2026-01-01 | BWBR0030733 | Wet College voor de rechten van de mens

This commit is contained in:
Coornhert 2026-01-01 12:00:00 +00:00
parent ac09d4240c
commit 3a1fe1728e

View file

@ -22,9 +22,7 @@ citeertitel: Wet College voor de rechten van de mens
### Artikel 2
Deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 2, is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met dien verstande dat artikel 3, onderdeel a, wordt gelezen als volgt:
a. het doen van onderzoek naar de bescherming van de rechten van de mens;.
Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
### Artikel 3
@ -82,17 +80,39 @@ Binnen het College is een afdeling belast met de uitvoering van de in dit hoofds
### Artikel 10
**1.** Het College kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en zijn oordeel daaromtrent kenbaar maken. Voorts kan het College uit eigen beweging onderzoeken of zodanig onderscheid stelselmatig wordt gemaakt en zijn oordeel daarover kenbaar maken.
**1.**
Het College
a. 1° kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de volgende wetten en bepalingen en zijn oordeel daarover kenbaar maken:
de Algemene wet gelijke behandeling;
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
artikel 1614aa van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES;
de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte;
de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid;
de Wet van 7 november 2002 tot uitvoering van de richtlijn 1999/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (Stb. 2002, 560);
de Wet van 3 juli 1996 houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Ambtenarenwet in verband met het verbod tot maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur (Stb. 1996, 391);
2° kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of gehandeld is in strijd met artikel 2 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en zijn oordeel daarover kenbaar maken;
b. kan uit eigen beweging onderzoeken of zodanig onderscheid stelselmatig wordt gemaakt en zijn oordeel daarover kenbaar maken.
**2.**
Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid kan worden ingediend door:
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan worden ingediend door:
a. degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd gezag, die wensen te weten of zij een onderscheid maken als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met betrekking tot onderscheid als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een met die ondernemingsraad vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent dat in het organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
e. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting, die in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van diegenen in wier bescherming de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek beoogt te voorzien.
a. degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd gezag, die wensen te weten of zij een onderscheid maken als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met betrekking tot onderscheid als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een met die ondernemingsraad vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent dat in het organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
e. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting, die in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van diegenen in wier bescherming een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten beoogt te voorzien.
**3.** In het geval een schriftelijk verzoek als bedoeld in het tweede lid, onderdelen d en e, personen noemt ten nadele van wie zou zijn gehandeld, dan wel indien een onderzoek ingesteld uit eigen beweging, betrekking heeft op zodanige personen, stelt het College deze personen op de hoogte van het voornemen tot onderzoek. Het College is niet bevoegd in het onderzoek en de beoordeling personen als bedoeld in de eerste volzin te betrekken die schriftelijk hebben verklaard daartegen bedenkingen te hebben.
@ -118,7 +138,7 @@ c. sinds het in artikel 10 bedoelde onderscheid een zodanige termijn is verstrek
### Artikel 13
**1.** Het College kan in rechte vorderen dat een gedraging die in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen of artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onrechtmatig wordt verklaard, dat deze wordt verboden of dat een bevel wordt gegeven om de gevolgen van die gedraging ongedaan te maken.
**1.** Het College kan in rechte vorderen dat een gedraging die in strijd is met een of meer van de in artikel 10, eerste lid, genoemde wetten en bepalingen, onrechtmatig wordt verklaard, dat deze wordt verboden of dat een bevel wordt gegeven om de gevolgen van die gedraging ongedaan te maken.
**2.** Een gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een vordering als bedoeld in het eerste lid, voor zover degene die door deze gedraging wordt getroffen, daartegen bedenkingen heeft.