaanwijzing zoals voorgeschreven in bijlage 8, onder 1.4.9, van ES-TRIN en de veiligheidsrol zoals voorgeschreven in artikel 30.03,eerste lid, van ES-TRIN;
|
||||
ae. voor schepen die het kenteken voeren, bedoeld in artikel 2.06, de verklaringen van de schipper en van de bemanningsleden die betrokken zijn bij de bunkerprocedure zoals voorgeschreven in artikel 4a.02 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -412,6 +433,22 @@ Een binnenschip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, met uitzondering v
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de ankers van zeeschepen, van kleine schepen en van schepen die slechts bij uitzondering de Rijn bevaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.06
|
||||
|
||||
**1.** Schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, moeten een kenteken voeren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Dit kenteken moet rechthoekig zijn, met de vermelding «LNG» in witte letters op een rode ondergrond, met een witte rand met een breedte van ten minste 5 centimeter.
|
||||
|
||||
De afmeting van de langste zijde van de rechthoek moet ten minste 60 centimeter bedragen.
|
||||
|
||||
De letters moeten een hoogte van ten minste 20 centimeter hebben. De breedte van de letters en de stamdikte moeten in goede verhouding tot de hoogte staan.
|
||||
|
||||
**3.** Het kenteken moet op een geschikte en goed zichtbare plaats zijn aangebracht.
|
||||
|
||||
**4.** Het teken moet zo nodig worden verlicht om 's nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen
|
||||
|
||||
### Paragraaf I. Algemene bepalingen
|
||||
|
|
@ -730,7 +767,7 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongevee
|
|||
|
||||
**6.** Een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet de tekens voeren voorgeschreven voor de gevaarlijke stof, die het grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
|
||||
|
||||
**7.** Een schip, dat geen tekens als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet voeren maar in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
**7.** Een schip, dat geen tekens als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet voeren maar in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het ADN, nr. 1.16.1.1.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
|
||||
**8.** De sterkte van de in dit artikel voorgeschreven blauwe lichten dient ten minste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1136,14 +1173,21 @@ d. drijvende werktuigen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het Inland AIS-apparaat moet permanent ingeschakeld zijn en de ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen. De eerste volzin geldt niet:
|
||||
Het Inland AIS-apparaat moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
||||
|
||||
a. het Inland AIS-apparaat moet permanent ingeschakeld zijn;
|
||||
b. het Inland AIS-apparaat moet op vol vermogen zenden; dit geldt niet voor tankschepen met de vaarstatus op «afgemeerd»;
|
||||
c. op elk schip of samenstel mag op elk moment slechts één Inland AIS-apparaat gebruikt worden om gegevens over te dragen;
|
||||
d. de gegevens die in het Inland AIS-apparaat zijn ingevoerd en daarmee worden overgedragen moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.
|
||||
|
||||
**2a.**
|
||||
|
||||
Het tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. indien de schepen zich in een overnachtingshaven als bedoeld in artikel 14.11, eerste lid, bevinden;
|
||||
b. indien de bevoegde autoriteit een uitzondering voor vaarwateren die bouwkundig van de vaargeul zijn gescheiden, heeft toegestaan;
|
||||
c. voor schepen van de politie, ingeval het verzenden van AIS-gegevens het uitvoeren van politieopdrachten in gevaar kan brengen.
|
||||
|
||||
Schepen als bedoeld in het eerste lid, derde volzin, onderdeel a, moeten aan boord aanwezige Inland AIS-apparatuur uitschakelen, zolang deze schepen deel van het samenstel zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Schepen, die met een Inland AIS-apparaat moeten zijn uitgerust, uitgezonderd veerponten, dienen aanvullend te zijn uitgerust met een Inland ECDIS-apparaat in de informatiemodus of een daarmee vergelijkbaar visualiseringssysteem dat met het Inland AIS-apparaat moet zijn verbonden en dienen dit samen met een actuele elektronische binnenvaartkaart te gebruiken.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
|
@ -1152,7 +1196,7 @@ Er moeten minstens de volgende gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Standa
|
|||
|
||||
a. User Identifier (Maritime Mobile Service Identity, MMSI);
|
||||
b. naam van het schip;
|
||||
c. scheeps- of samensteltype;
|
||||
c. scheeps- of samensteltype overeenkomstig de Standaard voor Tracking en Tracing van schepen in de binnenvaart, bedoeld in de bijlage bij protocol 2006-I-21 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 31 mei 2006;
|
||||
d. Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of, voor zeeschepen voor zover geen ENI werd toegekend, het IMO-nummer;
|
||||
e. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m;
|
||||
f. breedte over alles van het schip of het samenstel met de nauwkeurigheid van 0,1 m;
|
||||
|
|
@ -1161,7 +1205,8 @@ h. snelheid over de grond;
|
|||
i. koers over de grond;
|
||||
j. tijd van de elektronische positiebepaling;
|
||||
k. vaarstatus overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
l. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 11.
|
||||
l. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
m. oproepcode.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1169,7 +1214,7 @@ De schipper moet de volgende gegevens bij wijzigingen onmiddellijk actualiseren:
|
|||
|
||||
a. lengte over alles met de nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
b. breedte over alles met de nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
c. samensteltype;
|
||||
c. scheeps- of samensteltype overeenkomstig de Standaard voor Tracking en Tracing van schepen in de binnenvaart, bedoeld in de bijlage bij protocol 2006-I-21 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 31 mei 2006;
|
||||
d. vaarstatus overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
e. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 11.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1603,11 +1648,13 @@ f. moet een klein schip op enige afstand ligplaats nemen van een ander schip.
|
|||
|
||||
**9.** Een schip of een samenstel dat de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, voert, wordt afzonderlijk geschut.
|
||||
|
||||
**10.** Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk met een passagiersschip geschut.
|
||||
**10.** Schepen en samenstellen die het kenteken, bedoeld in artikel 2.06, voeren mogen de sluis niet binnenvaren indien er vloeibaar aardgas (LNG) vrijkomt buiten de LNG-installatie, of indien verwacht kan worden dat er vloeibaar aardgas (LNG) buiten de LNG-installatie zal vrijkomen tijdens het schutten.
|
||||
|
||||
**11.** Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis, tijdens het schutten en bij het verlaten van de sluis moet een snel schip zijn snelheid zodanig verminderen, dat elke schade aan de sluis, aan andere schepen of drijvende werktuigen, alsmede elk gevaar voor personen aan boord van andere schepen of drijvende werktuigen dan wel aan de wal, ten gevolge van hinderlijke waterbeweging wordt vermeden.
|
||||
**11.** Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk met een passagiersschip geschut.
|
||||
|
||||
**12.**
|
||||
**12.** Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis, tijdens het schutten en bij het verlaten van de sluis moet een snel schip zijn snelheid zodanig verminderen, dat elke schade aan de sluis, aan andere schepen of drijvende werktuigen, alsmede elk gevaar voor personen aan boord van andere schepen of drijvende werktuigen dan wel aan de wal, ten gevolge van hinderlijke waterbeweging wordt vermeden.
|
||||
|
||||
**13.**
|
||||
|
||||
Het sluispersoneel kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te verzekeren, verkeersaanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1811,19 +1858,45 @@ c. 100 m indien één van hen de tekens, bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voe
|
|||
De verplichting bedoeld in het eerste lid, onder *a*, geldt niet:
|
||||
|
||||
a. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
|
||||
b. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
|
||||
b. voor een schip dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 1.16.1.1.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.08
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van een stilliggend schip dat een teken of tekens moet voeren, bedoeld in artikel 3.14, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Aan boord van een stilliggend passagiersschip waarop passagiers aanwezig zijn, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden.
|
||||
Een ter zake kundige bewaker moet zich voortdurend bevinden aan boord:
|
||||
|
||||
**3.** Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
a. van een stilliggend schip dat het kenteken, bedoeld in artikel 2.06 voert,
|
||||
b. van een stilliggend schip dat een teken als bedoeld in artikel 3.14 voert en
|
||||
c. van een stilliggend passagiersschip wanneer er passagiers aan boord zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De ter zake kundige bewaking wordt verzekerd door een bemanningslid dat
|
||||
|
||||
a. bij schepen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houder is van een verklaring van deskundigheid zoals voorgeschreven in artikel 4a.02 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn,
|
||||
b. bij schepen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, houder is van de verklaring van deskundigen zoals voorgeschreven in artikel 4.01 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Aan boord van een stilliggend schip dat het kenteken, bedoeld in artikel 2.06 voert is de aanwezigheid van een ter zake kundige bewaker niet vereist indien
|
||||
|
||||
a. vloeibaar aardgas (LNG) aan boord van het schip niet als brandstof wordt verbruikt,
|
||||
b. de operationele gegevens van de LNG-installatie van het schip op afstand worden uitgelezen en
|
||||
c. het schip onder toezicht is gesteld van een persoon die, zo nodig, snel kan ingrijpen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Aan boord van een stilliggend schip als bedoeld in artikel 3.14 is de aanwezigheid van een ter zake kundige bewaker niet vereist indien
|
||||
|
||||
a. het schip in een havenbekken stilligt, en indien
|
||||
b. de bevoegde autoriteit het schip van de verplichting als bedoeld in het eerste lid heeft vrijgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Een ander stilliggend schip alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
|
||||
**6.** Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1961,6 +2034,32 @@ e. zolang er zich passagiers aan boord bevinden moet des nachts ieder uur een ro
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
### Artikel 8.11
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Alvorens te beginnen met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) dient de schipper van het schip dat moet bunkeren zich ervan te vergewissen dat:
|
||||
|
||||
a. de voorgeschreven brandbestrijdingsmiddelen te allen tijde operationeel zijn en
|
||||
b. tussen het schip en de kade de voorgeschreven middelen aanwezig zijn voor de evacuatie van personen aan boord van het schip dat moet bunkeren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) moeten alle toegangen en alle openingen van ruimten toegankelijk vanaf het dek en alle openingen van ruimten naar de buitenlucht, gesloten zijn.
|
||||
|
||||
Deze bepaling is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. aanzuigopeningen van in bedrijf zijnde motoren;
|
||||
b. ventilatieopeningen van machinekamers indien de motoren in bedrijf zijn;
|
||||
c. ventilatieopeningen voor een ruimte met een overdrukinstallatie en
|
||||
d. ventilatieopeningen van een airconditioningsinstallatie, indien deze openingen zijn voorzien van een gasdetectie-installatie.
|
||||
|
||||
Toegangen en openingen mogen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toestemming van de schipper worden geopend.
|
||||
|
||||
**3.** Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) dient de schipper zich er voortdurend van te vergewissen dat het rookverbod aan boord en in de bunkerzone wordt nageleefd. Het rookverbod is eveneens van toepassing op elektronische sigaretten en andere soortgelijke apparaten. Dit rookverbod is niet van toepassing in de accommodatieruimten en het stuurhuis, indien daarvan de ramen, deuren, schijnlichten en luiken gesloten zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) moeten alle, vanaf het dek toegankelijke ruimten ontlucht worden.
|
||||
|
||||
## Deel II. Bijzondere bepalingen van toepassing op bepaalde riviergedeelten
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 9. Bijzondere vaarregels en bijzondere regels voor het ligplaats nemen
|
||||
|
|
@ -2228,8 +2327,8 @@ De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- e
|
|||
| Sluizen te Iffezheim-Germersheim | 6,20 | 7,50 |
|
||||
| Germersheim (km 384,00) _______________________________________________ | | |
|
||||
| | Speyer | |
|
||||
| Germersheim-Mannheim/Rheinau | 6,20 | 7,30 |
|
||||
| Mannheim-Rheinau (km 412,00) __________________________________________ | | |
|
||||
| Germersheim-Mannheim-Rheinau | 6,20 | 7,30 |
|
||||
| Mannheim-Rheinau (km 410,50) | | |
|
||||
| | Mannheim | |
|
||||
| Mannheim/Rheinau-Mannheim/Sandhofen | 6,50 | 7,60 |
|
||||
| Mannheim-Sandhofen (km 431,50) _______________________________________ | | |
|
||||
|
|
@ -2417,54 +2516,83 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De schipper van een schip als bedoeld in het ADN, van een tankschip, van een schip met een lengte van meer dan 110 m, van een samenstel, van een zeeschip of van een bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21 moet zich, alvorens de in het vijfde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, melden op het aangegeven marifoonkanaal met opgave van de volgende gegevens:
|
||||
De schipper van de volgende schepen en samenstellen moet zich, alvorens de in het achtste lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, via de marifoon melden op het aangegeven kanaal:
|
||||
|
||||
a. soort schip;
|
||||
b. naam van het schip;
|
||||
c. positie, vaarrichting;
|
||||
d. officieel scheepsnummer, IMO-nummer voor zeeschepen;
|
||||
e. laadvermogen;
|
||||
f. lengte en breedte van het schip;
|
||||
g. soort, lengte en breedte van het samenstel;
|
||||
h. diepgang, indien de bevoegde autoriteit hierom vraagt;
|
||||
i. route;
|
||||
j. haven waar is geladen;
|
||||
k. haven waar wordt gelost;
|
||||
l. bij gevaarlijke stoffen overeenkomstig het ADN:
|
||||
a. schip dat goederen vervoert waarop het ADN van toepassing is;
|
||||
b. tankschepen, met uitzondering van bunkerschepen en bilgeboten zoals gedefinieerd onder 1.2.1 van het reglement dat als bijlage bij het ADN is gevoegd;
|
||||
c. schip dat containers vervoert;
|
||||
d. schip met een lengte van meer dan 110 m;
|
||||
e. hotelschip;
|
||||
f. zeeschip;
|
||||
g. schip dat een LNG-systeem aan boord heeft;
|
||||
h. bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21.
|
||||
|
||||
de VN-nummers of de stofnummers,
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
de officiële benaming voor het vervoer, voorzover van toepassing aangevuld met de technische omschrijving,
|
||||
Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding moeten worden vermeld:
|
||||
|
||||
de klasse, de klassificeringscode en eventueel de verpakkingsgroep,
|
||||
a. naam van het schip; en bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
|
||||
b. uniek Europees scheepsidentificatienummer of officieel scheepsnummer, IMO-nummer voor zeeschepen; van het schip en bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
|
||||
c. soort vaartuig of samenstel; en bij samenstellen soort vaartuig voor alle schepen overeenkomstig bijlage 12;
|
||||
d. laadvermogen; van het schip en bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
|
||||
e. lengte en breedte van het schip; en bij samenstellen lengte en breedte van het samenstel en van alle schepen van het samenstel;
|
||||
f. aanwezigheid van een LNG-systeem aan boord;
|
||||
g. voor een schip dat goederen vervoert waarop het ADN van toepassing is:
|
||||
|
||||
de totale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen, waarop deze gegevens betrekking hebben;
|
||||
aa. de VN-nummers of de nummers van de gevaarlijke goederen,
|
||||
bb. de officiële benaming voor het vervoer van de gevaarlijke goederen, voor zover van toepassing aangevuld met de technische benaming,
|
||||
cc. de klasse, de classificatiecode en eventueel de verpakkingsgroep van de gevaarlijke goederen,
|
||||
dd. de totale hoeveelheid van de gevaarlijke goederen, waarop deze gegevens betrekking hebben,
|
||||
ee) het aantal blauwe lichten/kegels;
|
||||
h. voor een schip dat goederen vervoert waarop het ADN niet van toepassing is en die niet in containers worden vervoerd: soort en hoeveelheid lading;
|
||||
i. aantal containers aan boord naar grootte en beladingstoestand (beladen of onbeladen) en de respectievelijke plaats van containers overeenkomstig het stuwplan en containertype;
|
||||
j. containernummer van de containers met gevaarlijke goederen;
|
||||
k. aantal personen aan boord;
|
||||
l. positie, vaarrichting;
|
||||
m. diepgang, indien de bevoegde autoriteit hierom vraagt;
|
||||
n. route met opgave van de vertrek- en bestemmingshaven;
|
||||
o. haven waar is geladen;
|
||||
p. haven waar wordt gelost.
|
||||
|
||||
bij andere stoffen: de soort lading (naam en hoeveelheid van stoffen);
|
||||
m. 0, 1, 2, 3 blauwe lichten/kegels;
|
||||
n. aantal personen aan boord.
|
||||
**3.** De in het tweede lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder l en m, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon schriftelijk, telefonisch of elektronisch, aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld. In ieder geval moet de schipper het tijdstip van in- en uitvaren met zijn schip of samenstel van het riviergedeelte waarvoor de meldplicht geldt, melden.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder c en h, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon tijdig schriftelijk of telefonisch, dan wel, indien mogelijk, via elektronische weg, aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld. In ieder geval moet de schipper het tijdstip van in- en uitvaren met zijn schip of samenstel van het meldplichtig riviergedeelte melden.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
**3.** Indien het schip zijn reis in een der in het vijfde lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee uren onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze onderbreking melden.
|
||||
Voor zover de schipper, een andere plaats of een andere persoon zich elektronisch meldt,
|
||||
|
||||
**4.** Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens tijdens het bevaren van het meldplichtige riviergedeelte worden gewijzigd, moet dit aan de bevoegde autoriteit onmiddellijk worden medegedeeld.
|
||||
a. moet de melding overeenkomstig de Standaard voor het elektronisch melden van schepen in de binnenvaart, editie april 2013, worden overgedragen,
|
||||
b. moet in afwijking van het tweede lid, onder c, het scheeps- of samensteltype overeenkomstig de onder a van dit lid genoemde standaard worden medegedeeld.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Op de riviergedeelten:
|
||||
De in het tweede lid bedoelde melding, met uitzondering van de onder l en m bedoelde gegevens, moet via elektronisch worden overgedragen voor:
|
||||
|
||||
a. van Basel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,64) tot Lauterburg (km 352,00),
|
||||
b. van Lauterburg (km 352,00) tot Gorinchem (km 952,50), en
|
||||
c. van Pannerden (km 876,50) tot Krimpen aan de Lek (989,20),
|
||||
a. schepen en samenstellen met containers aan boord,
|
||||
b. schepen en samenstellen waarvan ten minste één schip is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks, met uitzondering van bunkerschepen en bilgeboten zoals gedefinieerd onder 1.2.1 van het reglement dat als bijlage bij het ADN is gevoegd.
|
||||
|
||||
die worden aangeduid door het teken B.11 met het onderbord «Meldplicht», geldt de in het eerste lid bedoelde meldplicht onder de volgende voorwaarden:
|
||||
**6.** Indien het schip zijn reis in een der in het achtste lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee uren onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze onderbreking melden.
|
||||
|
||||
– Op het gedeelte bedoeld onder a behoeven zich slechts samenstellen als bedoeld in het ADNR te melden.
|
||||
– Op het gedeelte bedoeld onder b moeten behalve samenstellen als bedoeld in het ADNR slechts samenstellen met een lengte van meer dan 140 m en een breedte van meer dan 15 m en op het gedeelte bedoeld onder c slechts samenstellen met een lengte van meer dan 110 m of een breedte van meer dan 12 m worden gemeld.
|
||||
– Op de gedeelten bedoeld onder b en c moeten de gegevens genoemd in het eerste lid, onder a, b en d, eveneens worden verstrekt bij het passeren van de overige verkeersposten, districtscentrales en sluizen, evenals aan de met het teken B.11 aangeduide meldpunten.
|
||||
**7.** Indien de in het tweede lid bedoelde gegevens tijdens het bevaren van het riviergedeelte waarvoor de meldplicht geldt, worden gewijzigd, moet dit aan de bevoegde autoriteit onmiddellijk worden medegedeeld. Deze wijziging van de gegevens moet via de aangegeven weg worden overgedragen, schriftelijk of elektronische.
|
||||
|
||||
**6.** De bevoegde autoriteit kan voor bunkerschepen een andere meldplicht vaststellen.
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
De riviergedeelten bedoeld in het bovenvermelde eerste lid, die worden aangeduid door het teken B.11 met het onderbord «Meldplicht» zijn de volgende:
|
||||
|
||||
a. van Bazel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,53) tot Gorinchem (km 952,50), en
|
||||
b. van Pannerden (km 876,50) tot Krimpen aan de Lek (km 989,20).
|
||||
|
||||
De in het tweede lid, onderdeel a, b en c, bedoelde gegevens moeten eveneens worden verstrekt bij het passeren van de sluizen en van de meldplaatsen, die door het teken B.11 zijn aangeduid.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
Uitgezonderd van de in het eerste lid bedoelde meldplicht zijn:
|
||||
|
||||
a. op het gedeelte bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, onderdeel a, samenstellen die geen goederen vervoeren waarop het ADN van toepassing is, en met een lengte van 140 m of minder en een breedte van 15 m of minder,
|
||||
b. op het gedeelte bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, onderdeel b, samenstellen met een lengte van 110 m of minder en een breedte van 12 m of minder.
|
||||
|
||||
Deze uitzonderingen van de meldplicht zijn niet van toepassing indien het samenstel aan de elektronische meldplicht als bedoeld in het vijfde lid onderworpen is.
|
||||
|
||||
**10.** De bevoegde autoriteit kan een meldplicht vaststellen en wat deze inhoudt voor bunkerschepen en bilgeboten zoals gedefinieerd onder 1.2.1 van het reglement dat als bijlage bij het ADN is gevoegd evenals voor schepen voor dagtochten.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.02
|
||||
|
||||
|
|
@ -3086,13 +3214,13 @@ De schipper moet bij het bunkeren van brandstof en smeerstoffen ervoor zorgen da
|
|||
a. de hoeveelheid die wordt gebunkerd binnen de afleesbare standen van de peilinrichting blijft;
|
||||
b. ingeval van afzonderlijk vullen van de tanks de afsluiters in de verbindingsleidingen tussen tanks gesloten zijn;
|
||||
c. het bunkeren onder toezicht geschiedt; en,
|
||||
d. een inrichting overeenkomstig artikel 8.05, tiende lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn wordt gebruikt.
|
||||
d. een inrichting overeenkomstig artikel 8.05, tiende lid, van ES-TRIN wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De schipper moet er voorts voor zorgen, dat de personen van het bunkerstation en van het schip die voor het bunkeren verantwoordelijk zijn, voordat zij met het bunkeren beginnen, de volgende punten zijn overeengekomen:
|
||||
|
||||
a. het verzekerd zijn van het goede functioneren van het systeem, bedoeld in artikel 8.05, elfde lid van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn alsmede het aanwezig zijn van een spreekverbinding tussen het schip en het bunkerstation;
|
||||
a. het verzekerd zijn van het goede functioneren van het systeem, bedoeld in artikel 8.05, elfde lid van ES-TRIN alsmede het aanwezig zijn van een spreekverbinding tussen het schip en het bunkerstation;
|
||||
b. de te bunkeren hoeveelheid per tank en de vulsnelheid, vooral met het oog op mogelijke problemen met het ontluchten van de tank;
|
||||
c. de volgorde waarin de tanks worden gevuld;
|
||||
d. de snelheid van het schip, wanneer varend wordt gebunkerd.
|
||||
|
|
@ -3101,11 +3229,62 @@ d. de snelheid van het schip, wanneer varend wordt gebunkerd.
|
|||
|
||||
### Artikel 15.07
|
||||
|
||||
**1.** De bepalingen van artikel 15.06, eerste lid, onderdeel a en b, en het tweede lid, onderdeel a en e, zijn niet van toepassing bij het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG).
|
||||
|
||||
**2.** Het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) tijdens het varen, de overslag en het aan of van boord gaan van passagiers is niet toegestaan.
|
||||
|
||||
**3.** Het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) mag uitsluitend plaatsvinden op een door de bevoegde autoriteit daarvoor aangewezen plaats.
|
||||
|
||||
**4.** In de bunkerzone mogen uitsluitend aanwezig zijn: bemanningsleden van het schip dat moet bunkeren, medewerkers van het bunkerstation, of personen die daarvoor toestemming hebben gekregen van de bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Alvorens met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) te beginnen, dient de schipper van het schip dat moet bunkeren zich ervan te vergewissen dat:
|
||||
|
||||
a. het schip dat moet bunkeren zodanig ligt afgemeerd dat de kabels, en met name de elektrische kabels en de aardverbindingen, alsook de slangen, niet door trek vervormd kunnen worden, en dat de schepen bij gevaar snel losgemaakt kunnen worden;
|
||||
b. de schipper of een door hem/haar met de verantwoording belaste persoon, en de verantwoordelijke medewerker van het bunkerstation, een controlelijst voor het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) voor schepen die het kenteken dragen, bedoeld in artikel 2.06, overeenkomstig de door de CCR vastgelegde standaard, hebben ingevuld en ondertekend, en dat alle vragen van deze lijst met «ja» zijn beantwoord. Niet-relevante vragen kunnen geschrapt worden. Indien niet alle vragen positief kunnen worden beantwoord, is bunkeren slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit toegestaan;
|
||||
c. alle vereiste toestemmingen zijn verkregen.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De controlelijst als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b) moet:
|
||||
|
||||
a. in tweevoud worden ingevuld,
|
||||
b. beschikbaar zijn in ten minste één taal die begrijpelijk is voor de personen bedoeld in het voornoemde vijfde lid, onderdeel b, en
|
||||
c. drie maanden aan boord van het schip worden bewaard.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) dient de schipper zich er voortdurend van te vergewissen dat:
|
||||
|
||||
a. alle maatregelen ter vermijding van lekkage van vloeibaar aardgas (LNG) zijn genomen;
|
||||
b. druk en temperatuur van de brandstoftank vloeibaar aardgas (LNG) in normale bedrijfsomstandigheden blijven;
|
||||
c. de vulstand van de brandstoftank vloeibaar aardgas tussen de toegestane niveaus blijft;
|
||||
d. maatregelen betreffende de aarding tussen het schip dat moet bunkeren en het bunkerstation overeenkomstig de in de gebruiksaanwijzing voorziene methode, zijn getroffen.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG),
|
||||
|
||||
a. moet het schip dat moet bunkeren, ter aanvulling van het kenteken voorzien in artikel 2.06, een voor andere schepen goed zichtbaar bord voeren, dat aangeeft dat geen ligplaats genomen mag worden op een afstand van minder dan 10 meter, conform artikel 3.33. De lengte van de zijde van het vierkante bord moet ten minste 60 cm bedragen;
|
||||
b. moet het schip dat moet bunkeren, ter aanvulling van het kenteken voorzien in artikel 2.06, op een plaats die voor andere schepen goed zichtbaar is, het bord A.9 voeren, dat aangeeft dat het verboden is hinderlijke waterbeweging te veroorzaken (bijlage 7). De afmeting van de langste zijde moet ten minste 60 centimeter bedragen;
|
||||
c. ‘s nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht, dat ze aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar zijn.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) is het volgende vereist:
|
||||
|
||||
a. volledige lediging van de leidingen voor het bunkeren van vloeibaar aardgas tot aan de brandstoftank van het vloeibaar aardgas (LNG);
|
||||
b. sluiten van de afsluiters, ontkoppelen van de slangen en verbindingen tussen het schip en het bunkerstation voor vloeibaar aardgas (LNG);
|
||||
c. mededeling aan de bevoegde autoriteit dat het bunkeren beëindigd is.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.08
|
||||
|
||||
**1.** Bij het nalossen alsmede bij de afgifte en inname van afval van de lading, dient de schipper de bepalingen van deel B van de Uitvoeringsregeling van het CDNI na te komen.
|
||||
|
||||
**2.** Ieder schip dat op de Rijn is gelost, moet voor elk lossen een geldige losverklaring aan boord hebben overeenkomstig het in Aanhangsel IV van Bijlage 2 van het CDNI opgenomen model. Behoudens de in het CDNI vermelde uitzonderingen, dient de verklaring ten minste zes maanden na afgifte aan boord te worden bewaard.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.08
|
||||
### Artikel 15.09
|
||||
|
||||
Het is verboden de scheepshuid te oliën of met middelen, die niet in het water mogen komen, te reinigen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3205,6 +3384,4 @@ Ondertekening en stempel van de ontvangstinrichting
|
|||
|
||||
## Bijlage 11
|
||||
|
||||
## Bijlage 12
|
||||
|
||||
(vervallen)
|
||||
## Bijlage 12. als bedoeld in
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue