From 3c3fea15835b21a8373a02e38d5c827c9e449df1 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 13 Mar 2009 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2009-03-13 | BWBR0020183 | Besluit WWB 2007 --- amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md | 82 ++++++++++++++++----- 1 file changed, 62 insertions(+), 20 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md b/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md index d1b6921170b..fde86d121b7 100644 --- a/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md +++ b/amvb/besluit-wwb-2007/BWBR0020183/README.md @@ -20,7 +20,8 @@ a. wet: Wet werk en bijstand; b. werkdeel: de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008; c. inkomensdeel: de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet; d. gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen jonger dan 65 jaar: de volgens het verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet, in het jaar 2007 door het college gedane uitgaven voor personen jonger dan 65 jaar vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari 2008, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari 2007; -e. gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen van 65 jaar of ouder: het saldo van de volgens het verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet, in het jaar 2007 door het college gedane uitgaven en de ontvangsten, in verband met de toepassing van de artikelen 48 en hoofdstuk 6, paragraaf 6.4 van de wet, voor personen van 65 jaar of ouder. +e. gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen van 65 jaar of ouder: het saldo van de volgens het verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet, in het jaar 2007 door het college gedane uitgaven en de ontvangsten, in verband met de toepassing van de artikelen 48 en hoofdstuk 6, paragraaf 6.4 van de wet, voor personen van 65 jaar of ouder; +f. toetsingscommissie: de toetsingscommissie, bedoeld in artikel 73 van de wet. ### Paragraaf 2. Werkdeel @@ -119,17 +120,29 @@ De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en twee leden. Onze Minister be **1.** -Een aanvullende uitkering wordt slechts toegekend voorzover: +Een incidentele aanvullende uitkering wordt slechts toegekend voorzover: a. voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften; -b. de gemaakte kosten het toegekende inkomensdeel met minimaal tien procent overstijgen; +b. de gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, het verstrekte inkomensdeel met minimaal tien procent overstijgen; c. de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan alsmede de rechtmatige uitvoering van de wet daartoe aanleiding geeft. -**2.** De toetsingscommissie beoordeelt of een verzoek tot een aanvullende uitkering voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden en adviseert Onze Minister. Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat een gemeente in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering, is de hoogte van deze uitkering gelijk aan het verschil tussen de werkelijke netto bijstandsuitkeringslasten en 110% van het toegekende inkomensdeel. +**2.** De toetsingscommissie beoordeelt of een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden en adviseert Onze Minister. Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat een gemeente in aanmerking komt voor een incidentele aanvullende uitkering, is de hoogte van deze uitkering gelijk aan het verschil tussen de werkelijke netto bijstandsuitkeringslasten en 110% van het verstrekte inkomensdeel. **3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdelen b en c, en het tweede lid, waarbij voor gemeenten tot maximaal 40.000 inwoners een afwijkende invulling kan worden gegeven van het eerste lid, onderdeel c. -**4.** Een verzoek tot een aanvullende uitkering wordt in ieder geval afgewezen, indien Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76, derde lid, van de wet heeft gegeven. +**4.** + +Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt in ieder geval afgewezen, indien: + +a. Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76, derde lid, van de wet heeft gegeven; of +b. in elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft de gemaakte kosten het verstrekte inkomensdeel met minimaal 2,5% overstijgen. + +**5.** + +Het vierde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op gemeenten: + +a. waarvoor de budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar in ten minste een van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft, berekend is op grond van artikel 5; of +b. wier verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering is afgewezen vanwege het enkele feit dat niet is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 10a, eerste lid, onderdeel e. ### Artikel 10a @@ -138,8 +151,8 @@ c. de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het Tot een inhoudelijke beoordeling van een verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering wordt overgegaan, nadat de toetsingscommissie heeft vastgesteld dat: a. voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften; -b. de budgetgrondslag over elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt ingediend berekend is op grond van artikel 6 of artikel 7; -c. in elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt ingediend de gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, de verstrekte uitkering met minimaal 2,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage voor elk van die drie kalenderjaren overstijgen; +b. de budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar over elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt ingediend berekend is op grond van artikel 6 of artikel 7; +c. in elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt ingediend de gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, het verstrekte inkomensdeel met minimaal 2,5% overstijgen; d. het aannemelijk is dat een overstijging als bedoeld in onderdeel c niet geheel het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; e. het aannemelijk is dat een overstijging als bedoeld in onderdeel c zich zal voordoen in het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt ingediend en de twee daaropvolgende kalenderjaren; f. het college een analyserapport heeft opgesteld over de mogelijke oorzaken van de overstijgingen, bedoeld in onderdeel c, en een overzicht heeft toegevoegd van de genomen en eventueel nog te treffen maatregelen ter verbetering van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; @@ -149,6 +162,14 @@ g. de gemeenteraad heeft ingestemd met indiening van het verzoek, bedoeld in ond **3.** Indien de toetsingscommissie van oordeel is, dat niet voldaan is aan de vereisten, genoemd in het eerste lid, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen. +### Artikel 10b + +**1.** In verband met de beoordeling van het verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 10a, schakelt de toetsingscommissie de Inspectie Werk en Inkomen in om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke oorzaken van de overstijging van de kosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, en de maatregelen, die het betrokken college treft om de overstijging in de toekomst te voorkomen. + +**2.** Indien naar het oordeel van de toetsingscommissie het meerjarig tekort op grond waarvan het college om een aanvullende uitkering verzoekt, mede het gevolg is van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister de gevraagde meerjarige aanvullende uitkering slechts toe te kennen indien de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de toetsingscommissie toereikend zijn en blijkt dat de gemeenteraad met deze maatregelen heeft ingestemd. + +**3.** Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat het tekort geheel het gevolg is van het gemeentelijk beleid of de uitvoering daarvan, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen. + ### Artikel 10c **1.** @@ -160,7 +181,9 @@ b. *verzoek:* het verzoek, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel b. **2.** -De meerjarige aanvullende uitkering bestaat uit drie delen: U(1), U(2) en U(3) waarbij: +De meerjarige aanvullende uitkering bestaat uit drie delen: U(1), U(2) en U(3) + +waarbij: a. U(1) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend; b. U(2) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop U(1) ziet; @@ -168,30 +191,45 @@ c. U(3) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op **3.** -De hoogte van U(1), U(2) respectievelijk U(3) is gelijk aan: +De hoogte van U(1) wordt berekend aan de hand van de volgende formule: -(A – B) x m +U(1) = (A – (B x C)) x m waarbij: -a. A staat voor de werkelijk gemaakte kosten in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft; +a. A staat voor de gemiddelde overstijging in euro’s over de drie kalenderjaren direct voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend; b. B staat voor: -1° 102,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging niet mede het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; -2° 105% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; dan wel -3° 107,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging bijna uitsluitend het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; -c. m staat voor: +1°. 2,5%, indien de overstijging niet mede het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; +2°. 5%, indien de overstijging gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; dan wel +3°. 7,5%, indien de overstijging bijna uitsluitend het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; +c. C staat voor het gemiddelde toegekende inkomensdeel in euro’s in de drie kalenderjaren direct voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend; en +d. m staat voor: -1° 1, indien de budgetgrondslag in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft, berekend is op grond van artikel 7; dan wel -2° het aantal inwoners in de gemeente, verminderd met 25.000 en vervolgens gedeeld door 15.000, indien de budgetgrondslag in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft, berekend is op grond van artikel 6. +1°. 1, indien de budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar in het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend berekend is op grond van artikel 7; dan wel +2°. het aantal inwoners in de gemeente, verminderd met 25.000 en vervolgens gedeeld door 15.000, indien de budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar in het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend berekend is op grond van artikel 6. -**4.** De in het derde lid bedoelde uitkering is ten minste gelijk aan het verschil tussen A en 110% van de over het betreffende kalenderjaar toegekende uitkering als bedoeld in artikel 69 van de wet. +**4.** -**5.** Onze Minister kan van het derde lid afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de artikelen 10a, 10b en 10d beogen te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. +De hoogte van U(2) respectievelijk U(3) bedraagt: + +a. U(1) indien de overstijging niet mede het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; +b. vijfzesde van U(1) respectievelijk tweederde van U(1) indien de overstijging gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; dan wel +c. tweederde van U(1) respectievelijk eenderde van U(1) indien de overstijging bijna uitsluitend het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan. + +**5.** Het maximale bedrag dat per kalenderjaar beschikbaar is voor meerjarige aanvullende uitkeringen bedraagt € 25.000,000,–. Van dit bedrag is voor nieuwe verzoeken beschikbaar hetgeen resteert na aftrek van hetgeen reeds voor dat kalenderjaar is toegekend op basis van verzoeken uit voorgaande kalenderjaren. + +**6.** Bij de verdeling van het maximale bedrag, bedoeld in het vijfde lid, hebben verzoeken waarbij B als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, staat voor een lager percentage, voorrang op verzoeken waarbij die B staat voor een hoger percentage. + +**7.** Indien het bedrag dat resteert na toepassing van het zesde lid, onvoldoende is om aan alle verzoeken te voldoen, wordt het resterende bedrag verdeeld over die verzoeken waarbij B als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, staat voor eenzelfde percentage, naar rato van de hoogte van de uitkering, zoals die zou worden vastgesteld indien er geen maximaal bedrag als bedoeld in het vijfde lid was geweest. Bij de toepassing van de eerste zin hebben lagere percentages voorrang op hogere percentages. + +**8.** Onze Minister kan van het derde, vierde, zesde en zevende lid afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de artikelen 10a, 10b, en 10d beogen te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. ### Artikel 10d -Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van de artikelen 10a, eerste lid, onderdeel c, en 10c, worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan. +**1.** Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van de artikelen 10a, eerste lid, onderdeel c, en 10c, worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan. + +**2.** Voor de toepassing van de artikelen 10a en 10c is bij de bepaling van de gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, over 2006 en het verstrekte inkomensdeel over 2006, artikel 8a, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. ### Paragraaf 4. Overige en slotbepalingen @@ -220,6 +258,10 @@ Wijzigt het Besluit uitkeringen gemeenten IOAW en IOAZ. Het Besluit WWB wordt ingetrokken. +### Artikel 13a + +Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a, 10b, 10c en 10d aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze artikelen in de praktijk. + ### Artikel 14 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.