2004-09-29 | BWBR0006923 | Rijnvaartpolitiereglement 1995
This commit is contained in:
parent
7fdcec7086
commit
3abe9bd399
1 changed files with 142 additions and 130 deletions
|
|
@ -49,9 +49,9 @@ w. *korte stoot:* een geluidssein, durende ongeveer 1 seconde; *lange stoot:* ee
|
|||
x. *reeks zeer korte stoten:* een reeks van ten minste 6 stoten, elk durende ongeveer 1/4 seconde en waarbij de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten ongeveer 1/4 seconde bedraagt;
|
||||
y. *linker- en rechteroever:* de zijden van de vaarweg gezien in de richting van de bron naar de monding;
|
||||
z. *stroomopwaarts:* de richting naar de bronnen van de Rijn, met inbegrip van die riviergedeelten waar de stroomrichting met het getij verandert;
|
||||
aa. *ADNR:* het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn.
|
||||
|
||||
|
||||
aa. *ADNR:* het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn;
|
||||
ab. *snel schip:* een motorschip, met uitzondering van een klein schip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen (bijvoorbeeld een draagvleugelboot, een luchtkussenvaartuig of een motorschip met meervoudige romp), terwijl dit in het certificaat van onderzoek is aangetekend;
|
||||
ac. *snel flikkerlicht:* een periodelicht tonende 100 tot 120 flikkeringen per minuut.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.02
|
||||
|
||||
|
|
@ -85,7 +85,7 @@ De schipper van een schip dat gesleept wordt moet de bevelen van de schipper van
|
|||
|
||||
De schipper mag in zijn functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, van medicijnen of van drugs, dan wel door enige andere oorzaak.
|
||||
|
||||
Indien hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,8 promille of meer, dan wel hij een hoeveelheid alcohol in zijn lichaam heeft die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed oplevert, is het de schipper verboden het schip te voeren.
|
||||
Indien hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,5 promille of meer, dan wel hij een hoeveelheid alcohol in zijn lichaam heeft die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed dan wel een daarmee overeenkomende alcoholconcentratie in de uitgeademde lucht oplevert, is het de schipper verboden het schip te voeren.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.03
|
||||
|
||||
|
|
@ -131,10 +131,13 @@ Onverminderd de artikelen 8.09, 9.02, tiende lid, 10.01, 10.02, 11.01, 11.02, 11
|
|||
De stabiliteit van de volgende schepen die containers vervoeren moet bovendien vóór het begin van de reis worden gecontroleerd:
|
||||
|
||||
a. schepen met een breedte van minder dan 9,50 m, indien de containers in meer dan één laag zijn geladen;
|
||||
b. schepen met een breedte van 9,50 m of meer, indien de containers in meer dan twee lagen zijn geladen;
|
||||
c. schepen met een breedte van 11 m of meer, indien de containers in meer dan drie lagen of in meer dan drie stapels naast elkaar zijn geladen.
|
||||
b. schepen met een breedte van 9,50 m tot 11 m, indien de containers in meer dan twee lagen zijn geladen;
|
||||
c. schepen met een breedte van 11 m of meer,
|
||||
|
||||
**5.** Een schip dat is bestemd voor het vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan door de bevoegde autoriteit is toegestaan.
|
||||
– indien de containers in meer dan drie rijen naast elkaar en in meer dan twee lagen zijn geladen, of
|
||||
– indien de containers in meer dan drie lagen zijn geladen.
|
||||
|
||||
**5.** Een schip dat is bestemd voor het vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan door de bevoegde autoriteit is toegestaan. Onverminderd de eerste volzin mogen zich aan boord van een snel schip niet meer personen bevinden dan er zitplaatsen beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.08
|
||||
|
||||
|
|
@ -150,39 +153,40 @@ c. schepen met een breedte van 11 m of meer, indien de containers in meer dan dr
|
|||
|
||||
**2.** De voorwaarde aangaande de leeftijd geldt niet voor kleine schepen zonder motor.
|
||||
|
||||
**3.** Teneinde te verzekeren dat het schip op de juiste wijze wordt gevoerd moet de roerganger in staat zijn alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder moet hij naar alle zijden een voldoende vrij direct of indirect uitzicht hebben en in de gelegenheid zijn geluidsseinen te horen. Indien geen voldoende vrij uitzicht mogelijk is, moet dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmede over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld wordt verkregen.
|
||||
**3.** Teneinde te verzekeren dat het schip op de juiste wijze wordt gevoerd moet de roerganger in staat zijn alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder moet hij in de gelegenheid zijn geluidsseinen te horen en moet hij naar alle zijden een voldoende vrij uitzicht hebben.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bijzondere omstandigheden dit vorderen, moet een uitkijk of luisterpost die de roerganger inlicht aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Op ieder snel schip moet tijdens de vaart het roer worden bediend door een persoon die houder is van het voor het te bevaren riviergedeelte vereiste patent volgens het Reglement Rijnpatenten 1998, alsmede van het radarpatent. Een tweede persoon die eveneens houder is van het voor het te bevaren riviergedeelte vereiste patent volgens het Reglement Rijnpatenten 1998 en van het radarpatent moet zich in de stuurhut bevinden, behoudens tijdens het aanleggen en het afvaren, alsmede in de voorhavens van de sluizen en in de sluizen.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aan boord van een schip moeten de volgende bescheiden en andere documenten, voor zover deze door de daartoe gestelde bijzondere bepalingen vereist worden, aanwezig zijn:
|
||||
Aan boord van een schip moeten de volgende bescheiden en andere documenten, voor zover deze door de daartoe gestelde bijzondere bepalingen voorgeschreven worden, aanwezig zijn:
|
||||
|
||||
a. het certificaat van onderzoek voor het schip of het document dat hiervoor in de plaats treedt;
|
||||
b. het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten voor de schipper en voor de overige leden van de bemanning het behoorlijk bijgehouden dienstboekje of het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten;
|
||||
c. het behoorlijk bijgehouden vaartijdenboek;
|
||||
c. het behoorlijk bijgehouden vaartijdenboek met inbegrip van de verklaring overeenkomstig bijlage K van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn;
|
||||
d. de verklaring inzake de afgifte van het vaartijdenboek;
|
||||
e. de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart;
|
||||
f. de meetbrief van het schip;
|
||||
g. de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de tachograaf, alsmede de voorgeschreven registratiebladen van de tachograaf;
|
||||
h. het radardiploma voor de Rijn;
|
||||
h. het radarpatent dan wel een ander diploma dat overeenkomstig het Reglement radarpatenten is toegelaten; deze documenten behoeven niet aan boord te zijn indien het Rijnpatent of een ander overeenkomstig het Reglement Rijnpatenten toegelaten diploma van de schipper de vermelding «Radar» bevat;
|
||||
i. de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de radarinstallatie en de bochtaanwijzer;
|
||||
k. het bedieningscertificaat voor de marifooninstallatie;
|
||||
l. de zendmachtiging voor de marifooninstallatie, dan wel een keuringsbewijs;
|
||||
m. het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart;
|
||||
k. het marifoon bedieningscertificaat, bedoeld in de bijlage 5 van de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart;
|
||||
l. de vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte;
|
||||
m. het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart, algemeen deel en regionaal deel Rijn/Moezel;
|
||||
n. het behoorlijk bijgehouden olie-afgifteboekje;
|
||||
o. de bescheiden betreffende de stoomketels en andere onder druk staande vaten;
|
||||
p. de verklaring betreffende de installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;
|
||||
q. de bescheiden betreffende elektrische installaties;
|
||||
r. het keuringsbewijs betreffende de brandblusapparaten;
|
||||
r. de keuringsbewijzen betreffende draagbare blustoestellen en vast ingebouwde brandblusinstallaties;
|
||||
s. het keuringsbewijs betreffende de kranen;
|
||||
t. de bescheiden vereist door het ADNR, Rn 10.381 en 210.381;
|
||||
t. de bescheiden vereist door het ADNR, nrs. 8.1.2.1, 8.1.2.2 en 8.1.2.3;
|
||||
u. bij containervervoer de door de Commissie van Deskundigen gekeurde stabiliteitsgegevens van het schip, met inbegrip van het stuwplan of de ladinglijst voor de onderhavige beladingstoestand en het resultaat van de stabiliteitsberekening voor de onderhavige, of een vergelijkbare vorige, dan wel een standaard beladingstoestand. De toegepaste berekeningsmethode moet daarbij opgegeven worden;
|
||||
v. de verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden mag worden gebruikt.
|
||||
|
||||
|
||||
v. de verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden mag worden gebruikt;
|
||||
w. op het riviergedeelte tussen Basel en Mannheim voor schepen met een lengte van meer dan 110 m het bewijs bedoeld in artikel 22a.05, tweede lid, onderdeel b, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -214,7 +218,7 @@ De in het eerste lid, onder *a*, *e* en *f*, genoemde bescheiden moeten dan word
|
|||
|
||||
### Artikel 1.11
|
||||
|
||||
Aan boord van een schip, met uitzondering van een klein schip en een duwbak, moet een bijgewerkt exemplaar van dit reglement, met inbegrip van de op grond van artikel 1.22, derde lid, uitgevaardigde voorschriften, aanwezig zijn.
|
||||
Aan boord van een schip, met uitzondering van een klein schip en een duwbak, moet een bijgewerkt exemplaar van dit reglement, met inbegrip van de op grond van artikel 1.22, derde lid, uitgevaardigde voorschriften, aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden, is eveneens toegestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -485,7 +489,9 @@ c. een heklicht op het achterschip.
|
|||
|
||||
**2.** Een alleenvarend motorschip met een lengte van meer dan 110 m moet des nachts bovendien op het achterschip een tweede toplicht voeren op een grotere hoogte dan het toplicht op het voorschip.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op kleine schepen en op veerponten. De bepalingen van toepassing op kleine schepen zijn vermeld in artikel 3.13 en die van toepassing op veerponten in artikel 3.16.
|
||||
**3.** Een snel schip moet tijdens de vaart, zowel des nachts als des daags, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, voeren: twee gele krachtige snelle flikkerlichten. Deze flikkerlichten moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en zo hoog worden gevoerd dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Dit artikel is niet van toepassing op kleine schepen en op veerponten. Voor kleine schepen geldt artikel 3.13 en voor veerponten artikel 3.16.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.09
|
||||
|
||||
|
|
@ -645,7 +651,7 @@ een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, en op een plaats wa
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een varend schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, voeren:
|
||||
Een varend schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADNR nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
|
||||
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
|
|
@ -660,7 +666,7 @@ Dit teken moet op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een varend schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, voeren:
|
||||
Een varend schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADNR nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
|
||||
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
|
|
@ -673,7 +679,7 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongevee
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een varend schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, voeren:
|
||||
Een varend schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADNR nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
|
||||
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
|
|
@ -690,7 +696,7 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongevee
|
|||
|
||||
**6.** Een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet de tekens voeren voorgeschreven voor de gevaarlijke stof, die het grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
|
||||
|
||||
**7.** Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, Rn 10.282 (Bijlage B1) of Rn 210.282 (Bijlage B2), en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
**7.** Een schip, dat geen tekens als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet voeren maar in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het ADNR, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
|
||||
**8.** De sterkte van de in dit artikel voorgeschreven blauwe lichten dient ten minste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -975,11 +981,12 @@ Deze borden moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebrach
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien op grond van wettelijke voorschriften het roken aan boord is verboden, moet dit verbod worden aangeduid door:
|
||||
Indien het op grond van wettelijke voorschriften aan boord is verboden:
|
||||
|
||||
één of meer ronde witte borden met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een rokende sigaret.
|
||||
a. te roken;
|
||||
b. onbeschermd licht of vuur te gebruiken,
|
||||
|
||||
Deze borden moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 0,60 m bedragen.
|
||||
moet dit verbod worden aangeduid door één of meer ronde witte borden met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een rokende sigaret. Deze borden moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 0,60 m bedragen.
|
||||
|
||||
**2.** Deze borden moeten zo nodig worden verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1040,21 +1047,23 @@ b. aan boord van een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein schip, door
|
|||
|
||||
**1.** Iedere zich aan boord van een schip of van een drijvende inrichting bevindende marifooninstallatie moet in overeenstemming zijn met de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart en worden gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze regeling. Deze voorschriften worden vermeld in het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart.
|
||||
|
||||
**2.** De kanalen van de marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, het schip–schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten mogen slechts worden gebruikt voor mededelingen die zijn voorgeschreven of toegelaten in dit reglement, dan wel die krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart zijn toegelaten.
|
||||
**2.** Bij marifoonverbindingen tussen marifooninstallaties aan boord van schepen moet de taal van het land worden gebruikt waarin zich de marifooninstallatie bevindt waarmee het gesprek wordt aangevangen. Ingeval van communicatie problemen moet de Duitse taal worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**3.** De kanalen van de marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, het schip–schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten mogen slechts worden gebruikt voor mededelingen die zijn voorgeschreven of toegelaten in dit reglement, dan wel die krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart zijn toegelaten.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een motorschip, met uitzondering van een klein schip, mag slechts varen indien het is uitgerust met een marifooninstallatie geschikt voor de kanalen voor het schip - - schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten die goed functioneert.
|
||||
|
||||
Met deze marifooninstallatie moet gelijktijdig op twee kanalen kunnen worden uitgeluisterd.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Een varend motorschip, met uitzondering van een klein schip, moet de marifooninstallatie op ontvangst hebben ingeschakeld op het voor het schip- schip verkeer aangewezen kanaal, tenzij in een bepaald geval bij uitzondering het uitluisteren op een ander kanaal verantwoord is, en moet op de voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.
|
||||
|
||||
Het moet de kanalen voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig op ontvangst hebben ingeschakeld.
|
||||
|
||||
**5.** Teken B.11 ( bijlage 7) geeft aan dat een schip gebruik moet maken van de marifoon overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde autoriteit.
|
||||
**6.** Teken B.11 ( bijlage 7) geeft aan dat een schip gebruik moet maken van de marifoon overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf III. Radar
|
||||
|
||||
|
|
@ -1064,7 +1073,7 @@ Het moet de kanalen voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische inform
|
|||
|
||||
Een schip mag slechts gebruik maken van radar indien:
|
||||
|
||||
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing van het schip, die goed functioneren en die van een type zijn dat voor de Rijn is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van één van de Oeverstaten of van België. Een niet vrij-varende veerpont behoeft echter niet te zijn uitgerust met een aanwijzer van de snelheid van draaiing;
|
||||
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing van het schip, die goed functioneren en die van een type zijn dat voor de Rijn is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van één van de Oeverstaten of van België. Dit is ook van toepassing op Inland ECDIS apparaten die gebruik kunnen maken van Inland ECDIS met geïntegreerd radarbeeld voor het voeren van het schip (navigatiemodus). Een niet vrij-varende veerpont behoeft echter niet te zijn uitgerust met een aanwijzer van de snelheid van draaiing;
|
||||
b. het is uitgerust met een geluidsinstallatie die geschikt is voor het geven van een driemaal herhaalde reeks van drie tonen van verschillende toonhoogte die zonder onderbreking op elkaar volgen en in totaal ongeveer twee seconden duren. Elke reeks van drie tonen moet beginnen met de laagste en eindigen met de hoogste toon (drietonig sein). De frequenties van de drie tonen moeten liggen tussen 165 Hz en 297 Hz. Tussen de hoogste en de laagste toon moet een interval liggen van ten minste twee hele tonen. Deze bepaling geldt niet voor kleine schepen en veerponten;
|
||||
c. zich aan boord een persoon bevindt, die houder is van een diploma, afgegeven krachtens het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn. Onverminderd artikel 1.09, derde lid, mag des daags bij goed zicht van radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1072,6 +1081,8 @@ Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor h
|
|||
|
||||
**2.** Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of van het gekoppeld samenstel bevindt.
|
||||
|
||||
**3.** Een varend snel schip moet gebruik maken van radar.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 5. Verkeerstekens van de vaarweg
|
||||
|
||||
### Artikel 5.01
|
||||
|
|
@ -1090,13 +1101,13 @@ Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor h
|
|||
|
||||
#### Paragraaf I. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
### Artikel 6.01
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Een snel schip moet voor elk ander schip uitwijken.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.02
|
||||
|
||||
**1.** Een klein schip en een sleep of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen bestaat is verplicht aan een ander schip de ruimte te laten, die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren. Het mag niet verlangen, dat dit te zijnen gerieve uitwijkt.
|
||||
**1.** Een alleenvarend klein schip en een sleep of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen bestaat is verplicht aan een ander schip met inbegrip van een snel schip de ruimte te laten, die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 6.04, 6.05, 6.07, 6.08, eerste lid, 6.10, 6.11 en 6.12 , met uitzondering van het teken B.1 ( bijlage 7), zijn niet van toepassing op of ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde samenstellen. Een schip, niet zijnde een klein schip, behoeft de artikelen 6.09, tweede lid, 6.13, 6.14 en 6.16 niet in acht te nemen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde samenstellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1188,9 +1199,9 @@ In dit geval moet het afvarende schip tijdig de volgende seinen geven:
|
|||
|
||||
**4.** Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen, moet het afvarende schip de bij het tweede lid voorgeschreven geluidsseinen herhalen.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
### Artikel 6.06
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing op het ontmoeten van een snel schip en een ander schip, noch op het ontmoeten van snelle schepen onderling. Snelle schepen moeten onderling echter via marifoon het voorbijvaren afspreken.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.07
|
||||
|
||||
|
|
@ -1497,7 +1508,9 @@ f. moet een klein schip op enige afstand ligplaats nemen van een ander schip.
|
|||
|
||||
**10.** Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk met een passagiersschip geschut.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
**11.** Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis, tijdens het schutten en bij het verlaten van de sluis moet een snel schip zijn snelheid zodanig verminderen, dat elke schade aan de sluis, aan andere schepen of drijvende werktuigen, alsmede elk gevaar voor personen aan boord van andere schepen of drijvende werktuigen dan wel aan de wal, ten gevolge van hinderlijke waterbeweging wordt vermeden.
|
||||
|
||||
**12.**
|
||||
|
||||
Het sluispersoneel kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te verzekeren, verkeersaanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1711,19 +1724,17 @@ c. 100 m indien één van hen de tekens, bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voe
|
|||
De verplichting bedoeld in het eerste lid, onder *a*, geldt niet:
|
||||
|
||||
a. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
|
||||
b. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, Rn 10.282 (Bijlage B1) of Rn 210.282 (Bijlage B2), en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
|
||||
b. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.08
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van een stilliggend schip dat is geladen met stoffen, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.
|
||||
**1.** Aan boord van een stilliggend schip dat is geladen met gevaarlijke stoffen, bedoeld in het ADNR, en dat een teken of tekens voert, bedoeld in artikel 3.14, of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
|
||||
Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
|
||||
Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
**3.** Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1913,7 +1924,7 @@ b. om dwingende redenen van veiligheid verplicht is te gaan stilliggen.
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
**10.** Een schip met een grotere lengte dan 95 m mag geen gebruik maken van de kleine sluis van het sluiscomplex te Kembs. Schepen met een grotere breedte dan 11,45 m mogen geen gebruik maken van de kleine sluizen van de andere sluiscomplexen van het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn.
|
||||
**10.** Een schip met een breedte van meer dan 11,45 m mag geen gebruik maken van de kleine sluizen van de sluiscomplexen te Ottmarsheim, Fessenheim, Vogelgrün, Rhinau, Gerstheim en Straatsburg.
|
||||
|
||||
**11.** Op het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn tot km 294,00 mag de ten minste voorgeschreven hoogte van de lichten en dagtekens, bedoeld in de artikelen 3.08, 3.09, 3.10, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.29 zoveel worden verminderd als nodig is om onder kunstwerken te kunnen doorvaren, waarbij alle maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat de verschillende lichten en dagtekens zichtbaar blijven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1958,13 +1969,14 @@ Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende
|
|||
|
||||
### Artikel 9.05
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander samenstel:
|
||||
|
||||
a. tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en Mannheim (km 412,35);
|
||||
b. tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00);
|
||||
c. tussen de uitmonding van het kanaal Wesel-Datteln (km 813,20) en de spoorbrug bij Wesel (km 815,28).
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** Een schip met een lengte van meer dan 110 m en een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander schip met een lengte van meer dan 110 m of met een ander samenstel tussen de uitmonding van het kanaal Wesel–Datteln (km 813,20) en de voormalige spoorbrug bij Wesel (km 815,28).
|
||||
|
||||
### Artikel 9.06
|
||||
|
||||
|
|
@ -1999,8 +2011,7 @@ Lorch - St. Goar
|
|||
|
||||
a. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip de linkeroever en een afvarend schip de rechteroever houden.
|
||||
b. Een opvarend schip of een afvarend schip als bedoeld in artikel 9.04, vierde lid, mag onder de in artikel 9.04, derde of vierde lid, genoemde voorwaarden verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. In dat geval moeten geluidsseinen worden gegeven en dagtekens worden getoond overeenkomstig artikel 9.04, vijfde lid.
|
||||
|
||||
|
||||
c. Voor de schipper van een schip met een lengte van meer dan 110 m is de verplichting tot het geven van inlichtingen aan andere schepen als voorgeschreven voor des nachts in artikel 9.08, tweede lid, onder b en c, ook des daags van toepassing.
|
||||
|
||||
Artikel 6.05 is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2027,33 +2038,15 @@ Alvorens het kanaal Wesel-Datteln in te varen moet een afvarend schip op stroom
|
|||
|
||||
### Artikel 9.08
|
||||
|
||||
**1.** Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10, en moet een afvarend schip gebruik maken van radar.
|
||||
**1.** Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag des nachts een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10 en moet een afvarend schip gebruikmaken van radar. De regeling door waarschuwingsposten als bedoeld in artikel 12.02 geschiedt gedurende vierentwintig uur.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een opvarend schip moet zijn koers zodanig kiezen dat het voorbijvaren van de Bankeck (van km 555,60 tot km 555,20) en van de Betteck (van km 553,60 tot km 553,30) geen afvarend schip kan ontmoeten.
|
||||
Indien de waarschuwingsregeling als bedoeld in artikel 12.02 echter des nachts buiten bedrijf is, moeten de daarvoor in aanmerking komende schepen als volgt handelen:
|
||||
|
||||
Indien het ontmoeten op andere wijze niet vermeden kan worden, moet het benedenstrooms van de Bankeck dan wel van de Betteck stilhouden totdat het afvarende schip de Bankeck dan wel de Betteck is voorbijgevaren.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een opvarend schip moet op de marifoon uitluisteren.
|
||||
|
||||
Bij het naderen van de Bankeck en van de Betteck moet het echter de afvarende schepen oproepen en hun verzoeken hun categorie, hun naam, hun positie en hun vaarrichting op te geven. Indien zich geen afvarend schip meldt, mag het de Bankeck dan wel de Betteck niet voorbijvaren dan nadat het op kanaal 10 een lage toon met een tijdsduur van één seconde heeft ontvangen. Deze toon dient ter controle van het op juiste wijze functioneren van de marifoon op het riviergedeelte tussen Oberwesel en St. Goar.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een afvarend schip moet gebruik maken van radar.
|
||||
|
||||
Artikel 6.32, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Bij het voorbijvaren van de Ochsenturm (km 550,57), van de bovenstroomse splitsingston bij de Geisenrücken (km 552,00) en van de Betteck (km 553,61) moet het zijn categorie, zijn naam, zijn positie en zijn vaarrichting opgeven. Het moet dezelfde inlichtingen geven, wanneer het daartoe door een opvarend schip wordt opgeroepen. Na iedere melding moet het opnieuw op de marifoon uitluisteren.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang is het verboden te varen met een schip dat de tekens moet voeren bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid.
|
||||
|
||||
De bevoegde autoriteit kan uitzonderingen toestaan. Hij stelt daarbij de ten behoeve van de veiligheid noodzakelijke voorwaarden vast.
|
||||
a. een opvarend schip moet zijn koers zodanig kiezen dat het bij het voorbijvaren van de Bankeck (van km 555,60 tot km 555,20) en van de Betteck (van km 553,60 tot km 553,30) geen afvarend schip kan ontmoeten. Indien het ontmoeten op andere wijze niet vermeden kan worden, moet het benedenstrooms van de Bankeck dan wel van de Betteck stilhouden totdat het afvarende schip de Bankeck dan wel de Betteck is voorbijgevaren.
|
||||
b. Een opvarend schip moet bij het naderen van de Bankeck dan wel van de Betteck de afvarende schepen oproepen en hun verzoeken hun categorie, hun naam, hun positie en hun vaarrichting op te geven. Indien er zich geen afvarend schip meldt, mag het de Bankeck dan wel de Betteck niet voorbijvaren dan nadat het op kanaal 10 een lage toon met een tijdsduur van één seconde heeft ontvangen. Deze toon dient ter controle van het op juiste wijze functioneren van de marifoon op het riviergedeelte tussen Oberwesel en St. Goar.
|
||||
c. Een afvarend schip moet bij het voorbijvaren van de Ochsenturm (km 550,57), van de bovenstroomse splitsingston bij de Geisenrücken (km 552,00) en van de Betteck (km 553,61) zijn categorie, zijn naam, zijn positie en zijn vaarrichting opgeven. Het moet dezelfde inlichtingen geven wanneer het daartoe door een opvarend schip wordt opgeroepen. Na iedere melding moet het opnieuw op de marifoon uitluisteren.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.09
|
||||
|
||||
|
|
@ -2061,11 +2054,11 @@ De bevoegde autoriteit kan uitzonderingen toestaan. Hij stelt daarbij de ten beh
|
|||
|
||||
**2.** Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten de in het eerste lid bedoelde duwstellen zowel op kanaal 10 als op een per riviervak door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal uitluisteren.
|
||||
|
||||
**3.** 3. Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) is het samenstellen of ontkoppelen van de in het eerste lid bedoelde duwstellen niet toegestaan, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.
|
||||
**3.** Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) is het samenstellen of ontkoppelen van de in het eerste lid bedoelde duwstellen niet toegestaan, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het ontmoeten van afvarende duwstellen, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, en opvarende duwstellen, waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m, is verboden in de riviervakken tussen
|
||||
Een afvarend duwstel, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, mag een opvarend duwstel of een schip, waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m, niet ontmoeten in de riviervakken tussen:
|
||||
|
||||
km 575,50 en km 578,50 (Oberspay),
|
||||
|
||||
|
|
@ -2081,11 +2074,9 @@ km 784,50 en km 786,50 (Baerl).
|
|||
|
||||
In verband daarmede zijn op deze duwstellen de volgende bepalingen van toepassing:
|
||||
|
||||
a. Bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen zich regelmatig melden op kanaal 10 en op dit kanaal uitluisteren. Tijdens het doorvaren van het vak dient voortdurend te worden uitgeluisterd;
|
||||
b. Een opvarend duwstel moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat het afvarende duwstel het vak is doorgevaren;
|
||||
c. Wanneer een opvarend duwstel het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet het afvarende duwstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat het opvarende duwstel het vak is doorgevaren.
|
||||
|
||||
|
||||
a. bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen zich regelmatig melden op kanaal 10;
|
||||
b. een opvarend duwstel of een schip met een lengte van meer dan 110 m moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat het afvarende duwstel het vak is doorgevaren;
|
||||
c. wanneer een opvarend duwstel of een opvarend schip met een lengte van meer dan 110 m het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet het afvarende duwstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat de opvaart het vak is doorgevaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -2120,8 +2111,7 @@ b. daar waar de plaatselijke omstandigheden het noodzakelijk maken dichter bij d
|
|||
c. artikel 9.04 is van toepassing. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip in het middelste derde gedeelte van de rivier zó dicht de linkeroever aanhouden, dat het ontmoeten met een afvarend schip zonder gevaar bakboord op bakboord kan geschieden;
|
||||
d. onverminderd artikel 6.20 mag een schip ten opzichte van de oever niet sneller varen dan 20 km per uur;
|
||||
e. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I mag een schip slechts op de betreffende riviervakken varen, indien het is uitgerust met een marifooninstallatie. De marifooninstallatie moet voor ontvangst zijn ingeschakeld op de voor de nautische informatie aangewezen kanalen. Dit geldt niet voor kleine schepen die door middel van spierkracht worden voortbewogen.
|
||||
|
||||
|
||||
f. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I is het verboden te varen met een snel schip.
|
||||
|
||||
**2.** Een schip mag in het bij het derde lid genoemde vak niet varen, indien de waterstand het hoogwaterpeil II voor dat vak bereikt heeft of overschrijdt. Dit is niet van toepassing op het oversteken van de vaarweg.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2129,8 +2119,6 @@ e. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I mag een schip slechts op de betr
|
|||
|
||||
De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- en afvaart en de bij dat peil genoemde vakken zijn:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
| **Traject** | **Op- en afvaart Hoogwaterpeil ** | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| | **I** | **II** |
|
||||
|
|
@ -2173,10 +2161,10 @@ De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- e
|
|||
| Bad Breisig-Mondorf | 4,90 | 6,80 |
|
||||
| Mondorf (km 660,00) ____________________________________________________ | | |
|
||||
| | Köln | |
|
||||
| Mondorf-Baumberg | 6,20 | 8,30 |
|
||||
| Baumberg (km 716,00) __________________________________________________ | | |
|
||||
| Mondorf-Dormagen | 6,20 | 8,30 |
|
||||
| Dormagen (km 716,00) __________________________________________________ | | |
|
||||
| | Düsseldorf | |
|
||||
| Baumberg-Krefeld | 7,10 | 8,80 |
|
||||
| Dormagen-Krefeld | 7,10 | 8,80 |
|
||||
| Krefeld (km 763,00) ____________________________________________________ | | |
|
||||
| | Duisburg-Ruhrort | |
|
||||
| Krefeld-Orsoy | 9,30 | 11,30 |
|
||||
|
|
@ -2188,12 +2176,19 @@ De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- e
|
|||
| Rees-Spijksche Veer | 7,00 | 8,70 |
|
||||
| Spijksche Veer (km 857,40) ______________________________________________ | | |
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**4.** De bevoegde autoriteiten kunnen tussen Basel en de sluizen te Kembs aan individuele schepen, indien deze bepaalde voorwaarden vervullen, de vaart op dit riviergedeelte tot aan een waterstand van 4,80 m aan de peilschaal te Rheinfelden toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie dagen boven het peil van 4,50 m heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit peil zal liggen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Tussen de sluizen te Kembs van het Grand Canal d’Alsace en de sluizen te Iffezheim (km 334,00) wordt de scheepvaart bij hoogwater als volgt geregeld:
|
||||
|
||||
a. tussen de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Kembs en de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Vogelgrün gelden voor de scheepvaart geen beperkingen bij hoogwater. De bevoegde autoriteit kan echter, om concentraties van schepen in de voorhavens van de sluizen te Kembs en Vogelgrün te vermijden, de schepen over de voorhavens van de verschillende sluizen verdelen;
|
||||
b. wanneer, tussen de sluizen te Vogelgrün en de sluizen te Iffezheim, op de benedenhoofden van de sluizen het hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden, worden de sluizen van het desbetreffende pand buiten gebruik gesteld;
|
||||
b. tussen de sluizen te Vogelgrün en de sluizen te Iffezheim:
|
||||
|
||||
– worden de sluizen op een sluispand gestremd, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden;
|
||||
– is de vaart voor kleine schepen op een sluispand verboden, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden.
|
||||
|
||||
Echter kan de bevoegde autoriteit aan individuele schepen en samenstellen voor het gedeelte vanaf benedenstrooms van de sluis te Vogelgrün tot benedenstrooms van de sluis te Straatsburg tot een maximale waterstand van 0,40 m boven het hoogwaterpeil II de vaart en het schutten toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie opeenvolgende dagen voornamelijk boven het hoogwaterpeil II heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit hoogwaterpeil zal liggen;
|
||||
c. op het riviervak tussen de zuidelijke voorhaven (km 291,30) en de noordelijke voorhaven (km 295,50) van de haven van Straatsburg wordt de scheepvaart, indien de hoogst bevaarbare waterstand wordt bereikt, als volgt gestremd:
|
||||
|
||||
-. voor de afvaart door middel van een bij km 291,30 aangebracht rood licht (teken A.1, bijlage 7);
|
||||
|
|
@ -2209,9 +2204,15 @@ Een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat mag tussen Bingen (km 529,1
|
|||
|
||||
### Artikel 11.01
|
||||
|
||||
**1.** De lengte van een schip mag niet meer bedragen dan 110 m, behoudens bijzondere toestemming verleend door de bevoegde autoriteit van het te bevaren riviergedeelte.
|
||||
**1.** De grootste lengte van een schip mag niet meer bedragen dan 135 m. De grootste lengte mag echter in de afvaart tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) bij waterstanden aan de peilschaal te Kaub van minder dan 0,85 m en meer dan 4,60 m (hoogwaterpeil I) niet meer bedragen dan 110 m.
|
||||
|
||||
**6.** Abusievelijk wordt door Stb. 1998/559 lid 6 i.p.v. 2 vervangen. De breedte van een schip mag niet meer bedragen dan 22,80 m, en op het riviergedeelte tussen Pannerden (km 867,46) en het Lekkanaal (km 949,40) niet meer dan 17,70 m, behoudens bijzondere toestemming van de bevoegde autoriteit voor het te bevaren riviergedeelte.
|
||||
**2.** De door de bevoegde autoriteiten voor het te bevaren riviergedeelte tussen Basel en Mannheim reeds verleende vergunningen voor schepen met een lengte tussen 110 m en 135 m, die op 30 september 2001 geldig waren, blijven onder de voorwaarden die in verband met de veiligheid gesteld zijn, op het betreffende riviergedeelte van kracht.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit voor het riviergedeelte tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) kan bij waterstanden aan de peilschaal te Kaub van minder dan 0,85 m en van meer dan 4,60 m (hoogwaterpeil I) voor een schip met een lengte van meer dan 110 m in afvaart een vergunning verlenen. Zij stelt daarbij de voorwaarden die in verband met de veiligheid noodzakelijk zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Een schip met een lengte van meer dan 110 m mag slechts varen, wanneer het voldoet aan artikel 4.06, eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** De breedte van een schip mag niet meer bedragen dan 22,80 m, en op het riviergedeelte tussen Pannerden (km 867,46) en het Lekkanaal (km 949,40) niet meer dan 17,70 m, behoudens vergunning van de bevoegde autoriteit voor het te bevaren riviergedeelte.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.02
|
||||
|
||||
|
|
@ -2329,7 +2330,7 @@ f. Gevaarlijke stoffen, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring
|
|||
|
||||
### Artikel 11.04
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 11.02, eerste lid, bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 193 m (lengte) en 22,90 m (breedte).
|
||||
In afwijking van artikel 11.02, eerste lid, bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 200 m (lengte) en 23,00 m (breedte). De bevoegde autoriteit kan grotere afmetingen toelaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.05
|
||||
|
||||
|
|
@ -2341,7 +2342,7 @@ De afmetingen van een hecht samenstel van schepen dat geen duwstel is mag de ten
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De schipper van een schip als bedoeld in het ADNR, van een schip met een lengte van meer dan 110 m, van een samenstel, van een zeeschip of van een bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21 moet zich, alvorens de in het vijfde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, melden op het aangegeven marifoonkanaal met opgave van de volgende gegevens:
|
||||
De schipper van een schip als bedoeld in het ADNR, van een tankschip, van een schip met een lengte van meer dan 110 m, van een samenstel, van een zeeschip of van een bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21 moet zich, alvorens de in het vijfde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, melden op het aangegeven marifoonkanaal met opgave van de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. soort schip;
|
||||
b. naam van het schip;
|
||||
|
|
@ -2354,11 +2355,21 @@ h. diepgang, indien de bevoegde autoriteit hierom vraagt;
|
|||
i. route;
|
||||
j. haven waar is geladen;
|
||||
k. haven waar wordt gelost;
|
||||
l. soort lading (naam en hoeveelheid van stoffen); bij gevaarlijke stoffen: klasse, cijfer en, voor zover bekend, stofnummer of klasse en VN-nummer;
|
||||
l. bij gevaarlijke stoffen overeenkomstig het ADNR:
|
||||
|
||||
de VN-nummers of de stofnummers,
|
||||
|
||||
de officiële benaming voor het vervoer, voorzover van toepassing aangevuld met de technische omschrijving,
|
||||
|
||||
de klasse, de klassificeringscode en eventueel de verpakkingsgroep,
|
||||
|
||||
de totale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen, waarop deze gegevens betrekking hebben;
|
||||
|
||||
bij andere stoffen: de soort lading (naam en hoeveelheid van stoffen);
|
||||
m. 0, 1, 2, 3 blauwe lichten/kegels;
|
||||
n. aantal personen aan boord.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder c en h, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon tijdig schriftelijk of telefonisch aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld. In ieder geval moet de schipper het tijdstip van in- en uitvaren met zijn schip of samenstel van het meldplichtig riviergedeelte melden.
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder c en h, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon tijdig schriftelijk of telefonisch, dan wel, indien mogelijk, via elektronische weg, aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld. In ieder geval moet de schipper het tijdstip van in- en uitvaren met zijn schip of samenstel van het meldplichtig riviergedeelte melden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het schip zijn reis in een der in het vijfde lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee uren onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze onderbreking melden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2440,31 +2451,19 @@ De nadering van afvaart, met uitzondering van kleine schepen, wordt aan de opvaa
|
|||
|
||||
De door de waarschuwingsposten gegeven tekens hebben voor de betreffende gedeelten de volgende betekenis:
|
||||
|
||||
a. drie witte lichtstrepen in de vorm van een driehoek:
|
||||
a. drie witte lichtstrepen in de vorm van een driehoek (fig. 1):
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één gekoppeld samenstel of één duwstel waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt.
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van meer dan 110 m.
|
||||
b. twee witte lichtstrepen in de vorm van een dak (fig. 2):
|
||||
|
||||
fig. 1
|
||||
b. twee witte lichtstrepen in de vorm van een dak:
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van niet meer dan 110 m, of één schip met een lengte van meer dan 110 m.
|
||||
c. een naar rechts neigende witte lichtstreep (fig. 3):
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één gekoppeld samenstel of één duwstel waarvan de lengte niet meer dan 110 m bedraagt of één sleep.
|
||||
|
||||
fig. 2
|
||||
c. een naar rechts neigende witte lichtstreep:
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één alleenvarend schip.
|
||||
|
||||
fig. 3
|
||||
d. een horizontale witte lichtstreep:
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één alleenvarend schip met een lengte van niet meer dan 110 m.
|
||||
d. een horizontale witte lichtstreep (fig. 4):
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich geen afvaart.
|
||||
|
||||
fig. 4
|
||||
|
||||
Het teken van figuur 1 wordt getoond, indien in afvaart, tegelijk met een gekoppeld samenstel of een duwstel waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, een gekoppeld samenstel of een duwstel waarvan de lengte niet meer dan 110 m bedraagt, een sleep of een alleenvarend schip nadert. Het teken van figuur 2 wordt getoond, indien in afvaart, tegelijk met een gekoppeld samenstel of een duwstel waarvan de lengte niet meer dan 110 m bedraagt of een sleep, een alleenvarend schip nadert.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De waarschuwingsposten kunnen bovendien de volgende tekens geven:
|
||||
|
|
@ -2475,16 +2474,8 @@ Aan de afvaart wordt aangeduid, dat de opvaart is gewaarschuwd.
|
|||
b. op post B een alleen voor de afvaart zichtbaar wit licht:
|
||||
|
||||
Een opvarend gekoppeld samenstel of een duwstel, waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, vaart om de Betteck heen.
|
||||
c. op post E:
|
||||
|
||||
- een alleen voor de opvaart zichtbaar wit licht:
|
||||
|
||||
Tussen Die Bank en de Loreley bevinden zich opvarend ten minste twee duwstellen of een duwstel en een gekoppeld samenstel of twee gekoppelde samenstellen.
|
||||
- een alleen voor de opvaart zichtbaar wit flikkerlicht:
|
||||
|
||||
Een afvarend passagiersschip wil in St. Goar aanleggen.
|
||||
|
||||
**5.** Afvarende passagiersschepen die in St. Goar willen aanleggen moeten tussen de Kammereck en St. Goar op het voorschip een blauw-witte vlag voeren.
|
||||
**5.** Een schip, met uitzondering van een klein schip, dat binnen het riviergedeelte, dat met waarschuwingsposten geregeld wordt keert en weer terug vaart, moet dit per marifoon (kanaal 18) meedelen aan de districtscentrale Oberwesel.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2849,7 +2840,7 @@ van km 790,58 tot km 791,00.
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Voor schepen die bij de Niederrheinische Hütte A.G. of bij de Duisburger Kupferhütte willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:
|
||||
Voor schepen die bij de ligplaats «Hochfeld» willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:
|
||||
|
||||
aan de rechteroever, de ligplaats
|
||||
|
||||
|
|
@ -2957,7 +2948,7 @@ iv. ligplaats 4,
|
|||
van km 850,40 tot km 851,60, uitsluitend voor alleenvarende schepen met inbegrip van die welke verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren;
|
||||
v. ligplaats 5,
|
||||
|
||||
van km 851,90 tot km 853,13, uitsluitend voor samenstellen en alleenvarende schepen die van de vereenvoudigde douanebehandeling (groene klaring) gebruik willen maken, voor zover de douanebehandeling niet tijdens de vaart plaatsvindt, met inbegrip van die welke verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren;
|
||||
van km 851,90 tot km 853,13, uitsluitend voor samenstellen, gekoppelde samenstellen en alleenvarende schepen.
|
||||
b. aan de rechteroever:
|
||||
|
||||
aan de steigers tussen km 851,80 en km 852,50, uitsluitend voor alleenvarende schepen, met uitzondering van de schepen genoemd in het vierde lid, onder b.
|
||||
|
|
@ -3041,8 +3032,10 @@ iv. passagiers aan boord te nemen of aan de wal te zetten;
|
|||
v. schepen zonder bewaking aan boord te laten stilliggen;
|
||||
vi. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
|
||||
vii. in te varen met schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren;
|
||||
viii. langer dan drie opeenvolgende dagen ligplaats te nemen en daaraan aansluitend binnen twaalf uren wederom ligplaats te nemen;
|
||||
ix. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen
|
||||
viii. langer dan drie opeenvolgende dagen ligplaats te nemen;
|
||||
ix. nadat de onder viii genoemde periode beëindigd is, binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te nemen;
|
||||
x. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen;
|
||||
xi. met samenstellen langer dan 135 m aan de aanlegsteigers af te meren.
|
||||
b. De schipper moet zowel het innemen van de ligplaats in de overnachtingshaven als het vertrek daaruit onmiddellijk melden aan de verkeerspost Nijmegen.
|
||||
|
||||
De ambtenaren van de bevoegde autoriteit kunnen aanwijzingen geven waarbij dit lid wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
|
|
@ -3060,8 +3053,10 @@ d. passagiers aan boord te nemen of aan de wal te zetten;
|
|||
e. schepen zonder bewaking aan boord te laten stilliggen;
|
||||
f. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
|
||||
g. in te varen met schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren;
|
||||
h. langer dan drie opeenvolgende dagen ligplaats te nemen en daaraan aansluitend binnen twaalf uren wederom ligplaats te nemen;
|
||||
i. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen.
|
||||
h. langer dan drie opeenvolgende dagen ligplaats te nemen;
|
||||
i. nadat de onder h genoemde periode beëindigd is, binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te nemen;
|
||||
j. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen;
|
||||
k. met samenstellen langer dan 135 m aan de aanlegsteigers af te meren.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
|
@ -3170,7 +3165,24 @@ c. reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bil
|
|||
|
||||
### Artikel 15.06
|
||||
|
||||
(niet overgenomen)
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De schipper moet bij het bunkeren van brandstof en smeerstoffen ervoor zorgen, dat:
|
||||
|
||||
a. de hoeveelheid die wordt gebunkerd binnen de afleesbare standen van de peilinrichting blijft;
|
||||
b. in geval van afzonderlijk vullen van de tanks de afsluiters in de verbindingsleidingen tussen tanks gesloten zijn, en
|
||||
c. het bunkeren onder toezicht geschiedt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De schipper moet er voorts voor zorgen, dat de personen van het bunkerstation en van het schip die voor het bunkeren verantwoordelijk zijn de volgende punten zijn overeengekomen:
|
||||
|
||||
a. het verzekerd zijn van een spreekverbinding tussen het schip en het bunkerstation;
|
||||
b. de te bunkeren hoeveelheid per tank en de vulsnelheid, vooral met het oog op mogelijke problemen met het ontluchten van de tank;
|
||||
c. de volgorde waarin de tanks worden gevuld;
|
||||
d. de snelheid van het schip, wanneer varend wordt gebunkerd.
|
||||
|
||||
**3.** De schipper van een bunkerboot mag met het bunkeren pas beginnen wanneer de overeenstemming over de punten bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.07
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue