From 3a7e14c1182ef880bbd5148205b6aee0d9cac9de Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sun, 1 Aug 2010 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2010-08-01 | BWBR0027961 | Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie --- .../BWBR0027961/README.md | 103 +++++------------- 1 file changed, 27 insertions(+), 76 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-basisvoorwaarden-kwaliteit-voorschoolse-educatie/BWBR0027961/README.md b/amvb/besluit-basisvoorwaarden-kwaliteit-voorschoolse-educatie/BWBR0027961/README.md index f4b78242ee9..29e26f426fa 100644 --- a/amvb/besluit-basisvoorwaarden-kwaliteit-voorschoolse-educatie/BWBR0027961/README.md +++ b/amvb/besluit-basisvoorwaarden-kwaliteit-voorschoolse-educatie/BWBR0027961/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie bwb_id: BWBR0027961 type: AMvB status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2019-09-20' +datum_inwerkingtreding: '2010-08-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0027961 citeertitel: Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie --- @@ -16,93 +16,28 @@ Voor voorschoolse educatie gelden ten minste de in dit besluit opgenomen basisvo ### Artikel 2 -**1.** Het aanbod voorschoolse educatie is zodanig ingericht dat een kind vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud wordt in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan ontvangen. - -**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt het door de houder gerealiseerde aanbod voorschoolse educatie buiten beschouwing gelaten, voor zover dit meer dan zes uur per dag omvat. - -### Artikel 2a - -**1.** Onverminderd de bij of krachtens artikel 1.50 van de Wet kinderopvang voorgeschreven inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker ten behoeve van de kinderopvang, zet de houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden een pedagogisch beleidsmedewerker in ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van de voorschoolse educatie. - -**2.** De inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van voorschoolse educatie betreft de totstandkoming en implementatie van beleidsvoornemens met betrekking tot voorschoolse educatie of coaching van beroepskrachten voorschoolse educatie. - -**3.** Deze inzet omvat per kindercentrum een minimaal aantal uren per jaar, dat jaarlijks wordt bepaald door het aantal kinderen waaraan in het kindercentrum op 1 januari van het betreffende jaar voorschoolse educatie wordt aangeboden te vermenigvuldigen met tien uur. Hierbij worden slechts kinderen meegeteld die tussen tweeëneenhalf en vier jaar oud zijn en behoren tot de op grond van artikel 167, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Wet op het primair onderwijs vastgestelde doelgroep. - -**4.** De houder legt vast aan hoeveel van deze kinderen op 1 januari voorschoolse educatie wordt aangeboden. +Voorschoolse educatie omvat per week ten minste vier dagdelen van ten minste 2,5 uur of per week ten minste 10 uur aan activiteiten gericht op het stimuleren van de ontwikkelingsdomeinen, bedoeld in artikel 5. ### Artikel 3 -**1.** De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in een groep waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden bedraagt ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen. +**1.** De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in een groep waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden bedraagt ten minste één beroepskracht per acht kinderen. **2.** Een groep kinderen waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen. -**3.** - -De bezitter van een getuigschrift als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, die aantoonbaar is ingeschreven voor de scholing, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel b, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een beroepskracht voorschoolse educatie, met dien verstande dat dit slechts geldt: - -a. indien hij niet eerder is ingeschreven voor dergelijke scholing; -b. gedurende de inschrijving voor de scholing, met dien verstande dat deze periode maximaal drie maanden voor de aanvang van de scholing begint en in ieder geval twee jaar na aanvang van de scholing eindigt; -c. indien hij voldoet aan de taaleis, bedoeld in artikel 4, lid 3a; en -d. indien bij het aanbieden van voorschoolse educatie ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4, ook op de groep aanwezig is, met dien verstande dat indien de groep uit meer dan acht feitelijk aanwezige kinderen bestaat, dit geen beroepskracht voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, betreft. - ### Artikel 4 **1.** -De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden draagt er zorg voor dat de beroepskrachten voorschoolse educatie in het bezit zijn van: +De houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden draagt er zorg voor dat de beroepskrachten voorschoolse educatie in het bezit zijn van: a. een getuigschrift van met gunstig gevolg afgelegd examen van een bij ministeriële regeling aan te wijzen opleiding op ten minste het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, specifiek gericht op het opdoen van pedagogische vaardigheden; of -b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden. +b. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden. -**2.** +**2.** Onderdeel van de beroepsopleiding waarvoor het getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is behaald, vormt ten minste één module over het verzorgen van voorschoolse educatie. -Onderdeel van een beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vormt ten minste een met gunstig gevolg afgesloten keuzedeel dat is gericht op het ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie en dat ten minste kennis en vaardigheden omvat met betrekking tot: +**3.** Indien aan het tweede lid niet is voldaan bezit de beroepskracht voorschoolse educatie naast het getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, een bewijs dat met gunstig gevolg scholing is afgerond specifiek gericht op het vroegtijdig bestrijden van achterstanden bij jonge kinderen of het werken met voor- en vroegschoolse educatieprogramma’s. -a. het werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie, -b. het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling, -c. het volgen van de ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod van voorschoolse educatie, -d. het betrekken van de ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, en -e. het vormgeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie. - -**3.** - -Het keuzedeel, bedoeld in het tweede lid, is niet vereist indien: - -a. de in het tweede lid genoemde kennis en vaardigheden al onderdeel zijn van de beroepsopleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarop de kwalificatie is gericht; of -b. de bezitter van een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aantoonbaar met gunstig gevolg scholing heeft afgerond die betrekking heeft op de kennis en vaardigheden, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met e, en die ten minste twaalf dagdelen omvat. - -**3a.** De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst aantoonbaar ten minste niveau 3F, bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, op de onderdelen Mondelinge Taalvaardigheid en Lezen. - -**4.** De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks voor elke locatie voorschoolse educatie een opleidingsplan vast dat in elk geval tot uitdrukking brengt op welke wijze de kennis en vaardigheden van de beroepskracht voorschoolse educatie met betrekking tot de kennis en vaardigheden, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met e, worden onderhouden. De houder geeft op concrete en toetsbare wijze uitvoering aan het opleidingsplan, evalueert het plan jaarlijks en stelt het plan aan de hand van de evaluatie zo nodig bij. - -**5.** - -Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de beroepskracht voorschoolse educatie die: - -a. is geboren vóór 1 januari 1955; -b. op 1 januari 2010 tenminste 15 jaar als beroepskracht als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, zoals dat luidde op 31 december 2017 werkzaam was, en -c. scholing voor voor- of vroegschoolse educatie heeft gevolgd die hoort bij een programma als bedoeld in artikel 5. - -**6.** Indien van een groep waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden, feitelijk meer dan acht kinderen aanwezig zijn, is ten hoogste op één van de aanwezige beroepskrachten voorschoolse educatie het vijfde lid van toepassing. - -**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel. - -### Artikel 4a - -**1.** - -De houder beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in artikel 3 van het Besluit kwaliteit kinderopvang, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze: - -a. de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten, -b. de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling, -c. de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd, -d. de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, -e. het inrichten van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgd en het beschikbaar stellen van passend materiaal voor voorschoolse educatie, -f. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie, -g. hoe aan de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt voldaan, en -h. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichting tot inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker, bedoeld in artikel 2a, en hoe daarmee de kwaliteit van de voorschoolse educatie wordt bevorderd. - -**2.** De houder geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de onderwerpen van het eerste lid betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij. +**4.** De houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden stelt jaarlijks een opleidingsplan op waarin tot uitdrukking komt op welke wijze de kennis van en de vaardigheden van de beroepskracht voorschoolse educatie in het vroegtijdig bestrijden van achterstanden door middel van voorschoolse educatie worden onderhouden. ### Artikel 5 @@ -110,15 +45,31 @@ Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructure ### Artikel 6 -Voorschoolse educatie vindt plaats in een kindercentrum. +Voorschoolse educatie vindt plaats in een kindercentrum of peuterspeelzaal. ### Artikel 7 -Vervallen +**1.** Indien de som van de schoolgewichten, bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO, zoals dat luidde op 31 juli 2006, van de hoofdvestigingen en nevenvestigingen van basisscholen voor zover deze zich bevinden op het grondgebied van een gemeente, gebaseerd op de leerlingenaantallen op 1 oktober 2004, 11 of meer bedraagt, wordt aan gemeenten, die in de periode van 1 januari tot 1 augustus 2010 een specifieke uitkering ontvingenop grond van artikel 3 van het Besluit vaststelling doelstelling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006–2010, zoals dat luidde op 31 juli 2008, een specifieke uitkering toegekend voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. Deze uitkering wordt voor de periode 1 augustus tot en met 31 december 2010 vastgesteld. De uitkering wordt berekend door de schoolgewichten bij elkaar op te tellen en de uitkomst te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. + +**2.** De gemeente besteedt de specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, aan voorschoolse educatie en de activiteiten als bedoeld in artikel 165 van de Wet op het primair onderwijs, om onderwijsachterstanden te bestrijden, met dien verstande dat maximaal 15% van de verstrekte specifieke uitkering kan worden besteed aan coördinerende of overige activiteiten die zijn gerelateerd aan het onderwijsachterstandenbeleid. + +**3.** Indien de gemeente voorschoolse educatie aanbiedt besteedt de gemeente de specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval aan het vaststellen van een eigen bijdrage van ouders in de kosten van opvang van kinderen als bedoeld in artikel 167, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het primair onderwijs, die voorschoolse educatie volgen in peuterspeelzalen, die overeenkomt met of lager is dan de eigen bijdrage die ouders betalen voor de opvang van kinderen in de zin van de Wet kinderopvang indien een maximale kinderopvangtoeslag op grond van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang wordt ontvangen. + +**4.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2011. ### Artikel 8 -Vervallen +**1.** + +Eerst twaalf maanden na inwerkingtreding van dit besluit is: + +a. artikel 2 van toepassing ten aanzien van voorschoolse educatie in gemeenten, die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit geen decentralisatie-uitkering als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet ontvingen voor voorschoolse educatie; +b. artikel 4, eerste tot en met derde lid, van toepassing ten aanzien van beroepskrachten voorschoolse educatie, die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit reeds belast zijn met voorschoolse educatie en op dat moment niet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, eerste tot en met derde lid; +c. artikel 5 van toepassing. + +**2.** Het eerste lid, onderdelen b en c, geldt niet ten aanzien van voorschoolse educatie in de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht. + +**3.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012. ### Artikel 9