2017-09-06 | BWBR0036944 | Vennootschapsbelasting, bedrijfsfusie, toepassing artikel 14, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
This commit is contained in:
parent
af56ca6330
commit
3c737571d0
1 changed files with 7 additions and 7 deletions
|
|
@ -73,7 +73,7 @@ In deze paragraaf wordt het beleidsmatige kader geschetst van enkele in artikel
|
|||
|
||||
### 3.1. Onderneming (of zelfstandig onderdeel daarvan)
|
||||
|
||||
Het ondernemingsbegrip van artikel 14 van de Wet Vpb is gelijk aan het ondernemingsbegrip van artikel 3.8. van de Wet IB 2001. Dit betekent dat voor de toepassing van artikel 14 van de Wet Vpb een onderneming in materiële zin moet worden overgedragen, dat wil zeggen ‘een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die gericht is op deelname aan het economische verkeer met het oogmerk om winst te behalen’1Deze uitleg van het ondernemingsbegrip stemt overeen met de inhoud van het begrip tak van bedrijvigheid, zoals gehanteerd door de Fusierichtlijn (Richtlijn 90/434/EEG). Aldus ook MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 3, blz. 13. Niet van belang hierbij is de wettelijke fictie dat bepaalde lichamen worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen (opgenomen in artikel 2, vijfde lid, van de Wet Vpb). De inbreng van enkel deelnemingen zal dus niet kwalificeren als de inbreng van een onderneming in de zin van artikel 14 van de Wet Vpb. Ook in de situatie waarin naast deelnemingen bedrijfspanden worden overgedragen is over het algemeen geen sprake van een onderneming in materiële zin.
|
||||
Het ondernemingsbegrip van artikel 14 van de Wet Vpb is gelijk aan het ondernemingsbegrip van artikel 3.8. van de Wet IB 2001. Dit betekent dat voor de toepassing van artikel 14 van de Wet Vpb een onderneming in materiële zin moet worden overgedragen, dat wil zeggen ‘een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die gericht is op deelname aan het economische verkeer met het oogmerk om winst te behalen’1Deze uitleg van het ondernemingsbegrip stemt overeen met de inhoud van het begrip tak van bedrijvigheid, zoals gehanteerd door de Fusierichtlijn (Richtlijn 90/434/EEG). Aldus ook MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 3, blz. 13. Niet van belang hierbij is de wettelijke fictie dat bepaalde lichamen worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen (opgenomen in artikel 2, vijfde lid, van de Wet Vpb). De inbreng van enkel deelnemingen zal dus niet kwalificeren als de inbreng van een onderneming in de zin van artikel 14 van de Wet Vpb. Ook in de situatie waarin naast deelnemingen bedrijfspanden worden overgedragen is over het algemeen geen sprake van een onderneming in materiële zin.
|
||||
|
||||
Voor de invulling van het begrip zelfstandig onderdeel van een onderneming moet in de eerste plaats aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie voor de inkomstenbelasting over overdracht of liquidatie van een gedeelte van een onderneming. Bij de overdracht van een zelfstandig onderdeel van de onderneming is het mogelijk dat aan de onderneming gebonden vermogensbestanddelen bij de overdrager achterblijven, mits hetgeen wordt overgedragen op zichzelf bezien een (materiële) onderneming kan vormen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -131,13 +131,13 @@ Om in aanmerking te komen voor de fiscale faciliteit is niet vereist dat met of
|
|||
|
||||
### 3.5. Afrondingscreditering
|
||||
|
||||
Aan de eis dat de overdracht van de onderneming moet plaatsvinden tegen uitreiking van aandelen wordt geacht te zijn voldaan, indien een zoveel mogelijk uit aandelen bestaande tegenprestatie wordt afgerond met een creditering voor een relatief zeer gering bedrag. In een dergelijk geval geldt de vrijstelling ook daarvoor. Van een relatief zeer gering bedrag is sprake als de creditering het bedrag van 1% van hetgeen op de uitgereikte aandelen is gestort en tevens het bedrag van € 4.500 niet overschrijdt.
|
||||
Aan de eis dat de overdracht van de onderneming moet plaatsvinden tegen uitreiking van aandelen wordt geacht te zijn voldaan, indien een zoveel mogelijk uit aandelen bestaande tegenprestatie wordt afgerond met een creditering voor een relatief zeer gering bedrag. In een dergelijk geval geldt de vrijstelling ook daarvoor. Van een relatief zeer gering bedrag is sprake als de creditering het bedrag van 1% van hetgeen op de uitgereikte aandelen is gestort en tevens het bedrag van € 4.500 niet overschrijdt.
|
||||
|
||||
### 3.6. Ontgaan of uitstellen van belastingheffing
|
||||
|
||||
De faciliteit van artikel 14 van de Wet Vpb wordt niet verleend, als de bedrijfsfusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Dit wordt geacht het geval te zijn als de bedrijfsfusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de overdrager en de overnemer. Belanghebbende heeft echter de mogelijkheid aannemelijk te maken dat de bedrijfsfusie niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling of sprake is van de herstructurering van de actieve werkzaamheden van de overdrager en de overnemer, moet de situatie die vóór de bedrijfsfusie aanwezig was, worden vergeleken met de situatie die door de bedrijfsfusie ontstaat. De inbreng van een onderneming in een nieuw opgerichte dochtermaatschappij kan in dit verband worden aangemerkt als een reorganisatie van de actieve werkzaamheden van de overdrager en de overnemer (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 71).
|
||||
Bij de beoordeling of sprake is van de herstructurering van de actieve werkzaamheden van de overdrager en de overnemer, moet de situatie die vóór de bedrijfsfusie aanwezig was, worden vergeleken met de situatie die door de bedrijfsfusie ontstaat. De inbreng van een onderneming in een nieuw opgerichte dochtermaatschappij kan in dit verband worden aangemerkt als een reorganisatie van de actieve werkzaamheden van de overdrager en de overnemer (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 71).
|
||||
|
||||
Zakelijke overwegingen worden geacht niet aanwezig te zijn, als aandelen in de overdrager of de overnemer binnen drie jaar na de overdracht worden vervreemd aan een lichaam dat niet met de overdrager en de overnemer is verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid, van de Wet Vpb. Ook in deze situatie heeft belanghebbende de mogelijkheid het tegendeel aannemelijk te maken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -196,9 +196,9 @@ De vorige twee volzinnen gelden overeenkomstig voor het recht op verrekening bij
|
|||
|
||||
Zoals vermeld in paragraaf 2 is vrijstelling in bepaalde gevallen alleen mogelijk onder door mij te stellen voorwaarden. Bijlage 1 bij dit besluit bevat de voorwaarden die door mij in het algemeen hierbij worden gesteld. Hierna wordt een toelichting gegeven op deze voorwaarden.
|
||||
|
||||
Als in de voorwaarden en de toelichting wordt verwezen naar artikel 13ca van de Wet Vpb wordt daarmee bedoeld de in artikel V van de Wet van 15 december 2005, Stb. 2005, 684 (Wet Vpb-pakket 2006) opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst van toepassing blijft zoals deze luidde op 31 december 2005 voor het terugnemen van afwaarderingsverliezen.
|
||||
Als in de voorwaarden en de toelichting wordt verwezen naar artikel 13ca van de Wet Vpb wordt daarmee bedoeld de in artikel V van de Wet van 15 december 2005, Stb. 2005, 684 (Wet Vpb-pakket 2006) opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst van toepassing blijft zoals deze luidde op 31 december 2005 voor het terugnemen van afwaarderingsverliezen.
|
||||
|
||||
Als in de voorwaarden en de toelichting wordt verwezen naar artikel 13c van de Wet Vpb wordt daarmee bedoeld de in artikel 33b, vijfde lid, van de Wet Vpb opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst zoals deze luidde op 31 december 2011 van toepassing blijft op – kort gezegd – dan bestaande 13c-situaties.
|
||||
Als in de voorwaarden en de toelichting wordt verwezen naar artikel 13c van de Wet Vpb wordt daarmee bedoeld de in artikel 33b, vijfde lid, van de Wet Vpb opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst zoals deze luidde op 31 december 2011 van toepassing blijft op – kort gezegd – dan bestaande 13c-situaties.
|
||||
|
||||
Als vermogen door de bedrijfsfusie verdwijnt, of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat, kan de vennootschapsbelasting niet worden doorgeschoven en is heffing niet verzekerd. De fiscale faciliteit is dan alleen mogelijk door toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Wet Vpb. Hierbij verzekert voorwaarde 1 de heffing door te verplichten tot belaste herwaardering van dat deel van het vermogen waarop de belastingclaim met de bedrijfsfusie vervalt. In de voorwaarde worden ook nog enkele bijzondere situaties geregeld. Hierna volgt een toelichting op de werking van deze voorwaarde.
|
||||
|
||||
|
|
@ -244,7 +244,7 @@ Als de overdrager een stichting of vereniging is die door de overdracht ophoudt
|
|||
|
||||
Een stichting draagt haar onderneming over aan een vennootschap door een vrijgestelde bedrijfsfusie. Het pand blijft bij de stichting achter. De vennootschap gaat het pand huren. De stichting is na de overdracht niet langer belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Hierdoor zijn de huurbaten bij de stichting onbelast, terwijl de huurlasten bij de vennootschap aftrekbaar zijn. Voorwaarde 6 voorkomt deze winstuitholling door de aftrek van de huurlasten uit te sluiten.
|
||||
|
||||
Aanvullend verwijs ik naar de parlementaire geschiedenis van artikel 14a van de Wet Vpb, waarbij in een vergelijkbare situatie een soortgelijk standpunt is ingenomen (Kamerstukken II, 1997/98, 25 709, nr. 3, blz. 11).
|
||||
Aanvullend verwijs ik naar de parlementaire geschiedenis van artikel 14a van de Wet Vpb, waarbij in een vergelijkbare situatie een soortgelijk standpunt is ingenomen (Kamerstukken II, 1997/98, 25 709, nr. 3, blz. 11).
|
||||
|
||||
Voor de volledigheid wijs ik ook nog op paragraaf 8, waar een regeling is getroffen voor het onder omstandigheden en onder voorwaarden meegeven van het recht op verliesverrekening bij einde belastingplicht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -403,7 +403,7 @@ Als een verzoek om toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Wet Vpb te laat
|
|||
|
||||
## 10. Ingetrokken regelingen
|
||||
|
||||
Het Besluit van 29 september 2008, nr. CPP2008/1008M, is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
Het Besluit van 29 september 2008, nr. CPP2008/1008M, is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
|
||||
## 11. Inwerkingtreding
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue