2004-06-23 | BWBR0006746 | Voertuigreglement

This commit is contained in:
Coornhert 2004-06-23 12:00:00 +00:00
parent ccbcb0c94c
commit 3a52729d6d

View file

@ -35,6 +35,7 @@ h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtu
4. ingericht als kampeerauto;
in ieder geval wordt als bedrijfsauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bedrijfsauto is aangeduid;
h1. begrafeniswagen: motorrijtuig, bestemd en speciaal uitgerust voor het vervoer van overledenen;
i. bermlicht: licht, bestemd voor het verlichten van de berm rechts voor het voertuig;
j. vervallen;
k. bestuurde as: as die rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;
@ -68,7 +69,14 @@ u. groot licht: licht dat de weg vóór het voertuig over een grote afstand verl
v. handwagen met motorvermogen: motorrijtuig, hoofdzakelijk bestemd om te worden bestuurd door een voetganger;
w. hoofdgroeven: brede groeven in het middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte ongeveer drievierde deel van de breedte van het loopvlak inneemt;
x. gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel waarvan de door de constructie bepaalde maximum snelheid niet meer dan 45 km/h bedraagt indien het voertuig is uitgerust met een motor, en niet zijnde een bromfiets;
y. kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid;
y. kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten minste bestaat uit de volgende uitrusting:
1º. zitplaatsen en een tafel,
2º. slaapaccommodatie die met behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,
3º. kookgelegenheid en
4º. opbergfaciliteiten,
welke vast in de woonafdeling zijn bevestigd, met dien verstande dat de tafel zodanig mag zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;
z. kermis- en circusvoertuig: voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat wordt gebruikt voor het kermis- of circusbedrijf;
z1: kinderbeveiligingssysteem: een geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker beperkt;
z2: klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt.
@ -77,7 +85,7 @@ ab. landbouwtrekker: motorrijtuig met twee of meer assen, voornamelijk bestemd v
ac. lastdrager: constructie, met inbegrip van hulpmiddelen, die aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig is aangebracht en bestemd is voor het vervoer van goederen;
ad. ledige massa: massa van het voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd, met dien verstande dat in afwijking hiervan voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, die in gebruik zijn genomen na 16 juni 1999, de ledige massa wordt bepaald met een lege brandstoftank;
ad1. lijnmarkering: retroreflecterende belijning aangebracht aan de zijkant of aan de achterkant van een voertuig en bestemd om de totale lengte, dan wel totale breedte van het voertuig kenbaar te maken.
ae. loopvlak: deel van de band in bedrijfsvaardige toestand dat in de stand van rechtuitrijden in contact komt met het wegdek;
ae. loopvlak: deel van de band dat gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;
af. luchtband: band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische;
ag. markeringslicht: licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven;
ah. massa in bedrijfsklare toestand: massa van het voertuig met carrosserie, in bedrijfsklare toestand, met inbegrip van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel, gereedschap en bestuurder; voor het vaststellen van de massa moet de tank voor 90% zijn gevuld en wordt het gewicht van de bestuurder op 75 kg gesteld;
@ -108,8 +116,9 @@ ay. rijdend werktuig: bedrijfsauto of motorrijtuig met beperkte snelheid, ingeri
az. samenstel van voertuigen: trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;
ba. stadslicht: licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
ba1. technische eenheid: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG of 2002/24/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt uitsluitend in samenhang met een of meer bepaalde typen voertuigen;
bb. trekker: bedrijfsauto, voorzien van een schotelkoppeling, bestemd voor het voortbewegen van een oplegger;
bc. verwarmingssysteem op brandstof: verwarmingssysteem dat rechtstreeks op vloeibare of gasvormige brandstof werkt en geen gebruik maakt van de door de aandrijfmotor van het voertuig voortgebrachte afvalwarmte;
bb. trekker: bedrijfsauto, voorzien van een koppeling, bestemd voor het voortbewegen van een oplegger;
bc. vervangingskatalysator: een katalysator of een samenstel van katalysatoren die bestemd is of zijn om een originele katalysator te vervangen in een overeenkomstig richtlijn 70/220/EEG goedgekeurd voertuig;
bc1. verwarmingssysteem op brandstof: verwarmingssysteem dat rechtstreeks op vloeibare of gasvormige brandstof werkt en geen gebruik maakt van de door de aandrijfmotor van het voertuig voortgebrachte afvalwarmte;
bd. voertuig: motorrijtuig, aanhangwagen, fiets, zijspanwagen, wagen of andere constructie, niet bestemd om langs spoorstaven te worden voortbewogen; onder een andere constructie wordt niet verstaan een kinderwagen, niet-gemotoriseerde rolstoel, kruiwagen of soortgelijke kleine constructie;
be. waarschuwingsknipperlicht: gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers;
bf. wagens: voertuigen, met uitzondering van motorrijtuigen, aanhangwagens, niet-gemotoriseerde gehandicaptenvoertuigen, fietsen en zijspanwagens, doch met inbegrip van handwagens met motorvermogen;
@ -117,7 +126,7 @@ bg. werklicht: licht, bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamhe
bh. wet: Wegenverkeerswet 1994;
bi. wielbasis:
1. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste asstel of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste asstel,
1. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste samenstel van assen,
2. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig,
3. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen opleggers: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de verticale hartlijn van de koppelingspen en het hart van de laatste as;
bj. zelfsturende as: as die wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;
@ -199,12 +208,13 @@ bj. richtlijn 96/27/EG: richtlijn nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de
bk. richtlijn 96/79/EG: richtlijn nr. 96/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1996 betreffende de bescherming van de inzittenden van motorvoertuigen bij frontale botsingen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG) (PbEG 1997 L 18);
bl. richtlijn 97/24/EG: richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226);
bm. richtlijn 97/27/EG: richtlijn nr. 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1997 betreffende de massa's en afmetingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 233);
bn. richtlijn 98/91/EG: richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 11);
bo. richtlijn 2000/7/EG: richtlijn nr. 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de snelheidsmeter van twee- of driewielige motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 106);
bp. richtlijn 2000/40/EG: richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203);
bq. richtlijn 2001/56/EG: richtlijn 2001/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 inzake de verwarming van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn 78/548/EEG van de Raad (PbEG L 292);
br. richtlijn 2001/85/EG: richtlijn nr. 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad en van richtlijn 97/27/EG (PbEG L 42);
bs. richtlijn 2002/24/EG: richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG (PbEU L 124).
bn. richtlijn 98/14/EG: richtlijn nr. 98/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1998 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 91);
bo. richtlijn 98/91/EG: richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 11);
bp. richtlijn 2000/7/EG: richtlijn nr. 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de snelheidsmeter van twee- of driewielige motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 106);
bq. richtlijn 2000/40/EG: richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203);
br. richtlijn 2001/56/EG: richtlijn 2001/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 inzake de verwarming van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn 78/548/EEG van de Raad (PbEG L 292);
bs. richtlijn 2001/85/EG: richtlijn nr. 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad en van richtlijn 97/27/EG (PbEG L 42);
bt. richtlijn 2002/24/EG: richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG (PbEU L 124).
**2.** In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder ECE-reglement 104: VN/ECE-reglement nr. 104 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens, behorende bij de overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.
@ -305,7 +315,7 @@ Het is met ingang van 1 oktober 2002 verboden nieuwe personenauto's die niet ver
**4.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen, zijnde fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, en technische eenheden of onderdelen daarvan.
**5.** Het eerste lid is niet van toepassing op bromfietsen ten aanzien waarvan een goedkeuring voor een individueel voertuig, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994, is verleend.
**5.** Het eerste lid is niet van toepassing op bromfietsen ten aanzien waarvan een goedkeuring voor een individueel voertuig, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994, is verleend en op bromfietsen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en technische eenheden of onderdelen daarvan voor zover deze bestemd zijn om op deze bromfietsen te worden gemonteerd.
### Artikel 1a.4
@ -507,7 +517,7 @@ b. indien het een ongeremde aanhangwagen betreft, niet meer dan 750 kg en niet m
### Artikel 3.2.14
Personenautos met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van radio-ontstoring voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Personenautos die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
### Artikel 3.2.15
@ -699,18 +709,18 @@ Personenautos moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid to
Personenautos die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/761/EEG;
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, met dien verstande dat een derde remlicht slechts verplicht is indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2000.
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
i. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/538/EEG;
j. een of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 77/539/EEG;
j. een of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m.
### Artikel 3.2.46
@ -721,12 +731,12 @@ Personenautos die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn v
a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/762/EEG;
b. parkeerlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/540/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m;
c. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
c. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
e. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
f. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
g. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2000.
h. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
h. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG.
**2.**
@ -817,9 +827,9 @@ Het hart van de opleggerkoppeling van trekkers mag niet achter de achterste as v
### Artikel 3.3.6
**1.** Bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
**1.** Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
**2.** Bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn.
**2.** Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn.
**3.**
@ -831,14 +841,11 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
**4.** Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, moeten rijdend naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
**5.**
**5.** Rijdende werktuigen mogen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m.
In afwijking van het eerste tot en met derde lid mogen:
**6.** In afwijking van het eerste tot en met het derde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
a. rijdende werktuigen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m;
b. kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
**6.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
**7.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
### Artikel 3.3.7
@ -910,15 +917,13 @@ In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximum massa
a. 24 000 kg,
b. de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, tenzij deze een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg, of de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt,
c. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, voorzover de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt, met een maximum van 3 500 kg,
d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg, en
e. 12 000 kg, indien:
d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg.
1°. de achterste as dan wel de achterste assen van de bedrijfsauto niet zijn voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, of
2°. de afstand van het hart van de koppeling tot de achterste as van de bedrijfsauto meer bedraagt dan 1,20 m indien de bedrijfsauto is voorzien van twee assen, dan wel meer bedraagt dan 1,55 m indien de bedrijfsauto is voorzien van meer dan twee assen.
**4.** In afwijking van het tweede lid mag de toegestane maximum massa van een door een bedrijfsauto met een zelfdragende carrosserie en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3 500 kg voort te bewegen aanhangwagen niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa.
**4.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg.
**5.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig alsmede van een samenstel van een rijdend werktuig en een aanhangwagen meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg.
**5.** Bij bedrijfsautos die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt.
**6.** Bij bedrijfsautos die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt.
### Artikel 3.3.11
@ -950,7 +955,7 @@ e. 12 000 kg, indien:
### Artikel 3.3.14
Bedrijfsautos met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van radio-ontstoring voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Bedrijfsautos die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
### Artikel 3.3.15
@ -990,7 +995,9 @@ c. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van ke
### Artikel 3.3.18
Bedrijfsautos moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h.
**1.** Bedrijfsautos moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h.
**2.** Bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEG die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten voor wat betreft de wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het bepaalde in deze richtlijn.
#### Paragraaf 5. Assen
@ -1146,7 +1153,7 @@ Bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssysteme
**10.** Bedrijfsautos die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
**11.** De in het zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor trekkers alsmede voor bedrijfsautos die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.
**11.** De in het zevende, achtste, negende en tiende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor trekkers alsmede voor bedrijfsautos die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.
**12.** De wielen van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd.
@ -1166,16 +1173,20 @@ Bedrijfsautos moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid to
**1.** Bedrijfsautos die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een installatie van verlichting en lichtsignalen alsmede van retroreflecterende voorzieningen overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
**2.** Indien het als gevolg van de constructie van een rijdend werktuig niet mogelijk is de zijrichtingaanwijzers en de zijretroreflectoren aan te brengen op de ingevolge het bepaalde in het eerste lid voorgeschreven plaats, moeten deze lichten en retroreflectoren zo ver mogelijk naar voren tegen de zijkanten van het voertuig zijn geplaatst met inachtneming van de toegestane maximum hoogte waarop deze lichten en retroreflectoren mogen worden geplaatst.
**2.** In afwijking van het eerste lid moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van niet-driehoekige dan wel driehoekige rode retroreflectoren.
**3.** De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG.
**3.** Indien het als gevolg van de constructie van een rijdend werktuig niet mogelijk is de zijrichtingaanwijzers en de zijretroreflectoren aan te brengen op de ingevolge het bepaalde in het eerste lid voorgeschreven plaats, moeten deze lichten en retroreflectoren zo ver mogelijk naar voren tegen de zijkanten van het voertuig zijn geplaatst met inachtneming van de toegestane maximum hoogte waarop deze lichten en retroreflectoren mogen worden geplaatst.
**4.** Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
**4.** De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG.
**5.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van bedrijfsautos die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
**5.** Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
**6.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van bedrijfsautos die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
### Artikel 3.3.41
**1.**
Bedrijfsautos die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/761/EEG;
@ -1185,7 +1196,7 @@ d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, onderscheidenlijk driehoekige rode retroreflecterende aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG indien het een gelede bus betreft;
h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
i. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG;
j. een of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
@ -1193,6 +1204,8 @@ l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij
m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van driehoekige dan wel niet-driehoekige rode retroreflectoren die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
### Artikel 3.3.46
**1.**
@ -1225,6 +1238,8 @@ m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
**2.** Het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
**3.** Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
### Artikel 3.3.50
Bedrijfsauto's mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
@ -1244,7 +1259,7 @@ Indien de bedrijfsauto in gebruik genomen is na 30 juni 1967 en is voorzien van
a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de bedrijfsauto voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken, en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
**2.** Indien de bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een middenasaanhangwagen, moet de afstand van het laagste punt van de koppeling van het trekkend voertuig tot het wegdek ten minste een vijfde deel bedragen van de afstand van het laagste punt van die koppeling tot de achterste as van het trekkend voertuig.
**2.** Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, moet de afstand van het laagste punt van de koppeling van het trekkend voertuig tot het wegdek ten minste een vijfde deel bedragen van de afstand van het laagste punt van die koppeling tot het hart van de achterste as van het trekkend voertuig.
**3.** Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies aan de voertuigen worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
@ -1756,7 +1771,7 @@ Vervallen
**2.** De ruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
**3.** De voorruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 doch voor 17 juni 1999, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
**3.** De voorruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
### Artikel 3.5.30
@ -1814,7 +1829,7 @@ Vervallen
**7.** Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
**8.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het derde lid en vierde bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
**8.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het derde lid en het vierde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
### Artikel 3.5.37
@ -1836,9 +1851,9 @@ Vervallen
### Artikel 3.5.39
**1.** Driewielige motorvoertuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
**1.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
**2.** Driewielige motorvoertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995 moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
**2.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995 moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
#### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@ -2227,24 +2242,30 @@ b. niet hoger zijn dan 4,00 m.
**4.** Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen niet langer zijn dan 12,00 m.
**5.** Van opleggers die na 30 april 1993 maar voor 22 juli 1999 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de achterzijde niet meer bedragen dan 12,00 m; bij de vaststelling van de afstand worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
**5.** Van opleggers die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m.
**6.** Van opleggers die voor 1 mei 1993 in gebruik zijn genomen mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt; bij de vaststelling van de afstand worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
**6.** Van opleggers die na 31 december 1994 maar voor 22 juli 1999 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m.
**7.**
**7.** Van opleggers die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
**8.** Van aanhangwagens, met uitzondering van kermis- of circusvoertuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, mag bij het inrijden en vervolgens doorrijden van een cirkel met een straal van 12,50 m, waarbij het inrijden van de cirkel geschiedt met de buitenzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de raaklijn aan de cirkel, en het doorrijden van de cirkel geschiedt over een hoek van 360 graden met de voorzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de cirkel, de uitscheermaat van het samenstel van voertuigen niet meer dan 0,80 m bedragen en de bestreken baan niet meer dan 7,20 m bedragen. Deze bepaling geldt niet voor opleggers die voor 1 april 1983 in gebruik zijn genomen, waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt en die worden gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading.
**9.** Het eerste en het tweede lid zijn voor wat betreft wendbaarheid niet van toepassing op kermis- of circusvoertuigen.
**10.**
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid mogen:
a. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m, indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg;
b. middenasaanhangwagens die voor 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m.
**8.** In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
**11.** In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
**9.** In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en vijfde lid mag voor een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
**12.** In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en zesde lid mag voor een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
**10.** In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, worden, bij het vaststellen van de afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van een oplegger, markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
**13.** Bij de vaststelling van de afstand, bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
**11.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
**14.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
### Artikel 3.7.8
@ -2296,7 +2317,12 @@ j. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee
**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van aanhangwagens die niet in het tweede lid zijn genoemd dan wel die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen.
**4.** De toegestane maximum massa van middenasaanhangwagens mag niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan 20 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan 24 000 kg.
**4.**
De toegestane maximum massa van middenasaanhangwagens mag niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan:
a. 20 000 kg, of
b. 24 000 kg indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen.
#### Paragraaf 5. Assen
@ -2456,6 +2482,10 @@ h. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
**4.** Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
### Artikel 3.7.48
Het derde remlicht mag slechts rood stralen.
### Artikel 3.7.51
Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.7.41 en 3.7.46 dan wel krachtens artikel 3.7.40, vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
@ -2479,6 +2509,12 @@ b. indien de aanhangwagen voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot
Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
#### Paragraaf 12. Diversen
### Artikel 3.7.54
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 1 januari 1996, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
### Afdeling 8. Voertuigonderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers
### Artikel 3.8.1
@ -2865,9 +2901,7 @@ plaats aan de hand van de afstel- en controlegegevens, vermeld op het op het voe
**11.** De uitlaatgassen van personenautos met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen.
**12.** Bij personenautos met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 30 september 1986 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
**13.** Het in het achtste lid bedoelde symbool moet op het voertuig aanwezig zijn en moeten goed leesbaar zijn.
**12.** Bij personenautos met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1992 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
### Artikel 5.2.12
@ -2893,9 +2927,11 @@ Personenautos die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzi
**1.** De onderdelen van de aandrijving van personenautos moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**2.** Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
**3.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
#### Paragraaf 5. Assen
@ -2905,7 +2941,7 @@ Personenautos die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzi
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
@ -2915,11 +2951,13 @@ Personenautos die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzi
**1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenautos moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**2.** Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
### Artikel 5.2.20
@ -2987,17 +3025,19 @@ De spoorbreedte van personenautos mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de w
**3.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
**4.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**4.** Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**5.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
**5.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**6.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**7.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**8.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
**8.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**9.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid.
**9.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
**10.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
#### Paragraaf 8. Reminrichting
@ -3061,7 +3101,9 @@ b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichtin
**4.** Personenautos mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras.
**5.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, en vierde lid.
**5.** In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerauto's en begrafeniswagens met een maximum toegestane massa van meer dan 2500 kg waarvoor overeenkomstig richtlijn 98/14/EG, Bijlage XI, aanhangsel 1, een goedkeuring is verleend, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s^2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.
**6.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid.
### Artikel 5.2.39
@ -3152,17 +3194,17 @@ c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen
### Artikel 5.2.47
**1.** Personenauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
**1.** Personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
**2.** Personenautos die na 31 december 1989 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
**2.** Personenautos die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
**3.** Personenautos die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig.
**5.** De in het eerste en tweede lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels behoeven te zijn voorzien.
**5.** De in het tweede en derde lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels behoeven te zijn voorzien.
**6.** Autogordels in personenauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
**6.** Autogordels in personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
**7.** De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
@ -3174,7 +3216,7 @@ c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen
**1.**
In personenauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moet bij iedere passagierszitplaats met airbag duidelijk zichtbaar en duurzaam zijn aangebracht het volgende symbool
In personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moet bij iedere passagierszitplaats met airbag duidelijk zichtbaar en duurzaam zijn aangebracht het volgende symbool
Raadpleeg voor het plaatje Staatsblad 1999/393.
@ -3211,7 +3253,7 @@ b. twee dimlichten;
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenautos die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
@ -3221,10 +3263,10 @@ l. een of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in ge
m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
o. ten minste twee ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m;
p. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h, indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2000.
1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en
2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h.
### Artikel 5.2.53
@ -3256,7 +3298,7 @@ p. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
**5.** De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor personenauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1970 voorzover de functie van de lichten en retroreflectoren niet wezenlijk wordt beïnvloed.
**6.** De retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
**6.** De retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
**7.** Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
@ -3298,12 +3340,13 @@ h. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
k. werklichten;
l. een derde remlicht aangebracht zodanig, dat:
l. een derde remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2001, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2000;
m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG (PbEG 27 september 1976, L 262);
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg.
1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en
2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h;
m. twee dagrijlichten;
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg;
o. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling van Onze Minister vast te stellen informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De verlichting moet afzonderlijk zijn geschakeld en mag naar achteren niet rood stralen. Bij regeling van Onze Minister worden nadere eisen vastgesteld ten aanzien van de uitvoering van de transparanten en de plaats waar zij op of aan het voertuig zijn aangebracht.
**2.** Lichten die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen g onderscheidenlijk h van het eerste lid.
@ -3329,9 +3372,11 @@ n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoek
**9.** Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.2.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
**10.** De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
### Artikel 5.2.61
**1.** Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
**1.** Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
**2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten.
@ -3376,7 +3421,7 @@ b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed functioneren e
**1.** Personenautos moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
**2.** Personenautos mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
**2.** Personenautos mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen.
**3.** Personenautos mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
@ -3531,7 +3576,7 @@ e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik i
**10.** De uitlaatgassen van bedrijfsautos met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen.
**11.** Het in het zevende lid bedoelde symbool moet op het voertuig aanwezig zijn en moet goed leesbaar zijn.
**11.** Bij bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
### Artikel 5.3.12
@ -3588,9 +3633,11 @@ d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aanslui
**1.** De onderdelen van de aandrijving van bedrijfsautos moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**2.** Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
**3.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
#### Paragraaf 5. Assen
@ -3600,7 +3647,7 @@ d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aanslui
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
@ -3610,11 +3657,13 @@ d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aanslui
**1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsautos moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**2.** Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
### Artikel 5.3.20
@ -3693,7 +3742,7 @@ De banden van bedrijfsautos mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is spra
**1.** Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.
**3.** Bedrijfsauto's die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers.
@ -3711,17 +3760,19 @@ De banden van bedrijfsautos mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is spra
**3.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
**4.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**4.** Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**5.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
**5.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**6.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**7.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**8.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
**8.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**9.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid.
**9.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
**10.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
#### Paragraaf 8. Reminrichting
@ -3807,7 +3858,7 @@ c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in g
**1.** De slag van drukluchtremcylinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.
**2.** De slag van drukluchtremcylinders mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken remcylinder.
**2.** De slag van drukluchtremcylinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken remcylinder.
### Artikel 5.3.37
@ -3971,8 +4022,8 @@ b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal
In afwijking van het eerste lid moeten:
a. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die na 30 september 2001 in gebruik zijn genomen, en
b. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
a. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die na 30 september 2002 in gebruik zijn genomen, en
b. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
**3.** Bedrijfsautos die na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten voorzien zijn van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
@ -3987,7 +4038,7 @@ b. bussen die zijn bestemd voor stadsgebruik;
c. bussen die beschikken over speciaal voor staande passagiers bedoelde plaatsen, en
d. voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels hoeven te zijn voorzien.
**6.** Autogordels van bedrijfsauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
**6.** Autogordels van bedrijfsauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
**7.** De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
@ -3999,7 +4050,7 @@ d. voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens ee
**1.**
In bedrijfsauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moet bij iedere passagierszitplaats met airbag duidelijk zichtbaar en duurzaam zijn aangebracht het volgende symbool
In bedrijfsauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moet bij iedere passagierszitplaats met airbag duidelijk zichtbaar en duurzaam zijn aangebracht het volgende symbool
Raadpleeg voor het plaatje Staatsblad 1999/393.
@ -4013,7 +4064,7 @@ Raadpleeg voor het plaatje Staatsblad 1999/393.
**3.** Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
**4.** De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
**4.** De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
**5.**
@ -4050,18 +4101,18 @@ d. ten minste vier gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshand
**2.** De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsautos, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1996, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsautos, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m.
**3.** De stootbalk moet zo dicht mogelijk bij de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht en niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen.
**3.** Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 september 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor bedrijfsauto's, ingericht als betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen.
**4.**
**4.** Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
De stootbalk van bedrijfsautos die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1998, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
**5.**
De stootbalk van bedrijfsauto's mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor bedrijfsautos die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
**5.** De stootbalk van bedrijfsautos die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moet voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel *b*.
Voor bedrijfsauto's die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
**6.** De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
@ -4110,11 +4161,11 @@ b. twee dimlichten;
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen; voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, onderscheidenlijk twee driehoekige rode retroreflectoren indien het een gelede bus betreft;
j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, onderscheidenlijk twee driehoekige dan wel niet-driehoekige, rode retroreflectoren indien het een gelede bus betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005;
k. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. één of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
@ -4199,7 +4250,9 @@ m. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het midden langsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.3.51, onderdeel h.
n. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG (PbEG 27 september 1976, L 262).
n. twee dagrijlichten;
o. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling van Onze Minister vast te stellen informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De verlichting moet afzonderlijk zijn geschakeld en mag naar achteren niet rood stralen. Bij regeling van Onze Minister worden nadere eisen vastgesteld ten aanzien van de uitvoering van de transparanten en de plaats waar zij op of aan het voertuig zijn aangebracht;
p. twee extra remlichten indien het een vuilniswagen betreft.
**2.** Lichten die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen h onderscheidenlijk i van het eerste lid.
@ -4231,9 +4284,13 @@ n. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG (PbEG 27 s
**8.** De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
**9.** De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
**10.** Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
### Artikel 5.3.61
**1.** Bij bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
**1.** Bij bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
**2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig en werklichten.
@ -4308,13 +4365,13 @@ a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen;
b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde onder *a*, voor wat betreft de uiterste linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen;
c. de diepte van groeven langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
**2.** Een schotelkoppeling van 2 inch moet met ten minste 8 bouten van minimaal klasse 8.8 op het voertuig onderscheidenlijk het subframe zijn bevestigd. De bouten moeten symmetrisch ten opzichte van de langs- en dwarsas van de koppeling zijn geplaatst.
Dit lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak.
**3.** De speling in de sluitinrichting van de in het tweede lid bedoelde schotelkoppeling mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen.
**2.** Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd.
**4.** Een schotelkoppeling van 3,5 inch moet met ten minste 12 bouten van minimaal klasse 8.8 op het voertuig onderscheidenlijk het subframe zijn bevestigd.
**3.** De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen.
**5.** De sluit- en borginrichting moet goed functioneren.
**4.** De sluit- en borginrichting moet goed functioneren.
### Artikel 5.3.70
@ -4366,12 +4423,16 @@ Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of
### Artikel 5.4.6
**1.**
Motorfietsen mogen:
a. niet langer zijn dan 4.00 m;
b. niet breder zijn dan 2.00 m;
c. niet hoger zijn dan 2.50 m.
**2.** Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorrijtuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
#### Paragraaf 3. Motor
### Artikel 5.4.9
@ -4466,7 +4527,7 @@ De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdeli
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
@ -4564,15 +4625,15 @@ e. in geval van een gecombineerde reminrichting:
**2.**
Motorfietsen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
Motorfietsen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt.
**3.** Motorfietsen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt.
**3.** Motorfietsen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt.
**4.** Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op en droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
**4.** Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op en droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
**5.**
@ -4795,8 +4856,8 @@ Driewielige motorrijtuigen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
d. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.
c. het voertuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van een kentekenplaat. De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk;
d. de kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn.
#### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@ -4936,9 +4997,11 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17
**1.** De onderdelen van de aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**2.** Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
**3.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
#### Paragraaf 5. Assen
@ -4948,7 +5011,7 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
@ -4958,11 +5021,13 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17
**1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**2.** Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
### Artikel 5.5.20
@ -4972,6 +5037,12 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17
**3.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid.
### Artikel 5.5.21
**1.** De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft.
**2.** Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen.
### Artikel 5.5.24
**1.** De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
@ -5016,15 +5087,17 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17
**3.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
**4.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**4.** Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**5.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
**5.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**6.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**7.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**8.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid.
**8.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**9.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
### Artikel 5.5.30
@ -5336,7 +5409,8 @@ g. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
i. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
k. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997.
k. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
l. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling van Onze Minister vast te stellen informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De verlichting moet afzonderlijk zijn geschakeld en mag naar achteren niet rood stralen. Bij regeling van Onze Minister worden nadere eisen vastgesteld ten aanzien van de uitvoering van de transparanten en de plaats waar zij op of aan het voertuig zijn aangebracht.
**2.** Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
@ -5358,7 +5432,7 @@ k. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997.
### Artikel 5.5.61
**1.** Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
**1.** Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
**2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten.
@ -5528,7 +5602,7 @@ De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelij
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
@ -5735,7 +5809,7 @@ f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
**1.** Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
**2.** Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
**2.** Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
### Artikel 5.6.65
@ -5745,7 +5819,7 @@ Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voor
### Artikel 5.6.66
**1.** Indien bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
**1.** Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
**2.**
@ -5859,7 +5933,7 @@ De onderdelen van de aandrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
@ -7416,18 +7490,19 @@ De bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïs
**1.** Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m.
**2.** In afwijking van het eerste lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
**3.**
**2.**
In afwijking van het eerste lid mogen:
a. middenasaanhangwagens die vóór 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m;
b. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar vóór 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg maar niet meer dan 3500 kg.
a. kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m;
b. middenasaanhangwagens die voor 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m;
c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg maar niet meer dan 3500 kg.
**4.** Van opleggers mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer mag bedragen dan 2,04 m en de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer mag bedragen dan 12,00 m; bij de vaststelling van de afstand worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
**3.** Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m.
**5.** In afwijking van het vierde lid mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
**4.** Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
**5.** In afwijking van het derde lid mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
**6.** Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
@ -7435,7 +7510,7 @@ b. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar vóór 1 januari 1987 in gebru
**8.** Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m.
**9.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, het vierde lid, het zesde lid, het zevende lid en het achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
**9.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, het derde lid, het zesde lid, het zevende lid en het achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
### Artikel 5.12.7
@ -7451,7 +7526,7 @@ b. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar vóór 1 januari 1987 in gebru
**2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
**4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
@ -7461,11 +7536,13 @@ b. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar vóór 1 januari 1987 in gebru
**1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**2.** Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
### Artikel 5.12.20
@ -7522,7 +7599,7 @@ De banden van aanhangwagens mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake
**1.** Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.
**3.** Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers.
@ -7538,20 +7615,22 @@ De banden van aanhangwagens mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake
**2.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigingsen borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
**3.** De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen.
**3.** Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
**4.**
**4.** De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen.
**5.**
De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen:
a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is;
b. geen bewegende delen raken.
**5.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
**6.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
**7.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het vijfde lid.
**8.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het zesde lid.
### Artikel 5.12.30
@ -7622,7 +7701,7 @@ b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan w
**1.** De slag van drukluchtremcylinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.
**2.** De slag van drukluchtremcylinders mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximumslag van de betrokken remcylinder.
**2.** De slag van drukluchtremcylinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximumslag van de betrokken remcylinder.
### Artikel 5.12.38
@ -7696,18 +7775,18 @@ b. het gedeelte achter de achterste as van aanhangwagens met een toegestane maxi
**2.** De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m.
**3.** De stootbalk moet zo dicht mogelijk bij de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht en niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen.
**3.** Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 september 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor aanhangwagens, ingericht als betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen.
**4.**
**4.** Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
De stootbalk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1998, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
**5.**
De stootbalk van aanhangwagens mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
**5.** De stootbalk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moet voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel *b*.
Voor aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
**6.** De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
@ -7741,7 +7820,7 @@ l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maxim
### Artikel 5.12.53
**1.** De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen.
**1.** De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
**2.** De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
@ -7788,7 +7867,9 @@ h. werklichten;
i. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.12.51, onderdeel d.
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.12.51, onderdeel d;
j. twee extra remlichten indien het een vuilniswagen betreft;
k. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft.
**2.** Lichten die ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.12.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen d onderscheidenlijk e van het eerste lid.
@ -7812,9 +7893,11 @@ i. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
**4.** Artikel 5.12.55, tweede, derde, vierde en zevende lid, is van toepassing.
**5.** Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
### Artikel 5.12.61
**1.** Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
**1.** Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997.
**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,15 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
@ -7878,6 +7961,8 @@ b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19 mm bedragen.
**5.** Het trekoog mag niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus.
**6.** Het trekoog mag niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen.
### Artikel 5.12.69
**1.**
@ -8280,18 +8365,16 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
**1.** Aanhangwagens met een massa van meer dan 3500 kg moeten zijn voorzien van een goed werkende bedrijfsrem.
**2.** Aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten met ingang van 1 januari 2005 zijn voorzien van een goed werkende bedrijfsrem.
**2.**
**3.**
De onderdelen van de in het eerste en tweede lid bedoelde reminrichting moeten:
De onderdelen van de in het eerste bedoelde reminrichting moeten:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
**4.**
**3.**
Remslangen mogen:
@ -8299,11 +8382,11 @@ a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
**5.** De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
**4.** De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
**6.** De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
**5.** De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
**7.** Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren.
**6.** Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren.
#### Paragraaf 9. Carrosserie
@ -9014,7 +9097,9 @@ c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achte
**5.** De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.
**6.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
**6.** In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.
**7.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
### Artikel 5.18.12
@ -9026,19 +9111,19 @@ a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
c. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk moet zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
d. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.
e. het zicht op de verlichting, de reflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd.
e. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd.
**2.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
**3.** Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 1996.
**4.** Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
**4.** Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
**5.** De in het eerste lid onder *a* bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
### Artikel 5.18.12a
Indien een op een voertuig gemonteerde afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde van dat voertuig uitsteekt en daardoor het zicht op de verlichting, de reflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aldaar belemmert, dient deze afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde op gelijke wijze als het betrokken voertuig te zijn voorzien van verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
Indien een op een voertuig gemonteerde afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde van dat voertuig uitsteekt en daardoor het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aldaar belemmert, dient deze afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde op gelijke wijze als het betrokken voertuig te zijn voorzien van verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
### Artikel 5.18.13
@ -9086,7 +9171,7 @@ De hoogte van personenautos, bedrijfsautos en driewielige motorrijtuigen a
**2.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen.
**3.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen.
**3.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
**4.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.
@ -9112,9 +9197,9 @@ De totale massa van samenstellen van voertuigen mag niet meer bedragen dan:
a. de voor het samenstel van voertuigen in het kentekenregister vermelde toegestane maximum massa;
b. vijf maal de toegestane maximum last onder de aangedreven as of assen van het trekkend motorrijtuig.
In elk geval mag de totale massa van voertuigen of samenstellen van voertuigen, niet zijnde rijdende werktuigen, niet meer bedragen dan 50 000 kg en mag de totale massa van rijdende werktuigen niet meer bedragen dan 60 000 kg.
In elk geval mag de totale massa van voertuigen of samenstellen van voertuigen, niet zijnde rijdende werktuigen, niet meer bedragen dan 50 000 kg en mag de totale massa van rijdende werktuigen of samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens niet meer bedragen dan 60 000 kg.
**3.** De last onder de bestuurde as of assen van motorrijtuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een geleed motorrijtuig betreft, mag bedoelde last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorrijtuig in beladen toestand.
**3.** De last onder de bestuurde as of assen van motorrijtuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag bedoelde last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorrijtuig in beladen toestand.
**4.** De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
@ -9553,7 +9638,7 @@ c. aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voo
**1.**
Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben, moet het voertuig voldoen aan:
Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen, niet zijnde motorfietsen, welke geen volledig dragend chassis hebben alsmede bij wijziging van een enkele cabine naar een dubbele cabine dan wel van een dubbele naar een enkele cabine, moet het voertuig voldoen aan:
a. de in de hoofdstukken 3 en 5 voor de betrokken voertuigcategorie opgenomen eisen, en
b. de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot stijfheid en deugdelijkheid van de constructie alsmede weggedrag.
@ -9572,7 +9657,7 @@ g. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen.
**3.**
Bij wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen, met uitzondering van de eisen betreffende:
Bij wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent algemeen, carrosserie, motor, ophanging en remmen, met uitzondering van de eisen betreffende:
a. de constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en het gezichtsveld van spiegels,
b. de inrichting, de sterkte en de bevestiging van naar voren gerichte zitplaatsen,
@ -9588,7 +9673,7 @@ alsmede de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot stijfheid en
### Artikel 6.5
Bij wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto, motorfiets of aanhangwagen met meer dan 1,0%, in het geval van een motorfiets zodanig dat deze meer dan 60 mm afwijkt, van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
Bij wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorfiets of aanhangwagen met meer dan 1%, in het geval van een motorfiets of een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving zodanig dat deze meer dan 60 mm afwijkt, van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
a. algemeen,
b. algemene bouwwijze van het voertuig,
@ -9666,11 +9751,11 @@ alsmede aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot de stijf
### Artikel 6.10
Bij wijziging van het remsysteem ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de reminrichting, met uitzondering van richtlijn 71/320/EEG (*PbEG* 6 september 1971, L 202) voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van het remsysteem door een gehandicapte.
Bij wijziging van het remsysteem ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de reminrichting, met uitzondering van richtlijn 71/320/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van het remsysteem door een gehandicapte.
### Artikel 6.11
Bij wijziging van de stuurinrichting ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de stuurinrichting, met uitzondering van richtlijn 70/311/EEG (*PbEG* 17 juni 1970, L 133) voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van de stuurinrichting door een gehandicapte.
Bij wijziging van de stuurinrichting ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de stuurinrichting, met uitzondering van richtlijn 70/311/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van de stuurinrichting door een gehandicapte.
### Artikel 6.12