2007-01-01 | BWBR0004800 | Leidraad invordering 1990
This commit is contained in:
parent
13616de6b0
commit
3b3f52d8a2
1 changed files with 60 additions and 57 deletions
|
|
@ -228,7 +228,7 @@ Ingeval van faillissement van de belastingschuldige dient direct de borg te word
|
|||
|
||||
Voor particulieren heeft een faillissement doorgaans vergaande emotionele en sociale gevolgen. Om die reden blijft voor deze groep belastingschuldigen het aanvragen van het faillissement achterwege als op voorhand kan worden verwacht dat de aanwezige vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement door de ontvanger kunnen worden uitgewonnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. Onder particulieren moet in dit verband worden verstaan natuurlijke personen die niet een onderneming drijven c.q. zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. Natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt, worden in dit verband niet beschouwd als particulieren.
|
||||
|
||||
De beleidsuitgangspunten die zijn verwoord in de hiervoor opgenomen leden van deze paragraaf gelden niet ingeval sprake is van een onbeheerde nalatenschap.
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt, één en ander in de zin van artikel 26, § 2a, van de leidraad" zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek c.q. het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek c.q. het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het aanbod onvoldoende past binnen het door de fiscus gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek c.q. het aanbod bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -493,7 +493,7 @@ In artikel 10, tweede lid, van de wet worden bepaalde belastingaanslagen van de
|
|||
|
||||
Artikel 10, derde lid, van de wet bepaalt dat in het geval genoemd onder h, het versneld opeisbaar worden alleen geldt voor een uitnodiging tot betaling en een met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende rente, kosten van ambtelijke werkzaamheden of een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 DW.
|
||||
|
||||
Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, worden, behoudens de gevallen bedoeld in de eerste volzin van het volgende lid van deze paragraaf, op het aanslagbiljet desalniettemin de vervaldagen vermeld, die bij artikel 9 van de wet zijn toegekend.
|
||||
Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, wordt op het aanslagbiljet de vervaldag vermeld zoals die bij artikel 9 van de wet aan de belastingaanslag is toegekend.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering als bedoeld in artikel 10 van de wet over te gaan, vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1094,6 +1094,14 @@ Voorts geeft het besluit nog een bijzondere regeling voor specifieke lease-objec
|
|||
- zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld, terwijl zodanige afspraken zijn gemaakt tussen de belastingschuldige en de derde dat de belastingschuldige, hoewel hij formeel zelfstandig ondernemer is en hij dientengevolge risico's draagt, in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid, die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist, omdat hij deze in een van de situatie afhankelijke mate feitelijk moet overlaten aan die derde, zonder welke de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt niet denkbaar is;
|
||||
- zaken die zijn vervreemd in het kader van de uitoefening van een pandrecht of een ander tot zekerheid strekkend recht (mede) met het oogmerk deze zaken aan verhaal door de ontvanger te onttrekken.
|
||||
|
||||
Bij beëindiging van een lease-overeenkomst door het verstrijken van de overeengekomen leaseperiode of door opzegging geldt in het algemeen als uitgangspunt dat een aanvankelijke kwalificatie ook na opzegging blijft gelden. Dit uitgangspunt lijdt echter uitzondering indien de lessor het object na beëindiging van de lease-overeenkomst (regulier dan wel voortijdig) zonder rechtsgeldige titel bij de lessee in gebruik laat.
|
||||
|
||||
De lessor dient, bij beëindiging van de lease, het gebruiksrecht aan de lessee te ontzeggen; zowel formeel als de facto.
|
||||
|
||||
Indien ten tijde van de beslaglegging blijkt dat het object, ondanks de opzegging van de lease-overeenkomst, nog in gebruik is bij de lessee zal de lessor aan moeten tonen dat hij – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – al het mogelijke heeft gedaan en nog steeds doet, om het voortgezette gebruik door de lessee te beëindigen. Onder ‘al het mogelijke’ wordt met name meer verstaan dan een formeel verbod op het gebruik: er moet sprake zijn van controle daarop en zo mogelijk het fysiek onmogelijk maken van voortgezet gebruik.
|
||||
|
||||
Deze voorwaarde is niet van toepassing indien de periode tussen opzegging en beslaglegging dusdanig kort is dat van de lessor redelijkerwijs niet kan worden gevergd al de nodige actie te hebben ondernomen.
|
||||
|
||||
De directeur pleegt met betrekking tot de te nemen beslissing voor zoveel nodig overleg met zijn bij de zaak betrokken ambtgenoten. De beslissing wordt, ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift, gemotiveerd. De directeur zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. Deze draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. De verkoop mag niet eerder plaatsvinden dan op de achtste dag na die van de betekening van de beslissing van de directeur op een tijdig ingediend beroepschrift. Voor de betekening van de beslissing van de directeur worden geen kosten in rekening gebracht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het verbod de verkoop te laten plaatsvinden eerder dan op de achtste dag na die van de betekening, uitsluitend geldt als sprake is van tijdig ingediende beroepschriften. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt door de directeur rechtstreeks aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder toegezonden. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door de directeur rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en - zo nodig - aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van de directeur verzonden en betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.
|
||||
|
||||
Als een derde bezwaar maakt tegen een beslaglegging op roerende zaken en uit het ingediende geschrift niet kan worden opgemaakt of is beoogd administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22 van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv, nodigt de ontvanger de derde uit zich daaromtrent binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22 van de wet.
|
||||
|
|
@ -1789,6 +1797,7 @@ Om de belangen van de Staat niet te schaden kan de beschikking op een vlak voor
|
|||
Geen kwijtschelding wordt verleend als:
|
||||
|
||||
- de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet volledig, onjuist of niet op het door de ontvanger uitgereikte formulier (zie ook de leden 9 en 10) zijn verstrekt;
|
||||
- uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds die de ontvanger aanleiding geeft om de belastingschuldige opheldering te vragen over zijn financiële situatie en de belastingschuldige deze opheldering niet, of naar het oordeel van de ontvanger, in onvoldoende mate verschaft;
|
||||
- de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen. Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste verzoek;
|
||||
- een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;.
|
||||
- voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;
|
||||
|
|
@ -1799,9 +1808,9 @@ Geen kwijtschelding wordt verleend als:
|
|||
Daarvan is onder andere sprake als:
|
||||
|
||||
a. het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig belasting is geheven;
|
||||
b. bij afwezigheid van betalingscapaciteit aan andere schuldeisers meer dan € 136 per maand wordt voldaan. Zie overigens ook hetgeen is vermeld in § 2, lid 25, hierna;
|
||||
b. vervallen;
|
||||
c. c. een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het betreft een voorlopige teruggaaf voorzover die niet voor beslag vatbaar is;
|
||||
d. ten tijde van het invorderbaar zijn van de belastingaanslag, dan wel ten tijde van een verleend uitstel in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de belastingaanslag, voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;
|
||||
d. vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;
|
||||
e. belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd;
|
||||
f. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat een loonbelastingverklaring niet of onjuist is ingevuld, tenzij de belastingschuldige aantoont dat het niet of onjuist invullen niet aan hem kan worden verweten;
|
||||
g. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat de belastingschuldige ten onrechte een verzoek, dan wel een onjuist verzoek om een voorlopige teruggaaf heeft ingediend, tenzij de belastingschuldige aantoont dat hem dit niet kan worden verweten;
|
||||
|
|
@ -1839,7 +1848,7 @@ Wanneer de belastingschuldige niet beschikt over vermogen of betalingscapaciteit
|
|||
- het aanwezige vermogen is gebruikt ter voldoening van de openstaande belastingaanslag;
|
||||
- ten minste 80% van de aanwezige betalingscapaciteit is gebruikt voor de voldoening van de belastingaanslag.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige voldoet aan de hiervoor gestelde voorwaarden, maar kwijtschelding verzoekt voor de in artikel 8, tweede lid, van de regeling genoemde belastingen, dan wel een omstandigheid aanwezig is als bedoeld in artikel 17 of 18 van de regeling of in § 1, lid 16, hiervoor, wordt geen kwijtschelding verleend.
|
||||
Als de belastingschuldige voldoet aan de hiervoor gestelde voorwaarden, maar kwijtschelding verzoekt voor de in artikel 8, tweede lid, van de regeling genoemde belastingen, dan wel een omstandigheid aanwezig is als bedoeld in artikel 18 van de regeling of in § 1, lid 16, hiervoor, wordt geen kwijtschelding verleend.
|
||||
|
||||
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen. Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van overeenkomstige toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. Als het verzoek wordt ingediend voor een gemeentelijke belasting, waterschapsbelasting of enige andere belasting of heffing, wordt voor "rijksbelasting" gelezen: gemeentebelasting, waterschapsbelasting of andere belasting dan wel heffing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1862,11 +1871,7 @@ Bij de behandeling van een verzoek om kwijtschelding wordt de personenauto niet
|
|||
|
||||
Als "waarde" wordt de prijs in aanmerking genomen die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop van een gebruikte auto zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto. De auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als aan de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit, of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden (zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, of zijn kind(eren) voorzover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald). De belastingschuldige moet de onmisbaarheid (zo nodig) ná een verzoek van de ontvanger aannemelijk kunnen maken. Het is dus niet noodzakelijk dat de belastingschuldige al bij de indiening van het verzoek om kwijtschelding die onmisbaarheid aannemelijk maakt.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot de onmisbaarheid in verband met de uitoefening van een beroep wordt opgemerkt dat in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van de regeling sprake is van "die" auto. Daarmee wordt aangegeven dat de auto waarover de belastingschuldige beschikt, moet passen binnen de uitoefening van zijn functie. De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk worden gemaakt met een verklaring van een vertrouwensarts, niet zijnde de huisarts of behandelend specialist. De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut. Met betrekking tot de auto wordt nog opgemerkt dat de aanwezigheid van een auto kan leiden tot afwijzing van een verzoek om kwijtschelding op grond van de overweging dat het feit dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen. Daarvan zal sprake zijn als:
|
||||
|
||||
- de auto is aangeschaft in of na het jaar waarop de belastingaanslag waarvan kwijtschelding wordt verzocht betrekking heeft, zonder dat de noodzaak tot de aanschaf ten koste van het betalen van de belastingschuld aanwezig was;
|
||||
- de auto is ingeruild in of na het jaar waarop de belastingaanslag, waarvan kwijtschelding wordt verzocht, betrekking heeft en er sprake was van bijbetaling, zonder dat de noodzaak hiertoe ten tijde van het betalen van de belastingschuld aanwezig was. In dit geval wordt het verzoek om kwijtschelding afgewezen voor het bedrag van de bijbetaling;
|
||||
- het de ontvanger duidelijk is dat de minimaal aan het bezit van een auto verbonden kosten niet uit het opgegeven inkomen kunnen worden voldaan. De belastingschuldige wordt dan in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat deze kosten wel uit het inkomen kunnen worden voldaan.
|
||||
Met betrekking tot de onmisbaarheid in verband met de uitoefening van een beroep wordt opgemerkt dat in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van de regeling sprake is van "die" auto. Daarmee wordt aangegeven dat de auto waarover de belastingschuldige beschikt, moet passen binnen de uitoefening van zijn functie. De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk worden gemaakt met een verklaring van een vertrouwensarts, niet zijnde de huisarts of behandelend specialist. De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
|
||||
Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukkende huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag. Wanneer de huur, de hypotheekrente, de erfpachtcanon, de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn die langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1878,7 +1883,7 @@ Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen vermogen b
|
|||
|
||||
Voor de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding van belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van belang. Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel mede in aanmerking genomen, ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen worden aangesproken. Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in aanmerking zou komen, wordt betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze beschikking wordt bekendgemaakt. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om kwijtschelding indient (zie ook hetgeen is opgemerkt in § 1, derde lid, hiervoor).
|
||||
|
||||
Spaarsaldi en spaarloonsaldi worden als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met hetgeen is opgemerkt in de leden 5 en 7 van deze paragraaf.
|
||||
Spaarsaldi en spaarloonsaldi worden als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met hetgeen is opgemerkt in de leden 5 en 7 van deze paragraaf. Een spaarsaldo ingevolge een levensloopregeling wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een belastingschuldige die een uitkering geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars wordt het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1886,13 +1891,22 @@ Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn o
|
|||
|
||||
Het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Dit artikel merkt als echtgenoot mede aan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Inkomensoptelling vindt dus plaats ten aanzien van twee personen die in de zin van artikel 3 Wwb een gezamenlijke huishouding voeren, zoals bijvoorbeeld een broer en een zus (zie voor de definitie het derde lid van deze paragraaf). Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of, bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. De vaststelling van het totale netto-besteedbare inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de belastingaanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht. De verantwoordelijkheid van de echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de in artikel 3 Wwb bedoelde echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voorzover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval (afhankelijk van de omstandigheden) het normbedrag voor een alleenstaande dan wel het normbedrag voor een alleenstaande ouder (zie lid 26 hierna).
|
||||
|
||||
Als na aftrek van de norm voor de kosten van bestaan het saldo nihil of negatief is, wordt volledige kwijtschelding verleend, tenzij zich een omstandigheid voordoet als vermeld in § 1, lid 16, hiervoor. Is sprake van een belastingschuldige ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de regeling, dan wordt het verzoek behandeld als ware geen sprake van een schuldsaneringsregeling overeenkomstig het terzake geldende bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat dat deel niet wordt beschouwd als een aflossing op schulden aan andere schuldeisers als bedoeld in artikel 17 van de regeling. Voorts wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
|
||||
Als na aftrek van de norm voor de kosten van bestaan het saldo nihil of negatief is, wordt volledige kwijtschelding verleend, tenzij zich een omstandigheid voordoet als vermeld in § 1, lid 16, hiervoor. Is sprake van een belastingschuldige ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de regeling, dan wordt het verzoek behandeld als ware geen sprake van een schuldsaneringsregeling overeenkomstig het terzake geldende bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Voorts wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
|
||||
|
||||
Het netto-besteedbare inkomen wordt gevormd door:
|
||||
|
||||
- de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies , de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling) na de wettelijke inhoudingen;
|
||||
- de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies, de bijdragen ingevolge een levensloopregeling, de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling) na de wettelijke inhoudingen;
|
||||
- uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de alimentatie-uitkering);
|
||||
- overige inkomsten (bijvoorbeeld vorderingen tot periodieke betaling van inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AWR, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf, met uitzondering van de daarin begrepen kinderkorting, aanvullende kinderkorting, toetrederskorting, alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, aanvullende alleenstaande-ouderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een toeslag op basis van de Wet kinderopvang of een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan) met uitzondering van de uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen alsmede de uitkeringen op grond van artikel 229d, tweede lid, Gemeentewet (negatieve aanslag), artikel 255a Gemeentewet (uitbetaling aan degene die om kwijtschelding verzoekt) en bedragen die in het kader van een regeling van persoonsgebonden budget worden toegekend en bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, Wwb (zie lid 17b) en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Wwb. Zie ook artikel 26, § 2, lid 18, van deze leidraad.
|
||||
- overige inkomsten, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
a. de in een voorlopige teruggaaf begrepen kinderkorting alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan 5 jaar is de in een voorlopige teruggaaf begrepen combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting, een en ander als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
b. een toeslag op grond van de Wet kinderopvang;
|
||||
c. een vergoeding voor pleegouders ten behoeve van het levensonderhoud van een pleegkind;
|
||||
d. een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van de bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan;
|
||||
e. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen;
|
||||
f. toegekende bedragen in het kader van een regeling van een persoonsgebonden budget;
|
||||
g. de bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o van de Wwb (zie lid 17b van artikel 26 van deze leidraad);
|
||||
h. de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 36 van de Wwb (zie lid 18 van artikel 26 van deze leidraad).
|
||||
|
||||
Inkomsten van een inwonende worden in de berekening van het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige betrokken als deze inwonende met de belastingschuldige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Het feit dat een ouder of kind inwoont, kan dus niet leiden tot bijtelling van inkomsten. Inkomensoptelling vindt dus plaats ten aanzien van in gezins-verband levende echtgenoten, ongeacht hun huwelijksgoederenregime, en twee personen die een gezamenlijke huishouding voeren, mits geen bloedverwanten in de eerste graad. Het inkomen van een inwonend kind en een inwonende ouder blijft buiten beschouwing. Een uitzondering daarop vormen de inkomsten voor, door of ten behoeve van minderjarige kinderen ontvangen alimentatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1910,10 +1924,10 @@ Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden
|
|||
|
||||
Het gaat in casu om de volgende bedragen:
|
||||
|
||||
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2.054 per kalenderjaar;
|
||||
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2115 per kalenderjaar;
|
||||
- een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95 per maand met een maximum van € 764 per jaar;
|
||||
- een kostenvergoeding in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar;
|
||||
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 172 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
|
||||
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 177 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
|
||||
|
||||
Tot de overige inkomsten kunnen worden gerekend de ouderlijke bijdrage in geld die jongeren ontvangen en de (aanvullende) bijzondere bijstand voor jongeren (zie lid 17, hiervoor). Ook de inkomsten uit het houden van kostgangers en de inkomsten uit kamerverhuur en onderverhuur worden tot de overige inkomsten gerekend. Zie in dit verband ook artikel 26, lid 24A, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1938,22 +1952,17 @@ Uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW
|
|||
|
||||
Aflossingen op leningen waarbij het geleende bedrag is aangewend voor de betaling van belastingschulden, andere dan die genoemd in artikel 8, tweede lid, van de regeling, worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in aanmerking genomen. De ontvanger kan de belastingschuldige vragen om aan te tonen dat het geleende bedrag inderdaad voor betaling van de belastingaanslagen is aangewend.
|
||||
|
||||
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering kunnen worden gebracht bedragen forfaitair € 243 per maand, dus ongeacht de werkelijke kosten. Als sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld.
|
||||
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering kunnen worden gebracht bedragen forfaitair € 290 per maand, dus ongeacht de werkelijke kosten. Als sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld.
|
||||
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de bruto-betaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Dit beginsel dat geen rekening wordt gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers is gebaseerd op het uitgangspunt dat de fiscus als preferent schuldeiser niet behoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in lid 24 van deze paragraaf. Hoewel de aflossingen aan andere crediteuren bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in aanmerking worden genomen, kunnen die aflossingen wel van invloed zijn op de vraag of al dan niet kwijtschelding moet worden verleend. Voor de aflossing aan andere crediteuren in samenhang met de betalingscapaciteit geldt het navolgende:
|
||||
|
||||
- als geen betalingscapaciteit aanwezig is, wordt behoudens in de gevallen genoemd in § 1, lid 16, hiervoor, kwijtschelding verleend wanneer aan de concurrente crediteuren niet meer dan € 136 per maand wordt betaald;
|
||||
- als geen betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing meer dan € 136 per maand bedraagt, wordt het verzoek om kwijtschelding in beginsel afgewezen. De ontvanger moet in dat geval de betrokken belastingschuldige eerst in de gelegenheid stellen schriftelijk een nadere toelichting te geven op het feit dat hij, ondanks het ontbreken van enige betalingscapaciteit, niettemin kans ziet aan andere schuldeisers meer dan € 136 per maand te voldoen. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden zal de nadere toelichting van de belastingschuldige aanleiding geven tot het nemen van een beslissing die afwijkt van het hiervoor genoemde beleid. Om te voorkomen dat bij de belastingschuldige al te positieve verwachtingen worden gewekt, moet deze, als hij in de gelegenheid wordt gesteld tot het geven van een nadere toelichting, worden gewezen op het feit dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden van het geldende beleid wordt afgeweken (zie bijlage IV). Dit laat onverlet toepassing van de schuldenregeling als bedoeld in § 3, hierna;
|
||||
- als gedeeltelijke betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing aan andere crediteuren bedraagt minder dan € 136 per maand, moet de aanwezige gedeeltelijke betalingscapaciteit worden gebruikt ter voldoening van de openstaande schuld. Het deel van de belastingaanslag dat daarna onbetaald is gebleven, kan worden kwijtgescholden;
|
||||
- als gedeeltelijke betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing meer dan € 136 per maand bedraagt, vindt kwijtschelding uitsluitend plaats in het kader van een schuldenregeling als bedoeld in § 3, hierna.
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de bruto-betaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Dit beginsel dat geen rekening wordt gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers is gebaseerd op het uitgangspunt dat de fiscus als preferent schuldeiser niet behoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in lid 24 van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld, kunnen de kosten van bestaan daarop in mindering worden gebracht ter bepaling van de betalingscapaciteit. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van het feitelijke inkomen (het gezamenlijke bedrag van de in artikel 14 van de regeling genoemde inkomensbestanddelen) met als maximum 90% van de voor het desbetreffende huishoudtype geldende maximale bijstandsnorm en als minimum 90% van de voor dat huishoudtype geldende minimale bijstandsnorm. Dit geldt niet voor de in artikel 22 Wwb bedoelde ouderennormen. Op deze ouderennormen is het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid niet van toepassing. Dit betekent dat echtparen en alleenstaanden, die inwonen bij hun kinderen, dan wel inwonende kinderen hebben, onafhankelijk van het inkomen c.q. de bijdragen van die kinderen de volledige norm ontvangen. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van de voor de desbetreffende huishoudtype geldende ouderennormen. Uit een oogpunt van doelmatigheid worden de normbedragen altijd op één hele euro naar boven afgerond. De voor de kwijtschelding van belang zijnde huishoudtypen die de bijstand onderkent, zijn echtgenoten, een alleenstaande ouder en een alleenstaande en de "ouderen" volgens de zogenaamde ouderennormen.
|
||||
|
||||
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die thans gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn:
|
||||
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 870 en maximum € 1088; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1143; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1143. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 761 en maximum € 979; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1027. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 544 en maximum € 761; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 827. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 891 en maximum € 1114; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1166; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1166. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 780 en maximum € 1002; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1048. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 557 en maximum € 780; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 851. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
|
||||
NB: Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind. Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1961,20 +1970,20 @@ Voorbeelden
|
|||
|
||||
Voorbeeld 1
|
||||
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 865. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 775. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 865 en bedraagt dus € 779. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 761. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 761. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 775 minus € 761 = € 14 × 80% = € 11.
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 890. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 800. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 865 en bedraagt dus € 801. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 780. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 780. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 800 minus € 780 = € 20 × 80% = € 16.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 2
|
||||
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 820. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 820 en bedraagt dus € 738. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 979 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 761. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 738. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 720 minus € 738 = nihil.
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 870. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 870 en bedraagt dus € 783. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 1002 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 780. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 783. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 770 minus € 783 = nihil.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 3
|
||||
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 870. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 891. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
|
||||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met
|
||||
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 180 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 51;
|
||||
- voor gehuwden: € 279 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 73.
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 184 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 53;
|
||||
- voor gehuwden: € 286 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 76.
|
||||
|
||||
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2357,7 +2366,7 @@ Voor de berekening van de verschuldigde invorderingsrente geldt als dag van beta
|
|||
|
||||
Voor de conserverende belastingaanslagen als bedoeld in artikel 25, derde, vijfde, zesde, achtste, elfde of zeventiende tot en met negentiende lid, van de wet en voor de in de belastingaanslag inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de wet, waarvoor op grond van artikel 25, negende lid, eerste volzin, van de wet uitstel van betaling is verleend, wordt renteloos uitstel van betaling verleend. Invorderingsrente wordt wel in rekening gebracht voorzover in het kader van de betalingsregeling ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, niet tijdig betaling plaatsvindt van de verschenen termijnen. Invorderingsrente is alsdan verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende termijnen zijn versterken tot het moment van feitelijke voldoening. Als de ontvanger het uitstel als bedoeld in artikel 25, vijfde, zesde en achtste lid, beëindigt, wordt invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 1 september van het jaar waarin zich een handeling of omstandigheid voordoet die aanleiding is om het uitstel te beëindigen. Als de ontvanger het uitstel als bedoeld in artikel 25, negende of elfde lid, van de wet geheel of gedeeltelijk beëindigt naar aanleiding van omstandigheden, andere dan de niet betaling van de verschenen termijnen ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, die aanleiding geven het verleende uitstel in te trekken, wordt invorderingsrente in rekening gebracht met ingang van de dag volgende op de dag waarop zich die omstandigheden hebben voorgedaan. Wanneer uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, zeventiende lid, van de wet wordt rente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dag waarop het uitstel is geëindigd.
|
||||
|
||||
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de renteberekening abusievelijk onjuiste data of een onjuist percentage of bedrag wordt gehanteerd zal geen rente in rekening worden gebracht, dan wel rente worden terugbetaald ingeval van verrekening met een belastingaanslag, waaraan naderhand een nieuwe dagtekening is toegekend. Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte invorderingsrente wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking waarbij de invorderingsrente in rekening is gebracht. Bij afwijzing van het bezwaarschrift dat binnen de bezwaartermijn is ingediend staat dus beroep bij de belastingrechter open. Als het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend dient de belastingschuldige niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn bezwaar. Ambtshalve toetsing van het bezwaarschrift dient overigens wel plaats te vinden. Met een bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag als bedoeld in dit lid moet worden gelijkgesteld de situatie waarin de belastingschuldige uiterlijk of kort na de indiening van het aangiftebiljet heeft verzocht om uitstel van betaling tot het bedrag van de te verwachten negatieve definitieve aanslag. Voorts wordt een aangifte volgens welke de voorlopige aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag als bedoeld in dit lid.
|
||||
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de renteberekening abusievelijk onjuiste data of een onjuist percentage of bedrag wordt gehanteerd zal geen rente in rekening worden gebracht, dan wel rente worden terugbetaald ingeval van verrekening met een belastingaanslag, waaraan naderhand een nieuwe dagtekening is toegekend.
|
||||
|
||||
Indien als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening wordt gebracht, dient deze te worden betaald. In uitzonderlijke situaties kan er echter aanleiding bestaan rente - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen. Deze (strikt individueel te beoordelen) situaties doen zich alleen voor als de ontvanger van mening is dat het feit dat de belastingschuld niet tijdig is voldaan aan de belastingschuldige niet kan worden verweten en bovendien de invordering van rente - gezien de omstandigheden van het specifieke geval - onredelijk en onbillijk is. Een reden voor niet-verwijtbaarheid kan een verhuizing zijn, waardoor de belastingschuldige niet op de hoogte was van de aanslag, terwijl hij wel datgene heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om de Belastingdienst in kennis te stellen van zijn nieuwe adres. De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift in vorengenoemde gevallen de verschuldigde rente verminderen. Hij maakt zijn beslissing bij beschikking aan de belastingschuldige kenbaar.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2392,9 +2401,9 @@ In artikel 30, eerste lid, van de wet is bepaald dat de ontvanger het bedrag van
|
|||
|
||||
Deze bescheiden geven kennis van de genoemde beschikking waartegen op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen van de AWR in bezwaar kan worden gekomen (zie het tweede lid van deze paragraaf). Wordt een bezwaarschrift door de ontvanger gedeeltelijk gehonoreerd, waarna een acceptgiro wordt gezonden waarop de herstelboeking is vermeld, dan kan tegen hetgeen op deze acceptgiro ten aanzien van de betalingskorting en de invorderingsrente is vermeld niet opnieuw bezwaar worden gemaakt als de belastingschuldige van mening is dat onvoldoende aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Alsdan zal tegen de uitspraak beroep moeten worden aangetekend. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat afschriften van een giro- of bankrekening niet het karakter hebben van een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is. Dit geldt ook voor betalingsoverzichten die ten behoeve van belastingschuldigen worden verstrekt en waarop de betalingskorting en de afgeboekte rente staat vermeld, alsmede voor overige correspondentie waarin om enigerlei reden een betalingskorting of afgeboekte rente wordt vermeld. Op de beschikking is de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet kan de belastingschuldige bezwaar maken tegen de hoogte van de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente. Als een belastingschuldige ten kantore mondeling - terecht - bezwaar maakt, bevordert de ontvanger zoveel mogelijk dat hij dit ten kantore op schrift stelt. De ontvanger vraagt de belastingschuldige die telefonisch zijn bezwaren uit, deze schriftelijk in te dienen. Aangezien de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn op de desbetreffende beschikking wordt opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het bezwaar richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid. De ontvanger beslist op een bezwaarschrift tegen de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente binnen zes weken na ontvangst daarvan, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet kan de belastingschuldige bezwaar maken tegen de hoogte van de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente. Als een belastingschuldige ten kantore mondeling - terecht - bezwaar maakt, bevordert de ontvanger zoveel mogelijk dat hij dit ten kantore op schrift stelt. De ontvanger vraagt de belastingschuldige die telefonisch zijn bezwaren uit, deze schriftelijk in te dienen. Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte invorderingsrente wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking waarbij de invorderingsrente in rekening is gebracht. Tegen de afwijzing van dit bezwaarschrift dat binnen de bezwaartermijn is ingediend staat derhalve beroep bij de belastingrechter open. Als dit bezwaarschrift tegen de rentebeschikking niet-ontvankelijk is vindt ambtshalve toetsing van het bezwaar plaats. Aangezien de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn op de desbetreffende beschikking wordt opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het bezwaar richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid. De ontvanger beslist op een bezwaarschrift tegen de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente binnen zes weken na ontvangst daarvan, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In geval door de belastingschuldige een beroepschrift (in hoger beroep) is ingediend wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit beroep in belastingzaken 2000, met dien verstande dat voor "inspecteur" dient te worden gelezen: ontvanger. Het bepaalde in de paragrafen 2, 6a, onderdelen 3 a en b, 16a, 19, onderdelen 2 a en b, en 24, onderdeel 2, van het genoemde besluit is niet van toepassing. In de plaats van § 15c van het genoemde besluit geldt hetgeen in deze leidraad in het eerste lid van § 4 bij artikel 3 is vermeld.
|
||||
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de regeling betalingskorting relevant zijn.
|
||||
|
||||
Als om uitstel van betaling wordt verzocht voor een teruggenomen betalingskorting - daarvan kan sprake zijn als de ontvanger de teruggenomen betalingskorting abusievelijk niet heeft verrekend met het uit te betalen bedrag van de vermindering - is het beleid dat is verwoord in artikel 25, paragrafen 1 en 2, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van betaling wordt verzocht is het beleid dat is verwoord in artikel 25, paragrafen 1 en 2, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing, onverminderd het bepaalde in artikel 34 van de regeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2983,7 +2992,7 @@ Bij de parlementaire behandeling inzake de regeling van de bestuurdersaansprakel
|
|||
- het zodanig verwaarlozen van het personeelsbeleid en de betrekkingen met werknemers, dat er arbeidsonrust ontstaat en stakingen uitbreken;
|
||||
- het nalaten zich voldoende te vergewissen van de kredietwaardigheid van contractpartners, aan wie men leveranties op krediet verstrekt en het krediet te lang laten voortduren.
|
||||
|
||||
Een melding van betalingsonmacht kan zowel mondeling (ten kantore dan wel telefonisch) als schriftelijk worden gedaan. Ten behoeve van een schriftelijke melding hebben de bij de uitvoering van de regeling betrokken instanties gezamenlijk een formulier ontwikkeld dat daarvoor kan worden gebruikt. Omdat aan elk van de uitvoeringsorganen afzonderlijk dient te worden gemeld bestaat dit meldingsformulier uit vier exemplaren (één exemplaar voor elk van de uitvoeringsorganen en een afschrift voor belanghebbende zelf).
|
||||
Een melding van betalingsonmacht kan zowel mondeling (ten kantore dan wel telefonisch) als schriftelijk worden gedaan. Ten behoeve van een schriftelijke melding hebben de bij de uitvoering van de regeling betrokken instanties gezamenlijk een formulier ontwikkeld dat daarvoor kan worden gebruikt. Omdat aan elk van de uitvoeringsorganen afzonderlijk dient te worden gemeld bestaat dit meldingsformulier uit drie exemplaren (één exemplaar voor elk van de uitvoeringsorganen en een afschrift voor belanghebbende zelf).
|
||||
|
||||
Er bestaat geen verplichting om van het meldingsformulier gebruik te maken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3972,8 +3981,8 @@ Voor de mogelijkheden tot informatieverstrekking aan derden die voor de belastin
|
|||
|
||||
Desgevraagd is de ontvanger op grond van artikel 475g, lid 3, Rv, verplicht aan de gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen tegen een schuldenaar, schriftelijk informatie te verstrekken over periodieke betalingen die hij aan die schuldenaar verricht c.q. gaat verrichten op grond van een verleende voorlopige teruggaafbeschikking. Deze informatieplicht behelst uitsluitend gegevens met betrekking tot:
|
||||
|
||||
– de vraag of aan de schuldenaar in kwestie een voorlopige teruggaaf is verleend;
|
||||
– de termijn en de omvang van de betalingen van de voorlopige teruggaaf;
|
||||
– de vraag of een voorlopige teruggaaf is verleend;
|
||||
– de termijn en de omvang van de betalingen van een voorlopige teruggaaf, onder vermelding van een eventuele verrekening die plaats vindt;
|
||||
– de vraag of op de voorlopige teruggaaf in kwestie beslag is gelegd.
|
||||
|
||||
Het verstrekken van andere informatie dan hiervoor genoemd is in strijd met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de wet. Aan het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder een verzoek doet op grond van artikel 475g, lid 3, Rv, mag de ontvanger het vertrouwen ontlenen dat er een gerechtigdheid bestaat tot het leggen van beslag tegen de schuldenaar in kwestie.
|
||||
|
|
@ -4185,13 +4194,7 @@ Kosten worden in afwijking van het vorenstaande altijd in rekening gebracht als
|
|||
|
||||
De beslissing om de kosten terug te brengen tot het juiste bedrag dan wel de kosten terug te betalen, geschiedt ambtshalve dan wel na een daartoe ingediend verzoekschrift.
|
||||
|
||||
Als vervolgingskosten terecht in rekening zijn gebracht, dienen deze te worden voldaan. In uitzonderlijke situaties kan er echter aanleiding bestaan vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen. Deze (strikt individueel te beoordelen) situaties doen zich alleen voor als de ontvanger van mening is dat het feit dat de belastingschuld niet tijdig is voldaan aan de belastingschuldige niet kan worden verweten en bovendien de invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval - onredelijk en onbillijk is. Redenen voor niet-verwijtbaarheid kunnen zijn:
|
||||
|
||||
- een verhuizing, waardoor de belastingschuldige niet op de hoogte was van de belastingaanslag, terwijl hij wel datgene heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om de Belastingdienst in kennis te stellen van zijn nieuwe adres;
|
||||
- een ongeval, ernstige ziekte of overlijden van de belastingschuldige dan wel van degene die zijn belastingzaken behandelt, waardoor deze niet in staat kon worden geacht zijn verplichtingen te voldoen;
|
||||
- een onvoorzien vertrek wegens dringende omstandigheden, waarbij de persoonlijke aanwezigheid werd vereist en waardoor men geen kans heeft gehad een regeling te treffen, om de verplichtingen tegenover de fiscus na te komen.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend verzoekschrift tegen de in rekening gebrachte kosten in vorengenoemde situaties die kosten verminderen.
|
||||
In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan de in rekening gebrachte vervolgingskosten – hoezeer ook verschuldigd – te verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt. Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering van vervolgingskosten – gezien de omstandigheden van het specifieke geval – onredelijk en onbillijk is.
|
||||
|
||||
Indien invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, worden de daaraan verbonden vervolgingskosten niet ten tijde van het treffen van de genoemde maatregelen in rekening gebracht, indien en voorzover de belastingschuldige op dat tijdstip nog niet in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4201,7 +4204,7 @@ Met betrekking tot de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het g
|
|||
|
||||
Kwijtschelding is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. Evenzo zal in die gevallen ook geen toezegging worden gedaan dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd. Het vorenstaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend c.q. kosten buiten invordering worden gelaten wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden c.q. buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en die betekeningskosten in totaal alsdan meer zouden bedragen dan € 10.140 zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 10.140.
|
||||
Indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en die betekeningskosten in totaal alsdan meer zouden bedragen dan € 10.151 zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 10.151.
|
||||
|
||||
### Artikel XIII
|
||||
|
||||
|
|
@ -4540,7 +4543,7 @@ Op grond van artikel 32, zesde lid, Awir kan Belastingdienst/Toeslagen gebruik m
|
|||
|
||||
De overeenkomstige toepassing van artikel 19 van de wet houdt wel in dat aan het doen van een vordering een vooraankondiging vooraf gaat, ook als het gaat om een vordering onder een uitkeringsinstantie. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beslagvrije voet regeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat wil zeggen dat de vordering slechts wordt gedaan voor zover er sprake is van periodieke inkomsten (zoals loon of een uitkering), die uitstijgen boven het vrij te laten normbedrag bestemd om te kunnen voorzien in de kosten van het bestaan.
|
||||
|
||||
Zodra Belastingdienst/Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken, dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zullen eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd. Zoals in het vierde lid van deze paragraaf al is opgemerkt dient de openstaande toeslagenschuld met betrekking tot de periode voorafgaand aan het tijdstip van faillissement of schuldsanering, ter verificatie te worden aangemeld bij de curator of de bewindvoerder. Uit artikel 44 Awir (beslagverbod) vloeit voort dat een eventuele toeslag niet in de boedel vloeit. Gedurende de looptijd van een faillissement of schuldsaneringsregeling geldt dat een eventuele toeslag uitbetaald zal worden op het door de belanghebbende daartoe bestemde rekeningnummer, hetgeen ook het rekeningnummer van de curator of de bewindvoerder kan zijn.
|
||||
Zodra Belastingdienst/Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken, dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zullen eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd. Zoals in het vierde lid van deze paragraaf al is opgemerkt dient de openstaande toeslagenschuld met betrekking tot de periode voorafgaand aan het tijdstip van faillissement of schuldsanering, ter verificatie te worden aangemeld bij de curator of de bewindvoerder. Voorafgaand aan de aanmelding van de toeslagenschuld blijft verrekening van die schuld met uit te betalen bedragen op basis van een voorschot achterwege. Gedurende het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt eveneens geen verrekening plaats van de openstaande toeslagenschuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot. Uitbetalingen met een eenmalig karakter (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf inkomstenbelasting) kunnen wel worden verrekend indien en voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór datum faillissement c.q. datum van de van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Uit artikel 45 Awir (beslagverbod) vloeit voort dat een eventuele toeslag niet in de boedel vloeit. Gedurende de looptijd van een faillissement of schuldsaneringsregeling geldt dat een eventuele toeslag uitbetaald zal worden op het door de belanghebbende daartoe bestemde rekeningnummer, hetgeen ook het rekeningnummer van de curator of de bewindvoerder kan zijn.
|
||||
|
||||
Na afloop van het faillissement kan met betrekking tot de dan nog resterende toeslagenschuld dwanginvordering en verrekening plaats vinden door de Belastingdienst/Toeslagen. Dat geldt niet voor de na afloop van een wettelijke schuldsaneringsregeling resterende toeslagenschuld. De nakoming daarvan kan niet rechtens worden afgedwongen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4630,7 +4633,7 @@ De door Belastingdienst/Toeslagen uit te betalen toeslagen zijn slechts beperkt
|
|||
|
||||
Voor het overige geldt een beslagverbod.
|
||||
|
||||
Een verhuurder, een zorgverzekeraar en een kinderopvanginstelling kunnen dus beslag leggen op een toeslag. Daarbij geldt echter de eis dat de vordering die zij jegens de toeslaggerechtigde hebben (in verband met, bijvoorbeeld, het onbetaald laten van de verzekeringspremie) betrekking moet hebben op het niet naleven van betalingsverplichtingen in het jaar 2006 of later. Zo is bijvoorbeeld een beslaglegging op een zorgtoeslag 2006 door een zorgverzekeraar in verband met onbetaalde gebleven verzekeringspremies voor het jaar 2005 niet mogelijk.
|
||||
Een verhuurder, een zorgverzekeraar en een kinderopvanginstelling kunnen dus beslag leggen op een toeslag. Daarbij geldt echter de eis dat de vordering die zij jegens de toeslaggerechtigde hebben (in verband met, bijvoorbeeld, het onbetaald laten van de verzekeringspremie) betrekking moet hebben op het niet naleven van betalingsverplichtingen in hetzelfde jaar als het berekeningsjaar van de toeslag. Voor vorderingen die zijn ontstaan vóór 2006 is in het geheel geen beslag op een door Belastingdienst/Toeslagen uit te betalen toeslag mogelijk.
|
||||
|
||||
Voor de vraag onder wie derdenbeslag moet worden gelegd, onder de Belastingdienst/Toeslagen dan wel onder de regiokantoren, wordt opgemerkt dat derdenbeslag moet worden gelegd onder het organisatieonderdeel Belastingdienst/Toeslagen. Dat Belastingdienstonderdeel is namelijk het bestuursorgaan dat op grond van de Awir is belast met de uitbetaling van de toeslagen. Een gelegd beslag onder (de ontvanger van) de regiokantoren is niet rechtsgeldig. In die gevallen meldt ( de ontvanger van) het regiokantoor op het verklaringsformulier geen toeslag onder zich te hebben en wordt voor nadere informatie verwezen naar Belastingdienst/Toeslagen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4650,10 +4653,18 @@ Omdat in de Awir de Kostenwet invordering rijksbelastingen van overeenkomstige t
|
|||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 juli 2006
|
||||
## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 januari 2007
|
||||
|
||||
## Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering
|
||||
|
||||
Partnertoeslag per maand € 529,03
|
||||
|
||||
Eenoudertoeslag per maand € 423,34
|
||||
|
||||
Partnertoeslag per maand € 529,03
|
||||
|
||||
Eenoudertoeslag per maand € 423,34
|
||||
|
||||
## Bijlage 1c. Overzicht normen huurtoeslag
|
||||
|
||||
De vermelde bedragen zijn op maandbasis
|
||||
|
|
@ -4690,15 +4701,7 @@ Vordering van de Belastingdienst op grond van de wet: € 29.000. Voor de douane
|
|||
|
||||
## Bijlage IV. Artikel 26, § 2, lid 25. Model
|
||||
|
||||
Naar aanleiding van een te mijnen kantore ingediend verzoek om kwijtschelding deel ik u het volgende mee.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de door u verstrekte financiële gegevens is mij gebleken dat u aan (een) andere schuldeiser(s) dan de belastingdienst per maand een bedrag ad € ... aflost.
|
||||
|
||||
Het is vast beleid dat bij een aflossing aan (een) andere schuldeiser(s) welke meer dan € 136 per maand bedraagt ook de belastingdienst niet van zijn vordering afziet en dus het verzoek om kwijtschelding afwijst (zie ook de folder "Kwijtschelding van belasting voor particulieren"). Aan dit beleid ligt enerzijds de gedachte ten grondslag dat de fiscus als (preferent) crediteur niet hoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan, terwijl anderzijds de vraag kan rijzen hoe de mogelijkheid bestaat bij het ontbreken van de betalingscapaciteit (volgens de door de belastingdienst gehanteerde normen) substantiële aflossingen te verrichten. Van het uitgangspunt geen kwijtschelding te verlenen wordt slechts bij zeer bijzondere omstandigheden afgeweken.
|
||||
|
||||
In verband met het vorenstaande stel ik u in de gelegenheid mij binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief gemotiveerd uiteen te zetten of en zo ja welke zeer bijzondere omstandigheden in uw geval aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
De ontvanger,
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Bijlage VA. Percentage invorderingsrente
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue